De vierschaar van het oude Vlaanderen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     899 Views     Leave your thoughts  

Vroeger werden in vele landstreken, gelijk mede in ons eigen vaderland, zij die de zaken onder dit oogpunt beschouwden en in deze denkwijze deelden, geëxecuteerd, te weten, de mannen ‘metten sweirde en de vrouwen gedolven, so verre zij heure dwalingen niet en sustineren of defenderen, en indien zij in heur dwalingen of opinien persisteren, gestraft metten viere.’ (Edicten van den 4 october 1539 en 29 april 1550.)

Uit een edict van den 7 october 1546, dat het loon des scherprechters bepaalt, ziet men wat deze profiteren zal voor het verbranden, voor het verdrinken, voor het levend begraven, voor het ophangen, onthalzen, radbraken, vierendelen, voor ‘t gerecht van desperatie (zelfmoord) en zo voorts ; wat hem al verder toekomt voor het geselen, het afkappen der vuist, het afsnijden van oren, het doorsteken der tong, voor het brandmerken, afsnijden van het haar en dergelijke executiën.

Een bijzonder reglement, voor de scherprechter van Gent gemaakt, meer dan een eeuw later (1676), doet zien, dat al deze verschillende doodstraffen enige verzachting te hebben ondergaan, alnog in schrik en wreedheid hadden toegenomen; dit reglement, dat uit verscheidene artikelen bestaat, bepaalt onder anderen, wat dien officier toekomt, wanneer den patiënt zou moeten met gloeiende tangen in zijn vlees genepen worden, of naar de raaijbrakinge, opgewipt en in ‘t vier gesmeten worden; wat hij trekken zal voor het vierendelen van het geëxecuteerde lichaam en de vier delen te hangen ter plaatse bij de sententie geordonneerd; wat hij al verder genieten zal voor de afkapping van de hand, het afsnijden van oren, neuzen, en wanneer daarenboven het afgekapt lid ergens moet genageld worden, en zo voorts; waaruit men met recht besluiten moet, dat al deze verschillende strafoefeningen in dit laatste tijdstip nog in vollen gang waren.

Den 31 juli 1525 werd te Antwerpen een Augustijnermonnik, die zijn klooster verlaten, en den hervormde godsdienst aangenomen had, door den Bredenraad ter dood verwezen; hij werd in een zak gestoken, en alzo levend van de werf in de Schelde geworpen. Vier herdoopte vrouwlieden kwamen, in de palmweek van het jaar 1534, op dezelfde wijze, door beulshanden, om het leven; drie andere zijn ten jare 1557, eveneens in zakken gebonden en in gemelden stroom geworpen. Het Antwerpsch kronijkje, waaruit wij deze bijzonderheden overnemen, maakt nog melding van andere personen die in 1566 en 1569, wegens hun denkwijze omtrent de bestaande godsdienst, op die manier, het leven verloren.

– Neelke (Cornelia) Aelders wegens kindermoord gecondemneert om op het schavot versmoord te worden in een pijp met water

– Zij die deze straf ondergingen, werden, met het hoofd tusschen de knieën gebonden, in een vat vol water gedompeld, en alzo allengs verstikt.

– Guurt Jan Mikkers dochter bekend hebbende herdoopt te wezen, wiert verwezen geëxecuteerd te worden met de wateren, en haar goed verbeurt op den 6 februarij 1537, ter presentie van al de schepenen.

– Den 7 juni 1539, Elsge van Wesel, Marytje Davids dochter van Leiden, Trijntje Jans uit het sticht Munster, om dat zij herdoopt waren en niet en hield van de sacramente des Heiligen autaars of inzetting der H. Kersten Kerk, gevonnist als hoven.

– Stijntje Jan Mikkers weduwe van Alkmaar, en Griet Jacobs van Langendijk, omdat zij beiden hadden herdoopt te wezen, en afgegaan te hebben heur eerste doopsel, en niet en geloofde dat heilige Sacrament des autaars of inzetting der H. Kersten Kerk, en daarenboven Stijntje, willens en wetens herdoopte gelogeert te hebben, veroordeeld door het water te sterven, en hare goederen verbeurt.

Deze straf is van de Germanen herkomstig; het schijnt volgens Tacitus, zegt Montesquieu, dat de Germanen slechts twee hoofdmisdaden kenden : zij hingen de verraders op, en verdronken de lafhartigen (poltrons); dit waren de enige misdaden bij hen, die van algemeen belang waren. Wanneer iemand een andere verongelijkt had, dan mengden zich de bloedverwanten van de beledigden geschonden personen in de twist en de haat werd bevredigd met een genoegdoening. Deze genoegdoening kwam toe aan den beledigde of zijn bloedverwanten, indien door de dood van hem, die beledigd of geschonden was, die voldoening aan hen was vervallen.

De straf van de put, bestaande in het delven der veroordeelden levend in den grond, en welke bij de Romeinen het noodlot was der vestaalse maagden, die het gewijde vuur hadden laten uitgaan, is ook van de eerste tijden in deze gewesten bekend geweest, en kan onder de oudste doodstraffen gerekend worden. Bijna in al de denombrementen van lenen der vroegste tijden leest men, dat de leenman, onder andere rechten, heeft put ende galge, ais blijk dat de hoge, middele en nedere jurisdictie aan het leen verkleefd is. De straf van den put ondergingen de vrouwen alleen.

Verscheidene costumen van Vlaanderen maken ook melding van deze straf: onder de casselrij van ijperen wordt een man of vrouw, voor de derde reis van overspel overtuigd, gebannen : de man op de galg en de vrouw op de put. Onder het gebied van Antwerpen werden ook de verbanningen op galg en put uitgesproken. Elders leggen de costumen deze straf voor andere misdaden op; maar deze bepalingen zijn eveneens niet anders, dan een hernieuwing der reeds bestaande verordeningen: ‘Voort so wie die mede ware in wille of in varde, daar men wijf vercrachte, en daar af verwonnen worde bi scepenen, men soudene bannen ute den lande van Vlaandren ses jaar, den man op de galge en’t wijf op den pit levende tedelvene, en zo wi andadich an ware, en daar af verwonnen worde, men soudene bannen ute den lande van Vlaandren 100 jaar en eenen dach, den man op de galgh en ‘t wijf op den pit, also lange alst voorseijdes.’

Vrouwen uit alle standen, van de geringe zo wel als van de deftigste burgerklasse, jeugd en ouderdom zonder onderscheid, werden op deze wijze gedurende een geruimen tijd, in de voornaamste steden van Nederland en Vlaanderen, om het leven gebracht. Deze straf van levend begraven te worden, en de wijze vooral, op welke dit beulswerk verricht werd, baarde in enige plaatsen, gedurende dit laatste tijdvak, zoodanige schrik onder het volk, dat men verkoos verbrand te worden; ten minste staat het vast, dat men tijdens de bijeenverzameling der costumen, de straf van het vuur behield, terwijl die van den put door een stellige bepaling verboden werd.

Het houden van lichte vrouwen werd in Brabant met het afhouwen der vuist, en een ban van tien jaren bestraft, en volgens de privilegiën van der goede en vermaarde stad van Gent, was ‘ de pimitie van de makelaars de ban, en de koppelaressen den neuse af, maar zij useerden van de neuse niet.’

Uit de Zoendinc-Boucken der stad Gent van de14de eeuw wordt gezien, dat deze zonderlinge straf alstoen nog in zwang was. Zekere Wouter Vrient had, met behulp van zijnen broeder, Beatrix Geens in een gevecht de neus afgesneden; dan over deze euveldaad had een verzoening plaats en dezelve werd met geld geboet. Hij betaalde voor de neus 150 ponden van Parijs. In het compromis leest men dat het beroven van dit zintuig, een van die straffen is, welke door de rechterlijke macht alleen en voor sommige misdrijven kan worden uitgesproken .

In Vlaanderen, zegt een schrijver, useert men wel vijf, zes, of zeven manieren van capitale punitien: de eerste en meeste is lijf en goed, de andere is lijf en geen goed, de derde is mutilatie, dat is afhouwing van leden, ‘t zij vuist, oor, vinger of andere, de vierde is openbare fustigatie oft geseling met ban, de vijfde is de eeuwige ban met confiscatie van goederen, de zesde installatie en pelorrijn. Pelgrimagien verre oft naar, die men zegt geschreven te zijn in den rooden boek.

Ze useren in Vlaanderen zeer te punieren met bannen; en er zijn drie manieren van bannen, te weten uijtter stede, in der stede, en in gedesigneerde plaatsen, gelijk als Chijpres, Rhodes of elders in Hongarije. De wetten in Vlaanderen bannen soms zonder tijden: die van Gent bannen altijd met tijden van vijftig jaren en daaronder, en die van Brugge bannen soms bij termijn, ende sommigen zonder termijn.

In 1537 had te Gent het zeldzaam geval plaats, dat een lid der regering zelf in opene kamer van schepenen gegeeseld werd: hij had een begijn onteerd, ende zijnen laste bleek dat hij gewoon om dat te doen en daarom dat hij sententie van schepenen en zijn metgezellen en was hij daar in de vierschaar openbaar gegeeseld tot bloedens toe, en voorts opgesteld op een wagen aan een staak, en rondgevoerd alle vier weegsheeden en daar ook gegeseld met roeden.

Weinig tijd te voren was Maurissus Vander Vijnct wegens het uitschelden van magistraatspersonen, rondomme de stegen in schepenkamer, met roeden gestraft geworden. In 1539 werd een publieke ontvanger voor knevelarij en het misbruiken van gemene geldmiddelen, op dezelfde manier gegeseld, eerst voor het schepenhuis en dan in de voornaamste plaatsen van die stad, tot op het galgenveld toe, alwaar hij eindelijk met het oor aan de galg is genageld.

Niet lang daarna (in 1587), viel een zekere Jan de Wevere, die eene soortgelijke bediening uitoefenende, wegens een gelijk misdrijf, hetzelfde lot ten deel: hij werd eerst in open vierschare van schepenen, en daar na rondom de vier pilaren van de Vismarkt gegeseld, maar gelukkiger dan zijn voorganger, behield hij het oor.

Het frauderen van de stadsaccijns, vond men op dit tijdstip, nog geradig op de zelfde wijze, met roeden te beteugelen: den 10 April 1609, werden twee brouwers wegens sluikhandel daarin behalve andere straffen, gegeseld in open kamer van schepenen en rondom de pilaren van de Vismarkt. Kort voordien was een wijntavernier voor gelijke fraude, eerst in de vierschaar en daarna op een wagen, met een opschrift op de borst, in de voornaamste straten van zijn stad, insgelijks gegeseld geworden. Een aannemer van publieke werken, die aan de voorwaarden van de aanbesteding niet had volkomen en het aangenomen werk had verlaten, is ook zo behandeld; de 20 Juli 1578, in schepenkamer gebracht zijnde, werd hij aldaar met open deuren tot den bloede gegeseld, en van daar geleid ter plaats alwaar hij het werk had verlaten, en daar nog eens gegeseld.

De openbare fustigatie was slechts de gewone straf der dieven, burzensnijders, landlopers, bedriegers en gelukzoekers, die toen diepers of deepers genoemd werden. Overgroot is het getal der verwijzingen tegen personen van dat soort en slag uitgesproken, die in de registers bijna op elke bladzijde voorkomen; bevreesd voor wijdlopigheid, moeten wij ons onthouden om hiervan breedvoerige berichten te geven.

Intussen zal het misschien niet ongepast zijn, te dezer gelegenheid, evenwel melding te maken van twee dames, waar onder een valse gravin, beide als openbare bedriegsters te Gent, met roeden vreselijk geteisterd. Anna Souhieres, een van deze gelukzoeksters, ‘vagabonderende achterlande van stede te stede had zich geadscribeert den title van grooten huuse, fleur ende extractie’ en op die manier door alle soort van leugens, geld, klederen en andere voorwerpen had weten te verkrijgen. Reeds te voren was zij wegens gelijk bedrog, eerst te Bergen in Henegouwen en daarna te Brugge, met geseling en brandmerk gestraft geworden. Te Gent werd zij, in opene vierschare van schepenen, al weer gegeseld tot den bloede, voorts voor het stadhuis op haren rug, terzijde alwaar zij niet getekend was, gebrandmerkt, en in dezen staat, al verder gevoerd en gegeseld in de vier principaalste weegscheeden der stede; zijnde dit vonnis uitgevoerd den 31 januari 1561.

De tweede was eene Gelderse vrouw, in het proces gekend onder den naam van Petronilla van de Velde: ze had verschillende namen van edelen geslachte geüsurpeerd, en onder anderen zich geheeten Gabrielle ‘s gravens dochter van een heerlijk huis in Gelderland; niet alleen waren door haar menigvuldige gekwalificeerde bedrogen, en dieverijen gecommitteerd, maar zij was, onder die valse naam, met een aanzienlijke edelman van Maastricht in de echt getreden. Weldra werd het bedrog ontdekt, en het aangegaan huwelijk, voor het geestelijk hof te Luik, nul en van onwaarde verklaard.

Te Brussel, te dier zake gevangen zijnde, doet zij aldaar afstand van haar ook al verboden geloofsgevoelens , verzoent zich met de H. Kerk, en geraakt door dit middel weer op losse voeten. Haar straf aldus ontkomen, houdt zij zich enige tijd binnen Kortrijk op, alwaar zij onder den naam van Maria Zwarts haar bedriegerijen voortzet. Van daar gevlucht en eindelijk te Gent aangehouden, werd zij in deze stad op den juni 1564, gegeseld, gebrandmerkt en hergeseld.

Het schijnt echter niet dat deze zo wrede lichamelijke straffen eenig nut hebben te weeg gebracht, of dat het getal der overtreders daardoor eenigzins verminderde: ongevoelig aan smart en schande, zag men alle stonden, de zelve personen op ‘t zelfde schavot verschijnen, en binnen het tijdsbestek van slechts weinige jaren, verschillende malen dezelfde straffen ondergaan.

Een zekere Israël Uuterwulghen doorging alle de graden van deze kastijding, en werd, gedurende zijn korte levensloop, bijna onophoudelijk met roeden beproefd. Na vele malen, op allerlei wijzen, en met alle slag van bijwerk, gegeseld en gebrandmerkt te zijn geweest, eindigde deze, in den jeugdige leeftijd van slechts 21 jaren, zijn ellendig leven aan de galg. De sententie, die hem ter dood verwijst, bevat zijn geheele levensbeschrijving, en verdient in dat opzicht, alhier onder het oog van den lezer te worden gebracht. Zij zal, zo wij menen, ruim stof opleveren tot wijsgierige en rechtskundige overwegingen.

Het Oude Strafrecht in Vlaanderen (geschreven in 1835 en ietwat aangepast)

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>