De Vlaamse gouwen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     400 Views     Leave your thoughts  

Vlaanderen is ingedeeld in gouwen
Sinds de Franken van Karel Martel, (door hem de Karolingische periode genoemd) is heel Frankenland en dus ook Vlaanderen ingedeeld in gouwen, pagi, die elk door een graaf worden bestuurd. Aan de kust tussen de Schelde, de zee en de waterlinie van Gent bevindt zich de pagus van Waas. Naar het westen toe de pagus van Oudenburg en de pagus Flandrensis die zich uitstrekt tot aan de brede monding van de Ijzer. Zuidelijker, tussen de Aa en de Canche zien we de pagus van Boulogne.

Naar het binnenland toe strekt de pagus Mempiscus zich uit van Waas tot voorbij Roeselare. De oostelijke grens van de pagus Mempiscus valt samen met de scheidingslijn tussen de bisdommen van Terwaan en Doornik. Ten westen van die lijn, tot aan de Ijzer en de Vleterbeek en misschien nog aan de andere kant van de Ijzer ligt de pagus Iseretius. Het bestaan van de officiële naam van de pagus Iseretius staat neergeschreven in een oorkonde van het jaar 811 waarin Vleteren omschreven staat als ‘Fletrinio, in pagus Iseretio’. Tussen 811 en 846 zal de pagus Mempiscus geleidelijk aan de pagus Iseretius opslorpen. Zuidelijk bevindt zich de gouw Terwaan.

Het oostelijk deel van de pagus Terwanensis en de gouwen Iseretius en Mempiscus wordt beschreven als de streek van Mempiscus. Laten we eens terugkeren naar het oostelijk deel van Vlaanderen. Ten noorden van de Schelde, stroomafwaarts van Gent en de Leie ligt de pagus van Gent. Tussen de Schelde en de Leie bevinden zich de pagus Cortracensis en zuidelijker de pagus Tornacensis. De bekendste plaatsen in de Kortrijkergouw zijn in die tijd Boenlare bij Petegem-Deinze, Koolegem bij Deurle, Zingem, Ouwegem bij Kruishoutem, Kruishoutem zelf, Beveren aan Leie, Beveren bij Oudenaarde, Andelgem, Tiegem, Desselgem, Potegem op Waaregem, Steenbeek te Desselgem, Waregem en Kaster.

De gouw van Artesië
Avelgem in het oosten en Lauwe in het westen lijken voor een deel in het Doornikse en voor een deel in het Kortrijkse gelegen te zijn. Ze vormen in elk geval de grens tussen de twee gouwen. Lodewijk de Vrome, de opvolger van Karel de Grote, zal rond het jaar 800 de pagi Cortracensis en Tornacensis fusioneren. In het jaar 811 strekt de pagus Tornacensis zich uit tot aan Gent want de Sint-Pietersabdij van Gent wordt in dat gebied expliciet gelegen ‘in pago Turnacense’.

In 853 zullen de beide gouwen weer van elkaar gescheiden worden. De gouw van Artesië ligt oostelijk van de pagus Ternois. De zuidoostelijke hoek van het latere graafschap Vlaanderen omvat een reeks pagi van uiteenlopend belang: Oosterbant, Caribant, Melantois, Pevele, Escrebieu en de pagus Leticus. Dit is zowat de bestuurlijke inrichting van het Vlaamse land. De gebieden in Vlaanderen die al ontgonnen zijn, worden meestal ingedeeld in uitbatingseenheden, villae of domeinen die aan een kleine schare van grondbezitters toebehoren. Al met al zijn er weinig kleine vrije boeren. Naast de grootgrondbezitters zijn veel villae eigendom van de kerk, via abdijen of kapittels.

Maar ook de koning bezit een respectabel aantal kroondomeinen. Zo ontwaren we de fisci van Weinebrugge, Snellegem en Maldegem. Maar verder in het binnenland bevinden zich nog meer kroondomeinen: Roeselare met de afhankelijkheden Hardooie, Koekelare en Hooglede. Rijkegem behoort bij de fiscus van Tielt. Andere fisci zijn Koolskamp, Wingene, Beernem en Boonaarde bij Kortrijk. Boonaarde zal later door Lodewijk de Vrome aan Sint-Amand op de Schelde worden geschonken. In de pagus Gandensis bevinden zich de fiscus Marke bij Ekkergem met talrijke afhankelijkheden zoals Evergem en Goedege. Ook Aaigem bij Sint-Pieters-Aaigem staat beschreven als een kroondomein.

Het Karolingische Rijk wordt ingedeeld in 12 missatica
Heel het domein van Sint-Pieters blijkt een koninklijke schenking te zijn. Temse aan de Schelde en Petegem aan de Leie zijn fisci. In het zuiden is de aanwezigheid van fisci nog belangrijker: Doornik, Cysoing, Vitry, Valencijn, enz. Naast de talrijke fisci is de koning ook eigenaar van alle woeste, braakliggende of nieuwe gronden. Zo zijn de wouden zijn eigendom. Het Scheldehout (Scheldeholt) tussen Schelde en Vijve, de Forestum Methela tussen Vijve en Leie en het Forestum Wasdae zijn koninklijk bezit. Het lijkt overduidelijk dat de Karolingen een buitengewoon groot aantal domeinen bezitten in Vlaanderen. Geleidelijk aan, al gedurende de 9de eeuw, zal dit bezit door akten van afstand afnemen.

Hoe Vlaanderen er uitziet bij zijn ontstaan weten we al. En we weten wie er eigenaar is. Maar wie is verantwoordelijk voor het beheer van de streek? Het beroemde capitularium van Servais, door Karel de Kale afgekondigd in 853, verstrekt ons interessante informatie! Koning Karel stelt in zijn Capitulare Silvacense de afgevaardigden aan die over zijn Karolingische rijk moeten heersen. Het Karolingische rijk wordt ingedeeld in 12 missatica (gebieden).

In elk missaticum worden enkele heren (geestelijken + leken) belast met het handhaven van de orde. Het zijn trouwens de vooraanstaanden van de missaticum zelf die kiezen wie verantwoordelijk wordt voor het beheer. De gouwen van Vlaanderen worden in het capitularium van Servais ondergebracht in de missatica III en IV. Missaticum III met de bisschop van Doornik als missus: de pagus Flandrensis, Aardenburg, Waas, Gent, Kortrijk, Doornik, Artesië, Ostrevant, Pevele, Melantois, Caribant, Vermandois en Noyonnais. Missaticum IV met de bisschop van Terwaan als missus: Deze missaticum bevat Mempiscus-Iseretius, Boulogne, Ternois, Escrebieu en Leticus.

Ingelrand blijkt belangrijker dan Waltcaud
Drie van de graven die gouwen bezitten in missaticum III worden met name genoemd: Odelricus, Waltcaud en Ingelram. Uit de tekst van de verordening van Servais blijkt dat de pagi van het missus-gebied in drie groepen dienen te worden ingedeeld. Deze van Ingelram staat omschreven als comitabitus Ingelramni. Een tweede groep, die van Waltcaud staat bekend als comitatibus Waltcaudi. Ingelram blijkt echter veel belangrijker dan Waltcaud. Als abt van het Henegouwse Maroilles is hij eigenaar van een aantal leengebieden.

En ook in het Franse Laon bezit hij aanzienlijke eigendommen. Ingelram is voorlopig nog niet op het toppunt van zijn macht maar hoe dan ook is hij veel belangrijker dan de onbekende Waltcaud die de kleine en arme gouwen van Waas en Aardenburg, naast die van het graafschap Gent bestuurt. Welke zijn de gouwgraven van onze streek, die van missaticum IV? De rijksverordening van Servais geeft aan dat Berengarius, Gerardus, Engischalk en Renier als gouwgraven worden aangesteld.

Eerder in 846 heeft graaf Berengarius van koning Karel de Grote goederen gekregen die gelegen zijn in de pago Mempisco, meer bepaald in de vroegere pago Iseretius. Het valt dus aan te nemen dat Berengarius de graaf is van de pago Mempiscus-Iseretius. Graaf Gerard bezit de ‘villa’ Eperlecques in de streek van Terwaan. Hij is vermoedelijk de opvolger van graaf Unrocus van Ternois die het ambt waarnam tussen 839 en 853. Graaf Engischalk heeft de bevoegdheid over Boulogne. Het is geweten dat Renier, graaf van Escrebieu en Leticus bij de troonsbeklimming van Karel de Kale de cella van Torhout verkrijgt. Ingelram is een man van hoog niveau. Hij schopt het tot kamerheer en gunsteling van de Franse koning Karel de Kale tot dat hij uiteindelijk in het jaar 871 in ongenade zal vallen.

De afkomst van graaf Renier
Ook Odelricus behoort tot de getrouwen van de Frankische keizer Lotharius. Het is dan ook niet verrassend dat Odelricus in het capitularium van Servais geciteerd staat als graaf van Noyonnais, Vermandois, Artois, Kortrijkergouw of Vlaandergouw. Na het in ongenade vallen van Ingelram zal hij trouwens nog in het bezit komen van enkele van zijn gouwen. En dan zijn er nog de graven die de gouwen van het bisdom Terwaan besturen, die van van missaticum IV. Renier die we aanzien als graaf van Leticus, Scarbeius en misschien de Vlaandergouw daagt op in geschriften van 839.

Op het zelfde document, de ‘vassus dominicus’, staan eveneens de namen van Odelric, de graaf van Artois en Liederik, de graaf van Letricus vermeld. De geciteerde Liederik kan mogelijkerwijze de zoon zijn van Liederik senior die in 836 in Harelbeke begraven werd. De afkomst van graaf Renier situeert zich bij de machtige adellijke Lotharische dynastie van Renier Lankhals die vooral het goede weer uitmaakt in de Maasgouw. Ook de abdij van Echternach is nauw gelinkt aan graaf Renier van Leticus. Na de dood van Lodewijk de Vrome schenkt de nieuwe Franse koning Karel de Kale de kleine abdij van Torhout aan Renier. Maar ook hij zal nog voor 860 in ongenade vallen bij zijn vorst.

Naast Renier is er ook graaf Gerardus die eigenaar is van Eperlecques in Ternois, die hij in 863 afstaat aan de abdij van Wormhout. Hij blijft vermoedelijk graaf tot in 877. Ook de naam van Adalgarius komt vrij vaak voor in de oude bronnen. En ook die van graaf Berengarius die als missus verschijnt in de bisdommen Noyon, Terwaan, Amiens en Kamerijk. In een oorkonde van 846 vernemen we dat Karel de Grote ‘honores in pago Mempisco’ heeft geschonken.

De ligging van Vlaanderen aan brede en diepe stromen
De ligging van Vlaanderen aan de monding van brede en diepe stromen, pal tegenover Engeland, lijkt voorbestemd om handel en verkeer te doen bloeien. En het gebeurt ook zo. Parallel met de befaamde economische ontwikkeling van de Maasvallei ontluikt langs de oevers van de Schelde een actieve handelsbedrijvigheid die een reeks van portussen doet ontstaan: de Karolingische portus van Gent, Doornik, Valencijn, Kamerijk en Lambres bij Dowaai aan de Scarpe. Maar ook zeehavens vinden hun ontstaan. Quentovic is één van de belangrijkste Karolingische havens. Boulogne, een krijgsvlootbasis die ook wel zal aangewend worden als koopvaardijhaven.

En natuurlijk de Isere Portus, een haven aan de Ijzermonding. Vlaanderen is vanuit economisch standpunt bekeken een rijke en bloeiende streek. Maar de Vlaamse welstand heeft zo zijn nadelen. De rijkdom van het land, zijn geschikte aanlegplaatsen trekken niet alleen vreedzame handelslieden aan maar eveneens malafide zeerovers die strooptochten beginnen te organiseren in dit rijke Frankische gewest. Ze dringen door tot in het hart van Frankrijk. Vanaf 800 zullen de Scandinaviërs, onder druk van hun steeds toenemende bevolking, het Frankenland als geliefkoosde doel van hun rooftochten gaan beschouwen.

In 800 vernemen we voor het eerst dat de Noordzee door piratis onveilig wordt gemaakt. Voortaan komen verhalen en verslagen van plundertochten en invallen van de Noormannen als een droevig refrein voor in de kronieken en jaarboeken van Frankrijk en Lotharingen! Karel de Grote reageert krachtig op de Scandinavische bedreiging. Al in hetzelfde jaar 800 vaart hij over de Noordzee vanaf de Rijnmonding tot in Ponthieu en installeert hij garnizoenen en afdelingen van zijn vloot langs de kust.

De kusten van de pagi Mempiscus en Iseretius
Er ontstaat een bestendige verdedigingsorganisatie. Een verordening van 802, het capitularium, bepaalt dat iedere vrij man, letus of servus uit de ‘maritima loca’, op straffe van een zware boete, aangemaand wordt om mee te helpen met de verdediging van de ‘littoralia maris’. De kusten van de pagi Mempiscus-Iseretius en die van Boulogne worden dus verdedigd via een samenwerking van de (half-vrije en onvrije) ingezetenen in de betrokken pagi. Ze vormen bestendige garnizoenen en smaldelen die aangevoerd worden door bijzondere comites (graven). Aan de monding van de Schelde, Ijzer, Aa en Canche worden continue verdedigingsposten geïnstalleerd.

goiuwen

Te Quentovic, aan de monding van de Canche, wordt het bevel gevoerd door een zekere markgraaf ‘dux’ Grippo. De Frankische vloot ligt aangemeerd en klaar om uit te rukken in de haven van Boonen (Boulogne). Karel de Grote beveelt in 810 om er de nodige schepen en een vuurtoren te bouwen. Hij komt er persoonlijk zijn vloot controleren in het jaar 811. Wanneer de Noormannen in het jaar 820 proberen te landen in ‘littore Flandrensi’ worden ze door een garnizoen dat gelegerd is in de pagus Flandrensis teruggedreven.

Toch zorgen de verdedigingsmaatregelen niet voor echte oplossingen. In Friesland breken de zeerovers door de verdedigingsgordel en dringen ze diep door in het Frankische hinterland. In 838 volgen krachtige maatregelen en worden de ‘custodia’ heringericht. Maar het valt echter niet te loochenen dat de verdedigingsgordel allesbehalve doeltreffend werkt. De Noormannen vallen zonder ophouden het West-Frankische rijk binnen om er hun plundertochten te ondernemen.