De wielmannen op hun wielpeerden

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     430 Views     Leave your thoughts  

De oude schoolbanken van Beselare.

De eerste sporen van ons volksonderwijs zijn te vinden omstreeks het midden der zeventiende eeuw. Er berust in het Rijksarchief te Brugge een losse kerkrekening uit het jaar 1660, het jaar dat tussen Spanje en Frankrijk de vrede gesloten werd. In die rekening is de naam opgegeven van Joost Belettere Coster-scolemeester, hij was te Beselare geboren in 1641. De Belettere’s waren in die tijd een gezaghebbende familie, die op ons dorp een voorname rol speelden, te oordelen naar de ambten die zij bekleedden : baljuw, burgemeester, schepenen, leenmannen, enz.

Na Djoos Belettere is het Guillaume Lefrancq, een Ieperling, die in 1690 als koster bekend staat en tevens een kleine vergoeding bekomt “voor thouden van scole”, maar in 1691 sterft hij alhier. Het duurt nu tot begin 1700 vooraleer wij kennis krijgen van Lodewijk Callewaert, die het eerst vermeld wordt in de parochierekening van 1703, waarin de volgende post-uitgave voorkomt : “betaelt aen lodewijk Callewaert koster ende schoolmeester deser prochie de sornme van agtenveertig p.p. over ses maenden pensioen van het houden der schole voor de prochie, het besorghen van de horloge, het luyden daghnoene ende avond, ‘tpublicieren van kerkgeboden ende placcaeten de prochie raecende”,

Men kan al dadelijk konstateren. dat onze vroede koster en schoolmeester zo wat “duivel doet ‘t al” moest spelen om aan “de kost te geraken”. Dat hij liefhebberij vond in rijmdichten, bewijst zijn “Hekeldicht op de Beselaarse heksen”, evenals zijn zinspreuk : ,,Als te Becelaere de groote kloeke luydt comt Sefa Bubbels uyt”, hetgeen beduidt als er onder gebuurvrouwen luidop verwenst, gebatterd en geklabbetterd werd om er balloorde van te worden, gewoonlijk voor “entwat van niet” zulks geweten werd aan een of andere hekse, als oorzaak van het gekrakeel en die het spel op de wagen gesteken had ! !

Het huis waar onze eerste kosters woonden en school hielden, stond noordelijk de kerk, waar in 1921 het huizeken gezet werd dat enkele jaren tot noodwoning voor onze eerste pastoor na de oorlog gediend heeft, later werd de helft van het huizeke af gebroken, om er de Patronage te bouwen, het is het overgebleven gedeelte dat heden tot bibliotheek dient. In de jaren 1955-’60 verbouwde men de patronage tot de ruime smaakvolle feestzaal van heden, door eerwaarde heer pastoor F. Vanwalleghem in zaal ,,Open Deur” herdoopt.

Dat oud zestiende-eeuws schoolhuis was een lang, breed en laag gebouw, met de voorgevel ten zuiden, met binnenin een ruime woonplaats, brede open heerd en schouw met “standfyken en kavieberd”, bezet met oudvlaamse sier- of pronktegelkens, een aarden gestampte vloer, witgekalkte muren met mollegrauwe boorden, vier grote vensters in de voormuur, verdeeld in kleine ruitjes van licht groengetint glas.

Zware balken steunden de zoldering en het plompe strooien dak. Dat kosterijhuis moet eeuwen getrotseerd hebben want de parochierekening van het jaar 1788 bevat daarover de volgende eigenaardige aantekening : ,,men geeft te kennen dat er an dese prochie is toebehoorende de deurgaende helft van het kostriehuis staende van noorden tkerkhof, dus de wederhelft is competeerende aen de kerke deser prochie gemeen ende onverdeeld en van oude immemoriale tijden gebruyckt door de respectieve kosters deser prochie gratis over hetzelve huys is dienende voor schoole tot Ieeren der kinderen deser prochie welk huys van ouds aen dese prochie ende kercke is competeerende, zonder dat men heeft connen ontdekken of zij tzelve nieuwe gemaeckt hebben ofte in welken hoofde het hun is toegecommen … – pro memorie -“.

Buiten het kosterijhuis lag er ook nog bos en land waarvan niet meer bekend; hoe en wanneer het in bezit van de parochie gekomen was, zo vermeldt dezelfde jaarrekening nog het volgende: ,,men geeft te kennen dat er in handen deser prochie nog geabbandoneert liggen diversche partyen van landen loopende tsaemen 2.100 roeden ofte omtrent consisteerende in sober bosch ende ten grooten deele in veld, zonder dat men weet door wie ende wanneer dezelve aen dese prochie gabandonneert is geweest, nog te ook zonder te kunnen melden de groote van elcke partye separaetelyck, omme de groote duysterheyd van den landbouck deser prochie inde jaeren 1600 – pro memorie-“.

In die oude tijd werden er geen zware eisen gesteld aan het onderwijs, het was vooral van Bamis tot april dat de meeste kinderen ter school gingen, van negen tot elf jaar oud. ‘s zomers immers moesten zij helpen aan allerlei boerenwerk … naar school gaan nam men zowat als een luxe artikel ( alhoewel dat van in de vroegste tijden alle kinderen verplicht waren het godsdienstonderricht te volgen dat door de priesters der parochie in de kerk gegeven werd), maar lezen en schrijven had toen weinig of geen belang, boeken vond men niet bij de gewone man, deze waren er ook niet nodig want in het grootste deel der gezinnen was er niemand die lezen of schrijven kon.

In de achttiende eeuw gingen er doorgaans maar drie op honderd inwoners naar school, op een bevolking van ongeveer tweeduizend zielen was dit plus minus een zestigtal kinderen die naar school gingen, dan nog hoofdzakelijk gedurende de wintermaanden, en wat leerde men er dan nog!

De inrichting van het schoollokaal in het kosterijhuis liet, hoe kon het ook anders, alles te wensen over ; als men bedenkt dat rond de veertig jongens opeengepakt zaten op kleine bankjes, in een vernepen houding, gebogen over hun schoolberd dat zij op de knieën hielden, op die wijze leerden zij letters spellen, lezen, schrijven en een weinig cijferen.

Orde en tucht handhaafde de meester door een pandoeringe met een stevige taaie wiedouwwisse of de houten latte, ,,een wackere roede van wilgentacke of te de hantplacke … “, de meester had een bijna onbeperkte macht, lijfstraffen waren dagelijkse kost … , brandinge voor het heerdvuur dienden de jongens zelf mede te brengen, er was toen geen hofstee te vinden zonder bos, de boeren waren derhalve gelast een deel brandhout te leveren voor de kinderen van kortwoners en disgenoten. De kinderen van te lande mochten overncen in school blijven en hadden het eten van huis mede, dat in aarden pullen bij het heerdvuur te warmen stond.

Alhoewel weinig aangemoedigd werden toch geregeld prijzen gegeven, deze bestonden meestal uit kledingstukken: baais, zakken, sjerpen, mutsen, pywanten enz., bij de ondervraging viel omtrent d’helft der leerlingen “door de mande”, maar zij kregen toch, als aanmoediging een “prentje of zentje”.

Ook voor het godsdienstonderricht werden prijzen geschonken:,, … per ordonnantie van 20 february 1704 aen pastoor Delanghe, 24 schellingen tot het coopen van prijzen om aen de kinders in de cathquisatie uyt te deelen”. Beselare lag toen ook in Frans geannexeerd gebied. Immers door de vrede van Nijmegen, werd de gehele kasselrij Ieper met een gedeelte der kasselrij Kortrijk aan de Franse kroon toegevoegd. Wij waren veroverd, onderworpen aan “Frans”. De Raad van Vlaanderen te Gent was nu niet meer ons hoogste gerechtshof, maar wel “le Conseil Souverain” te Doornik, het komt daardoor dat de akte waarbij· de heerlijkheid van Beselare in 1705 tot Markiezaat verheven werd, door de Griffie van het Parlement van Doornik, in het Frans geregistreerd is (zie vierde deel, blz. 31 e.v.), dit is eveneens de reden waarom van 24 maart 1685 tot 6 juli 1713 al de akten in ‘t Frans opgesteld zijn. Alleen de parochie- en kerkrekeningen bleven in ‘t Vlaams gesteld.

Dertig jaar lang hadden onze voorouders de last te dragen van oorlog, bezetting, inkwartiering van soldaten, opeisingen, vervolgingen en knevelarijen allerhande. In 1692 konden de inwoners hun belastingen niet betalen …,,ter cause vande groote armoede veroorsaeckt door de generaele fourraghieringhe vande legers in de streek gecampeert onder de commande vanden heere hertogh de luxembourgh. P.R.”. Grote hoeveelheden graan, hooi en stro moesten de boeren naar het legerkamp te Moorsele leveren. De geallieerde troepen, zowel als de vijandelijke waren juist gelijk … zij kenden het alle twee even goed om de streek af te lopen en uit te zuigen, te plunderen en te roven ! De legers bestonden toen uit soldaten-huurlingen, resolute kerels.

Het spreekt vanzelf dat van onderwijs in zulke tijden niet veel in huis kwam, daarbij niet vergetende dat onze voorouders toch geen grote gedachte noch eerbied hadden voor boekengeleerdheid, dat leerplicht niet bestond. Is koster-schoolmeester en rijmdichter Lode Callewaert in zijn oude dag nog van hier verhuisd, of is hij toevallig elders aan zijn einde gekomen, zulks blijft een open vraag, in elk geval is zijn sterfakte alhier niet te vinden. Nochtans is zijn echtgenote Marie Mahieu hier in 1750 overleden, 75 jaar oud.

Als zijn opvolger kreeg Beselare in het jaar 1739 een voornaam en voorbeeldig man, met naam Pieter Jaak Demeulenaere, komend estv leteren, daar geboren in 1711 en die alhier trouwt met Anna Billiet

Onder de vredige en wijze regering van keizerin Maria Theresia van Oostenrijk vervult hij gedurende vijfenveertig jaar met vrucht, het ambt van koster-schoolmeester, zijn vergoeding bedraagt in 1760 zesennegentig ponden “over thouden van schole, bezorgen dhorloge en luyden dagh, noene en avondt”. In 1780 krijgt hij daarbij vierentwintig pond “over en ingevolghe syne majesteits bevel van daeten negenentwintigh juli 1779 s’ avonds te hebben geluydt het retraite docxken gedeurende den tyd van een jaer”. In akten van leenverhef zien wij hem optreden als bedienende man van leene. Op 6 februari 1784 komt hij alhier te sterven.

Pieter Jaak was de eerste van drie opeenvolgende generaties kosters-schoolmeesters Demeulenaere, want een zijner tien kinderen, insgelijks een Pieter Jaak van naam volgt hem op. Hier geboren in 1743 is hij dus veertig jaar oud als hij zijn vader opvolgt om kerk en school, klokken en horloge te bedienen. Hij is in huwelijk met Francisca Cecilia Pinchois van Hondschote ; hij hield reeds enige jaren een hulpschoolke in een huizeke omtrent de Molenhoek-Hollehos; hij is tevens “klerk” (schrijver van de burgerlijke stand).

Deze tweede Pieter Jaak kent hier de rustige en bloeiende jaren van zijn vader niet; weldra zit hij met zijn pastoor en heel de bevolking tot over de oren in de oorlog, in het Franse schrikbewind, in de vervolging en de beloken tijd, met de kerken vier jaar gesloten, de priesters verdoken levend.

Om de jeugd in een echte Republikeinse geest op te voeden, waren de Fransen gedwongen nieuwe scholen op te richten, zij richtten overal “écoles primaires et secondaires” op. Zij meenden terecht dat de toekomst in de handen van de jeugd ligt. Maar hun opzet mislukte deerlijk. Niet enkel te Beselare, maar in heel het kanton, waren voor dergelijke scholen geen leerlingen te vinden. De Franse commissaris schreef in zijn verslag, dat het op gebied van onderwijs een triestige toestand was, dat nergens een onderwijzer de eed van trouw aan de Republiek wilde afleggen. Het gevolg voor Beselare was dat Pieter Demeulenaere verbod kreeg nog verder school te houden ; op het schoolhuis werden de zegels gelegd in januari 1798.

* * *

In het buitengewoon geweldig stormweder dat over gans de streek woedde in de nacht van 9 op 10 november 1800, waarin de hoge naald van Beselares kerktoren naar beneden tuimelde, deelde het schoolhuis ruimschoots van de brokken mede, de strooien bedaking was volledig uiteengeslagen, de strodekker Pieter Demeester had zeshonderd glei lang gekuist roggestro nodig om de bedaking terug op haar plooi te brengen.

Met de heropening van kerken en scholen, Sinksen 1802, kon onze koster-schoolmeester opnieuw zijn ambt vervullen. Het schoolgeld van zijn leerjongens bedraagt nu zeven stuivers, of drieënzestig centiem per leerling en per maand. Tot bijverdienste vanwege parochie en gemeente trekt hij een jaarwedde van 41 fr. voor onderhoud van het torenuurwerk, plus 24 fr. als klokluider, want van nu voortaan hebben pond en schelling uitgediend en wordt bij franken en centiemen gerekend!

De 9e april 1810 is de sterfdag van koster-schoolmeester Pieter Demeulenaere, volop in de benarde jaren van Napoleons tijd, waarin honderden Beselaarse jongelingen verplicht waren om soldaat te worden in het Frans leger.

Een derde Demeulenaere treedt nu op als koster-schoolmeester, Pieters jongste zoon: Alexander Demeulenaere, bijgenaamd “Sander Kosters”. Hier geboren in 1781, trouwt hij op 3 juli 1810 met Joanna Clara Vanhecke, in hun huwelijk winnen zij acht kinderen, doch hebben het geluk niet er ook maar één van te zien opgroeien; zes sterven onbejarig en de twee laatsten werden doodgeboren.

Na de val van Napoleon, onder Hollands bestuur wordt in 1820-’21 een nieuwe school gebouwd op de “Berg”, dicht bij de meisjesschool door pastoor Van Calbergh gesticht. Met die zogezegde Hollandse school vlotte het niet… Onze voorouders die er altijd rap bij waren als er lapnamen uit te delen vielen, gaven aan die school de schimpnaam van “Geuzentempel, met bedoeling op het protestantisme.

Het Hollands bestuur steunt geen onderwijs dat door niet gediplomeerde onderwijzers gegeven wordt, een handicap voor Sander Kosters die geen diploma bezit. Rond 1825 is hij eindelijk verplicht zijn schoolmeesterschap op te geven, meteen is het ook gedaan met school te houden in kosters huis ; een zekere meester Van den bende is aangesteld die les geeft in de “Geuzen tempel”.

De 7e maart 1834 is alhier overleden “Alexander Demeulenaere olim Ludimagister, aetatis 52 annorum”, Met hem verdwijnt het schoolmeestersgeslacht Demeulenaere, dat drie opeenvolgende generaties, aan de jongens van Beselare de eerste vormen van onderwijs heeft ingeprent, met veel geduld en toewijding waarover nog jaren met lof gesproken wordt.

Na 1830 gaat het onderwijs langzamerhand nieuwe wegen op. Frans Vandenweghe, een Kachtemnaar van geboorte, is enige jaren koster en onderwijzer, samen met meester Désiré Jacquard, die voor bijverdienste de bediening waarneemt van “schrijver van de Burgerlijke Stand”, doch verlaat in 1860 de gemeente om naar Nieuwpoort te gaan, waar hij hoofdonderwijzer benoemd is.

In 1838 is meester X .. Vandenhende benoemd als onderwijzer. De toestand verandert grondig met de nieuwe schoolwet van 1842, er wordt voor goed gebroken met de oude sleur en slenter, de scholen zijn nu toegankelijk gesteld voor alle kinderen, vanaf zesjarige ouderdom, zowel behoeftigen als bemiddelden, maar voor de kinderen van Disgenoten is nog altijd een pijnlijk-vernederend onderscheid gemaakt, deze zitten in een afzonderlijke klas, de “armenschool” genaamd!

Wij mogen echter de mensen uit oudere tijden niet beoordelen met de opvattingen en de kijk die wij hebben over het leven van nu ; de maatschappelijke gedachten hebben hun tijd moeten hebben om te groeien en te rijpen. De tijd van de ,,armenschooltjes” is nu lang voorbij! Er is gedurig vooruitgang; de leerprogramma’s zijn in een gans nieuwe geest gesteld, aangepast volgens de ouderdom der leerlingen, waarvan het aantal van jaar tot jaar stijgt.

In 1851 komt een “avondschool” ingericht te worden, waarvoor zelfs de provincie een subsidie geeft. In 1852 wordt een “weverswerkhuis” gebouwd in de Wervikstraat. In 1861 bedraagt de gemeentelijke jaarwedde van meester Fernand Dedeyne, vierhonderd fr. met een bijwedde van honderdvijftig fr. voor “kosteloos onderwys aen d’aermen”, twintig fr. voor onderhoud der schoolmeubels en vijfendertig fr. voor kolen.”

Er moet uitgezien worden naar betere lokalen, de “tempel” is te klein geworden, er is reeds een klas overgebracht in de bovenzaal van ,,’t weefleerwerkhuis”. In vergadering van 1 7 mei beslist de gemeenteraad nieuwe scholen, met een woonhuis op te richten in de Wervikstraat, op de grond waar thans het huis nr. 42 is gebouwd (Dr. A. Defever-Bayart).

Deze nieuwe school kon in gebruik genomen worden in de zomer 1862, in de klassen komt een aangepaste meubilering, de ongemakkelijke zitbankjes en knieberdels zijn vervangen door lange banken met lessenaars, de gezamenlijke leervorm die de leerzucht aanwakkert komt in voege, met gebruik van lees- en schrijfboeken met bijkomend gerief, de wanden bekleed en bezet met prent- en landkaarten, benevens allerhande aanschouwingsvoorwerpen. Er zijn reeds een zeventigtal schoolgaanden, de niet-behoeftigen betalen een maandgeld van 75 centiem. Het leerprogramma bevat lezen, schrijven, cijferen, landmeten, geschiedenis en aardrijkskunde. Meester J. Vandenberghe is hulponderwijzer.

Van dan voort begonnen de mensen besef te krijgen van het belang, het nut en de weldaden van het onderwijs. De zondagscholen, die reeds jaren bestaan, bekomen ook een gemeentelijke toelage. In 1866 komt zelfs de eerste “Volksbibliotheek” tot stand, waarvoor de gemeente een, voor die tijd, ruim bedrag van vierhonderd frank, beschikbaar stelt, een eerste hoeveelheid leesboeken wordt aangekocht bij de boekhandel “Callewaert” te Brussel.

Op 27 september 1866 geeft meester Fernand Dedeyne ontslag als hoofdonderwijzer. Zijn opvolger is meester Servaas Vanden Bulcke, geboren te Bikschote 5 mei 1841, getrouwd met Clemence Vanden W eghe. Een man met grote bekwaamheid en gezag, die na korte tijd zijn stempel slaat op zijn leerlingen en de gemeentelijke jongensschool van Beselare.

Het gaat goed tot aan het uitbreken van de hevige, bittere schoolstrijd, tengevolge van de schoolwet van 1879, met de onmiddellijke gevolgen vandien, die de aanleiding en oorzaak was dat pastoor Serafijn Baert een nieuwe vrije jongensschool oprichtte dicht bij de meisjesschool.

Meester Victor Hollevoet, hier geboren 30 maart 1856, in huwelijk met Maria Theresia Dewachter, staat in het onderwijs te Hollebeke, neemt daar ontslag uit oorzaak van de schoolstrijd, hij komt hier als hoof donderwijzer in de nieuwe vrije school, met als hulponderwijzers koster Victor Vermeulen en meester L. Hautekiet, deze laatste eveneens ontslagnemend in de gemeenteschool.

Het onderwijs wordt er gegeven volgens het programma der vrije scholen, de gegoede leerlingen betalen 1 fr. tot 1,50 fr. per maand, volgens de beurs der ouders zulks vermocht, terwijl het werk “De Katholieke Schoolpenning” zorgt voor de behoeftigen en de noodzakelijke andere uitgaven.

Eens de schoolstrijd voorbij wordt deze vrije school door de gemeente aangenomen, om in 1886 met de gemeenteschool versmolten te worden. Meester Vandenbulcke blijft schoolhoofd. Dit jaar beloopt de schoolbegroting 4.242, 50 fr., de jaarwedde van het schoolhoofd bedraagt 3.300 fr.

In mei 1896 geeft Servaas Vandenbulcke ontslag als hoofdonderwijzer, hij gaat met zijn gezin naar Gent wonen, waar hij op 20 september 1906 overleden is. Zijn heengaan was voor Beselare een gevoelig verlies : ,,hij was een werkzame onderwijzer, die van zijn leerlingen ontzien en geern gezien werd. In de prijskampen waartoe hij zijn leerlingen in het bijzonder voorbereidde, baalde hij menige schone uitslagen” naar de getuigenis van wijlen Kamiel Delobel.

Verscheidene van meester Vandebulckes leerlingen deden verdere studies en hebben later zelf in het onderwijs gestaan, ziehier enkele namen: Bouckenooghe Emiel; Carrette Alfons en Cyriel ; Delobel Kamiel ; Dewanckel Henri en Jules en Arthur; Flament Gustaf; Herman Alfons; Nuitten Gustaf; Ryckebosch Kamiel ; Ghesquière Kamiel ; W alleghem Sylveer ; Meersseman Teofiel; Detru Teofiel e.a.

Meester Victor Hollevoet neemt nu weerom de plaats in van hoofdonderwijzer. Hij is een. zachtaardig man, met dichterlijke aanleg en een puritein in de taalstrijd. Uit een bewaard gebleven woordenlijst van hem nemen wij enkele voorbeelden: ,,tabak = rookkruid; sigaar = smoorstok; telefoon = spreekdraad; telefoontoestel = verresprekerstuig; processie = Godsdracht; aalmoezenier = legerherder; mitrailleuse = kogelsproeier; revolver = draaischot; fietser = wielman; piano = snaarbak; telegram = handmare ; velo = wielpeerd; enz.”.

De Franse taal leerde men aan in de hoogste klas. Op de speelplaats ging het van : ,,parlee francee contre alle menschen”, of men kreeg de beruchte en gevreesde “signe”, een rolleke papier om over te geven aan wie betrapt werd op een woord Vlaams, waarop de namen der overtreders. Die “signe” was in die tijd een regel of middel om Frans te leren, maar tezelfdertijd om te leren spioneren, achtervolgen, afharken, fuimelen, betichten en bedriegen.

Frans moeten spreken zonder er te kunnen. Peist ! het ging er op de speel plaats niet hebbelijk van : ,,c’ est mon tour”, ,,c’ est votre klak”, ,,ici mon marbels”, enz. De laatste houder van de “signe” moest deze ‘s zaterdags af geven aan de meester, die de straffen toebedeelde aan degenen die in de loop der week betrapt geweest waren op “Vlaams spreken” en wier naam op het papieren rolleke geschreven stond, straf die kon af gekocht worden door het afdokken van een “cent”! Maar ja, wat wilt ge? De “oppermeester” moest die averechtse manier streng toepassen, want de “signe” was in die tijd algemene regel en wet, tot zelfs aan de colleges !

Onder de speeltijd hielden de jongens zich meest bezig met kaatsen, bare, overspringerke, ornmeleggerke, hoepelen en marbe-v-> len. Elkeen bezat een houten of ijzeren hoepel en een beurzeken glazen of stenen marbels met een “bollekette”, dit was een grote marbel van twee of drie centimeter doorsnede. Met de opkomst van ,,coureur Vanhouwaert” van Moorslede werden de andere spelen overtroefd door loopkoersen, die het meest de eerste liep kreeg de erenaam van “Vanhouwaert”.

* * *

Twee inboorlingen zijn mede in dienst als hulponderwijzers ; meester Teofiel Meersseman, geboren in 1856 en jongman gestorven in 1904, zoon van Petrus en Juliana Carrette, en meester Kamiel Ghesquiére, geboren in 1873, die in 1902 verhuist naar Eernegem, waar hij hoof donderwijzer wordt en er overleden is op 30 januari 1952, in huwelijk met Esther Delobel van Beselare. Hij was jarenlang bestuurder der muziekfanfare “Sint-Cecilia” te Eernegem, waarmede hij kwam deelnemen aan de inhuldigingsfeesten van het gedenkteken der gesneuvelden op 31 juli 1927. Zijn ouders Pé en Barbara Driessens bewoonden het oud gemeentehuis in de Wervikstraat, alwaar zij op Schuwe maandag 1914 uitgevlucht zijn en onder de oorlog in Engeland verbleven, te Derby, alwaar Pieter overleed in 1918, Barbara stierf te Eernegem in 1920.

Henri Teofiel Detru komt nu in dienst, hier geboren in 1871, zoon van Benedikt en Sofie Verbrugghe, tevens is er nog een tijdelijke leerkracht, want er zijn reeds rond de honderdvijftig schoolgaande knechten. De snelle aangroei der bevolking tijdens de jaren der eeuwwending dwingt het gemeentebestuur opnieuw uit te zien naar meer en betere schoollokalen, het getal geboorten steeg van jaar tot jaar, 1897 is het rekordjaar, dit jaar telde Beselare 133 geboorten, getal dat sedert niet meer bereikt werd. De oude schoolgebouwen in de W ervikstraat voldeden niet meer aan de eisen van de tijd. Een geschikte partij bouwgrond, 28 a 10 ca, gelegen in de Dadizelestraat, kadaster sect E., werd aangekocht, waar zich heden de jongensschool nog bevindt, met ruimte om ideale luchtige klassen te bouwen, met oppervlakte genoeg voor een evenredige speelplaats met afdakingen, tevens voor een geschikt woonhuis, zodat Beselare eindelijk kon bogen op een waardig schoolgebouw dat onder alle opzichten voldeed aan de vooruitgang. Het woonhuis en drie nieuwe klassen werden in gebruik genomen bij de opening van het schooljaar 1905-’06. Meester Hollevoet gaf voorlopig nog les in de oude school, totdat in 1907 een vierde klas bijgebouwd en in gereedheid is gebracht.

In 1909 werd meester Hollevoet genoodzaakt ontslag te nemen wegens ziekte, hij heeft nooit meer zijn plaats kunnen hernemen in het onderwijs ; na de oorlog waaronder hij als vluchteling in Glasgouw (Schotland) verbleef, vestigde hij zich als rustend schoolhoofd uiteindelijk te Roeselare ; daar is hij op 23 mei 1930 overleden. Gedurende zijn leven werd hij vereremerkt met het Pauselijk ereteken, Pro ecclesia et pontifice”, de burgerlijke medaille le klas, ‘t burgerskruis le klas en de herinneringsmedaille van Leopold II.

Toen in 1914 de oorlog uitbrak was meester Teofiel Detru hoofdonderwijzer sedert 1909, met als onderwijzers : meester Jozef Vanbecelaere, geboren te Ploegsteert in 1882, hier benoemd in 1905 ; meester Michel Debrabandere, geboren te Izegem in 1882, hier benoemd in 1905 ; meester Robert Vannieuwenhuyse, hier geboren in 1889, zoon van Gery en Pharailde Verbrugghe, hier benoemd in 1909.

* * *

Zoals wij reeds in het eerste deel, blz. 9 en 10 schreven, kwam er, na de zomervakantie in 1914 van schoolhouden niet veel meer in huis. De ledig staande klassen dienden tot tijdelijk onderkomen voor de eerste vluchtelingen uit het Mechelse, de toestand verergerde van dag tot dag, op 19 oktober, ,,Schuwe maandag”, nam heel de bevolking de vlucht naar leper en omgeving, alwaar meester Detru dodelijk getroffen werd door granaatscherven. Inmiddels gebruikten de Duitsers de klaslokalen tot stalling voor de officierspaarden van de regimenten 246 en 247, die hier tot begin 1916 verbleven.

* * *

De eerste oorlogswinter 1914-‘l5 ging traag en akelig voorbij, tussen de opeengedrongen massa vluchtelingen en soldaten achter de fronten kon zelfs aan scholen niet gedacht worden, jongens en meisjes liepen ganse dagen langs de straten te verwilderen, in de kantonnementen der soldaten en de huizen, schuren en stallingen waar de vluchtelingen opeengepropt zaten. Dergelijke maandenlange toestand van verwaarlozing, alsmede het bestendig levensgevaar, deden na de eerste gasaanvallen in april 1915, de overheid besluiten tot het nemen van afdoende maatregelen.

In een tijdverloop van enkele maanden werden meer dan drieduizend kinderen van vluchtelingen, waaronder veel Beselaarse, ondergebracht in daartoe opgerichte schoolkolonies in Frankrijk ( zie deel I, blz. 68 e.v.). In 1916 werden de kleinere kinderen van 3 tot 7 jaar insgelijks opgenomen in gestichten ver achter de fronten gelegen, het kostte evenwel moeite sommige ouders te bewegen hun kleintjes daarheen te sturen, zoals er zelfs ouders waren die hun grotere kinderen van de schoolkolonies afhielden, meestal uit misplaatste vrees … tot de Belgische regering in Le Havre besliste de leerplichtwet in toepassing te brengen, die pas vóór de oorlog gestemd was ; in 1917 kwam de leerplicht tot 14 jaar in voege.

NA DE OORLOG 1914-1918

Die verplichting van de schoolwet bracht voor de vluchtelingen niet veel aarde aan de dijk, in Frankrijk woonden zij uren, soms dagen van elkaar, waar zij zelfs geen kennis kregen van de nieuwe wet, niet te verwonderen dat na de oorlog veel kinderen zelfs hun moedertaal maar heel gebrekkig meer kenden, zoals onderpastoor Lodewijk Dewolf schreef: ,,Veel van de jongens ‘n verstaan nog niets anders als Fransch” . In godsdienstig opzicht was het evenzo triestig gesteld ; pastoor Kindt heeft in 1920-’21, verscheidene kinderen hun eerste kommunie maar laten kunnen doen aan dertien- en veertienjarige ouderdom.

In april-mei 1920 schuchter begin van heropening van het onderwijs voor de kinderen der langzaam terugkerende bevolking waarover wij reeds geschreven hebben in het eerste deel, blz. 95. Het begin was een nieuwe miserie, houten barakken, ‘s zomers onhoudbaar van de stikkende hitte, ‘s winters echte ijskassen. De noodzakelijkste schoolbenodigdheden ontbraken, geen lessenaars, de kinderen zaten op gewone banken met hun “schrijflei of schalie” op de knieën – dus evenzo als ten tijde van Sander-Kösrers schoolke.

Rond de noodkerk, schoolbarakken en dorpplaats een echte modderpoel, de jongens spelen, lopen en springen op de puinhopen en rond de vol water staande bomtrechters, waarvan het niet raar was dat er een tot over de kop in het stinkend sop perlompte en er, gelijkend aan een duivel, uitklawierde !

De leerlingen konden in het begin niet volgens hun ouderdom gerangschikt worden, er kwamen er trouwens elke dag nieuwe bij, in de twee klassen zaten zij dooreen van zes tot veertien jaar. Veel van de grootsten sloegen dikwijls “de schole blend”, al naar volgens de prijs van het koper, loodjes en frontijzer hoog of laag stond, hetgeen zij onderweg vergaarden en aan een der vele “ijzermarchands” verkochten ; alzo zaten de rapsten met een ponke geld in hun zakken ! De eerste jaren 1920 waren onder dat opzicht gouden jaren voor de frontbewoners, een welkome vergoeding voor hun andere noden.

* * *

In het ongeduldig verbeide en feestelijk in gebruik nemen der uit haar puinen heropgerezen jongensschool, werd meester Debrabandere ontslagnemend als hoof donderwijzer, vervangen door August de Cooman, leraar aan de Broederschool te Wervik, geboren te Bassevelde in 1885. Worden nog als nieuwe leerkrachten benoemd: in 1923 meester Renaat Grimonprez ; in 1925 meester A. Lefebvre.

Op 12 februari treft de school een smartelijk verlies door het afsterven van de voorbeeldige onderwijzer Robert Van Nieuwenhuyse, echtgenoot van Maria Hautekiet. Het volgend jaar, op 1 oktober 1927, opnieuw een gevoelig verlies door het schielijk afsterven van het schoolhoofd meester A. de Cooman, echtgenoot van Alice De Keyzer ; tijdens zijn vierjarig bestuur was een vierde graad ingericht, alsmede ( in de winter) een landbouwavondschool.

Tot nieuw schoolhoofd is Abel Maerten benoemd, hier geboren in 1893, die in het onderwijs stond te Le Bizet (Ploegsteert). Meester Omer Duthoy, hier geboren in 1906 en hier benoemd in 1926 is verplicht tijdelijk in noodlokalen klas te houden (in de zaal der herberg ‘t Peerd en laatst in de bovenzaal van het gemeentehuis) tot hij eindelijk ook een vast onderkomen vindt in de volledig heropgebouwde jongensschool, die omtrent de tweehonderd leerjongens telde, onderverdeeld in zes klassen.

J. H. Maes in zijn ‘Beselaarse Gedenkboeken’ van 1970