De woestijn tussen Ieper en Poperinge

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     463 Views     Leave your thoughts  

De woestijn tussen Ieper en Poperinge van 1161, zogezegd voor de Acht Parochiën.

Was de streek tussen Ieper en Poperinge midden de twaalfde eeuw nog een onbewoonde eenzame en eindeloze woestenij? Zo beweren de meeste geschiedschrijvers, o.a. Edmond Poullet en Victor Brants. Dat die bewering echter niet alleen onwaarschijnlijk maar onwaar is, zullen we in deze korte verhandeling trachten duidelijk te maken.

Als bewijs van zijn gezegde haalt Edmond Poullet de vermaarde bevrijdingsakte aan, de keure van 1161, door Dirk en Philips van de Elzas verleend aan de solitudo reningensis.

In die belangrijke akte ziet hij, zoals Sanderus, Gilliodts-van Severen en veel anderen, de wettelijke oorsprong van de beroemde groep van de Acht Parochiën van Veurne-Ambacht, gelegen in de streek Poperinge-Ieper. Die dorpengroep maakte samen een zeker onafhankelijk bestuur uit tot aan de Frans omwenteling.

De graven, zegt die keure, ontslaan van dienstbaarheid, lasten en verplichtingen, buiten het geval van ’s lands verdediging, al deze die zich zouden komen vestigen op de woestenij van Reninge: solitudinem Reningensem victui nostro specialiter deputatam. Zij zullen aan geen andere parochie behoren en daar zullen de graven een kerk doen bouwen en zelf een priester onderhouden.

Uit dat woord solitudinem Reningensem komt de vergissing. Meest al de laatste uitleggers van de akte van 1161, later in 1260, in 1312 en in 1367 vernieuwd, willen er de oorsprong van Reningelst in zien. Maar het is zo goed als zeker dat er hier sprake is van de woestine die tot dan deel had uitgemaakt van Reninge, en die alzo op haar eigen ingericht, van Reninge afgesneden, een van de Acht Parochiën werd van Veurne-Ambacht, te weten het dorp Woesten.

Hier en daar lagen dan nog uitgestrekte woestenijen, moerassen en wouden, die de graven aan een bepaald doel toewezen; Victui nostro specialiter deputatum, of mild uitdeelden. Maar voor 1161, lang voor het midden van de twaalfde eeuw, zijn al de dorpen van de Generaliteit der Acht Parochiën vermeld, buiten Woesten, dat volgens Gilliodts nooit noch foncier, noch achterlenen, noch heerlijke rechten heeft gehad. Een bewijs van latere oorsprong.

Woesten, als het later aan keizer Karel erkenning en bevestiging vraagt en bekomt van zijn voorrechten, steunt zich op deze oorkonde van Dirk en Philips van de Elzas nopens de solitudo Reningensis.

Daartegen werpt Gilliodts op dat Reninge van de kasselrij van Veurne nooit afgescheiden geweest is. Zeker, Reninge bleef afhangen van de kasselrij van Veurne maar de woeste brok ervan, voortaan Woesten genoemd, werd, zoals nog met andere delen van Reninge het geval was, er meer onafhankelijk van, en werd het een van de Acht Parochiën van Veurne-Ambacht, maar niet meer met Veurnse kasselrij als hoofdbank.

Dit komt gans overeen met de tekst van de oorkonde: legibus sive justitiis …communie Furnensis ….nullatenus subjacebun …de nulla usquam querrela ..in causam ducentur nisi innostra presentia.

Welnu, Gilliodt haalt een staat aan van 1694 waarin de rechterlijke indeling van de Acht Parochiën uiteengedaan wort en waarin van Woesten gezegd wordt: seigneurie relevant de la Chambre légale de Flandre. Welnu, zegt Gilliodts zelf: cette Chambre jugeait au premier degré les Cours du prince et les hautes seigneuries qui avaient été affranchies de ces cours, et au second degré ou d’appèl les justice subalternes.

Woesten, de laatst gekomene, was ongetwijfeld de minst belangrijk van de Acht Parochiën, en hing nochtans rechtstreeks af van graven’s Wetachtige Kamer, zoals nog alleen Elverdinge, die de eerste vassaal en de belangrijkste was onder de Acht, maar géénszins Reningelst.

Wat ons besluit nog versterkt, is dat er vroeger uit de solitudo Reningensis, uit Reninge reeds 100 jaar vroeger de heerschappij van Hoflandt tot stand gebracht werd, in 1065, door graaf Boudewijn met de schone baard, met het oogwit van betere uitbating van de landerijen en het vrije landschap, welke ook een Brank werd van de generaliteit van de Acht Parochiën.

Al de andere dorpen en heerlijkheden van die streek waren in volle leven midden de twaalfde eeuw, Woesten het laatste om in 1161 tot leven te komen. Men zou kunnen zeggen: de elfde eeuw bracht zeven maal hongersnood mee in Vlaanderen, de twaalfde wel elf maal. Voeg daarbij nog al de belangrijke uitwijkingen van Vlamingen naar het oosten.

Daaruit ja, is te verstaan dat onze graven in de elfde en twaalfde eeuwen alle middelen inspannen om de grond meer te doen opbrengen tegen die nood. En om nieuw volk aan te trekken op sommige van de slechtste hoeken, maar daarmee is niet bewezen dat heel de streek tussen Poperinge en Ieper dan ontvolkt en nog een eenzame woestenij was.

De jaarboekschrijvers van de streek daargelaten, pastoor Jacob de Meyer, Balliolanus van Vleteren bij Belle en zijn voortzetter Nicolaas Despars, kunnen we verder ons gezegde uit wel aanvaarde bronnen staven en bewijzen dat we honderd jaar voor het midden van de twaalfde eeuw reeds voor een levens streek staan, die al lang uit de wieg is. Laat ons de jaren eens volgen en de verschillende dorpen van de streek.

In 961, giften en tienden en land te Dikkebus, Kemmel, WXijtschate en Voormezele. Langs voor 1161 bestond het woud van Dikkebus. Thiggabusca waarop ontstonden Ieper, Zonnebeke, Voormezele, Passendale en een verdwenen dorp Rumetra. De Meyer stelt het begin van het klooster van Zonnebeke in 1072. In 1066, dus 100 jaar nog voor de keure van 1161, werden reeds giften en tienden toegestaan te Elverdinge en te Vlamertinge aan het kapittel van St.-Pieters te Rijsel en vijf hoeven te Kemmel, in territorio Iprensi in villa Quemble (var. Kembles) quinque mansos terrae. De mansa was verschillende hectaren groot, min of meer volgens de verschillende streken.

In 1089, nieuwe giften: de kerken van Kemmel en Wijtschate met tienden en meegaand land, alsook nog gronden te Dikkebus, Voormezele en Ieper, aan het kapittel of de proost van St.-Donaas te Brugge, de kanselier van Vlaanderen. In 1107 geeft Jan I bisschop van Terenburg het altare, de kapel van Elverdinge aan de kerk van Voormezele, en in 1117, nog een prebende.

Daarenboven, voor wat Elverdinge betreft, de akte zelf door Edmond Poullet ingeroepen om tge bewijzen dat heel deze streek midden de twaalfde eeuw nog een woestenij was, draagt het handteken van Drogo de Elverdinghem.

In 1110 wordt aan het kapittel van St.-Donaas te Brugge door paus Pascal II het bezit toegekend van de Kemmelkerk, gekregen in 1089, en in 1145 zegt paus Eugenius II erover: Kemmel met al de tienden die ervan afhangen, alsook twee delen van de tienden van Voormezele en Dikkebus et de navalibus ejusdem terrae.

In 1119, de 14de december, worden de kerk van Reningelst – 42 jaar voor dat de graven er een kerk te bouwen op de solitudo Reningensis – zoals ook de kapel van Zuidschote en de kerk van Boezinge gegeven aan de reguliere kanunniken van Sint-Maartens te Ieper. Bemerk wel dat daar in deze akte dat Reninghels reeds zo geschreven staat in 1119 – dus geenszins zoals in solitudinem Reningensem.

Uit de ‘Annales de la société d’Emulation de Brugge’ uit 1932

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>