De vissers van Nieuwpoort & Duinkerke

In de Westhoek beleven de Vlaamse havensteden van Nieuwpoort en Duinkerke het leven van keizer Karel op een heel verschillende manier. Nieuwpoort houdt het relatief veilig terwijl het dertig kilometer verderop gelegen Duinkerke in 1558 met de grond gelijk gemaakt wordt als de Fransen er lelijk huis houden. Nieuwpoort toont zich erg solidair met zijn buren.

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

1558. Terwijl ik de herdenkingsmis van keizer Karel bijwoon in de Sint-Maartenskerk van Ieper moet ik plots denken aan Nieuwpoort. De eerbiedwaardige kanunniken werken zich uit de naad om het stukje theater, hun heilige mis af te werken in een geest van dank aan de heer voor het voorbije leven van de vorst. ‘Verloren moeite’, denk ik bij mezelf maar om eerlijk te zijn; ik kan er mijn gedachten niet bij houden. Nieuwpoort en mijn favoriete geschiedschrijver René Dumon overspoelen mijn schrijversziel. Ik moet dringend verder werken aan het verleden van deze mooie stad aan zee. Hoe zou het eigenlijk gaan in maritiem Vlaanderen, daar aan de zeekant van de Westhoek?

Ik pik de draad van het verleden weer op. René laat al onmiddellijk in zijn kaarten kijken. ‘Een veelbelovend begin’, schrijft hij. Ik vraag me af of het Nieuwpoort echt beter zal vergaan dan de stad Ieper tijdens het leven van Karel nummer vijf. Het vertrouwen in de toekomst is in elk geval groot bij het aanbreken van de 16de eeuw. De vesting Nieuwpoort heeft zich de voorbije tien jaar een mooie reputatie weten op te bouwen. De Franse legers hebben nogal wat tanden stukgebeten op hun stadsmuren. Tot verbazing van heel Vlaanderen. De faam van Nieuwpoort is met stip gestegen.

De gevolgen worden al meteen zichtbaar. In 1490 wordt de Sint-Jansprocessie voor de eerste keer georganiseerd door een nieuwe broederschap die opgedragen wordt een moeder Maria omwille van haar vermeende hulp in bange dagen. Ik laat de mensen in hun waan, ze doen tenslotte geen kwaad en noteer alvast de naam van hun nieuwe vereniging: ‘De broederschap van Onze Lieve Vrouw van de Nood Gods’. Ik controleer voor alle zekerheid of ik alle hoofdletters, middeleeuwse symbolen van opperste respect goed heb overgenomen. Islam, God, Moeder Maria, Heilige Geest. De wereld is zo te zien blijven hangen in zijn oude doos van bijgelovige rituelen. Het Mariaclubje in Nieuwpoort kent zoveel bijval dat talrijke vreemdelingen zich als lid laten inschrijven.

Aartshertog Maximiliaan staat natuurlijk erg dankbaar ten opzichte van Nieuwpoort die in zekere zijn hachje heeft gered. Hij schenkt de stad een tweede jaarmarkt. Goed voor een extra week vol vreemdelingen die er zaken gaan doen. Twijfelgeval Brugge verliest de juridische voogdij over de kuststad. De rollen worden zelfs omgedraaid: het Brugse Vrije zal voortaan onder de juridisch paraplu van Nieuwpoort vallen. Het moet ongetwijfeld een kaakslag zijn voor die van Brugge. Op 11 juni 1500 vereert Maximiliaans zoon, de 22-jarige Filips de Schone de stad met een officieel staatsbezoek.

De hoofdgilde van Nieuwpoort raakt door de Gentenaars erkend als een vrije gilde, ‘de vrije rederijkerskamer van de retorica’. Het aantal beroepsverenigingen, toen nog allemaal stuk voor stuk ‘gilden’ genoemd, swingt de pan uit. Er is werk en er komen voortdurend nieuwe inwoners bij. De nieuwe gilden kloppen aan bij de kerkautoriteiten om een kapel in de kerk te reserveren. Iets wat natuurlijk niet mogelijk is gezien het groot aantal aanvragen, maar de kanunniken laten zich niet ontmoedigen en besluiten om een vierde beuk bij te bouwen aan de bestaande Onze-Lieve-Vrouwekerk. De bouw zal rond 1510 afgerond zijn en er voor zorgen dat het heilig huis van Nieuwpoort tot het kransje van de mooiste en grootste kerken van Vlaanderen zal behoren.

De glorieuze kerk staat in schril contrast met de triestige bedoening die het oude stadhuis moet voorstellen. Al in 1448 staat het schepenhuis of het gijzelhuis aan de zuidkant van de Langestraat omschreven als oud en rot, van klein gerief en bovendien op een verkeerde locatie gelegen. Het lamentabel gebouw is feitelijk al verkocht terwijl er al enkele woningen in het centrum van de stad aangekocht werden. Hier zou een nieuw en treffelijk stadhuis worden gebouwd. Alleen spijtig dat het er nog nooit van gekomen is.

In 1512 biedt er zich een gouden mogelijkheid aan als het hele noordelijke deel van de Langestraat afbrandt tijdens een grote stadsbrand. Het schepencollege profiteert van de catastrofe om zijn hand te leggen op een perceel grond tussen de Oostendestraat en de Sint-Jacobsstraat om op die hoek een nieuw ‘gijzelhuus’ te bouwen. Metser Simoen Penninck legt er op 8 april 1513 de eerste steen. De oude stadsrekeningen omschrijven de aannemer als ‘meester metsenaere’ die daarbij nog de hulp krijgt van zijn leverancier Jan Roelant, ‘de steenhouwer wonende te Brucele.’

Het dubbel gebouw is afgewerkt in 1516. Het hoekhuis aan de Oostendestraat zal voortaan gebruikt worden door de bestuurders en de rechters terwijl het bijhorend complex aan de Langestraat ingenomen wordt door de administratieve diensten. In de hal van de rechtbank zal tot 1914 de spreuk ‘Alteram Partem Semper Audite’ te zien zijn. Het toont aan dat de goede intenties van de rechters duidelijk aanwezig waren tijdens de bouw, want met deze Latijnse spreuk maken ze duidelijk dat er hier ook echt zal geluisterd worden naar wat de tegenpartij te zeggen hebben.

René Dumon spiekt al een keer over het muurtje van de toekomst. Het gebouw zal inderdaad dienst doen tot aan het uitbreken van de eerste wereldoorlog en zal 500 jaar kunnen weerstaan aan de tanden van de tijd. Hetzelfde kan gezegd worden van het gevangenisgebouw, het gewezen ‘gijzelhuis’ dat gefinaliseerd wordt in 1516. Tijdens de oorlog van 1914-1918 zullen de gebouwen van Simoen Penninck helemaal verwoest worden. Enfin, dat is toch wat de schrijver van de geschiedenis van Nieuwpoort me probeert wijs te maken. Ikzelf weiger pertinent om zo ver in de toekomst te kijken. Ik hoop het ooit nog mee te maken om verslag uit te brengen van de jaren 1900. Misschien zal ik dan zelf al de respectabele ouderdom van tachtig jaar bereikt hebben. Wie weet trouwens wat er dan al dan niet nog mogelijk zal zijn?

Nee. Nee. Ik blijf nog even die prille zestiger. Geef me maar de periode rond de jaren 1500 met dit Nieuwpoort aan de Noordzee, de kuststad die niet vergeet zijn hoofdrol op te eisen voor wat betreft de scheepvaart en de visserij. In Engeland bieden de belangrijkste havensteden een service aan om het binnenvaren van de schepen in hun havens in goede banen te leiden. Een scheepsbegeleidingsdienst die ook zijn intrede doet in een zestal Vlaamse havens. Ook in Nieuwpoort komt er een loodswezen tot stand. Uiteraard gebeurt dat onder de noemer van een gilde. Die van de H. Drievuldigheid, een mysterieuze patroon die zich in drie gedaantes kan voordoen. Het fort dat in latere tijden in de havenmonding zal gebouwd worden, zal nog bekend raken als ‘Fort Triniteit’, maar zo ver is het in 1495 nog niet gekomen.

Op 24 februari van dat jaar ondertekent de Vlaamse visserij een handelsakkoord met Engeland. Het verdrag, de ‘Intercursus Magnus’, laat de Vlaamse vissers toe om onbeperkt hun metier uit te oefenen voor de Engelse kusten. De haringvisserij vaart er wel bij. De haring verschaft de Nieuwpoortnaars een rijke bron van inkomsten. Hun schepen, ook wel ‘bussen’ genoemd, hebben een tonnage van een flinke vijftig ton. Ze hebben een kleinere diepgang dan de andere schepen maar krijgen precies daarom betere toegang tot losplaatsen die voor andere schepen ontoegankelijk blijven. In geval van nood kunnen ze zelfs via het strand aanmeren.

De 16de eeuw zal aan de zeekanten zorgen voor een lange beginperiode van vrede. Perfect en ideaal en veelbelovend voor de handel en de visserij. En toch begint de zeevisserij in Nieuwpoort, Oostende en Duinkerke om onverklaarbare redenen te kwijnen. Ik voel de frustratie van schrijver René Dumon dat hij niet echt de vinger kan leggen op de redenen hiertoe. In 1519 is er wel sprake van een oorlog met Denemarken, maar de visserij heeft daar in feite niets mee te maken. De ellende is hier beschikt voor de handelsboten. Zo is er sprake van de kaping van vier Nieuwpoortse schepen op de Baltische zee waarbij de Denen de boten doen binnenvaren in Kopenhagen.

Ik steek mijn licht op bij andere bronnen. Bij Roger Degryse die perfect weet hoe de vork in de steel zit. De samenwerking met de Zeeuwse en de Nederlandse havens loopt perfect. De haven van Antwerpen blijkt de grote boosdoener te zijn en vooral de politiek geïnspireerde ruzies met de Duitse havens, zo bijvoorbeeld met die van Lübeck gooien roet in het Nieuwpoortse eten. Er zijn natuurlijk ook de ruzies rond de hoeveelheid en de verkoop van verse haring op zee. Vetes die uitmonden in een schadelijke verordening waarbij het branden en het zouten van de haring aan tijdslimieten wordt onderworpen en er geen vangst meer mag plaatsgrijpen voor de Sint-Jacobsdag, 25 juli.

Roger Degryse vertelt trouwens wat meer over de kaping van de Nieuwpoortse schepen door de Denen. Aan de basis ligt inderdaad een politieke ruzie tussen keizer Karel en de Denen. In augustus van 1519 worden vier ‘buizen’ uit Nieuwpoort en één uit Veere te Kopenhagen aan de ketting gelegd en worden de bemanningen gevangen gezet. Haring of niet. Ik blijf echter het spoor volgen van René Dumon. Hij heeft het over het bezoek van de twintigjarige keizer Karel aan Nieuwpoort. Hij wordt op 6 juli 1520 met alle plechtigheden van doen ontvangen in het nieuwgebouwde stadhuis van de stad, luncht er met de magistraat en vertrekt dan naar Duinkerke waar ik straks ook naartoe stap.

Ik keer eerst nog eens terug naar de grote stadsbrand die raast door het Nieuwpoort van 1512 en die haar hele noordkant in de as legt. Het is niet de eerste keer dat de stad in lichterlaaie komt te staan. De meeste woningen zijn gebouwd uit hout en bedekt met stro. De mensen maken dan nog gebruik van turf om hun huisvuren aan te steken. Brandpreventie is prop nul. In 1503 zijn er in Veurne een twintigtal woningen in rook opgegaan en de schade is hier erg beperkt gebleven dank zij de kranige bluswerken van de mensen zelf. Maar buiten een dankmis aan de Heer werden er geen preventieve maatregelen getroffen om nieuwe branden te voorkomen.

Veurne krijgt in 1512 te maken met een nieuwe stadsbrand waarbij het vuur van één woning zich verspreidt naar 300 andere huizen. Een lopend vuur pur sang. Zelfs de hulp van tientallen landslieden uit de streek kan de rampzalige gevolgen van de brand niet verijdelen. Ook Nieuwpoort krijgt dus wat later zijn deel van de vlammende miserie. Voor het stadsbestuur van Veurne is de maat vol en komen er maatregelen. De mensen zouden beter hun strodaken verwijderen en vervangen door ‘cromme teghelen’, de dakpannen van die dagen. De kosten voor de nieuwe dakbedekking worden voor een groot deel gedragen door de stad Veurne zelf. Deze maatregelen in hun buurstad zorgen voor een leuk toemaatje voor de Nieuwpoortse scheepvaart, want al de dakpannen worden via hun haven aangevoerd. De ‘teghelen’ worden aangekocht in Antwerpen en worden per zeeschip naar de Westhoek overgebracht waar tal van kaaiwerkers en voerlieden er enkele jaren hun voordeel mee zullen doen.

Er mag dan in het begin van de jaren 1500 geen sprake zijn van oorlog, toch blijven de spanningen met de Fransen in de lucht hangen. Wie mijn kronieken over keizer Karel gelezen heeft, weet dat de jaloezie over de status van de Gentse keizer bij onze zuiderburen een grote rol speelt. Af en toe worden de Nieuwpoortse vissers door de Fransen lastig gevallen. Nieuwpoort en Veurne beseffen dat een goede samenwerking onder elkaar geen overbodige luxe is en sluiten in 1500 en 1505 handelsakkoorden rond de constructie van een nieuwe sluis ter hoogte van Nieuwendamme. De scheepvaart op de binnenwateren kan er maar goed bij varen.

Het nieuws over het lokaal bestuur en prullaria over kerkelijke toestanden krijg ik maar mondjesmaat toegediend. Dumon beweert dat alles peis en vree is in Nieuwpoort. Voor mij lijkt het er wel op dat de stad aan een winterslaap is begonnen. Wat een schril contrast met de avontuurlijke eeuwen die ze hier in het verleden beleefd hebben. Saaie materie over kosters en begrafenissen. Deals tussen de magistraten en geestelijken die het eigenlijk niet waard zijn om vernoemd te worden.

In 1507 ontstaat er een geschil tussen Veurne-Ambacht en de stad Nieuwpoort over de precieze locatie van de galg. Het meningsverschil wordt bepleit voor de Raad van Vlaanderen die het heeft over ‘het galge stick vander Nieuport, groot zeven gemeten ofte daer omtrent, up ’t welcke men van oude tyden de malfaiteurs gerecht ende gejustieert heeft zonder contradictie of belet van iemanden welc stic lands gelegen es in de wilde Dunen buiten der jurisdictie van Veurne Ambacht.’ En verder over ‘de opvolging welcke die van Nieuport up het galghen stick houden staen hunne drypeckelen, galghen, raederen, sprieters ende voordere teeckene en instrumenten van den hoogen justicien van Nieupoort, als van alle oude tyden.’ Het komt er allemaal op neer dat die van Veurne-Ambacht er niets aan te zeggen hebben waar de stad Nieuwpoort zijn veroordeelden mag lynchen. De galgen mogen blijven staan waar ze altijd al gestaan hebben.

Het fameuze perceel, het ‘galghestuck’ situeert zich langs de ‘galgenoevers’, zowat twee kilometer ten westen van de Oude Veurnestraat en honderd meter zuidoostelijk van de Polderstraat. Volgens schrijver Karel Loppens zullen er hier later in de geschiedenis nogal wat menselijke geraamtes opgedolven worden uit dit galgenland. Hij weet trouwens te vertellen dat de terechtstellingsplaats op termijn zal verhuizen dichter bij het centrum, naar een plek die bekend wordt als ‘De Stuiver’ langs de weg naar Oostduinkerke.

Nieuwpoort en Veurne-Ambacht proberen op economisch vlak wel samen te werken maar dat betekent helemaal niet dat er geen spanningen bestaan tussen beide besturen. Zoals gewoonlijk gaat het over de macht over de buitengebieden tussen Nieuwpoort en Veurne. Er is sprake van een nieuwe rel in 1537. Een juridisch dispuut rond de Yde en het Vloedgad die al sinds 1246 onder de jurisdictie vallen van Nieuwpoort. Dat was een beslissing van de toenmalige gravin Margaretha van Constantinopel.

Driehonderd jaar later ziet het gebied er helemaal anders uit. Het verzanden van het Vloedgad bij de zee heeft er voor gezorgd dat er een pak volk weggetrokken is. De mensen zijn gaan wonen in Groenendijk op een plaats die bekend raakt als ‘Yde’ of ‘Nieuwerijde’, aan de rand van de duinen en voor een deel in de duinen zelf. Het stadsbestuur van Nieuwpoort is de bevolking van het oude en nu haast verlaten Vloedgad gevolgd richting Nieuwerijde en blijft er de juridische plak zwaaien. Met stilzwijgende toestemming van Veurne-Ambacht die daar aanvankelijk ook geen graten in ziet.

De bevolking van Nieuwerijde is door de eeuwen heen echter blijven groeien met het gevolg dat Veurne-Ambacht gestaag terrein kwijtspeelde, iets wat vermoedelijk wel voor de nodige wrevel zal hebben gezorgd. Wanneer enkele inwoners huizen gaan bouwen even buiten het centrum van Nieuwerijde slaan de Veurnse knipperlichten op oranje. De schepenen van Veurne-Ambacht gaan zich moeien met deze nieuwe inwoners waarop die hun beklag gaan doen bij het stadsbestuur van Nieuwpoort zelf. Het is opnieuw de Raad van Vlaanderen die de bevoegdheidsmaterie zal dienen uit te klaren.

De advocaten van Veurne-Ambacht claimen dat de bevolking op hun feitelijk landgebied ‘met de helft gheaugmenteert’ was. Veurne en Nieuwpoort komen tijdens een hoorzitting tot een overeenkomst. Nieuwpoort zal grenspalen plaatsen zodat het voor iedereen duidelijk wordt tot waar Nieuwerijde en Vloedgad strekken, ‘van der breede ende lingde vander Yde ende Vloedgat, dus questie es, zulc als die nu ter tyt es.’ De Raad wil zich echter niet uitspreken hoe lang die palen er zullen mogen blijven staan en weigert daarmee een stelling in te nemen rond de wettigheid van de Nieuwpoortse wijken op Veurns grondgebied.

In 1551 ontstaan er nieuwe moeilijkheden. Terwijl Yde en Vloedgad onder de jurisdictie van Nieuwpoort vallen en er nu duidelijk grenzen bestaan, meent het stadsbestuur dat ze alle rechten hebben om de inwoners van de plaatsen te mobiliseren zodat ze in dienst kunnen komen van de Veurnse afgevaardigden. In het register ‘procuratien ende andere acten’ van het Nieuwpoorts stadsarchief staat het omschreven dat die ‘vander Yde ghesommeert zyn by die van Veuren Ambacht tot wapenscowinghe te gaene’. Met het verglijden van de zestiende eeuw zullen er nog verdere strubbelingen rijzen.

In 1581 zullen er nieuwe grenspalen geplaatst worden rond Nieuwpoort. Vijf stuks gemaakt van arduinsteen. De eerste paal komt op een plek die bekend staat als ‘Ons Heren Huizeke’, een kapel bij het Kattesas van de Oude Veurnestraat. De grens loopt van dat bidhuisje met zijn schitterende naam tot een tweede steen naar de ‘duynen ende pasturagien’ van de heren van Nieuwlande. Het aangegeven grasland ligt zuidelijk van de boerderij van Aernoudt Bogaert. De derde paalsteen prijkt in de Pelikaanstraat langs de weg tussen Nieuwpoort en Veurne. Het vierde exemplaar bevindt zich aan de Lobrug en de vijfde bij de Sint-Jorisdijk.

Het zeestrand van Nieuwerijde en Vloedgad valt in 1537 in ieder geval binnen de Nieuwpoortse grenzen. Een reglement van die tijd heeft het over de strandschuimers die aangespoelde goederen plunderen nadat een of ander schip op zee is vergaan. Bij elke storm gaat er wel een of ander schip verloren waardoor het de strandschuimers nooit ontbreekt aan gelegenheden om aangespoelde voorwerpen van waarde buit te maken. Een gebruik dat trouwens al bekend stond van de Romeinse tijd. Wie koffers met geld heeft opgevist of opgeraapt heeft aan het strand, moet die brengen naar de woning van Jan de Moncheron. De vinders zullen een deel van het geld krijgen. Net zoals dat het geval is bij de vondst van bijvoorbeeld balen wol, waar gesproken wordt van een vindersloon van 25%. Er kan echter maar een deel opgeëist worden indien de eigenaar van het vergane schip zich niet meer aanbiedt en nadat de overheid de vondsten officieel heeft aangeslagen.

Er zijn nogal wat bewoners die het niet al te nauw nemen met de verplichting om hun vondsten binnen te brengen. Keizer Karel grijpt op 10 december 1547 in en stelt daarmee paal en perk aan hun praktijken. ‘Verdroncken ofte by der zee up de strange gheworpen goederen’ moesten binnen de 24 uur aangegeven te worden. De staat zal alle onkosten binnen de drie werkdagen vergoeden. De heling van aangespoeld goed wordt aanzien als diefstal. Dieven worden opgehangen. Zo eenvoudig zijn leven en dood in die tijd.

De zee geeft en neemt in zijn eeuwigdurende tocht door de tijd. De geestelijken van de abdij van Oudenburg kunnen er over meepraten. De gronden aan de noordkant van de Nieuwpoortse haven zijn al eeuwen eigendom van de abdij nadat ze afgedijkt werden om er akkerland van te maken. Die dijken bezwijken regelmatig onder de druk van het water en zorgen voor grote schade. Niet alleen aan het akkerland zelf, de weggespoelde aarde gaat van langs om meer de doorgang van de havengeul belemmeren. Het stadsbestuur heeft voor een eerste keer ingegrepen in het jaar 1456 wanneer ze de Diederik Volkgravenpolder koopt van de abdij van Oudenburg. De dijken zullen beter in stand kunnen worden gehouden in eigen beheer. Het is ‘wishful thinking’ van de Nieuwpoortnaars. Een geweldige overstroming op Allerheiligen van 1465 spoelt de dijken weg en zorgt ervoor dat er mag herbegonnen worden aan nieuwe ophopingen.

De inspanningen van de stad worden telkens opnieuw om zeep geholpen door de wind en het water. De storm van 1510 is er een mooi voorbeeld van dat het probleem weer op de voorgrond treedt. Dit keer zorgt de dijk van de polder aan de ‘Grote Hemme’ bij Lombardsijde voor het grootste kwaad. De stad zoekt de verantwoordelijkheid weer bij de abdij en start onderhandelingen met de paters om de polder over te nemen. Abdij en stad komen tot een overeenkomst waarbij de polder van eigenaar verhuist voor een jaarlijkse rente van 300 Parijse ponden. Nieuwe dijkbreuken in 1532 en 1533 zorgen ervoor dat ook de Diederik Volkravenpolder en de Kaaipolder onder de controle van het stadsbestuur zullen gebracht worden.

Ook aan de westkant van de haven moeten er verbeteringen worden aangebracht. Het stadsbestuur van Veurne-Ambacht, nochtans verantwoordelijk voor de goede werking van de Rioolbrug, heeft de brug zwaar aan zijn lot overgelaten. Een verwaarlozing die erg nadelig is voor de scheepvaart van Nieuwpoort. Nieuwpoort dringt er bij Veurne-Ambacht al een hele tijd op aan om zijn verplichtingen na te komen, maar dat gebeurt pas na ingrijpen van de Raad van Vlaanderen die bij vonnis van 11 november 1544 de formele opdracht geeft de brug te herstellen en in goede toestand te blijven onderhouden. In de tussentijd, op november 1530 namelijk, heeft Nieuwpoort de toestemming gekregen van keizer Karel om een houten brug aan te leggen over de haven.

Dat Nieuwpoort en Veurne kat en hond zijn met elkaar mag ik zeker niet beweren. Dat betekent echter niet dat er nooit een vuiltje aan de (zee)lucht is. De rechtbanken moeten nu en dan ingrijpen om disputen tussen de twee stadsbesturen of tussen hun burgers te beslechten. Een financiële bijdrage langs hier en een klacht langs daar. Het is stil waar het nooit waait. Schrijver René Dumon neemt een kijkje in de speciale gevallen en sleurt me zo mee doorheen de hele zestiende eeuw.

Op 16 maart 1545 moet een getrouwde vrouw voor de rechtbank verschijnen op beschuldiging van erge feiten. Ik heb er het raden naar wat ze precies heeft uitgespookt, het vonnis dat uitgesproken wordt, geeft aan dat het wel om serieuze feiten gaat. De vierschaar spreekt zich uit dat de dame ‘ten torture bi gheselinghe up de banc’ gelegd moet worden en daarbij ‘tuuterste te doene’ en het ‘lichaem te onghehinderen’.

Op 5 november 1594 wordt de bazin van herberg ‘De Schomynkel’ gestraft met een boete van drie pond omdat ze bier heeft verkocht boven de vastgestelde prijs. Pekelzonden die niet het vermelden waard zijn en toch haalt de waardin mijn kronieken van de Westhoek. Grappig eigenlijk; zou ze het zelf beseft hebben? Idem dito voor Marc Cassetta die gefoefeld heeft met zijn gewichten bij de levering van een bol kaas. Erger is het gesteld met een Nieuwpoortnaar die iemand op straat heeft aangevallen met ‘een blooten snydere’ en daar nu een boete van 40 pond voor aangesmeerd krijgt. De helft van het geld is bestemd voor de kerk en de andere helft voor de armen van zijn parochie.

Voor de rechter verschijnen is geen pretje in die dagen en het zal zeker al niet plezant zijn om dan ook nog voor het geringste straffen toebedeeld te krijgen. Het blijft hoe dan ook een kwestie om je voor de magistraten rustig en kalm te houden en om de bestraffing niet nog erger te maken. Een burger die zich in 1551 na zijn veroordeling door de rechter niet kon inhouden en hem uitgescholden had dat ‘hij liever zynen hals zoude laten costen dan tvoorseide vonnesse te vulcommen’ wist direct hoe laat het was. Hij zag zich veroordeeld om ‘knielende verghevenesse te biddene aan Gode van Hemelryke, de heere ende wet ende te gaen op eene pilgremage te Kuelen.’ Te voet naar Keulen heen en terug om eens je tong te roeren, dat waren nog eens tijden.

In 1551 blijkt er wrevel te bestaan rond de discipline van de koorzangers die in de oude handschriften vermeld staan als ‘corysten’. Er is geen sprake meer van tucht, de heren komen naar de kerkdiensten als het hun belieft maar willen wel betaald worden als ze er niet zijn. Een beetje zoals de cipiers en het treinpersoneel heden ten dage. De ‘corysten’ worden voor alle duidelijkheid aangesteld en betaald door de stad. De kerkmeesters maken regelmatig hun beklag over de toestand. Toch duurt het nog een hele poos voor Nieuwpoort maatregelen aankondigt die een einde moeten maken aan ‘de desordre ende onghereghelteit’ van de koorpaljassen.

Misschien hebben de zangers last van de warmte. Ik suggereer het alleen maar als blijkt dat het jaar 1551 in de annalen is blijven hangen vanwege zijn erg hete zomer. De droogte slaat toe en de vrees voor brand en vuur zijn reëel. Kijk maar naar al de daken die nog met stro bedekt zijn. Er komen preventieve maatregelen, voor elke deur moet er water beschikbaar zijn. De brandblussers avant la lettre worden verplicht en iedereen moet ‘stelle voor zyne deure watere of een leere vutsteke, naar doude costume.’

De vervanging van stro door dakpannen is al een tijd aan de gang zoals dat het geval is in Veurne en in Duinkerke. De Duinkerkenaars krijgen van hun stadsbestuur een subsidie van 30 schellingen per lot van 1000 dakpannen. Ook een Nieuwpoort is er sprake van een financiële ondersteuning waarbij elk dossier individueel bekeken wordt. Het is in 1551 in elk geval al flink de gewoonte dat Nieuwpoort een derde van de kosten voor zijn rekening neemt als de daken van oude of nieuwe woningen moeten vervangen worden.

De tegeldekkers draaien overuren. De aanvragen komen van overal binnen. Ook van buiten de stad. Ze profiteren van de massale vraag om hun tarieven te verhogen wat zorgt voor een regen van klachten op het stadhuis. De ambtenaren zien zich verplicht om officiële prijzen op te leggen, met daarbij boetes voor de dakwerkers die zich er niet aan houden. Het wordt tijdens deze hete zomer van 1551 ook expliciet verboden om nog opdrachten buiten de Nieuwpoortse stadsmuren uit te voeren.

Het stadsbestuur speelt een belangrijk rol bij de regeling van de lokale kerkdiensten. De oerkatholieke keizer Karel zal daar zo wel zijn invloed bij uitoefenen. Van de Lutheranen of de Calvinisten spreekt Dumon vooralsnog niet, maar ik vraag me af in hoeverre de autoriteiten al de hete adem van het nieuw geloof in hun nek voelen. Naar de kerk gaan is nog altijd geen kwestie van willen maar is er beslist één van moeten. En de priesters zullen er plichtbewust voor zorgen dat de oude tradities stipt uitgevoerd blijven worden.

Lees maar wat de burgemeester eist van zijn priesters: ‘Er is gheordonneert biden wet dat men alle weke de messe vanden heilighen sacramente zal doen metten fluweelen habyten, mette gouden kelcken, omme tvolck to devocie te animeren.’ Ik moet enigszins lachen met het woord animeren dat wel verdacht past bij de grote show die er van elke eucharistieviering gemaakt wordt.

Terwijl er nu toch gesproken wordt over de raadsleden en de burgemeester en de finefleur van de Vlaamse steden maakt de schrijver van de gelegenheid gebruik om de traditie van de ‘propijnen’ uit de doeken te doen. Die propijnen kan ik best bekijken als ene soort fooi die de bevolking moet zien in te zamelen voor de belangrijkste personen in Vlaanderen. Een dure grap voor de mensen. Ik noem het eerder een extra belasting. Een dertigtal functionarissen staan op het lijst van de gelukkigen.

De propijnen bestaan niet uit geld maar meestal uit wijn. Wit of rood, maakt niet uit. In 1552 staat de gouverneur van de Nederlanden bovenaan de lijst. Hij krijgt jaarlijks 2 vaten wijn. De hooggeplaatste figuren uit grote steden zoals Brugge, Ieper, Mechelen, Brussel en elders krijgen gewoonlijk één vat of de helft ervan. Stedelijke topambtenaren krijgen ook hun deel, maar dan wel in veel mindere mate dan de top. In Nieuwpoort staat hun propijn omschreven als ‘audiencier vander stede, de procureur vander stede, elc een kincke wyts ende een root.’

Nieuwpoort wordt goede maatjes met Duinkerke. Er is sprake van vriendschappelijke betrekkingen. Op gebied van oorlogsschepen, konvooien, scheepvaart, visserij en voor wat betreft nogal wat andere aspecten van het dagelijks leven volgen de twee zeesteden meestal dezelfde weg. De buursteden behandelen elkaar met respect. Een mooi voorbeeld hiervan wordt duidelijk in het jaar 1558 wanneer de Fransen Duinkerke in brand steken en de inwoners verschrikt op de vlucht slaan naar Nieuwpoort waar ze kunnen verder gaan met hun leven, beschermd door de veilige stadsmuren van een identieke stad als die van hun verwoeste thuisbasis.

De nieuwe magistraat van Duinkerke en een jong team van bestuurders willen Duinkerke achteraf een nieuw elan geven. Na de heropbouw zien ze natuurlijk niet al te graag dat hun eigen inwoners verhuisd zijn. Ze doen een beroep op de loyauteit van hun collega’s in Nieuwpoort en vragen vlakweg of die de Duinkerkse inwijkelingen willen terugsturen. Nieuwpoort stemt toe. Al gaat dat in tegen zijn eigenbelang want de stad kampt al langer met ontvolking en kan elk nieuw gezin maar al te goed gebruiken. En toch kondigt de magistraat op 26 juli 1558 (drie weken na de vernielingen) een besluit af waarbij de Duinkerkenaars bevolen worden om de stad te verlaten en zonder dralen naar hun thuisstad terug te keren.

De magistraat gaat zelf nog iets verder en dreigt met inbeslagname van de eigendommen van de inwijkelingen. Schepen geladen in Duinkerke mogen niet eens gelost worden in Nieuwpoort en moeten terugvaren naar hun thuishaven. Het is natuurlijk allemaal erg sympathiek maar of de Nieuwpoortse maatregelen ook verstandig zijn, is een andere kwestie. De wetenschap dat de eigen bevolking diezelfde 26 juli 1558 een verbod krijgt om zelf weg te trekken naar een andere stad roept toch veel vraagtekens op.

Duinkerke zet me aan het denken. In mijn eigen tijd Dunkerque genoemd, beleeft de tweede belangrijkste Franse havenstad zijn jeugdjaren in Vlaanderen en moet Duinkerke ongetwijfeld de middeleeuwen beleven op een manier die gelijkt aan die van Nieuwpoort. Duinkerke en Nieuwpoort liggen op 30 km van elkaar verwijderd. De invloed van Brugge en Ieper zal vermoedelijk minder zijn in Duinkerke, maar de Franse grens zal er wel zorgen voor extra spanningen. Ik besluit om eens een kijkje te gaan nemen in de geschiedenis van heel maritiem Vlaanderen en die even vanuit Duinkerkse bril te bekijken.

Ik baseer mij op de ‘Histoire de Dunkerque’ van Victor Derode uit 1852. In de episode ‘De smeltkroes van Morinië’ heb ik al kunnen kennis maken met deze schitterende historicus en de vaak briljante verteller Derode. Ik noteer al direct het plan om een kroniek te wijden aan de vroegste geschiedenis van Duinkerke, maar ga nu eerst op zoek naar de jaren 1500 in deze buurstad van Nieuwpoort. Benieuwd wat ik hier ga vinden aan extra inzichten in de geschiedenis van Vlaanderen, want hoe ik het ook draai of keer: Duinkerke is een onvervalst Vlaamse stad. Waarom ben ik hier eigenlijk zo lang weggebleven?

Ik keer terug naar 1482. De veldslag tussen Vlaanderen en Frankrijk in de velden van Guinegate heeft geresulteerd in een vredesverdrag. Koning Lodewijk XII heeft er na zijn nederlaag officieel mee ingestemd om mee te werken aan de vrede, maar dat belet de Fransman niet om zich opnieuw in een moorddadige oorlog te storten en weer troepen naar Vlaanderen te sturen. Oostende en Nieuwpoort ondervinden het aan den lijve en Brugge wordt geforceerd om financieel bij te dragen tot de oorlogskassa van de Fransen. En ook Duinkerke is kop van jut. De Franse troepen proberen de stad in te nemen maar stuiten er op onverwacht hevig verzet. Driehonderd Zwitsers van Maximiliaan en evenveel Fransen schieten er het leven bij in waarop het theater van de oorlog naar andere oorden verhuist.

Filips de Schone is nog een kind als zijn moeder Maria van Bourgondië in 1482 sterft en vader Maximiliaan wil in afwachting van zijn volwassenheid het bestuur in Vlaanderen op zich nemen. Ik heb jullie al uitgebreid verteld over de revoluties en de weerstand die dat oplevert. In 1488 verzoenen de meeste Vlaamse steden zich met Maximiliaan en dat gebeurt eveneens in Duinkerke. Het verraad heeft nu al lang genoeg geduurd. Er worden al direct manschappen aangeboden om de aartshertog te helpen bij de herovering van St.-Omer.

Hertog Filips komt in het jaar 1500 op bezoek in Duinkerke. De magistraat, opgetut in pronkerige ceremoniekledij ontvangt de graaf in stijl en schenkt hem enkele zilveren voorwerpen en enkele vaten exclusieve wijn, de traditionele geschenken van een Vlaamse stad aan hun meesters. Zes jaar later is het spel van de jonge graaf al afgelopen, vergiftigd en vermoord, en zullen de Duinkerkenaars het moeten zien te rooien met zijn zoontje Karel. Grootvader Maximiliaan zal eerst nog een jaar of tien de touwtjes in handen houden tot Karel tot de jaren van verstand zal komen.

De situatie hier blijkt ingewikkeld te zijn. De heerlijkheid Duinkerke is eigendom van een Franse adellijke familie uit de Vendôme. Frans grondgebied in hartje Vlaanderen zorgt uiteraard al eeuwen voor een complexe cocktail aan intriges en belangenvermenging. Elk bezoek van de kasteelvrouw van de Vendôme aan haar eigendom zorgt voor grote zorgen bij de Vlaamse autoriteiten. Ik mag niet uit het oog verliezen dat het Parijs is die het laatste woord heeft in alle hangende juridische kwesties. Vlaanderen is nu eenmaal Frans leengebied. Dat de pairs van Frankrijk vaak partij kiezen voor de familie Vandôme, zorgt er natuurlijk voor dat de situatie in Duinkerke gevaarlijk gespannen blijft.

Een jonge en erg competente keizer Karel beseft de strategische waarde van een stad als Duinkerke en gaat al van in zijn jeugdjaren in het verzet tegen de Franse invloeden hier. Dat wordt helemaal duidelijk bij de dood van Maximiliaan van Oostenrijk. Karel ambieert het om de keizerlijke kroon van zijn grootvader over te nemen. François, de nieuwe koning van Frankrijk treedt direct op het voorplan en stelt zich eveneens kandidaat om keizer te worden van het Roomse Rijk. Het wordt een electorale tweestrijd die kan tellen. Duitsland en het Roomse Rijk kan ik niet echt bestempelen als een land maar veeleer als een lappendaken van tientallen heerlijkheden en leengebieden met elk hun eigen keurvorsten. Eigenlijk kan ik de situatie best vergelijken met de Verenigde Staten van Amerika, met elk hun gouverneur en hun eigenheid en een volk dat zijn voorkeur uitspreekt i.v.m. de kandidaten voor het presidentschap. In het Duitsland van 1519 is het eigenlijk niet echt anders.

De twee kandidaten, Karel en François, sturen hun afgevaardigden naar Saksen, Keulen, Zwitserland, Berlijn, Rome, Denemarken om er hun invloeden te laten gelden, om stemmen te ronselen. Ik vertel het jullie maar direct: het werkwoord ‘ronselen’ is een verkeerde keuze. ‘Kopen’ is de juiste omschrijving. Beide kandidaten houden er schandalige praktijken op na en zwaaien met goud en voordelen om stemmen binnen te halen. Goud geniet de voorkeur, maar de beloftes van grondgebied, pensioenen, huwelijksallianties, lucratieve deals, aanzienlijke geschenken zorgen ervoor dat de hebzucht van de keurvorsten tot op ongekende hoogtes wordt aangewakkerd.

Eigenlijk zou al dat gesjacher achter de schermen moeten gebeuren, het gaat tenslotte over een vrije keuze van elk van hen. Dit onwaardig spektakel speelt zich integendeel af in volle openbaarheid; tussen de verkiezingsperiode die begonnen is in mei 1518 en afloopt in juni 1519, op de dag van de verkiezingen. De twee kandidaten gunnen elkaar het licht in de ogen niet en zorgen voor een vuile oorlog die niets of niemand spaart. De tegenstanders onderscheppen correspondentie van elkaar en publiceren de inhoud ervan zonder de minste scrupules. Schandalige toestanden en onderhandelingen waar Karel en François hun kwaliteiten en hun slechte karakters naar boven halen.

Karel etaleert een geslepenheid die verwonderlijk is voor zijn jonge leeftijd. François is een pure Fransman, een opschepper, zowat de voornaamste kwaliteit van alle Fransen. Victor Derode is zelf een Fransman, hij kan het weten. De ene kiest verkeerde medewerkers en de andere maakt gebruik van trouwe medewerkers die geen kloten waard zijn. Karel drijft zijn medewerkers tot het uiterste met een stroom van brieven en vaak haast onmogelijke eisen en verwachtingen. François gebruikt de koninklijke macht en een berg aan financiële middelen om zijn volgelingen te overtuigen. Geen van beide zal het er zo maar bij laten indien ze de keizerskroon zouden mislopen. De legers worden opgebouwd om op te rukken ingeval van mislukking.

Het gaat hem vooral om zeven kiesdistricten. Bohemen, Brandenburg, Mainz, Treves, Keulen, Saksen en de pauselijke staten. Karel opent een kredietlijn van 100.000 florijnen bij een Florentijnse bankier. François troeft hem af en legt een pak meer op tafel. ‘Ik wil absoluut verkozen worden’, verklaart Karel meermaals, ‘wat het me ook mag kosten.’ Op de dag van de verkiezing bereikt hij een astronomisch bedrag van meer dan twee miljoen gouden florijnen. Ik bespaar jullie de verdere details. De Vlaamse Spanjaard raakt zo met grof geld verkozen en zal voor de rest van de tijden in de geschiedenisboeken verzeilen als ‘Keizer Karel’.

Om zijn glorieuze verkiezing te vieren wil hij in alle steden van zijn rijk grote feesten georganiseerd zien. Dat is ook het geval in Duinkerke, net zoals in alle andere Vlaamse steden. Het publiek viert de aanstelling van hun graaf tot keizer van Europa met processies, rondgangen, rederijkersspelen en andere festiviteiten. Karel vertrekt vanuit Spanje om zich in Duitsland te laten kronen. Na een tussenstop bij de Engelse koning Hendrik VIII, een triestige persoonlijkheid volgens mijn schrijver, ontscheept hij in Calais en van daar gaat het richting Duinkerke waar de hele bevolking hem met veel poeha ontvangt.

De gezagsdragers voelen zich bijzonder geflatteerd met het hoog bezoek dat de volgende jaren nog zal herhaald worden. Lokale kronieken hebben het natuurlijk over de ceremonie die daarmee gepaard gaat. Het verwelkomingscomité wordt voorgegaan door de baljuw zelf. Hij vertegenwoordigt de graaf van Vlaanderen in Duinkerke. Natuurlijk uitgedost als een kalkoen op kerstdag met zijn obligate roede van justitie, het ultieme teken van zijn macht. Hij wordt gevolgd door de topfiguren van de stad. De burgemeester, de schepenen en andere gezagsdragers. Allen in ceremoniekledij in bruine of zwarte stof versierd met velouren banden stappen ze naar hun heer en meester.

De Fransen hebben het over hun ‘seigneur’. Het woord heeft wel iets. Ik vind er de fysieke grandeur van de graaf in terug. De seigneur arriveert te paard of in een koets. De griffier neemt het woord in naam van het schepencollege en verwelkomt de heer. Wat zijn de inwoners blij met zijn komst. Hij mag het weten. De burgemeester overhandigt de sleutels van de stad, ze liggen te blinken op een zijden kussen. ‘Je mag de sleutels houden zoals je dat tot nog toe altijd al gedaan hebt’, antwoordt de seigneur. ‘Als jullie goede onderdanen voor me zullen zijn, dan zal ik me gedragen als een goede prins’. Het ritueel zal bijna niet veranderen tussen de tijd van keizer Karel en die van Napoleon.

Bij de poorten van de stad staat een stoet klaar om Karel te vergezellen. De kanonniers, getooid in het rood en wit, hebben de gasten al verwelkomd met minstens 100 kanonschoten. De boogschutters tekenen present in hun rode en gele kledij en het gezelschap van de roodbruine kruisboogschutters. Ze worden gevolgd door de geestelijken voorzien van al hun ambtelijke veren. Ze dragen de relieken van al hun kloosters. De stoet wordt afgesloten door de kapitein van Duinkerke en diens medewerkers.

Langs het parcours van de stoet staan orkestjes die het hoog bezoek luidruchtig begroeten. Ik zie overal bomen met honderden brandende waskaarsen. Hier en daar worden mysteriespelen opgevoerd en vreugdevuren aangestoken. En dan is het tijd voor de geschenken. Wijn. Karel krijgt vier vaten wijn van 220 liter. De meesteres van de Vendôme krijgt er twee en wat kantwerk. De keizer ontvangt een schitterende vaas. Het deksel is helemaal versierd met bladerwerk met in het midden een leeuw die het wapenschild van Duinkerke in zijn bek klemt.

Op dergelijke momenten willen de bevelvoerders van de stad ook wel demonstreren hoe vriendelijk en vrijgevig ze zijn voor het volk. Gratie langs hier en strafverminderingen langs daar, toespraken, muntstukken voor de arme luizen, zonder dat allemaal zouden er geen echte feesten bestaan in Vlaanderen. Na deze feestelijke entree gaat Karel rusten. De volgende morgen zal hij een mis bijwonen in de kerk van Sint-Elooi, natuurlijk voorafgegaan door de beau monde van de stad en daarbuiten. Het gebouw is tot aan de nok gevuld met heren uit Vlaanderen, Spanje, Italië en Duitsland. De aartsbisschoppen van Toledo, Palermo en Valence. De bisschop van Luik. De graven van Ravestein en van Hoogstraten en nog een pak meer notabelen van de hoogste rangen en standen.

Na de misviering gaat er een belangrijke ceremonie door in het stadhuis. De keizer stapt er naar toe, gezeten op een rijkelijk opgesmukte muilezel. De eedaflegging is een gewichtige aangelegenheid voor elke Vlaamse stad die zichzelf een beetje respecteert. Sinds Gwijde van Dampierre in 1297 zijn trouw aan het volk en hun vrijheden heeft afgelegd, is diezelfde geplogenheid traditie geworden bij al zijn opvolgers. Het volk weet zich gerespecteerd in zijn stedelijke afspraken, de heer kan er zijn leidende positie duidelijk maken, de macht van de seigneur tegenover de onderdanigheid van zijn feodale ondergeschikten.

Tegen een achtergrond van goudversierde lakens spreekt Karel zijn eed uit. Uit zijn koninklijke mond oreert hij met hoge stem volgende formule: ‘wij, Karel, koning van de Romeinen, toekomstig keizer, koning van Spanje, van Jeruzalem, de twee Siciliës, aartshertog van Oostenrijk, hertog van Bourgondië, graaf van Vlaanderen beloof hier en nu met mijn erewoord van prins één en ander te respecteren.’

‘Ik zal de heilige kerk vrijwaren van alle verdrukking, beloof de weduwen en de wezen goed en loyaal te behandelen, net zoals ik dat zal doen met de burgers en de inwoners van deze goede stad Duinkerke. Ik zal jullie privileges, vrijheden, statuten, gewoonten en gebruiken respecteren en die in mijn hoedanigheid van graaf van Vlaanderen in stand houden, precies zoals mijn voorgangers dat hebben gedaan. Moge God en al zijn heiligen mij helpen bij deze taak.’

Het oudste raadslid van Duinkerke neemt nu het woord. ‘Hoor en luister goede mensen. Onze soevereine meester, onze natuurlijke prins en graaf van Vlaanderen is hier aanwezig voor onze ogen. Wij van onze kant zweren om goede en trouwe onderdanen van hem te zijn en om hem te steunen in al zijn wensen en bevelen. We zullen met al onze middelen instaan voor zijn domeinen, heerlijkheden, plaatsen en grenzen van zijn land, dat van Vlaanderen. We hopen dat God ons hierbij zal bijstaan.’ Het valt Victor Derode op dat de eed aan deze Spaanse vorst afgelegd wordt in het Frans.

Karel blijft drie dagen in Duinkerke. Twee jaar later zien ze hem hier weer terug. In het gezelschap van de graaf van Nassau, de markies van Brandenburg, de prins van Chimay en de graaf van Alba. Sluis slibt dicht en dat brengt Duinkerke in een strategische pole position om uit te groeien tot een belangrijke Vlaamse zeehaven. Ik kan dat al zien aan een reeks keizerlijke maatregelen. De zeeschepen kunnen ongehinderd de haven van Duinkerke voorbij om Sint-Winoksbergen te bereiken. Karel helpt de lokale vissers waar hij kan en brengt middelen aan om de stad te versterken. Hij laat een kasteel of een citadel bouwen aan de ingang van de haven. Hij controleert de bewapening van het nieuwe fort zelf en zal vermoedelijk ook de opdrachtgever zijn van de bouw van een nieuwe vuurtoren.

Het fort van Keizer Karel vervangt vermoedelijk het bouwvallige oude kasteel van de dame van Cassel. De vierkante toren wordt door de omwonenden omschreven als ‘De Gapaer’. Leuke authentieke Vlaamse naam, hoewel zijn functie wat minder zachtzinnig is. Aan de toren zijn ijzeren uitsteeksels aangebracht waar regelmatig hoofden van gemartelde veroordeelden op gespietst worden. Victor Derode vermoedt dat het eigenlijk origineel ‘kapaer’ moet geweest zijn, zoals in ‘kaper’ en dat de bewuste koppen wel eens die kunnen geweest zijn van piraten en zeekapers die op heterdaad betrapt werden op het enteren en beroven van zeeschepen. De ‘Gapaer’ zal 150 jaar overeind blijven staan om dan in te storten en vervangen te worden door een nieuwe constructie die nu nog altijd ‘De Leugenaer’ genoemd wordt.

De visvangst marcheert aanvankelijk prima in de jaren 1500 en dat heeft vooral te maken met de gewoonte om vis te verorberen in de vastenperiode. De vorsten geven het goede voorbeeld en zijn ondergeschikten apen hem na. De keizerlijke schepen die vanuit Duinkerke naar Spanje varen worden volgepropt met vis. Gezouten en gerookt. Zoetwatervis zoals paling snoek. Zeevis. Kijk maar naar het boodschappenlijstje. 350 stokvissen, 600 tongen, 2400 schollen. Haring, kabeljauw, zalm.

Tijdens het begin van Karels ambtstermijn lijden de Duinkerkse schippers regelmatig grote schade door toedoen van de Engelsen en de Denen die niet aarzelen om Vlaamse schepen te kapen en aan te slaan. De keizer eist maatregelen om de visindustrie te beschermen en laat de vissersschepen begeleiden door militaire konvooien. Rond 1520 varen er nog vijfhonderd vissersschepen en samen zijn ze goed voor een omzet van 500.000 dukaten. Tegen 1535 zal dit aantal teruggebracht zijn naar vierhonderd. Die militaire bescherming kost natuurlijk handenvol geld. De piraten kennen van langs om minder scrupules en vissen kan niet meer geriskeerd worden zonder extra bescherming. De vervelende maar noodzakelijke kost wordt betaald door een extra belasting op de vis. Het ‘lastgeld’ zorgt ervoor dat de lijdende visnijverheid er nog extra op achteruit gaat.

De stad Duinkerke staat in Vlaanderen vooral bekend om zijn geprepareerde zure haring. De tonnen met haring met het label van Duinkerke zijn te vinden in zowat al de vrije steden van Vlaanderen. Wie ook zuur zal kijken in die tijd, zal ongetwijfeld de Franse koning François I zijn. Nadat hij naast de keizerlijke kroon heeft gegrepen, is de idioot uit op wraak. Vijandelijkheden in het noorden van Spanje en in het Luxemburgse zijn er mooie voorbeelden van. François wordt in Italië krijgsgevangen genomen en belandt in een Madrileense gevangenis waar hij pas een hele tijd later kan wegraken na het sluiten van een verdrag met Karel.

Karel neemt het zekere voor het onzekere en stuurt markies van Ambfort met meerdere schepen en galjoenen naar Duinkerke. Deze laat grote werken uitvoeren aan de stadsversterkingen. Er komt een batterij met afweergeschut, de steigers worden hersteld, Duinkerke moet absoluut in staat zijn om zich te verzetten tegen een militaire aanval. De middelen komen niet alleen uit de lokale kassa. Ook de Spaanse middelen worden aangesproken. En om de Franse vijand bezig te houden stuurt de keizer zijn aanvoerder Charles van Croy naar Picardië en Artesië om er waar mogelijk ravages aan te richten. Van Croy zal zich 15 jaar later persoonlijk moeien met het beleg van Terwaan, de ongelukkige plek die hij van de lijst van levende steden zal mogen schrappen.

Een wapenstilstand tussen Spanje en Frankrijk belet de kapers niet om de Vlaamse vissers te blijven kapen tijdens hun visvangst. De Vlaamse kuststeden krijgen de toestemming van de vier leden van de Raad van Vlaanderen om extra schepen te bewapenen. Een fundamenteel recht tot wettige zelfverdediging, de marine vindt er zijn ontstaan. De Duinkerkenaars gaan op hun beurt in het offensief en maken het de vijanden moeilijk in het Kanaal.

Voor Nieuwpoort en Duinkerke is de komst en de dominantie van de Spanjaarden toch wel het vermelden waard. Die zit trouwens nog maar in een eerste fase. Victor Derode haalt nog enkele andere belangrijke gebeurtenissen naar voor. De stichting van het broederschap van de Duinkerkse kanonniers in 1519. Het overlijden van regentes Maria van Oostenrijk, de tante van Karel in 1530 en het bezoek van haar opvolgster Maria van Hongarije in 1537 en 1546. De straf van de Gentenaars na hun verraad in 1540. De excommunicatie van de Engelse koning Hendrik VIII, de algemene mobilisatie in heel Vlaanderen van alle jonge mannen tussen de 20 en de 25 jaar. De aanbeveling om de Engelsen goed te behandelen als potentiële partners draait in 1546 anders uit wanneer de koningen Frankrijk en Engeland het verdrag van Crepy tekenen. De inkt is vermoedelijk nog niet helemaal droog wanneer beiden naar het hiernamaals worden gestuurd. De oorlog sterft helaas niet samen met hen.

Op een of andere doorreis door Vlaanderen maakt Karel van de gelegenheid gebruik om zijn zoon Filips te komen voorstellen aan het volk van Duinkerke. Het gezelschap komt van Rijsel en wordt verwelkomd door de magistraat en een hele stoet met 140 flakkerende wassen kaarsen die vader en zoon gaat verwelkomen buiten de stadspoort van Sint-Elooi. Ze ontmoeten elkaar ter hoogte van de sluis van Sint-Winoksbergen. De klokken luiden de hele tijd. Er volgt een vervelend moment als blijkt dat zoonlief geen woord Frans verstaat en de Duinkerkse magistraat zich niet kan uitdrukken in het Spaans. De meubelen worden gered door een zekere Granvelle die in die tijd nog bisschop is van Arras en pas later een grote rol zal spelen als adviseur van beide prinsen. De bisschop verwelkomt Karel en Filips en dankt het stadsbestuur voor hun warme ontvangst.

Filips II is vermoedelijk fijn gerust in al die diplomatieke tralala en wil even zijn jeugdige benen strekken. Hij rent naar de top van ‘De Gapaer’ om er te kunnen genieten van een weids panorama van de streek. Ondertussen is het beneden cadeautjestijd. Filips zal nog twee keer terugkeren. In 1537 en op 5 september van het jaar 1555. Een jaar eerder treedt hij in het huwelijk met Maria Tudor, de koningin van Engeland. Filips stuurt hiervoor zijn rechterhand, de hertog van Egmont naar Londen om er de verbintenis in zijn naam aan te gaan. De boodschapper van dienst vertrekt met het Duinkerkse schip ‘De Levrete’ om zijn belangrijke taak te gaan uitvoeren. De overtocht naar Engeland kost zweet, bloed en tranen aan de lokale marine die zich moet wagen tussen de vijandelijke vloten van de Zeelanders en de Schotten. Ze brengen als geen ander schade toe aan de haringvissers van dienst.

Keizer Karel legt de keizerskroon neer waar hij zo stevig voor geleend heeft. Zijn zoon Filips II volgt hem op. Onder zijn lange en onweerachtige regering ondergaat Duinkerke grote veranderingen. Die geven toch wel aan dat de lokale haven aan belangrijkheid wint, een realiteit die ongetwijfeld ten nadele speelt voor de buren van Nieuwpoort. Nog voor zijn aftreden heeft Karel met de Fransen een wapenstilstand van 5 jaar afgesproken. Lang voor het verstrijken van die deadline flakkert de strijd echter al weer op. Het huwelijk van Filips met Maria Tudor doet er natuurlijk alles aan. Engeland en Spanje staan allebei vijandig tegenover Frankrijk en dat betekent nu dat Frankrijk in Filips een dubbele rivaal ziet.

Franse legerbenden vallen het land van Bredenarde binnen. Ouderwijk (Audruicq), een buurstad van Duinkerke blijft geplunderd achter. Daarna volgt een Franse aanval op zee waarbij een groot deel Duinkerkse vissersschepen buit genomen wordt. Om de haven van de Franse agressie te vrijwaren arriveert er op 28 september 1557 een Spaanse vloot in Duinkerke. Ongelukkig genoeg hebben de schepen pest aan boord en die heeft grote ravage aangericht bij de bemanningen. Allen die besmet zijn, worden bij aankomst afgevoerd naar kampen buiten de stad waar ze in afzondering worden geplaatst. De evacuatie gebeurt op kosten van Duinkerke, hoewel er sprake is van een tussenkomst van de koning.

In die tijd heeft de hertog de Guise gezorgd voor een stunt door het Engelse bruggenhoofd Calais te heroveren. Hij maakt hiermee een einde aan een bezetting van tweehonderd jaar. Er wordt nu gevreesd voor Duinkerke die zo goed als zonder verdediging zit. Een armzalige bende van honderd man moet de stad overeind houden. De archieven, de privileges en het kostbaar vaatwerk worden alvast overgebracht naar veiligere steden in Vlaanderen. Wat ik al eerder had vernomen uit Nieuwpoortse monden, kan ik hier nu ter plekke vaststellen. De bevolking slaat op de vlucht. Alles heeft te maken met de heersende paniek bij het stadsbestuur. De chaos en de beklemming zorgen voor speciale taferelen. Steekkarren zijn hun gewicht in goud waard en dat wordt er ook voor betaald.

Vanuit St.-Omer komt er in allerijl hulp afgezakt. Tweehonderd, al lang niet meer betaalde huurlingen onder leiding van de heer van Staple, verrichten in Duinkerke meer kwaad dan goed want ze slaan uit onvrede zelf aan het plunderen. Heel wat vernielingen natuurlijk en die van St.-Omer worden gevolgd door garnizoenen van Sint-Winoksbergen die al niet veel beter zijn. De magistraat van Bergues vindt het optreden van zijn eigen troepen ronduit schandalig en veroordeelt drie schuldigen tot de galg. De dood van hun kompanen zorgt ervoor dat een bende van vijftig terugkeert naar hun thuisstad om er zich te wreken. Iets wat niet lukt. Ze worden integendeel met zijn allen door de rechtbank gewaarschuwd. De mannen besluiten om dan maar over te lopen naar de Franse vijand waarbij ze natuurlijk in geuren en kleuren alle details overbrieven over de precaire situatie waar Duinkerke zich in bevindt.

Wat een warboel. Te midden van dit zootje ongeregeld wil de gouverneur van Duinkerke nog eens zijn voorposten gaan controleren. Tijdens die extra verkenningsronde wordt hij per abuis voor een Fransman gehouden, van zijn paard gesleurd en gedood door zijn eigen mensen. De burgemeester en de schepenen die de laatste eer willen bewijzen aan hun gouverneur worden ook al overvallen en mishandeld door rebellerende soldaten. Enkele schepenen druipen gewond af naar hun thuisbasis. De discipline bij de troepen van Filips II is duidelijk ondermaats. Schrijver Victor Derode is scherp: bij de legerleiding zal het al niet veel beter zijn.

Op 28 juni 1558 vertrekt een Franse divisie met een vers aanvalsplan vanuit Calais. De voorpost die goed is voor 2.000 paarden en enkele pelotons boogschutters posteert zich tussen Marck en Ooie, in de richting van Duinkerke. Tussen het nieuw-Franse Calais en het Vlaamse Duinkerke liggen amper 45 km. Twee dagen later slaan 17.000 Fransen hun bivakken op in de nabijheid van Grevelingen met de bedoeling om Broekburg (Bourbourg) aan te vallen. Het echte doel van de campagne is natuurlijk de verovering van Duinkerke waar heel wat burgers de bui al zien hangen en verder vluchten richting Nieuwpoort.

De opmars van de vijand komt nu pas helemaal op gang. Mardick gaat voor de bijl en de omgeving van Duinkerke wordt overspoeld door Fransen. De kalender staat nog maar op 2 juli. De Spaanse militaire leiders die de havenstad zouden moeten beschermen, tonen zich helemaal niet capabel. Een stel dwazen die liever lui zijn dan moe. Wat nodeloos verschieten van munitie op de vijand die zich nergens en overal buiten de stadspoorten bevindt. De vijandelijke aanvalskracht stelt heel wat meer voor. De Franse artillerie toont zich wel efficiënt. Een batterij aan de kant van de Recolletten schiet een grote bres in de stadsmuren. Enkele Duinkerkenaars proberen die wanhopig te dichten met huisraad, meubelen, bedden, tafels, planken, roeispanen, stenen. De vissers spannen er hun netten.

Wat er zich trouwens nog aan de binnenkant van de stadsmuren bevindt, stelt niet veel voor. Enkele groepen met gewapende mannen die zich zwaar opgejaagd voelen door het grote leger daarbuiten en de plunderaars in de stad zelf. En een paar Spaanse officieren die zich nog maar korte tijd geleden erg stoer voordeden met het bevel om zich in geen geval over te geven. Na amper drie uur van beleg zijn ze de eersten die het slechte voorbeeld geven. Gouverneur Recourt ziet ook wel in dat de situatie hopeloos is en denkt maar aan één zaak. Zijn eigen vel redden en dat van zijn manschappen. De burgemeester moet maar zijn plan trekken.

De Fransen krijgen Duinkerke zo netjes op een presenteerblaadje en dringen in massa de stad en zijn steegjes binnen waar ze vernielingen aanrichten en de huizen in brand steken. Hoe het staat met de dakpannen hier kom ik niet te weten. Wel dat er zich hier veel houten huizen bevinden met hun dak in stro. Waardoor het natuurlijk niet lang duurt voor hele straten in lichterlaaie staan. Enkele geschiedschrijvers beweren dat de vernielingen en de brandstichtingen één hele godverdomse week worden verdergezet.

Noch de gebeden van de oude sukkelaars, noch de smeekbedes van de vrouwen of het geschreeuw van de kinderen brengen de Fransen op andere gedachten. De heilige status van de gestichten speelt geen rol in dit menselijk drama. De bewoners van Duinkerke worden geruïneerd. Als ze al niet worden omgebracht of in de slavernij meegesleept worden. Hun enige misdaad bestaat er in dat ze zich onderdanen (hebben moeten) noemen van de koning van Spanje. De roofzucht van de plunderaars gaat zo ver dat ze zelfs de klokken van de kerken verbrijzelen om de stukken ervan te kunnen meeslepen.

Victor Derode is een geschiedschrijver naar mijn hart. Hij staat met een geraakte en gepijnigde ziel stil bij de realiteit van de oorlog. Voor hem is de oorlog geen spel van militairen en hun leiders, maar veeleer de tragiek van diegenen die het aan den lijve moeten ondervinden. De pijn, het verlies, de onmacht. De uitzichtloosheid van het leven. Het zich opnieuw moeten oprichten nadat de beulen verdwenen zijn. Hier tussen de rokende en smeulende puinresten opnieuw hun huisjes opbouwen. Kinderen die wanhopig door de straten dwalen en roepen om hun gedode ouders die ofwel gedood werden door de Fransen ofwel zich ergens tussen de smeulende as van hun woningen bevinden. De archieven en de herinnering aan het oudste verleden van Duinkerke branden mee. Het moet er wel op lijken alsof Duinkerke geen geschiedenis heeft gehad en nooit heeft bestaan.

De rest van de kasselrij ondergaat een gelijkaardig lot. Van Bergen blijven er nog 17 huizen rechtop staan. De rest wordt tot ‘kolen’ herleid. In al de stadjes blijken dieren een oninteressante buit voor de veroveraars. Ze verkopen die voor de gekste prijzen. Twee of drie cent voor een koe, een gouden daalder voor een kudde van 30 à 40 runderen. Ook Nieuwpoort ondergaat hetzelfde lot en wordt verwoest. Dat beweert Victor Derode toch. Ik vind het hoogst eigenaardig dat de Nieuwpoortse archieven hier geen melding van maken. Wie moet ik nu geloven?

Een extra bron dan maar. ‘De historie der Nederlandsche vorsten’ geschreven in 1735 door Frans van Mieris biedt me uitsluitsel en laat me toe om de gebeurtenissen met meer finesse te vertellen. Na hun doortocht door Sint-Winoksbergen dringen de Franse plunderaars door tot bij de stadsmuren van Nieuwpoort die nog maar een keer hun degelijkheid bewijzen en de vijand op afstand houden.

Het zijn de Franse soldaten die al die moorden en terreur op hun geweten hebben. Ze krijgen gelukkig lik op stuk tijdens de slag van Grevelingen. Mijn schrijver slaakt een zucht van opluchting. Paul de la Barthe is de leider van de Franse troepen. Hij blijft achter in Duinkerke waar hij alle oorlogsbuit op één plaats concentreert. Een pak volgestouwde schepen ligt in de haven te wachten om uit te varen. Er is zo veel materiaal buitgemaakt dat de maarschalk er al zijn energie moet voor bezigen om alles geladen te krijgen. Ondertussen laat hij na om de omgeving van Duinkerke in de gaten te houden en ontgaat het hem volkomen dat de hertog van Egmont op komst is met een Vlaams legerkorps en zich nu al in Waten bevindt, op zowat 30 km van Duinkerke.

De la Barthe wordt op de hoogte gebracht van de dreiging en reageert blijkbaar nogal paniekerig. Hij vertrekt overhaast met zijn zes regimenten om zich in allerijl te gaan vervoegen bij het basisleger van de Fransen. Duinkerke wordt achtergelaten, maar voor hun vertrek steken ze nog wat overeind gebleven is in brand. Huizen, kloosters, hospitalen, kerken, de schepen. Zelfs de vissersboten worden niet gespaard. De mannen nemen zo veel mogelijk buit met zich mee. Ze moeten aan de monding van de Aa zien te geraken, in Picardië, waar ze de gestolen goederen in veiligheid kunnen brengen.

De interventie van het Vlaams leger in de Westhoek wordt in Brussel gepland. Door koning Filips die op de hoogte gesteld wordt van de inval der Franse krijgsbenden. Hij schakelt de graaf van Egmont in om de heer de Termes van antwoord te dienen. De Vlaamse steden stellen krijgsvolk ter beschikking. Veldmaarschalk Bignicourt neemt de leiding op zich. De hertog van Savoye zorgt voor Duitse manschappen. Vijftienduizend man worden er op de been gebracht. Twaalfduizend voetknechten en de rest ruiters. Ik kan me goed inbeelden dat de Fransen hem knijpen daar in Duinkerke.

Het komt tot een veldslag bij de monding van de Aa. Duitsers, Vlamingen, Spanjaarden tegen de Fransen van de Termes. Ik schakel over op het rechtstreeks verslag van de clash. ‘Op deze wijze geschaard viel Egmont, nadat hij door zijn mannelijke toespraak zijn volk ontvonkt had, de dertiende van de hooimaand op de vijanden aan, die hem kloekmoedig ontvingen en zijn voorste gelederen door hun geschut machtig beschadigden en zelfs het paard onder hem dood schoten.’

‘Toch drong hij met de zijnen tegen het vuur in en streed geruime tijd en hardnekkig, voet aan voet en man tegen man, in onzekerheid van de uitkomst. Tot de onder-zeevoogd van Engeland, die met tien schepen in de engte kruiste en van het gevecht vernam, tot dicht bij de kust voer zodat hij de vijand met zijn geschut kon bereiken en dus enige kogels in de Franse hoop joeg, iets wat gezien de afstand meer schrik dan schade veroorzaakte.’

‘Ook zond Egmont enige Duitse ruiters langs de duinen om, welke zich met goed gevolg in de zijde van de Franse ruiters stortten zodat de Franse krijgsknechten op het einde van hun krachten geraakten. Het leger van de vijand geraakte zo aan het waggelen terwijl die van de Nederlanden des te heviger aanvielen en het voetvolk uit het veld verdreef met achterlating van al hun geschut, vaandels, roof en bij de tweeduizend doden. Velen verdronken in de rivier, nog een groter getal der vluchtelingen werden door de landslieden, verhit door wraak wegens al hun plunderen en branden, met uitgezochte wreedheid vermoord.’

Victor Derode komt af met een cijfer van vijfduizend Fransen die om het leven worden gebracht of zwaar gewond achterblijven. Geen enkeling ontsnapt er aan het bloedbad. Maarschalk de Termes wordt opgepakt net zoals de rest van de Franse legerleiding. Ze worden allemaal gevangen gezet in de abdij van Clairmarais. Het Vlaams-Spaanse leger heeft het er goed van af gebracht. De graaf van Egmont zag zijn paard inderdaad gedood onder zijn eigen lichaam. De heer van Plouy, luitenant-kolonel Lazary en kapitein Ricardin zijn gesneuveld. Samen met enkele andere worden ze begraven in de kerk van Sint-Bertinus te St.-Omer. ‘Op deze wijze kregen de Vlamingen hun ontroofde goederen, en kort daarna, door het verslaan van de achtergebleven Franse vaandels, ook de verbrande stad Duinkerke weder, tot bijzonder genoegen van koning Filips die ondertussen wel begon uit te zien naar de vrede.’

Tweehonderd gevangen genomen Franse soldaten worden naar Engeland overgebracht waar ze moeten verschijnen voor ‘bloody Mary’ Tudor. Een gelijkaardig aantal wordt blootgesteld aan de wraakgevoelens van de inwoners van de regio Duinkerke. Gruwelijke en misselijk makende toestanden zijn het. De inwoners slaan op de mannen in met bijlen en hakmessen. De sukkelaars worden letterlijk in stukken gereten door woedende vrouwen die zich volop overgeven aan hun gevoelens van diep wraak. Afschuwelijk bloedvergieten is het. Met naalden en nagels prikken ze in de ogen van hun nog levende slachtoffers. De ene verminking volgt de andere. Beschrijf dit tafereel maar eens op een realistische manier! De wet van de vergelding toont hier zijn waar en intriest gelaat.

Tot zover de slag van Grevelingen. De onverwachte overwinning wordt uitgebreid gevierd met processies in zowat alle steden van de Nederlanden. Opdracht van Filips II. De graaf van Egmont krijgt er een eremedaille voor. Een voorschot op wat later zal volgen. Egmont stapt trouwens zelf mee in de processie van Duinkerke. Achteraf gaat hij zetelen in de lokale vierschaar waar hij recht moet spreken over een speciaal geval. De beschuldigde is een zekere Denis Nayman, meester-haringvisser en schepen van Duinkerke. Met de komst van de Fransen vond hij de grond te warm onder zijn voeten en is hij het in paniek afgetrapt. Als een lafaard op de vlucht geslagen in de plaats van de stad te beschermen.

De gedeserteerde schepen is achteraf natuurlijk kop van jut voor de inwoners die hem gestraft willen zien. Zo gebeurt het ook. Nayman krijgt een fikse boete, geld dat moet gaan naar de gemeenschap en naar de kerk. Ook de arme mensen krijgen hun deel, een stuk van de boete dient trouwens gebruikt te worden om de stadsmuren te herstellen.

Daarnaast heeft de vierschaar nog een aanvullende straf in petto voor de wegloper: hij moet een lantaarn ophangen aan zijn woning en die moet tot in de eeuwigheid van de dagen elke avond ontstoken worden om elke nacht opnieuw duidelijk te maken dat hier een deserteur woont. De lantaarn zal tot ver in de 18de eeuw blijven hangen op het Wapenplein, daar aan de hoek met de Kaaistraat.

Op 10 augustus 1558, drie weken na de veldslag van Grevelingen, komen de uitgeweken inwoners naar hun thuisstad terug waar ze de ruïnes van hun woningen aantreffen. Hun verblijf in Nieuwpoort is verleden tijd. Het stadsbestuur beslist om van de gelegenheid gebruik te maken en het stratenplan aan te passen. Vanuit Brugge worden hele ladingen bakstenen aangevoerd. Kalk en pleister komen in grote hoeveelheden van St.-Omer. Iedereen zet zich aan het werk om de ravage van de oorlog uit te wissen.

Knap toch. Als mensen hard werken en iets echt willen, dan doen ze dat. Al na enkele weken zijn de brouwers weer aan het werk geslagen. De wetten van de politie zijn weer in voege getreden. De erediensten hervatten zich, de preekstoelen staan terug waar ze stonden. Boven het nieuw stadhuis klingelt er al een nieuwe belfortklok. De scholen zijn open. De oude handschriften hebben het over de grote eensgezindheid tussen de mensen en hun bestuur. Enkele afgevaardigden vertrekken naar de koning met het verzoek dat de Duinkerkenaars voor de volgende 20 jaar geen belastingen zouden moeten betalen, gezien de grote schulden die er gemaakt werden voor de heropbouw. Op 14 december 1558 komt iemand van het Hof langs om zich van de toestand ter plekke te vergewissen. Toch kunnen er blijkbaar nog enkele geschenken van af om Filips II gunstig te stellen.

De inspanningen hebben succes. Het Hof gaat in op zowat alle vragen van het stadsbestuur. Filips gaat zelfs nog een stuk verder. Hij stemt in met het organiseren van een loterij en brengt 500 loten van elk 3 pond in de pot. De krasloten van de zestiende eeuw zorgen voor een opbrengst van 20.000 frank, geld dat gebruikt zal worden om het deel vernielde hospitaal van Sint-Juliaan in zijn vroegere staat te herstellen.

Duinkerke heeft dringend extra inwoners nodig. De druk op Nieuwpoort om de gevluchte Duinkerkenaars verplicht terug te sturen, zou er wel eens op bevel van hogerhand gekomen zijn, vermoed ik. De stad krijgt in elk geval veel hulp. Nieuwe rechtsmiddelen om openbare werken te vergemakkelijken. 12.000 frank staatssteun en een schuld van 6.000 frank die het stadsbestuur nog achterstallig is aan de Raad van Vlaanderen wordt kwijtgescholden. Ook hier komen er premies voor het plaatsen van dakpannen in plaats van stro. De kerk zal hersteld worden dank zij een taks van 1 procent op de verkoop van de gevangen vis. De toren van de kerk krijgt een nieuwe horloge met twee draaischijven. Een gulle schenker uit St.-Omer financiert een nieuwe klok terwijl enkele vrome stedelingen geld stoppen in het toondichten van een nieuw deuntje voor de beiaard.

Het stadhuis wordt opnieuw opgetrokken. Met schitterende glasramen die herinneren aan de zopas overleden keizer Karel en aan die van zijn zoon Filips, de koning van Spanje. Ze worden geflankeerd door kleurrijke exemplaren van de hertogin van Parma, onze gouvernante, de graaf van Egmont en nog een reeks personaliteiten. Het lijkt er wel op dat Duinkerke eigendom is van de helft van de wereld, zo veel meesters hebben ze hier. Wat een contrast. Terwijl Karel en Maria Tudor naar hun graven verhuizen, verrijst het oude Duinkerke uit zijn as. Het heeft de oorlog overleefd.

De vrede met Frankrijk heeft de aanwezigheid van een militair garnizoen overbodig gemaakt en zo wordt Duinkerke van een zware last bevrijd. De magistraat krijgt de sleutels van de stad weer in zijn bezit. De handel kan meer op gang komen. Tussen Zeeland en Antwerpen zijn er strubbelingen ontstaan en zo kunnen ze hier hun graantje meepikken. Er is sprake van nieuwe export naar de Baltische staten en naar Rusland. De visvangst, al zo veel eeuwen de belangrijkste bron van welvaart, wordt hernomen.

Net zoals dat het geval was in Nieuwpoort, krijgen ze ook hier regelmatig te maken met de pest. Elke epidemie betekent telkens een vreselijke gebeurtenis voor de mensen. Af en toe breekt de ziekte los vanuit het niets. Niemand weet waarom en dat moet best frustrerend werken. De dokters moeten er letterlijk en figuurlijk de pest in hebben. Ze blijven hoe dan ook dapper zorgen voor hun zieke medebewoners. De stad betaalt hen hiervoor een loon van 12 pond per maand.

De pestdokters ken je herkennen aan hun rode mantel en je kan best met een grote omweg langs heb voorbijgaan. Spijtig genoeg is de geneeskunde in die tijd nog blind voor bacillen. De aanpak van de zieken zal bijgevolg erg amateuristisch in zijn werk gaan. De lijken van de gestorven pestlijders worden zo van straat geraapt. De zusters van het Sint-Juliaanhospitaal zien in de doden een bovennatuurlijke oorzaak en zorgen gedwee van de begrafenis van de slachtoffers. Op enkele weken tijd zullen ze tweeënzeventig begrafenissen uitvoeren. En tussen al die verschrikkelijke zaken door raast dan nog eens een storm. Nee. Geen letterlijke storm, maar de furie van het nieuw geloof van Luther en Calvijn. Hoe Nieuwpoort en Duinkerke die periode zullen doormaken, kan ik ongetwijfeld meemaken in een volgende episode van mijn kronieken van de Westhoek.