De voorspelling van pastoor tSantele

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       5 days ago     66 Views     Leave your thoughts  

Het is een genot voor de geschiedvorser, in tijden van opstand en vervolging een geleerde man te ontmoeten, die moedig in de bres durft springen, om het recht en de waarheid te verdedigen. Zulk een man was Jacob tSantele, pastoor te Kortrijk van 1556 tot 1576, later deken van het kapittel in dezelfde stad. Aan hem worden deze bladzijden gewijd.

Sedert eeuwen werd St-Maartenskerk bediend door twee herders. Zo vinden we in 1553 Cornelis Janssen, van Hulst, voor de noordportie, en Wouter Salome, voor de zuidportie.

Pastoor Salome stierf in het begin van 1554, en werd op 1 maart opgevolgd door Michiel van den Berghe, lid van het kapittel. In de lente van 1555 verving Jan de Bleeckere de genoemden kapittelheer, en de 11de mei van 1556 kwam Meester Jacob tSantele, ‘in de plaats van Joannes de Bleeckere, bij permutatie van eene capellanie in Ste-Gudula tot Brussel’.

Jacob tSantele was van Leuven. Hij had daar gestudeerd en de titel van licentiaat in de godgeleerdheid verworven. Toen hij in Kortrijk toekwam, hadden de protestantse leer er al diepe wortels geschoten. In de ‘consultatie’ van 19 mei 1553 zegde de geloofsonderzoeker Pieter Titelmans, ‘dat het pestilencieux vier ende venyn van heresien in dese contreye grootelicx ontsteken ende verbreedt was.’

Zeventien ingezetenen, ‘respectivelick suspect van heresien’, waren ‘de kennesse ontlopen’. Ze moesten gewaarschuwd worden, dat al hun goederen, ‘meuble ende immeuble, moesten gheinventorieert ende bewaert worden ten proffyte van de Majesteyt totter tyd, dat sy henlieden zouden purgieren.’

Er groeide dus onkruid in de wijngaard, waar Jacob tSantele met zijn ambtsgenoten van de noordportie aan het werk ging. Voor het gemak van de lezer, stellen we even die ambtsgenoten voor:

1. Cornelis Janssen, die we reeds noemden, en die in 1561 als hoogleraar naar Leuven vertrok;

2. Frans Potens, die de 25ste januari 1564 al zijn boeken aan de stad overmaakte en hetzelfde jaar overleed;
3. Jan du Ballo en Jan Couquelin, die beiden niet lang in bediening bleven;
4. Kaspar Simoens, genoemd in een oorkonde van 1566, en die in 1580 Pieter Simons tot opvolger had.

Cornelis Janssen, licentiaat in de godgeleerdheid, was in 1547 naar Kortrijk gekomen, 37 jaren oud zijnde. In 1548-49 zond hij de schepenen een exemplaar van zijn werk: ‘Concordantia Evangeliorum’, gedrukt te Leuven, en ontving van hen als beloning een zilveren kop, die een waarde had van 50 pond.

Wij menen, dat de nieuwe herder van de zuidportie in den beginne als toeschouwer optrad, dat hij wilde kennis maken met de godsdienstige toestand in de stad, met de gezindheid van mensen in zijn omgeving.

Wat daar ook van zij, in het openbaar stond de oudere en geleerde Janssen op den voorgrond. De schepenen gelastten hem met onderwijzingen in de ommegangen en riepen hem ten stadhuize, als de omstandigheden dat vereisten.

Na 1561 ontmoeten we alle jaren Jacob tSantele, soms met twee, ja met drie sermoenen. Dezelfde rekeningen behelzen bovendien posten, rakende ‘het examineren’ van ketters of ‘het publiceren van generaele pardoenen’.

Omstreeks het jaar 1560 waren de schepenen van Kortrijk nu en dan verplicht, de wet in al alle strengheid toe te passen, vooral tegen de Wederdopers, die, als zij hun dolingen niet afzwoeren, levend verbrand werden.

Van 1552 tot 1569 bracht men 10 personen uit Kortrijk op de brandstapel.

In 1563 was het de beurt van gevangenen ‘die ghebrocht waren by die van Heestert’.

In 1561 bestond het bestuur van stad uit de volgende leden: Pieter van der Gracht, burgemeester; Joost van den Berghe, Lodewijk de Muelenare, Thomas Notebaert, Jan Tytgat, Wouter Waye, Jan de Crytsche, Jacob van den Bogaerde, Allaard de Boosere, Jan Vlerick en Jan Seynave,

Nu verlangden de wethouders, dat Jacob tSantele in hun vergadering een Herdooper zou komen verhoren. De herder antwoordde ontwijkend. De zaak kwam voor den Raad van Vlaanderen, waarop de pastoor schreef:

‘Dat hy daeromme swaricheyt maecte, wel wetende, datter sommighe in de wet waeren, die uut huerlieder arguacie meer quaets zouden moghen grypen, ende argumenten van de herdoopers leeren, dan deucht.’

In bijzonderheden tredende, beschuldigde hij de schepen Thomas Notebaert van ‘over menighe jaeren de heretycken gefavoriseert te hebben’. Zelfs had hij op zekere dag de geloofsonderzoeker ‘vele scandaleuze proposten’ toegesnauwd, onder andere ‘dat hij een vervolghere was van het onnozel bloet’, vergetende, dat de priester niets anders te doen had dan eene gans burgerlijke wet te helpen uitvoeren

Dezelfde schepen had een dochter, ‘zeer suspect ghehuwet met Jacques de Critz’. Een andere schepen, Allaard de Boosere, en de gemeenteontvanger Mathias Wervy werden insgelijks van afvalligheid verdacht.

Jacob tSantele wist wat hij zei. Na de overrompeling van Kortrijk door de Gentse Geuzen, in 1578, zetelde Thomas Notebaert in den Raad der 18 mannen, evenals Jacob de Crytsche, zijn schoonzoon, en Jan de Boosere, zoon van Allaard, die overleden was.

In de maand maart 1569 voerde de hertog van Alva drie zware belastingen in: van de honderdste penning, eens door allen te betalen voor hun roerende en onroerende goederen; van den tienden penning voor de verkoop van alle roerende, en van den twintigste penning, door de koper van alle onroerende goederen telkens te betalen.

Alva’ eis verwekte overal grote tegenspraak, vooral de tiende penning, die noch de katholieken, noch de protestanten kon bevredigen.

Men wil, dat Jacob tSantele op zekere dag tegen die lasten predikte, staande houdende, dat de landvoogd aan de vrijstelling van de geestelijkheid niet mocht raken, zonder een bijzondere machtiging van de paus.

Toen Alva dat vernam, vroeg hij de afstelling van de herder; maar bisschop Gilbert d’Oignies onderzocht het gebeurde en weigerde die maatregel te nemen.

We vermoeden, dat de volgende post uit de stadsrekening over 1568-69 met dit alles in verband staat: ‘Betaelt Mr Jacob tSantele, pasteur van St-Martinskercke in Curtycke twaelf pont groote Vlaemsch, die hem by myn heeren van der wet ghegheven zyn geweest ter hulpe van zyn costen in zyn voyage naer Doornic’.

Op 8 oktober 1574 zond de herder, aan de bisschop van Doornik, een latijns verslag over de toestand van de gemoederen te Kortrijk. Hij wees onbeschroomd op de flauwmoedigheid van de Rooms-katholieken, en voorspelde groote onheilen in de toekomst; een toon van weemoed klonk uit gans het stuk. De godsdienst – zegde hij – verkeert in deze streken in het grootste gevaar, niet zo zeer vanwege de verklaarde vijanden van kerk en koning, als wel door de openbare, onverschoonbare toegeeflijkheid van het burgerlijk gezag, wat betreft het gevangen nemen en het kastijden van de ketters.

De katholieken, die vroeger in ijver voor hunn godsdienst ontvlamd, zich tegen de oproerigen als een muur voor Gods Kerk stelden, beklagen zich thans beschouwd te worden als woelgeesten en opstandelingen, vooral zij, die als wethouders optreden.

Slechts enkele moedige katholieken worden tot het bestuur geroepen, hetwelk veeleer toevertrouwd wordt aan lieden, die in den tijd der onlusten of schandelijk zijn afgevallen, of tussen water en wind drijven, stilzwijgend en weifelend gereed zijn om zich aan te sluiten bij de partij die boven zal komen.

Dergelijke lieden acht men nochtans nuttig voor het gemenebest, omdat ze verlangen de vrede te zien heersen tussen de belijders van alle erediensten, en omdat zij menen, dat de gewetensvrijheid moet gedoogd worden, zoniet met uitdrukkelijke woorden, ten minste feitelijk. Daaruit volgt, dat de ketterij en de opstand elke dag nieuwe krachten winnen.

Het enig middel, waardoor de katholieken konden gehouden worden in de oefening van godsdienst en plichten, namelijk de geestelijke jurisdictie, werd door de burgerlijke overheid aangerand en teniet gedaan. Wordt aan dit alles niet spoedig een einde gesteld, zo zal de toekomst dvan de kerk in deze gewesten weldra zeer beklagenswaardig zijn.

Het moedig optreden van Jacob tSantele moest de man op de duur van goede vrienden, maar ook van hevige vijanden omringen. Wij gaan het bewijzen.

Lange jaren herkenden de wethouders, dat de herder grote diensten bewees aan de kerk en aan de gemeente In 1561-62 gaven ze geen bepaalde redenen op ; na de beeldstormj van 1566, die Kortrijk spaarde, benadrukten ze op het verkondigen van het woord van God; .. in 1567-68 beloonden ze de priester voor zijn pogingen ‘ter ere van ruste ende gemeene welvaert der stede’.

Het volgende jaar schonken ze hem eene aanzienlijke som, om zijn reis naar Rome te helpen bekostigen. Nadere inlichtingen omtrent deze reis hebben we nergens ontdekt; maar we vragen ons af: had de strenge Alva, na zijne eerste aanklacht, geen beroep op den Heilige Stoel gedaan?
Ondertussen verslechtte de toestand van jaar tot jaar, zoals Jacob tSantele voorzien en voorspeld had. De 30ste augustus 1566 schreven de schepenen, ‘dat diversche inzetenen als quaetwillighe ende beroerlicke persoonen daeghelix zaeyden onder tghemeente blasphematieve ende seditieuse woirden ende proposten, injurierende, zoo gheestelicke als weerlicke persoonen’.

In 1567 wilden de burgerlijke overheden ‘de ghezyndthede kennen van de vier ordinaire ghulden’ van de stad, ten einde men zou weten ‘wat secours ende hulpe de justitie ende de wet in tyde van eenighen uploop ofte beroerte men zou moghen verwachten.’

Ze ontboden al de hoofdmannen van de gilden met hun ‘dyseniers’, en stelden hen voor om de volgende eed af te leggen: ‘Ghy zweert up de verdommenesse van uwe ziele van nu voort anne te houden de Roomsche, catholycke Kercke alleene voor doude, waerachteghe Christen Kercke, ende dezelve overzulcx naer u vermoghen te volghene ende onderhoudene, midtsgaeders alle de statuuten, ceremonien ende ordonnancien van diere; oic dezelve te beschermene ende helpen beschermene, alzo wel haer leeringhen ende institutien als de leeraers ende dienaers van diere; voorts den coninck onzen gheduchten heere goedt ende ghetrouwe te zyne, ende oic heer ende wet te wesene onderdaenich; te helpen beletten naer u verrnoghen alle troublen, die zouden moghen perturberen de ghemeene ruste ende welvaert.’

Zou men het kunnen geloven? Er waren dertien weigeraars; ‘refusanten’: een van de voetboogschutters; vier van de handboogschutters; drie van de busschieters en vijf van Schermers.

De tijd werd zo ‘periculeus ende perplexe’, dat ‘heer ende wet ‘ de 16de augustus 1570 ‘in elcken wycke twee notable persoonen’ aanstelden, om de berechtingen te vergezellen. ‘Wanneer iemand in zieckte gheadministreert moest worden, waren die persoonen ghehouden henlieden te vindene in de kercke, ende van daer te convoyen het helich Sacrament totten huuse van den ziecke, ende met tzelve weder te keeren totter kercke’.

Weinige jaren nadien gebeurde er iets anders. De bisschop van Doornik Pieter Pintaflour wilde een einde stellen aan de geschillen, die nu en dan tussen de twee herders in dezelfde kerk en dezelfde parochie oprezen. Wij willen – zo schreef de kerkvoogd – dat de bekwaamste pastoor overste zij en hoofd in Gods huis; dat hij in alles de eereplaats zou hebben; dat de andere pastoor, evenals de kapelanen en de koorbedienden hem zullen eer bewijzen en gehoorzamen in alles, wat de goddelijke diensten, de zaken van de kerk en onze voorschriften aangaat.

Tevens stelde de bisschop Jacob tSantele als overste voor (1576). Dit was water op den molen van de vijanden. Deze tekenden verzet aan bij de kerkvoogd, die zijn voorstel introk, met alle kiesheid de herder verdedigde, die zijn volk zo lang en zo wel onderwezen had in het geloof. Jacob tSantele had inderdaad twintig jaren en twee maanden in onze stad gewerkt.

De 2de juni had hij een laatste onderhoud met de schepenen over zaken, ‘concernerende zyne resignatie’. Zijn oversten zonden hem naar Antwerpen, als ‘heuverste pasteur van de collegiale kercke van Onser Vrauwe; en de 17de juni, toen hij vertrok, boden de wethouders hem als afscheidsgroet nog vier kannen wijn aan.

Zijn opvolger was Jan David, van Kortrijk, regent der H. Geestschool. Hij werd in de maand September 1577 ingehuldigd.

Op het einde van l577 maakten Jan van Hembijze en Frans van de Kethulle, heer van Rijhove, zich meester van het bestuur van de stad Gent, voerden er een wezenlijk schrikbewind in, dat steunde op verraad. geweld en misdaad, en dwongen weldra een groot gedeelte van het land hun barbaarse wet te volgen. Wij noemen Brussel, Antwerpen, Dendermonde, Geraardsbergen, Brugge, Kortrijk en Menen.

Zo werd de voorspelling van Jacob tSantele werkelijkheid. De geuzen overrompelden het bestuur van onze stad op de 12de februari van 1578, en bleven er meester tot 27 februari 1580. Bijna al de priesters, hier en elders, namen de vlucht naar veiliger streken. Jan David ging naar Dowaai bij de paters Jezuïeten; Jacob tSantele verliet Antwerpen en werd kapelaan van Don Juan van Oostenrijk, die in 1577 als landvoogd was gekomen en te Marche het Eeuwig Edict had ondertekend. David heeft dit bevestigd in een bewaard gebleven handschrift: ‘In exilio sacellanus honoris Don Jehan’.

En zie! Nauwelijks was het koninklijk gezag in onze stad hersteld, of beiden keerden hier terug: David als pastoor van St-Martenskerk, tSantele om deken te worden van het kapittel. Wij ontmoeten hen voor het einde van de maand maart van1580.

De 12de maart werd de wet vernieuwd; veertien dagen nadien zonden de katholieke wethouders hun gewezen herder naar Namen, waar de landvoogd verbleef, om ‘de reconciliatie van de stad te vervolgen’. De post der rekening noemt hem plebaan en deken.

De kapelaan Lodewijk Ogiers overleed op 19 april 1582. De uitvoerders van zijn testament schreven in hun rekening: ‘Item ghegheven an Jacques Tsantele ter cause van het beschikken van eenen brief aen den prelaet van Zunnebeke.’

De gemeenterekening over 1582-83 noemt hem niet alleen deken van het kapittel, maar ook ‘gouverneur ‘ van het hospitaal. De kanunnik H. Reynier schreef zijn testament op de 13de januari 1584. Als uitvoerders stelde hij Jacob tSantele en Gerard Maelfeyt aan. Men leest in dit stuk: ‘ltern do et lego meo confratri magistro Jacobo tSantele, decano, tahu. lam sive imaginem eburneam dominice Annunciationis, una, cum persone mee et persone Elisabeth.’ Reynier stierf tien jaren nadien.

Op 12 februari 1586 hield Jacob tSantele in de St-Maartenskerk een kind over de vont. De doopakte zegt: ‘Suscepto Mro Jacobo tSantele, decanus dive Virginus Marie’.

In 1589 was hij lid van de synode van Doornik. Op 24 augustus 1590 ondertekende hij te Ieper een ‘Testimonium’, dat bestemd was voor Pater Jan David.

De eerder genoemde Hieronymus Reynier overleed op 28 januari 1594. Drie dagen nadien veilde men zijn huismeubelen. Het verslag zegt: ‘De caerte van de werelt, decanus Santel.’

Wij hebben niet ontdekt, wanneer Jacob tSantele overleden is; maar we menen, dat zijn sterfdag te zoeken blijft tussen 1 februari 1594 en 27 november 1596. Het was althans op deze dag, dat Jan Wricht deken van het kapittel werd.

Voor zijn verscheiden had Jacob tSantele een jaargetijde gesticht in de kapel van het Grauwe-Zustershuis. We lezen daaromtrent in het register der Prouvenen: ‘Het jaerghetyde van myn heere den deken Santel doet men den dertichsten Mey, ende wy moeten hebben VI loen (loodjes), comt III st. g.’

Jan David noteerde dat zijn vriend Jacob tSantele een zeer geleerd en gezaghebbend man was: ‘Magne eruditionis et authoritates vir’. Naar ons oordeel was hij tevens een man van karakter, een waardige priester, een moedige kamper tegen het protestantisme. Stellig behoorde hij tot de schare van de goede herders, die hun schapen kennen, bewaken en beschermen.

Men heeft vele verwijderde en nadere oorzaken van de miserie van de 16de eeuw aangevoerd. Jacob tSantele, een tijdgenoot, wees onbeschroomd op het gemis aan spoedige en krachtdadige onderdrukking vanwege de burgerlijke overheid. Had hij ongelijk?

Theodoor Seven in ‘Handelingen’ van het Kortrijkse Genootschap van Geschiedenis uit 1922-1923 (Rijksarchief Kortrijk)

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>