De vleselijke lusten van Chlotarius

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     453 Views     Leave your thoughts  

Braine aan de rivier de Vesle is een Frans dorp in de buurt van Reims en van Soissons. De afstand tussen Poperinge en Braine bedraagt 240 kilometer. Parijs ligt 100 kilometer verder in het zuiden. Hier in Braine bevindt zich in de zesde eeuw één van die immense boerderijen waar de koningen van de Franken hun hof houden. Ze verkiezen die boven de mooiste villa’s van Gallië en onderscheiden zich daarmee van de bestaande Gallo-Romeinse aristocratie. Na eeuwen van Romeinse bezetting zijn de oude Galliërs en de Romeinse nieuwkomers niet meer van elkaar te onderscheiden. De Galliërs bestaan niet meer, de oude Belgen zijn een herinnering. De Romeinse soldaten zijn gaan samenwonen met Gallische vrouwen. Het nieuwe volk mag dus inderdaad best als een mix van Gallo-Romeinen bestempeld worden, een normaal fenomeen na een intermezzo van 15 generaties van leven, werken en voortplanting.

De Gallo-Romeinse aristocratie leefde op het land en van het land. De industrie van de oude dagen was bevolkt met slaven en alles wat ook maar rook naar handel en commerce werd geminacht. Wie geen bezitter was van landerijen, grote domeinen en ‘villae’, maakte nooit kans om ooit als vertegenwoordiger van het volk op te treden. De Frankische koningen maken een einde aan deze gebruiken. Ze nemen het land in en verdelen het onder hun achterban. De bestaande Gallo-Romeinse bevolking en de Franken moeten nu allebei leven van dit land.

De villa zelf kan ik omschrijven als een onafhankelijk organisme, een zelfbedruipend centrum volgepropt met luxe. De heer van de villa, de ‘dominus’, houdt een deel van het land voor zich en de rest verdeelt hij in kavels van elk zowat 10 hectare die hij ter ontginning aanbiedt aan een reeks horige boeren. Deze kavels worden mansi geheten. Elke boer komt dus in het bezit van een eigen mansus in ruil voor tegenprestaties aan zijn heer.

De meeste mensen schoppen het niet tot zelfstandig landbebouwer en blijven slaaf voor de rest van hun leven. De ‘serfs’. Vroeger zijn ze ooit vrij geweest, maar ze bezaten geen grond. Van handel is er geen sprake en daar kunnen ze dus niet van leven. Ze zijn dus wel verplicht om te leven van de opbrengst van andermans grond. De slaven sluiten om deze redenen wel noodgedwongen een contract met de dominus. Ze krijgen hun levensonderhoud van hem en in ruil moeten ze op het land werken en karweien doen voor hun baas.

Braine is het voorbeeld van een dergelijke flink uit de kluiten gewassen hoeve waar de Frankische koningen de scepter zwaaien. Ze verkiezen die veruit boven de mooiste villae van Gallië. De boerderij heeft nog niets mee van het militair uitzicht die kastelen later in de middeleeuwen zullen verkrijgen. Een groot en elegant gebouw is het, ingesloten door portieken met een Romeinse architectuur. Vaak gebouwd in hout, gestileerd en voorzien van kunstwerken.

Rond het hoofdgebouw bevinden zich in verspreide volgorde een reeks van bijgebouwen. Hier wonen de officieren van het paleis. Barbaren of mannen met Romeinse roots. En natuurlijk de krijgers en hun leiders die zich naar Germaans gebruik aangeboden hebben om onderdanig te zijn aan hun koning. Het engagement van vazallen die hun leider trouw blijven en hem militaire bescherming aanbieden.

Ik ontwar eveneens nogal wat kleinere gebouwen en hutten. Hier wonen dus de horige families, de slaven van de heer. De mannen en vrouwen oefenen tal van beroepen uit. Van goudsmid tot de productie van wapens. Wevers en leertouwers, arbeiders die borduren met zijde en goud, een serie ambachtslieden die hun dagen vullen zoals bijvoorbeeld de bewerking van wol en vlas. De meeste van die families zijn Gallisch van origine, geboren en getogen op de grond waar ze nu hun ondergeschikte rol spelen. Nadat de Franken zich tijdens een militaire campagne meester van hun land gemaakt hebben, zijn zij als het ware als onderdeel ervan mee verhuisd en gewelddadig verplicht, gekoloniseerd als het ware om naar de pijpen van de Franken te dansen.

De imposante Frankische hoeve beschikt naast een uitgebreide bewoning verder ook nog over schuren, stallen, paardenfokkerijen, stoeterijen, schaapstallen en allerhande loodsen en opslagplaatsen. Op zich toont de mansus perfect de standenwereld zoals die ook te zien was in hun vroegere heimat van Germanië. En precies zoals dat het geval is rond de Rijn, treffen we de Frankische herenboerderijen vaak aan bij de rand van wouden of soms centraal verscholen in grote bossen.

In zijn intro heeft Gust Thierry een duidelijk beeld geschetst van de Frankische leefwereld die in Vlaanderen en Frankrijk ontstaan is nadat de Germanen zich meester hebben gemaakt van het land. Het wordt stilaan tijd voor hem om er nu namen op te kleven. Braine is de favoriete stek van Chlotarius, de jongste zoon van Chlodowig, voor ons beter bekend als Clovis. In Frankrijk zal die verder muteren tot de populaire voornaam ‘Louis’.

Gallië is eigenlijk een erg algemeen woord. Er is alsnog geen sprake van een land met vastgelegde en historische grenzen. De oorlogen die deze staatsgrenzen op papier zullen moeten afbakenen dienen nog allemaal gestreden te worden. Mijn Karolingische en Merovingische vorsten beschouwen hun koninkrijk in de jaren 500 eigenlijk nog altijd niet als een staat maar als een domein waar zij toevallig de eigenaar van zijn. Na de dood van de eigenaar wordt het land zonder scrupules of zorgen verdeeld onder de beschikbare zonen zonder dat hierbij rekening gehouden wordt met enige grenzen of geografische beschouwingen.

Deze toestand blijft eigenlijk bestaan tot in de tiende eeuw. Eigenaardig genoeg herstelt het grondgebied van het Frankenrijk zich telkens tot één domein, maar dat heeft veel te maken met neven en nonkels die in tweede instantie bereid zijn om hun landerijen weer samen te brengen onder het bestuur van een enige zoon, schuine streep, opvolger. Ik moet daarbij onwillekeurig denken aan een hagedis waarvan de staart na amputatie terug groeit naar zijn oorspronkelijke vorm. Alsof de staat zich vanzelf en na verloop van tijd weer herstelt tot zijn vroegere proporties.

Braine is dus zonder twijfel het lievelingsverblijf van Chlotarius. Hij is de jongste van de vier zonen van Clovis. Na de dood van zijn drie broers is hij koning van heel Gallië geworden. Chlotarius heeft een geheime kamer laten inrichten in zijn kasteelhoeve. Hier huizen grote koffers voorzien van driedubbele grendels en sloten, volgestouwd met rijkdom, geld, vazen en precieuze juwelen. Hier kan je ook de aktes en documenten terugvinden die zijn koninklijke macht moeten staven. Het is in Braine dat hij de conferenties van zijn bisschoppen laat doorgaan. De wetten van het land zijn enkel geldig indien ze afkomstig zijn van beslissingen van deze synodes en die kunnen enkel opgeroepen worden door de koning in hoogsteigen persoon.

Het is zeker geen slecht idee om even stil te staan bij het bestaan van deze concilies, soms ook wel synoden genoemd. De grote Gallische steden hebben elk hun bisschop. Hun gezamenlijke vergaderingen moeten zorgen voor wet en orde. Vertegenwoordigers van buitenlandse koningen worden er in stijl ontvangen. Het oude parlement als het ware. Chlotarius zit de vergaderingen der vrije mannen van de Frankische natie voor.

Achteraf worden er grote festijnen georganiseerd. Everzwijnen en herten worden in hun geheel op brochetten geplaatst en gebraden. Met enig inlevingsvermogen hoor, zie en ruik ik het afdruipen van de vetten op de gulzige vlammen, de rook en de geuren die ze veroorzaken. Het vlees wordt opgediend op tafels van gebroken vaten die overal verspreid staan tot in de uithoeken van de zaal.

Chlotarius vult zijn dagen met het bezoeken van zijn diverse domeinen. Zolang hij geen oorlog moet voeren uiteraard. Zijn vijanden zijn hem goed bekend. De Saksen die hun gebied hebben tussen de Weser en de Elbe. De Bretoenen of de Visigoten van Septimanië, ‘Zevenland’, de landstreek van Zuid-Frankrijk met steden zoals Carcassonne, Nîmes en Perpignan.

Ik krijg wat details over enkele van die domeinen. Attigny aan de Aisne in de Ardennen, Compiègne, Verberie aan de Oise. Koning Chlotarius gaat er de voorraden controleren en levert zich samen met zijn Frankische vertrouwelingen over aan de geneugtes van de jacht, de visvangst, de zwemkunst en deze van de vrouwen. Aan maîtresses is er geen gebrek. De dochters van zijn slaven staan vrijuit ter beschikking. Het gebeurt vrij dikwijls dat de mooiste meisjes zich kunnen bevrijden uit hun staat van concubine (bijvrouw) en promotie maken tot echtgenote en koningin.

Chlotarius moet zodanig veel keer getrouwd zijn dat mijn schrijver er zowat de tel bij verliest. Zo huwt hij met Ingonde een jong meisje van lage afkomst. ‘Zonder overigens van zijn ongeregelde levenswijze af te zien, die zij als slavin met een uiterste onderwerping duldde, beminde hij haar hartelijk en leefde met haar in de beste eensgezindheid.’ Ik moet er wat om lachen. Ondergeschiktheid, laat me niet lachen, maar ondertussen gaat ze wel op zoek naar een geschikte man voor haar zuster Aregonde. Een dappere en vermogende echtgenoot zodat ze niet langer belachelijk zal gemaakt worden door de inferieure status van haar eigen zus.

Misschien kan haar man de koning Ingonde wel helpen. ‘Dit verzoek wekte de nieuwsgierigheid van de vorst en tegelijk zijn begeerte naar genot.’ De vleselijke lusten die de geile Chlotarius ondervindt ergens rond de jaren 534-535, gutsen nu nog altijd over mijn scherm. Best wakkere geschiedenis, geromantiseerde kronieken die om verdere uitleg vragen en zo ga ik verder met de amoureuze escapades van mijn Frankische vorst Chlotarius.

‘Hij vertrok diezelfde dag naar het landgoed waar Aregonde woonde en een van de handwerken uitoefende die aan de vrouwen opgedragen waren, zoals het weven en verven van wollen stoffen. Chlotarius vindende dat zij haar zuster op zijn minst in schoonheid evenaarde, nam haar met zich, gaf haar zijn koninklijk vertrek tot verblijf en de naam van vrouw tot titel.’ Achteraf keert hij terug naar Ingonde met de boodschap dat hij geen betere man heeft kunnen vinden voor haar zus Aregonde dan zichzelf.

Je moet het maar kunnen zeggen in het leven. Veel meer dan slikken en ja knikken zal Ingonde wel niet hebben kunnen uitkramen hebben vermoed ik. De romantische variante geeft het een andere draai: ‘zonder enige blijk van ontroering te geven of enigszins haar geest van onderwerping te verloochenen, antwoordde Ingonde: mijn heer en meester, doe wat gij goed vindt, zolang zijn dienstmaagd maar niets van zijn genegenheid verliest.’

Ik pluis er Wikipedia even op na. Dubbelchecken, weet je wel. Chlotarius zorgt voor vier officiële mannelijke opvolgers. Van eventuele dochters is er geen sprake. Ingonde is conform de geschiedenisboeken een Duitse prinses maar ik weet ondertussen wel beter. Ze staat genoteerd als de moeder van Charibert (520), Gontran (532) en Sigebert (535). Halfbroer Chilperik, vermoedelijk de jongste, is een kind van Aregonde en wordt geboren in datzelfde jaar 535. Een vijfde halfbroer, Chramm, wordt hier om een of andere voorlopig onbekende reden over het hoofd gezien.

Zachtzinnig zal het er niet aan toegaan tussen vader Chlotarius en zijn zonen. Dat kan ik alvast uitmaken uit volgende passage: ‘in het jaar 561, na een veldtocht tegen één van zijn zonen, wiens opstand hij strafte door hem samen met zijn vrouw en zijn kinderen te doen verbranden.’ Het gaat hier meteen over de ‘vergeten’ Chramm. Ik begrijp meteen waarom er geen plaats vrij werd gemaakt voor zijn aanwezigheid in onze vaderlandse geschiedenis.

‘Na zijn wraakoefening kwam hij zeer bedaard en met een gerust geweten in zijn huis te Braine terug. Daar maakte hij zich gereed tot de herfstjacht, bij de Franken een soort van plechtigheid. Door een menigte mannen, paarden en honden gevolgd, begaf de koning zich naar het bos van Cuise, waarvan dat van Compiègne in deze tegenwoordige tijd slechts een gering overblijfsel is. Te midden van die geweldige inspanning, waartegen zijn jaren niet meer bestand waren, kreeg hij de koorts en zich naar zijn naastbij gelegen goed hebbende doen vervoeren, stierf hij aldaar na een regering van vijftig jaren.’

Na zijn dood in 561 eist Chilperik naast de schatkist van zijn vader eveneens het hele Frans-Frankische grondgebied op, het ‘Regnum Francorum’. Maar hij krijgt lik op stuk. Zijn oudere halfbroers krijgen ook hun deel van het grondgebied toegewezen. Chilperik erft uiteindelijk het kleinste stuk: Vlaanderen, de Westhoek, het gebied ten noordwesten van de Somme tot aan Zeeuws-Vlaanderen. Sigebert zal voortaan heersen over de oostelijke gebieden, Austrasië, een soort voorloper van West-Duitsland. Van Tongeren in het westen tot Thuringen in het oosten en een flink stuk verder dan de Rijn.

Ten zuiden van Reims en Parijs worden west en oost verdeeld tussen Haribert en Gontran. Haribert krijgt de westerzijde die zich uitstrekt tot aan de Pyreneeën en Gontran de regio Bourgondië eindigend aan de Middellandse zee. De verdeling zal al direct zorgen voor conflicten tussen de broers. In 562 breekt er een oorlog uit tussen Chilperik en Sigebert en probeert eerstgenoemde weer in het bezit te komen van de regio Reims.

Dit is kort gezegd de stand van zaken na de dood van Chlotarius, op mijn manier geschreven, mijn kroniekschrijver staat echter te trappelen om het wel zelf te vertellen. Ik laat hem dan ook graag aan het woord. De ‘petite histoire’ heeft bij mij altijd zijn rechten. ‘Zijn vier zonen Haribert, Gontran, Chilperik en Sigebert volgden vaders lijkstatie tot aan Soissons, psalmen zingende en waskaarsen in de hand houdende.’

Dit is een fragment uit ‘De Kleinzonen van Clovis’ en zal verschijnen in deel 6 van De Kronieken van de Westhoek (voorzien voorjaar 2017)