De vierscharen van Veurne

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       11 months ago     371 Views     Leave your thoughts  

De geschiedenis van Watou

Ik blader door ‘Geschiedenis van Watou’ door Louis Augustin Rubbrecht, de gewezen gemeentesecretaris van Roesbrugge. Het boek werd uitgegeven in Brugge in het jaar 1910. Nog voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog en het was ook in 1914 dat de schrijver op 77-jarige leeftijd overleed. Het werk bevat maar liefst vierhonderd bladzijden. Ik ben onder de indruk. Ik neem me voor om nu en dan eens een fragment uit dit boekwerk op te nemen in mijn ‘Kronieken van de Westhoek’. Uit respect voor de man gaat uiteraard alle verdienste naar hem en geen naar mijzelf. Ik beperk me om hier en daar de spelling van te actualiseren en waar nodig de tekst in te korten of samen te vatten. Mijn lezers verdienen absoluut om kennis te maken met deze schitterende geschiedenis van Watou!

Zo. Ik bevind me al onmiddellijk in de opener. Rubbrecht keert terug naar de tijd van de Romeinen. Hoe was de grond toe verdeeld nog voor er sprake was van Watou? We moeten kijken naar de eerste Franse werken die het hebben over het oude Gallië. Ze vertellen hoe de Franken de Romeinen er verdreven en achteraf hun eigen staatsinrichting invoerden en hoe het leenroerig stelsel tot stand kwam. Hier zitten ze helemaal verkeerd. De feodale inrichting bestond al lang voordien.

In de begintijden van de leenroerigheid waren gronden en landgoederen in drie soorten verdeeld. Het grootste deel daarvan bestaat uit allodiale gronden (francs-alleux), zeg maar de vrije erven van de huisgezinnen. Een ander deel waren de beneficiaire landen en de rest (het kleinste deel) waren verpande of tributaire gronden. Daarnaast bestonden er nog gronden die geen vaste gebruikers of eigenaars hadden. Bossen, heiden, moerlanden. Hier konden de vorsten naar goeddunken over beschikken.

Bij de overwinning van de Franken werden veel en uitgestrekte domeinen weggeschonken aan krijgslieden, topambtenaren en hoogwaardigheidsbekleders Zolang ze maar trouw bleven aan hun vorst. Zulke eigendommen waren dus belast met een verplichting tegenover de overheid. En die noemde men ‘lenen’. Vanuit de betrekkingen tussen leenheren en leenhouders is het hele stelsel van de leenroerigheid ontstaan, met al zijn latere verwikkelingen. Stukje bij beetje, sommige vroeger, sommige veel later waardoor het tot twee eeuwen heeft geduurd voor de kaart van de lenen een vaste vorm begonnen aan te nemen en er sprake was van een algemeen erkend gezag.

Ook in ons land heeft het leenstelsel al vroeg geleid tot de vorming van heerlijkheden, baronieën, graafschappen, enzoverder. Af en toe ontstonden er heerlijkheden met enkel en alleen als oogmerk van een betere uitbating van de landerijen. Dat was bijvoorbeeld het geval met de heerlijkheid van ‘het Hofland’ te Reninge. In 1065 schonk Boudewijn, graaf van Vlaanderen een hof met land en lage gronden te Reninge aan de abdij van Hasnon. Vierhonderd jaar later, in 1464, veranderde het statuut van de gronden door de grote afstand tussen Hasnon en Reninge.

Het leen werd afgescheiden en ging over op Joannes Colin, de heer van Houts-Ambacht die de autoriteit kreeg om er recht te spreken en daarnaast een baljuw, een amman en zeven schepenen in dienst te stellen. Hij diende voor zijn eigendom wel jaarlijks betalingen uit te voeren zodat de abt en zijn medebroeders van Hasnon konden voorzien in hun onderhoud. De heerlijkheid van het Hofland kwam zo terecht en werd onderdeel van de ‘Generaliteit van de Acht Parochieën’. De term ‘onderdeel’ wordt in onze geschiedenisboeken ook omschreven als een ‘brank’.

Uitgestrekte domeinen gingen over en werden het bezit van gezaghebbende mannen waarvan hun doopnamen overgingen naar de naam van hun streken. Philippe de le Douve, Gerardus van Crombeke, Jan van Stavele, enzoverder. Ze bouwden kastelel, zeg maar versterkte plaatsen. In de nabijheid werden hutten en huisjes opgetrokken in leem, met daken van riet of stro. Hier kon de werkende bevolking wonen en slapen. Het waren de mensen die in dienst stonden van de heer om de bossen te rooien, het land te ontginnen en te bewerken. Men noemde deze werkende bevolking de ‘laten’.

Voor de inwoners van het kasteel en deze die in de omtrek woonden, werd een kapel gebouwd. Een verdrag met de bisschop regelde de bediening van de geestelijke behoeften door een kapelaan die afgevaardigd werd door de bisschop en betaald door de kasteelheer. Naarmate de bevolking groeide, werden de kapellen vervangen door kerken. De lemen huisjes kregen het gezelschap van nieuw gebouwde woningen en die begonnen allemaal te wonen in wat op een dorp begon te lijken.

Een groep van dorpen vormde samen een soort van graafschap die de naam van een kasselrij kreeg. Dat gebeurde toen een van de landgraven plots gepromoveerd werd tot (overkoepelend) graaf van Vlaanderen en die dus het bevel begon te voeren over de gewestelijke graven die meer en meer terugvielen op de status van kasteelheren in dienst van de graaf.

De streek waarin Watou gelegen was viel in het begin onder de kasselrij van Cassel. Daarna is ze overgegaan naar de kasselrij van Veurne met Veurne als hoofdplaats. Watou bleef tot aan de Franse revolutie ondergeschikt aan Veurne. De kasselrij van Veurne bestond uit twee afdelingen. Enerzijds ‘Veurne-Ambacht’ en anderzijds ‘de generaliteit van de acht parochieën’.

Veurne-Ambacht bevatte de plaatsen en dorpen in de omgeving van Veurne. De plaatsen die dagelijks in contact stonden met de stad. Tweeënveertig dorpen waren het. Ook wel ammanien genaamd. Ze waren verdeeld in twee vierscharen. De Noordvierschaar behelsde twintig dorpen; Oostduinkerke, Ramskapelle, Sint-Joris, Pervijze, Eggewaartskapelle, Avekapelle, Steenkerke, Wulpen, Booitshoeke, Beoosterpoort, ‘s Heer-Willemskapelle, Leisele, Izenberge, Wulveringhem, Houthem, Bulskamp, Adinkerke, Bewesterpoort, Sinte-Walburga en Koksijde.

De Zuidvierschaar bevatte tweeëntwintig dorpen. Te weten; Haringe met als bijvoegsel Roesbrugge, Proven, Stavele, Krombeke, Westvleteren, Oostvleteren, Reninge, Beveren, Gyverinkhove, Hoogstade, Pollinkhove, Lo, Kaaskerke, Stuivekenskerke, Oostkerke, Oudekapelle, Lampernisse, Zoutenaaie, Alveringem, St-Rijkers, Oeren en Vinkem. Veurne-Ambacht had een oppervlakte van 77.355 gemeten, zowat 32.000 hectare, vrij evenwichtig verdeeld tussen beide vierscharen.

Wordt vervolgd

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>