De vluchtelingen van Poelkapelle

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     1029 Views     Leave your thoughts  

1. NAAR HET OOSTEN

De meeste evacuaties van burgers uit Poelkapelle begonnen reeds op 6 november 1914. Leonie Lefebvre, echtgenote van Camiel Develter, die nog een hele maand alleen was achtergebleven nadat haar man was meegenomen getuigt hoe de Duitsers zich knus op de verlaten hoeven installeerden en zich te goed deden aan alles wat zij vonden. Zij zag hoe de Duitsers op de verlaten hoeve Courtens op de voorraad klompen hadden beslag gelegd, die de bewoners een paar weken voor de inval bij de klompenmakerij Cardoen (oud gemeentehuis) hadden gekocht en opgeslagen.

Alle soldaten met rust droegen klompen. De regen was immers beginnen vallen en alles werd zeer moerassig. Daarom werden ook overal stro- en vlasbundels gelegd over de natste plaatsen om er beter te kunnen overstappen. Er lag zo’n vlasbrug van de hoeve Courtens naar de hoeve Develter.

Op de hoeve Soenen lag nog altijd de ongelukkige Francis Soenen op zijn ziekbed. De Duitsers wilden hem weg hebben, daar waar zij eerst de toestemming hadden geweigerd om hem te evacueren. Een Duitse dokter brak de knoop door toen hij voor het eerst de ongelukkige zag liggen : een eenzame zieke tussen al die Duitse soldaten. ‘Komt dan niemand naar die man omzien?’, brulde de dokter, en dat was tot zijn eigen ondergeschikten gericht. De man gaf opdracht Francis naar Westrozebeke te voeren waar hij door familieleden werd opgewacht en naar Roeselare gebracht. Dat was op 1 december. Reeds de volgende dag overleed Francis Soenen, in de leeftijd van 70 jaar.

Hij was niet de eerste van de vluchtelingen die te Roeselare of in den vreemde stierven. Twee dagen te voren, op 30 november, was Octavie Van Isacker, weduwe van Karel Verfaillie, 84 jaar, hem reeds voorafgegaan (+ 30 november 1914). Nog vele, vele zouden volgen . Degenen die reeds naar Westrozebeke waren geëvacueerd mochten ook daar niet meer blijven. Vrouwen en kinderen maakten de verplaatsing met de stoomtram, doch de mannen hadden de weg te voet af teleggen tenzij zij lijdend of te zwak waren.

De zieke Edward Provoost stierf op de tram toen deze pas was gestart uit Westrozebeke. Hij werd begraven op het gehucht ‘De Barriere’. Kort voor zijn overlijden schonk hij nog zijn horloge en een paar dekens, ongeveer alles wat hij bezat na de vlucht, aan Theresia Debusschere, een van de vrouwen die met hem op de tram waren en die hem hadden verzorgd.

Onder diegenen die naar Roeselare werden gevoerd vonden we o.a. Désiré Vandermeersch (‘Disten van Joysens’), met zijn echtgenote Helena Dewitte. Verder Henri en Julie Baelden, Maria en Helena de Tavernier, Julie Delavie, Mathilda Stock, echtgen. Karel Dehaene, Samyn Sophia, wed. Francis Debusschere, Van Isacker Octavie, Van Isacker Leonard, Carolina Degrave, Elodie Degrave, Alice Dewilde.

De vluchtelingen te Roeselare werden er samen met lotgenoten uit Passendale en Moorslede opgetast in de lokalen van de jongelingenkring in de Kattestraat, alsook in de Sint-Michielschool. Met meer dan zevenhonderd zaten ze daar op elkaar. De vrouwen en meisjes sliepen in de bovenzalen van de Sint-Franciscusjongelingenkring, terwijl de mannen de nacht in de kapel moesten doorbrengen. De benedenzaal werd als eetzaal ingericht. Zieke mannen en vrouwen werden verwijderd en ondergebracht in de Sint-Michielschool.

De eerste weken brachten de ongelukkigen er in echt erbarmelijke toestanden door. Het werd een hel, als men nagaat dat er elke dag vijf a zes doden werden buitengedragen. Er was voor de vluchtelingen geen voedsel en ook de luchtverversing liet te wensen over. Tenslotte stond de overheid toe dat elke dag een paar vluchtelingen, waaronder Louis Verstraete voormeld, naar het slachthuis mochten gaan met een stootkar om er de afval te recupereren. Ze konden er beslag leggen op koppen, uiers, beschadigde levers, longen, poten, enz. en dat zo goed en zo kwaad als het ging klaarmaken zodat het eetbaar werd!

Op 27 november werd een deel van de vluchtelingen toegestaan nieuwe verblijfplaatsen te betrekken in de lokalen Sint-Germana in de Blekerijstraat, een maatregel die op 9 december gevolgd werd door een nog gunstiger omdat er toen op het front een betrekkelijke rustpoos was ingetreden (na de mislukte stormloop op Langemark). Toen immers mochten degenen die het best de ellende doorstaan hadden in de stad vrijstaande burgershuizen gaan bewonen, de anderen die te zwak of te oud waren bleven ter verpleging in de Congregatie achter.

Deze maatregelen kwamen echter voor veel vluchtelingen te laat, de dood had reeds zijn tol geëist. Het is merkwaardig hoeveel mensen de dood vonden onder de geëvacueerden naar Roeselare in weinig maanden tijds. In vergelijking met de vluchtelingen naar het westen geeft het zeker te denken, hoewel rekening moet gehouden worden met het feit dat degenen die te Roeselare terecht kwamen veelal mensen waren die door ouderdom, ziekte of zwakte niet hadden willen vluchten naar het westen.

De toestanden werden allengs beter, hoewel de Duitsers steeds wantrouwig tegenover hen bleven. Wanneer iemand van de familie van de vluchtelingen opdaagde om hen te bezoeken of om te identificeren, werden deze bezoekers steeds door een soldaat, bajonet op het geweer, vergezeld en klonk het bevel: ‘Alle Leute aufstehen’. Toch mochten diegenen die het wensten en niet verdacht waren, vanaf de maand december even terug naar Poelkapelle komen, om te zien hoe het met hun huis en goederen stond.

Talrijk waren zij die geld in de grond hadden gestopt en dat nu wensten terug te halen omdat zij begonnen in te zien dat de terugkeer niet voor binnenkort zou zijn en dat de oorlog nog lang kon duren. Zij mochten niet lang in het dorp blijven. Ze moesten onmiddellijk naar Roeselare terugkeren. De meesten vonden alles ongeschonden terug wat in de grond zat, maar dat was niet het geval met wat ze boven de grond, ergens in een hoek of gat hadden verstopt.

Bij deze opzoekingen naar verborgen kostbaarheden waren de burgers ook telkens door soldaten vergezeld, doch dezen legden verder de mensen geen moeilijkheden in de weg. Intussen trok het front, dat stilgevallen was en voor vier jaar zou verstarren, een ondoordringbare streep door Poelkapelle en scheidde de burgers van elkaar. Laten we nagaan wat van diegenen geworden is die westwaarts waren getogen. Hun ellende was er niet minder om..

2. NAAR HET WESTEN
Het grote doel van de vluchtelingen was de brug over het kanaal leper-IJzer te Boezinge, Door leper kon men uiterst moeilijk komen, omdat deze stad volkomen aan de doortrekkende legers voorbehouden bleef. Er liggen tussen leper en Diksmuide slechts drie bruggen over het kanaal, waarvan de meest noordelijke (van Noordschote) door het aftrekkend Belgisch leger benut werd en de middelste (van Steenstrate) eveneens, maar ook door de vluchtelingen van meer noordelijke streken. Immers ten noorden van Diksmuide was de Ijzerslag in volle gang en kon niemand daar nog voorbij. Bleef dus nog de enige brug over, deze van Boezinge. Zij moest de geweldige stroom verwerken.

Op 20 oktober bleven nochtans talrijke opgejaagden reeds te Langemark achter, ofwel omdat zij het zich beklaagden weggetrokken te zijn, ofwel omdat zij er bij familie wilden blijven, ofwel omdat zij de gebeurtenissen wilden afwachten. In Langemark, de oude moedergemeente, waren onze vluchtelingen goed bekend. Het werd daar een ware overrompeling, wanneer de kilometerslange rijen binnenvielen. Alle herbergen zaten stampvol, iedereen sprak zijn mondvoorraad aan. Zodat de Langemarknaren het nog zo’n slechte dag niet vonden wanneer ze de vele pinten bier mochten bestellen.

Wanneer tegen de late middag de eerste schoten werden gehoord, trokken de vluchtelingen toch weer verder. Precies alsof men zich veiliger zou voelen achter de kanaaldijk. Het was alsof men aanvoelde dat de Duitsers aan dit kanaal zouden tegengehouden worden…

En de helft van de Langemarkse bevolking voegde zich bij de stroom… Hoe meer de vloed de brug van Boezinge naderde, hoe dichter hij werd. Dat kon niet anders, gezien allen datzelfde punt overmoesten om de veilige kant te bereiken. Het werd een onbeschrijfelijk gedrang vóór die flessehals.
Bovendien begonnen steeds meer soldatenkolonnes die brug te gebruiken om naar het front te trekken. Zij hadden voorrang, zodat de vluchtelingen voor de brug verplicht waren te wachten tot de doorgang vrij was. Dat gaf steeds weer aanleiding tot ongeduld en herrie, te meer daar er geen onderkomen te vinden was aan de oostzijde.

De brug ligt immer aan de oostzijde van het dorp en er bevonden zich slechts een paar huizen en boerderijen aan deze kant. Deze brug van Boezinge heeft nog lang dienst gedaan als ontsnappingspoort voor vluchtelingen, zeker tot in het voorjaar 1915. Toen zijn de Duitsers er op een bepaald ogenblik zelf even overgeraakt!

De vluchtelingen die in Langemark waren achtergebleven de avond van 20 en ook op 21 oktober werden door de Engelsen niet verontrust. Maar diegenen die in Boezinge wilden blijven, werden dat door Engelsen en Fransen verboden. Generaal French had besloten dat het kanaal zijn vertrekbasis zou vormen, voor het offensief naar de kust, dat hij op 21 oktober had gepland. Kwam het offensief niet, dan bleef het kanaal toch een uiterst belangrijke strategische lijn, en dus zouden burgers er maar in de weg lopen. Boezinge werd door Engelse en Franse troepen overrompeld en vooral de straatweg van Boezinge naar Elverdinge, de voornaamste uitvalsweg voor de vluchtelingen, werd door de legerkolonnes in beslag genomen. Wat bleef er voor de verdrevenen dan nog over? De landweg naar Brielen!

‘Wij trokken van Boezinge weg’, vertelt een ooggetuige, ‘te midden van een onbeschrijfelijke chaos van paarden, materiaalwagens, veldkeukens, kanonnen, marsjerende soldaten. Mijn oude moeder, die zwaarlijvig was en niet ver kon te voet gaan, zat op een hondenkarretje, door een van mijn broers getrokken en door mijzelf en mijn jongste broer geduwd, In haar armen droeg zij haar jongste kleinkind, pas één jaar oud.

Vóór ons en achter ons gaf de optocht hetzelfde erbarmelijk beeld : oude mensen, zieken, kinderen op stoot- en hondenkarren, de geit soms eraan vastgebonden, de meesten op stukgelopen klompen, zwaarbeladen met zakken en manden, doodop en in de ogen een toonbeeld van de grootste miserie. De stroom was zo dicht dat velen de kortste weg door de velden namen, maar wanneer men met de karretjes ook maar een weinig de begane grond verliet, verstelden zij in het slijk.

Ook onze hondenkar begaf het, de wielen zakten in de modder en de kar kantelde. Moeder rolde eraf en wij moesten haar rechthelpen en de kar laten waar ze was. Al onze schamele bezittingen namen wij op onze rug en daarbij nog de kleine kinderen, want die konden niet meer. Ook wij konden niet meer, maar we moesten in het dorp komen. Te voet ploeterden we door de modder verder.

Velen van ons verloren hun schoenen en klompen en sleepten zich op blote voeten verder. Eindelijk kwamen we te Brielen aan.’

Dit getuigenis is er een uit de vele. Het kan voor iedereen gelden, went iedereen die het meemaakte kan er wel een of meer van zijn eigen beleefde avonturen in terugvinden. Het geleek toch alles op elkaar en niemand was er beter aan toe dan de anderen.

In Brielen was natuurlijk geen plaats genoeg en men trok verder naar Vlamertinge en Poperinge, Woesten en Elverdinge. De meeste vluchtelingen van Poelkapelle kwamen terecht bij de landbouwers. Daar mochten ze blijven zolang hun geen bevel werd gegeven verder Frankrijk in te trekken. De legerautoriteiten hadden vooralsnog geen tijd zich met het vluchtelingenvraagstuk te bemoeien, gezien zij zelf nog niet wisten hoe de toestand op het front ten oosten van het leperkanaaf zou evolueren.

De vluchtelingen installeerden zich in de schuren en ovenhuizen zo goed als het ging. Wie het trof had geluk, want hoewel de meeste landbouwers alles deden wat zij konden voor de ongelukklgen, waren er enkelen waarvan men te klagen had. Sommige vluchtelingenfamilies moesten betalen voor hun verblijf en voor hun eten, anderen leefden gratis. Natuurlijk moesten de mannen zich verdienstelijk maken met op de velden en in de stallen te werken, en de vrouwen hielpen de boerinnen in keuken en melkhuis.

Na enkele weken, wanneer de grootste deernis en gevoel van medelijden wat getemperd waren doordat de vluchtelingen op krachten waren gekomen, ontstonden hier en daar wrijvingen, wat onvermijdelijk was. Alleen voor de kleine kinderen en schoolbengels was het een gouden tijd. Zij beseften niets van de ellende en het leed van de oorlog en beschouwden alles als een geweldig avontuur. De weiden lagen vol met bivakkerende soldaten, vooral Engelsen en Fransen, en de kinderen waren er niet van weg te slaan. Zij werden er zelfs door hun ouders op af gestuurd om voedsel af te bedelen.

Deze toestand in het Poperingse, die we de eerste faze zouden kunnen noemen, duurde ongeveer twee maanden. Toen kwam de winter aanrukken…

Sommige mannen die door overbezetting van schuren en zolders waar vrouwen en kinderen sliepen, buiten op wagens en karren de nacht doorbrachten, kregen het nu te koud. Het gebrek aan volwaardige slaapgelegenheid deed een begin van algemene onrust ontstaan, die steeds maar erger werd en die in de hand werd gewerkt door de stabilisatie van het front. Men had het in de moeilijke omstandigheden nog altijd kunnen uithouden omdat men hoopte nog vóór de winter weer thuis te zijn.

Nu lagen de tegenstrevers uitgeput, na twee maanden vechten, tegenover elkaar, even sterk en even weinig geneigd het op te geven. Ze wensten allebei te blijven waar ze waren, een paar maanden elkaar met rust te laten en de winterperiode te gebruiken om uit te blazen en zich voor te bereiden op een nieuwe sprong tegen het voorjaar.

Tijdens het begin van deze rustperiode, waarin geen zware veldslagen meer plaatsgrepen en alles zich tot schermutselingen beperkte, probeerden sommige vluchtelingen door de lijnen te sluipen om ofwel weer naar hun huis te gaan, ofwel de geallieerde lijnen te bereiken. Sommige Poelkapellenaren hebben deze vermetele pogingen met de dood moeten bekopen.

Emeric Bourdeau, die op het gehucht ‘Bultekot’ tussen Katte- en Stadenstraat woonde, ongeveer achter de huidige kazerne van de Ontmijningstroepen, drieënveertig jaar en weduwnaar van Marie Dereyne, was met zijn vier kinderen eerder laattijdig gevlucht, maar had nog een onderkomen kunnen vinden in de eerste boerderij rechts buiten de dorpskom Langemark op de weg naar Bikschote (wijk Wijdendrift).

Tijdens de slag van de Kortebeek, waarbij de Duitsers vanuit Mangelare naar Bikschote en Langemark oprukten (zaterdag 24 oktober), zaten de vijandelijke troepen reeds zo dicht doorgezijpeld dat Emeric Bourdeau op een gegeven ogenblik noch vooruit, noch achteruit meer kon ; hij zat gekneld tussen de Duitse en de Franse voorposten. De Duitsers naderden meer en meer, en Emeric besefte nu ineens dat hij toch zou gevat worden en achter hun lijnen gebracht. Dat wilde hij niet en in een uiterste poging om de Franse loopgrachten te bereiken, sprong hij de straat op met een van zijn kinderen op de arm.

De Fransen dachten echter dat zij met een Duits soldaat te doen hadden en schoten op hem. Emeric Bourdeau viel neer, op slag dood, Het kind rolde uit zijn armen in de gracht en werd door de Fransen ongedeerd opgepikt.

Ook Emiel Boudry, wonende eerste boerderij rechts in de Ieperstraat, vóór de Eekhoutmolenstraat (in de oorlog Rose Farm), vond op tragische wijze de dood. Op 21 november was hij uit Poperinge, waarheen hij sinds oktober was gevlucht, teruggekeerd om te proberen zijn hoeve te bereiken en er enkele dieren te halen. Nu schijnt ons dergelijke poging onverantwoord, maar wij moeten begrijpen dat niemand enig besef had van wat een oorlog — en vooral een mitraljeursoorlog — betekende, nog minder van wat een stelling- en loopgravenoorlog was. Men dacht, dat waar het ergens rustig was, men gemakkelijk passeren kon. Zo was het in oude tijden toch altijd geweest.

Tussen Langemark en Poelkapelle was het in november 1914 inderdaad rustig geworden. Emiel Boudry was reeds tot aan de Schreiboom, tussen Langemark en PoelkapelIe genaderd, maar werd daar doodgeschoten. Er kon niet uitgemaakt worden van welke zijde de fatale kogel werd afgevuurd. Emiel Boudry was de vader van Achiel Boudry, de tweede dag van de oorlog reeds gesneuveld bij Luik.

Beter bracht het er Marie Masschelein af. Ook zij was in Poperinge verzeild geraakt en wachtte er op een gelegenheid om terug naar huis te komen. Omstreeks dezelfde datum van de poging van Emiel Boudry, greep deze van Marie Masschelein plaats, maar zij deed het meer Zuidwaarts en dat was haar redding. Zij woonde aan de Wallemolen (nu huis Fieuw) niet ver van de hoeve Deroo. Als vijftienjarig meisje kwam zij, op verzoek van haar ouders terug naar Poelkapelle om te proberen het in de grond gestopte geld terug te vinden.

Marie geraakte tot in Sint-Juliaan, maar mocht toen niet meer verder. Zij werd door een Franse schildwacht gearresteerd en naar het hoofdkwartier gebracht, dat ingericht was in een boerderij. Daar legde het meisje uit waarom zij in de streek ronddoolde en de Fransen namen haar uitleg gelukkig aan. Ze mocht echter niet verderop, doch Marie hield voet bij stek. ‘Het is helemaal niet ver meer’, beweerde ze. Wanneer dat waar was, mocht ze gaan, doch niet alleen, een Frans soldaat zou haar vergezellen.

De opdracht bleek toch gevaarlijk te zijn, want men vroeg een ‘vrijwilliger’ om het meisje te vergezellen ! En zelfs die manmoedige vrijwilliger werd tenslotte bang, wanneer het bleek dat de afstand veel groter was dan Marie had voorgehouden. Hij kon echter niet terugkeren en zijn gezellin in plan laten, want opdracht is opdracht en die moet vervuld worden. Hij vroeg echter gedurig: ‘Ou est-ce?’ En Marie replikeerde steeds ‘Pas loin’.

Ze trokken dwarsdoor het veld en er werd aan alle kanten geschoten. De Fransman waarschuwde haar ‘C’est pour nous’. Tenslotte moesten ze kruipen. Overal lagen lijken van Duitse soldaten. Het werd zo erg dat, toen ze eindelijk bij het huis kwamen, het levensgevaarlijk werd erin te dringen. Het huis werd beschoten, wellicht hadden de Duitsers verdachte bewegingen opgemerkt. Marie had de tijd niet om te graven en hals over kop moesten ze terug vluchten. In haar overhaasting tuimelde ze in de beek en verloor haar schoenen.

Barvoets door de modder kon zij tenslotte met haar begeleider langs de wijk ‘Luxemburg’ontkomen. Alle moeite was voor niets geweest en bovendien had zij er bijna haar hachje bij ingeschoten, want toen zij buiten gevaar waren, bleek het dat een Duitse kogel dwars door haar schort was gevlogen.

Na december was het met deze pogingen uit, niet alleen omdat de legerautoriteiten geen zulke toegeeflijkheden meer betoonden, maar ook omdat de vluchtelingen in het Poperingse niet meer mochten blijven doch diep in Frankrijk werden weggebracht.

Franse en Engelse troepen, zowel oversten als schildwachten, werden hoe langer hoe minder voorkomend voor de vluchtelingen. Door de rust op het front konden ze ook beter met het bestaan van die vluchtelingen geconfronteerd worden. Het doen en laten van veel uitgewekenen werkten Engelsen en Fransen op de zenuwen, onze mensen hadden immers algauw een mouw gepast aan de zaken en wierpen zich op als leveranciers van allerlei produkten die de soldaten interesseren. Winkeltjes en herbergjes rezen uit de grond.

Na enkele maanden spraken onze Poelkapellenaren reeds het nodige Frans of Engels om zaakjes te kunnen doen. Er werd gehandeld of er nooit een grens had bestaan tussen Poperinge en Cassel. De smokkelarij vierde hoogtij. Al dat heen en weer geloop van die duizenden burgers werd met scheve ogen door de legeroverheid bekeken.

Zeker, echte spionnen maakten van de warboel die er heerste gebruik om zich tussen soldaten, officieren en burgers te mengen om van de loslippigheid in cafeetjes en winkels gebruik te maken. Maar dat alles over één kam scheren, was toch erg. De toestand werd allengs slechter.

Vooral de Engelsen toonden zich uiterst wantrouwig en prikkelbaar. Secretaris Joris Dehaene die te Proven als vluchteling verbleef, hield er een dagboek op na en tekende minutieus alles op wat er elke dag voorviel, ook al moest hij daarvoor in volle straat blijven stilstaan. Zo was hij te Poperinge in de Casselstraat een aantekening aan het maken betreffende de vluchtelingen voor wier evacuatie naar Frankrijk hij te zorgen had, toen Engelse wachtposten boven op de Onze-Lieve-Vrouwetoren hem in de gaten kregen en zijn handelingen verdacht vonden.

Zij kwamen van de toren af en arresteerden hem. Zij begrepen niets van het nochtans sierlijk geschreven keurig Nederlands dat secretaris Dehaene in zijn minuscule dagboekjes placht te gebruiken, maar wezen boos op de vele namen die er in voorkwamen. Hoe de man hun al trachtte diets te maken dat dit namen van dorpsgenoten en andere kennissen van hem waren, het hielp geen zier en hij moest mee naar de gevangenis. Toen kwam de secretaris op het idee deze mensen te laten naar het bureau komen om zich met hun namen te confronteren. De Engelsen gingen erop in en toen pas kwam Mr. Dehaene vrij.

De hele tijd van de oorlog toonden de Engelsen zich daar achter het front uiterst nauwgezet en zakelijk tegenover allen die zij niet van haar en pluimen kenden. Zelfs Belgische soldaten, o.a. Alb. Baccarne, die zich samen met een frontkameraad uit Dranouter naar diens huis begaf (er bestonden inderdaad in het Belgisch leger nog een klein getal gelukkigen die hun ouders in hun eigen huis konden bezoeken, zoals die van het drie jaar onbezette Dranouter, Loker, Reningelst enz), werd samen met zijn kameraad gearresteerd te Poperinge, toen zij daar op doortocht waren komend van de Uzerstreek. Hoe zij ook hun soldatenpapieren, marsjorders en verlofbrieven voorlegden, het hielp allemaal niet en zij mochten twee nachten en twee dagen In de Engelse gevangenis doorbrengen, tot de spionnenkoorts wat gezakt was.

Met de Franse soldaten trof je ‘t niet beter. Daar kon Charles-Louis Descamps van meespreken. ‘Mijn broer en ik’, vertelt hij; ‘werden tussen Roesbrugge en Oost-cappei door Franse gendarmes aangehouden toen we de grens probeerden te naderen. We wilden naar Poperinge, maar de Fransen lieten ons niet door, voor ze onderzocht hadden wat we meehadden. Ik droeg twee mefkkruikjes, maar ze staken vol cognac. Ongelukkig genoeg openden de Franse militairen de kruikjes en roken onmiddellijk wat er gaande was. Ze namen ons de kruikjes af en dronken ze zelf uit. Daarop werden we vastgehouden en van spionnage beschuldigd. Ze brachten ons naar de gevangenis van Duinkerke en daar kregen we een straf die buiten alle verhouding lag (alweer als gevolg van de nervositeit waarin de militairen in de streek van Poperinge verkeerden in die dagen).

We werden twintig dagen lang opgesloten en moesten elke dag in een soort arena rondlopen als paarden in een circus, terwijl ze met een zweep achter ons aan zaten. Tenslotte werden we vrijgelaten op voorwaarde dat we dan ‘s anderendaags serieus werk zouden aangevat hebben en niet meer langs de straten liepen. We waren nog maar pas vrij op straat of ze hadden ons al opnieuw bij de kraag. Die nieuwe gendarmes fazen op ons paspoort het woord ‘Poel kapelle’en omdat ze wellicht verstandiger waren dan de eersten wisten ze daardoor dat we vluchtelingen waren. Ze maanden ons aan nog dezelfde avond Calais te bereiken, omdat daar voor zwervers lijk wij, een schip klaar lag. Wij trokken dan maar naar Calais en vonden daar inderdaad talrijke dorpsgenoten uit het Poperingse terug.’

In december 1914 had men besloten de vluchtelingen dieper Frankrijk in te voeren. Diegenen die geen eigendommen of andere middelen van bestaan hadden, moesten eerst vertrekken, de armsten dus, de kleinsten onder de kleinen. Zij werden ook het verst gebracht, helemaal tot in het zuiden van Frankrijk, toevallig ook de armste streek van Frankrijk! Maar om de reis dwars door het land te maken waren treinen nodig en die waren allemaal voor het leger voorbehouden. De spoorwegen mochten niet overbelast worden en daarom had men besloten de vluchtelingen met de boot overzee weg te brengen. Verscheidene schepen werden in de haven van Calais gecharterd.

Voor het transport van Poperinge naar Calais stond secretaris Joris Dehaene in de bres. Hij verbleef te Proven samen met Notaris De Tavernier, maar verbleef veel te Poperinge omdat van daar de treinen vertrokken en ook daar de visa voor de vluchtelingen in het Engels Hoofdkwartier moesten opgehaald worden.

De arme vluchtelingen uit Poelkapelle moesten opnieuw alles verzamelen om een tweede maal verder te trekken. En jammer genoeg, niet zoals ze gehoopt hadden, naar huis.

De tweede faze was naar veler getuigenis veel pijnlijker den de eerste, omdat er nu werkelijk geen hoop meer bestond nog spoedig huis en land terug te zien, noch diegenen van de dierbaren die door de omstandigheden waren achtergebleven. Bovendien was men de hele tijd toch nog op een stukje vaderlands grondgebied geweest, waar de bewoners nog dezelfde taal spraken en van dezelfde gezindheid waren. Nu was ook dat laatste houvast voorbij en trok men het onbekende tegemoet.

‘Wij werden voor vier jaar van moeder gescheiden’, zegt Charles-Louis Descamps voornoemd. En deze zin, die door velen mocht uitgesproken worden, typeert werkelijk de nood en het verdriet dat toen geleden werd.

Toen wist men natuurlijk nog niet dat het voor vier jaar zou zijn. Dat is in oorlogstijd ook zo’n onmenselijk lange tijd. Het zou een scheiding worden van volk en dorp en grondgebied die hen helemaal zou omkeren en van hen andere mensen maken. Onze dorpsbewoners, die omzeggens nooit een voet buiten het dorp hadden gezet, slechts één taal kenden, werden nu gedurende vier jaar in een smeltkroes geworpen van vreemde volkeren en ideeën en gebruiken.

Ze werden op slag cosmopolieten en geëmancipeerd. Dergelijke mentaliteit valt trouwens nu ook nog op te merken in al de dorpen die in de strook lagen die verwoest werd en is sterk te onderscheiden van de meer oostwaarts gelegen plaatsen waar het oude leven ongewijzigd verder ging.

Op zaterdag 5 december greep een afreis plaats, waarbij talrijke Poelkapellenaren betrokken waren. Zij moesten zich ‘s morgens zeer vroeg naar Poperinge begeven omdat daar de trein reeds om 9 uur zou vertrekken. Het regende bij stromen en de opgestopte weg leper-Poperinge, evenals die van Elverdinge en Roesbrugge, was voor velen een kalvarieweg. De modder stroomde over de hobbelige straatstenen en de velden leken slijkpoelen.

De meeste vluchtelingen werden door de boeren weggebracht, bij wie ze anderhalve maand hadden verbleven en gewerkt. Dat gebeurde met koetsen, sjezen en alle andere beschikbare vervoermiddelen. Doch wanneer een opstopping plaats had, doordat een legerkolonne moest passeren, en die had voorrang, dan geraakten de wielen vast en de rijtuigen zakten tot aan de assen in de modder.

Toen dan ongeveer iedereen ter plaatse was, kwam het bericht dat de trein eerst ‘s middags om 3 uur zou vertrekken. Onmiddellijk werden dan maar in afwachting alle café’s rond het station overrompeld. Het dampte er algauw rond de ronkende kachels ven de doornatte kleren. De plassen stonden op de vloer.

De mannen gingen uitzien waar ze brood op de kop konden tikken. Dat viel niet mee, want Poperinge kende een razende drukte en de bakkers hadden de handen vol. Wanneer ergens in het woord liep dat een bakker met een oven klaar was, dan werd zijn winkeltje onmiddellijk bestormd. Bij een van die bakkerijen ging het er zo geweldig aan toe, dat de deur en een venster werden ingedrukt. Tientallen handen reikten omhoog, het halve frankje erin gekneld, om een brood te bemachtigen.

De broden waren vers uit de oven, zodat ze niet lang op een brood geleken tegen dat een gelukkige zich uit het gedrang had kunnen vrijmaken. Met het brood hoog boven het hoofd buitengeraken was moeilijk en dan was het brood een vormeloze deegklomp geworden, waarvan de brokken zó moesten afgeknauvvd worden. Sommige pientere en voortvarende jonggezellen kregen er drie, vier te pakken omdat zij beweerden vaders ‘van veel kinderen’ te zijn.

Eindelijk vertrok de trein over Abele, Hazebroek, Sint-Omer naar Calais. Deze eerste grote reis vonden de kinderen de gebeurtenis van hun leven en deelden dan ook de zwijgende bezorgdheid van hun ouders niet. De landschappen die zij zagen waren ook zo nieuw en te Calais zagen de meesten voor de eerste keer van hun leven de zee. De hele zondag van 6 december bleef vrij en men kon die dag benutten om in de stad te wandelen. Het schip zou pas tegen de avond uitvaren. Dat was met het oog op vijandelijke duikboten of vliegtuigen.

Naast het schip waarop de Poelkapellenaren inscheepten lag er een dat naar Engeland vertrok. Het vaarde precies een paar stonden voor het hunne af en vervoerde een aantal vluchtelingen van Westrozebeke. Velen kenden elkaar, maar ook zij werden hier weer gescheiden. De officiële vluchtelingenorganisatie had immers besloten: jullie naar hier en de anderen naar daar en daar viel niet aan te ontkomen.

‘Ons schip vertrok naar La Pallice, ten zuiden van Nantes, (haven aan de Atlantische Oceaan) vertelt een opvarende. ‘Wij zaten helemaal onderaan in het ruim en probeerden te slapen, want er was toch niets te zien en we waren allemaal doodmoe. Maar ‘s nachts werden we wakker: iedereen was doodziek! Of het nu de zeeziekte was of wat dan ook, niemand wist het. In ieder geval stierf er een dorpsgenoot : Bruno-Medard Ameel (die woonde tussen de Poorter- en de Paardebeekstraat, ongeveer achter de huidige woning Gheysen). Hij werd in het water neergelaten en kreeg dus een zeemansgraf.’

Ch.-L. Descamps voornoemd, die ook op dat schip vertoefde (na zijn Duinkerks avontuur), weet niet waaraan hij de ziekte en dood op het schip moet wijten. Het kon door de ellende zijn, want het was een zeer vuil stinkend schip en het werd er nog erger op door de secreties van de opgeslotenen. Anderzijds kon de zeeziekte de oorzaak zijn, want het schip slingerde en stampte zo hevig, dat ChA. tegen de wand gegooid werd en de twee flessen cognac, die hij alweer in zün zakken had, kapotgedrukt werden..’

Tot overmaat van angst werd de vluchtelingen de volgende morgen door officieren kond gemaakt, dat het vluchtelingenschap, dat juist voor het hunne naar La Pallice was afgevaren, door een Duitse duikboot in de grond was geboord. Hun schip voer toch veilig de haven van La Pallice binnen op vrijdag 11 december, nadat de vluchtelingen vijf dagen aan een stuk in de buik van de boot hadden gezeten en door de luikjes niets anders zagen dan golven. Eén enkele keer meenden ze een klein eiland voorbij te varen, maar toch nog op een grote afstand, waarschijnlijk het eiland Ré.

In de haven zelf na de ontscheping, kregen de verzamelde vluchtelingen soep en brood. Dat geschiedde in leegstaande klaslokalen, Daarna werd een naamafroeping gehouden. En dit luidde een nieuwe scheiding in!

Onze dorpsgenoten die tot nog toe samen gebleven waren werden hier van elkaar gescheiden. Natuurlijk mochten de leden van eenzelfde familie bij elkaar blijven, maar toch deed ook die dag weer een wonde in het hart ontstaan.

Buiten de havengebouwen was het station gelegen en daar stonden naast elkaar verscheidene treinen klaar. De verantwoordelijken van de vluchtelingenzorg lieten de mensen instappen in de voor hen bestemde wagons en toen vertrokken de konvooien voor hun lange reizen door Frankrijk. Voor sommigen duurde deze treinreis nog eens een dag en een nacht en wij moeten ons voorstellen wat dit voor onze mensen geweest is. Het verwondert ons niet dat zij dachten aan het andere einde van de wereld te zullen uitkomen en nooit meer in staat te zullen zijn hun geliefd Poelkapelle terug te zien. Toen bestonden er immers nog afstanden!

Enkele treinen gingen naar het oosten, de meeste echter naar het zuiden in de departementen Gers, Ariège, Haute Garonne, Landes, Dordogne, enz. We mogen zeggen dat de hele streek ten zuiden van een lijn Bordeaux-Toulouse door vluchtelingen was ingepalmd. Ook de Mechelse en Leuvense vluchtelingen die in onze streken hadden verbleven vóór onze mensen zelf ervandoor trokken, waren daar. Talrijke huwelijken van Poelkapellenaren met partners uit dergelijke vreemde dorpen zijn daar ontstaan.

De vluchtelingenzorg bevorderde inderdaad zeer de contacten tussen al de ontwortelden en probeerde hen toch een beetje van het leven in het verre vaderland te laten behouden. Een van de promotors van de vluchtelingenwerking was ongetwijfeld de Algemene Aalmoezenier E. H. Dejonghe, onderpastoor te Poelkapelle. Hij verbleef te Dax in de Landes en oefende er zowel de zielzorg als de materiële zorg uit.

Op een dag dat hij aan het hoofd van zijn vluchtelingen op bedevaart trok naar het nabije Lourdes en luidop in het Nederlands voorbad, werd hij door een Franse geestelijke aangesproken, die hem verontwaardigd vroeg of hij niet beschaamd was in dergelijke taal tot Onze-Lieve-Vrouw te spreken, dat was haar echt oneer aandoen. E.H. De jong he was niet op zijn tong gevallen en antwoordde dat Onze-Lieve-Vrouw even goed Nederlands verstond als Frans, wat niet ven iedereen kon gezegd worden.

De vluchtelingen werden in hun respektievelijke stadjes en dorpen bij burgers uitbesteed en er, naar algemeen getuigenis, zeer hartelijk ontvangen. Hoewel de gastheren het over het algemeen zelf al niet te breed hadden, stonden zij gul af van wat ze bezaten. Onze mensen schakelden zich dan ook snel in het Franse leven in en werkten op boerderijen en in de fabrieken. Vooral de fabrieken, op de oorlogsindustrie overgeschakeld, hadden veel van onze landgenoten als werknemers. Parijs, Toulouse, Le Havre waren de steden waar de grootste munitiefabrieken vluchtelingen inschakelden.

Zij die kinderen hadden konden ze echter slechts in bepaalde centra laten schoollopen in het Nederlands, met name daar waar veel vluchtelingen waren geconcentreerd. Eigenaardig genoeg was dat niet het geval in Zuid-Frankrijk omdat de massa vluchtelingen er te veel gespreid was. In Nor mandie en in de Somme werd wel les gegeven door uitgeweken onderwijzers, o.m. door Meester Seys in Darnetal bij Rouen en door Meester Joris Dehaene, gemeentesecretaris, te Mers-les-Bains bij Eu.

Gemeentesecretaris Dehaene was immers inmiddels zelf uit de streek van Poperinge moeten wegtrekken. In de decemberdagen van 1914 waren alleen de economisch zwakken geëvacueerd geworden naar Frankrijk. De anderen waren door de mazen van het net geglipt doordat zij zich op de een of andere manier als eigenaar van onroerende goederen konden laten registreren ofwel het gedaan konden krijgen zich als kind van den huize te laten aannemen bij de mensen waar ze ingekwartierd waren.

In mei 1915 werd de toestand echter ook voor hen onhoudbaar. In die weken hadden de Duitsers hun groot offensief ingezet, gepaard met de eerste gasaanvallen, op de frontlijn tussen leper en Diksmuide. Te Boezinge en Steenstraete konden zij het kanaal oversteken en wilden naar Poperinge. Hun zware artillerie bombardeerde de stad geweldig, omdat zij een knooppunt was, waarlangs alle toevoer van de legers in de leperse sector gedraineerd werd. In zijn dagboek spreekt Mr. Dehaene van een 325 mm granaat die het dak van het huis in de O.L. Vr.-Kruisstraat, waar hij logeerde, wegsloeg.

Ook voor deze contingenten vluchtelingen was een trein gecharterd, dit keer in het station van Abele (wegens het gevaar van voornoemd bombardement). In het station deelden Engelse soldaten brood en sinaasappelen uit aan de vluchtelingen. Deze tweede groep vluchtelingen, vier maanden na de eerste vertrokken, vestigde zich meestal in Normandië en de Somme. Aangezien deze categorie meer welstellend was, moest zij ook meer voor zichzelf instaan. Door relaties konden zij leegstaande huizen bewonen. De huurprijzen liepen van 30 tot 70 F per maand voor complete herenhuizen. (Ter vergelijking; een fles wijn kost 0,40 F, een fles cider 0,30 F, een mes 2,50 F en een kostuum 34 F).

Het inrichten van Nederlandstalige scholen liep niet van een leien dakje. Mr. Dehaene stipt in zijn dagboek aan hoe hij daarvoor de pastoor (vierentachtig jaar) moest aanspreken en dadelijk toestemming kreeg, doch alles zelf diende te beredderen zonder medehulp. Bovendien waren talrijke verplaatsingen naar Le Havre nodig, waar de uitgeweken Belgische regering zetelde. Daar moest men heen om te onderhandelen en subsidies los te krijgen.

Ook van daar kwamen de aandelen, aan iedere stad toegekend, die vluchtelingen binnen haar muren herbergde. De schrijvers van de vluchtelingencomiteiten die op de gemeentehuizen hun plaatsje hadden gekregen, wachtte dan de taak die gelden te verdelen. Iedere vluchteling had recht op een bedrag van 3 tot 5 F per maand in mei en juni 1915; in juli was dit reeds tot 30 F gestegen.

De jaren verliepen en voor diegenen die heel diep in Frankrijk vertoefden was Poelkapelle zo onwezenlijk ver dat het beeld ervan vervaagde. Alleen nu en dan waaide er eens een kort berichtje over. ‘Op zekere dag kregen wij te Pamiers (dép. Ariège) door de stationschef die ons goed kende een Franse illustratie onder de neus gestopt’, vertelt een vluchtelinge, ‘en daarop was een kale vlakte afgebeeld, met een paaltje op een stok er midden in, ‘Poelkapelle’stond er op dat plaatje en als onderschrift onder de foto: ‘Poelcapelle n’est qu’une mare’ (Poelkapelle is nog slechts een modderpoel). Wij bleven er minutenlang verstomd op staren, zonder te begrijpen. Alles, alles was weg!’

Zo hebben deze vluchtelingen hun dorp ook weergevonden in 1919 en 1920. Want vier-vijf jaar Frankrijk hebben hen niet kunnen beletten de oude vadergrond weer op te zoeken en te bewonen. Alleen diegenen die intussen ginder met Fransen waren gehuwd, zijn achtergebleven. Zij wonen er nog en hun kinderen dragen er voort hun Poelkapelse familienamen. Lange jaren bleef Poelkapelle naar Frankrijk georiënteerd, door de talrijke familieleden en relaties die er werden gewonnen.

Uit ‘Poelkapelle 1914-1918 van R. Baccarne en J. Steen’ – Drukkerij Almar Wervik – 1965

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>