De winter van 1709

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     585 Views     Leave your thoughts  

Met de lange winteravonden wordt er rond den heerd alzo van ’t een en van ’t ander verteld. Hoe kouder het is, hoe liever men van de koude spreekt, en altijd weet de een of de andere te spreken van een winter dat het nog kouder was.

De oude mensen spreken geerne van de koude winters van ten tijde dat zij nog jong waren, alhoewel dat de jongere gasten die rond den heerd zitten, namelijk in dien winter die in (t begin van ’t jaar 1838 kenmerkte, ofwel de kerstdagen van ’t jaar 1839!

’t Is ook te winterwaard dat de gazetten dikwijls voor de dag komen met de lijst van de gekende strenge winters, en, gelijk de winter van 1709 een buitenmate kwade winter was, zo en wordt hij natuurlijk in de reke ook niet vergeten.

Daar staat ievers aangetekend dat het, op den 29 januari 1709 de koudste dag van al was. Het vroos zo straf dat voor Antwerpen de Schelde met een dikke laag ijs toegevrozen was, en dat de mensen langs de strate van de koude dood vielen.

Daarom maakte men, tot nagedachtenisse, dit jaarschrift:

FRIGUS OCCIDIR HOMINES

Dat is in ’t Vlaams: ‘De koude doet de mensen dood’. Dat is nu juiste 160 jaar geleden. Maar een van de curieuste aantekeningen over dien winter vindt men zeker wel in de oude registers van Emelgem-kerke. Mijnheer Isebrant, toen pastoor van die prochie, heeft, in zijn handboek het volgende geschreven:

‘Dit jaar 1709 is geweest het jaar van bitterheid, in het welke (God het alzo believende) niet alleenelijk door een alderfelste vrost vervrozen en wierden de vruchten der aarde, dat is, de tarwe en korens, maar ook met duizenden bomen.’

Daar was in het dit jaar zulke hongersnood dat er met honderden eerlijke huisgezinnen hun brood moesten van deur tot deur vragen: maar God bewoog zo de gemoederen der mensen, der rijke met mildheid, de armen met verduldigheid, dat er geen aalmoezen en ontbraken en men van geen dieverij en hoorde.

Doch niettegenstaande, ten ware het de goddelijke geande het hadde beliefd ons te verlenen een overvloedig jaar van lentevruchten, daar zouden met honderden mensen van honger gestorven hebben.

De arme mensen bakten brood, de ene van haver, de andere van gerste, van peirdebonen en boekweit, van erreweten, aardappels en gruis, ieder mengelde zijn bakte dat hij kost krijgen. Dat is hetgene pastoor Isebrant over de winter van 1709 aangetekend heeft.

Verder vind ik nog de rekening van hetgene die dezelfde pastoor betaald heeft voor het kappen van de vervrozen bomen, in den ‘Dischbosch’ van Emelgem. Ik zie ook, in de verpachtingen der pastorele tienden, dat al de wintervruchten geheel en gans vervrozen waren, want de bladzijde van 1709 draagt voor opschrift: ‘Verpachtinge van den lenten’.

En nu, om te sluiten, nog een woordeken over pastoor Isebrant zelve. M. Albert Augustijn Isebrant was onderpastoor van Meulebeke van 1697 tot 1699. Alsdan werd hij pastoor van Emelgem, bij permutatie en resginatie van de Bruggeling M.J.B. De Grave.

M. Isebrants boeken zijn schone en met zorg geschreven. Hij heeft op zijn registers curieuse aantekeningen gedaan. Op het laatste van zijn leven had M. Isebrant een coadjutor die tekende P. Carlier, presb.

M. Isebrant overleed te Emelgem de 27 ste september 1727. Van deze pastoor en vindt men geen grafzerk. Hij is zeker in vorige jaren, met de zerken van de familie Mulle, van Joos, Fillius Jans, Van Maelen en van meer andere, bij het herleggen van de kerkvloer verdwenen.

Een oud-Emelgemnaar in Rond den Heerd van 1869

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>