De wonderlijke zaak van Rozebeke

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     359 Views     Leave your thoughts  

Tot zover het verslag van de legendarische confrontatie tussen de Vlamingen en de Fransen. Vaernewyck sprint in één ruk naar het jaar 1333. Naar het land van Schouwen in Zeeland waar een vrouw zo sterk is dat ze in elke hand gemakkelijk een vol vat Hamburgs bier kan dragen. Zij was zo groot van gestalte dat mannen van middelbare hoogte bij haar maar kinderen schenen. Ze was nochtans van kleine ouders voortgekomen.’ Op goede vrijdag van 1404 preekt men de passie in de kerk van Duinkerke. Hoeveel van de mensen zouden er op dat moment eigenlijk met volle goesting aanwezig zijn? Tot plots al het volk naar buiten stormt om een walvis te gaan bekijken die op zee gevangen werd. Een enorm geval van wel 25 meter lengte voorzien van 27 ton levertraan.

Een jaar voordien had het ook al flink gestormd op de Noordzee. De sterke winden waren er vermoedelijk de oorzaak van dat acht walvissen in moeilijkheden komen en wat later, tijdens de ‘Brixius-nacht’, aanspoelen op het strand van Oostende. In dat jaar 1403 sneuvelen een aantal cruciale dijken in Holland en Friesland en wordt er op het Purmermeer een naakte vrouw uit het water gevist en naar Edam gebracht.

Eenmaal aan wal en aangekleed begint ze brood en zuivel te eten en ze leert met de tijd spinnen. Of de dame kan praten, doet er blijkbaar niet toe, want daar wordt in mijn oude geschriften met geen woord over gerept. Ze wordt overgebracht naar Haarlem waar ze nog jaren zal leven. ‘Zij wierd op gewijde aarde begraven omdat zij het heilig hout van het kruis menigmaal met tekenen begroet had.’

Schrijver Vaernewyck kan er niet echt aan uit. ‘Het was voorwaar een zeldzame en wonderbare zaak dat dit schepsel, naakt wezende, in de baren der zee kon gedijen, en zulks nog in een hevige storm.’ Misschien is het zelf geen mens maar gewoon een vis, want, moest zij een mens geweest zijn, hoe zou ze het dan kunnen uithouden in de zee? Een vis dan? Die kan toch niet zoals een mens leren spinnen, stappen, eten, slapen en het kruis van Ons Heeren groeten?

‘Het is veel eer te geloven dat zij de helft vrouw en de helft vis is geweest, of dat haar natuur, door de gewoonte van de zee, in die van een vis veranderde, want men heeft mensen gevonden die het water zo gewoon waren, dat zij zich daar in liever onthielden als op het land.’

In 1468 wordt Vlaanderen geteisterd door valse reeuwers die profiteren van de pest om overal mensen te vergiftigen en met hun eigendommen aan de haal gaan. Zo bijvoorbeeld een zekere Willem Matthys, een ‘scheur-kapproen’ van Diksmuide die op 11 augustus ter dood wordt veroordeeld wegens de moord op twee Ieperse maagden. De kous in Ieper is nog niet af want wat later wordt ook nog de heer Heyne opgepakt.

Heyne, ‘geboortig van Herentals, met nog enige anderen die ook verscheidene mensen vergeven hadden. Zij wierden op een wagen opgevoerd, naakt wezende van de gordel opwaarts, op de vier hoeken der stad op hun bloot lichaam gestreken met gloeiende ijzers en voor de bezant wederkomende onthoofd.’

Ook in Wervik doen er zich gruwelijke feiten voor. Enkele mannen vinden er niets beter op dan een van de pest gestorven kindje tot moes te koken in een ketel met water en het sop te deponeren in de drinkputten, de fonteinen en de wijwatervaatjes van Wervik. De intentie is duidelijk en sinister: ‘het volk met de pestbacillen te besmetten en te laten sterven.’ In Brugge doen zich gelijkaardige feiten voor. Boze vrouwen houden zich ook al met dergelijke praktijken bezig. Een van hen wordt op 24 september van datzelfde jaar 1468 in het openbaar verbrand.

In januari van 1472 verschijnt een vreselijke komeet aan de hemel, een gevaarte dat zich wel in de slipstream van de maan lijkt te bewegen. Twee jaar later wordt er in Gent een meisje geboren met armen, benen en buik zo groot als die van een volwassen mens. En toch zijn de ‘handekens en de voetjes niet groter als de gene van zulke kinderen gewoonelijk zijn.’ Het onweer van 24 juni 1495 is er een om te onthouden. Een geweldige storm van donder en bliksem.

Om vijf uur in de vroege morgen wordt een Poperingse koopman aan de Sint-Jansbrug van Brugge door de wind opgepikt en voor hij het goed en wel zelf beseft, staat hij in Zeeland. ‘Zonder te weten hoe hij daar geraakte en tot zich zelven gekomen zijnde, keerde hij weder naar huis, maar hij bleef altijd verdraaid van zinnen.’

Ik krijg een overdosis van Indianenverhalen te verwerken. Een ongeboren kind dat 2 weken schreit vanuit de baarmoeder tot het uiteindelijk geboren wordt. ‘Welke geschrei van verscheidene personen gehoord is.’ In Tielt is er een persoon die in het jaar 1508 zelfmoord pleegt door in een gloeiende oven te kruipen. De kronieken vertellen geen snars over zijn beweegredenen.

Ik laat enkele buitenlandse wonderen links liggen. Wat er zich echter voordoet te Rozebeke eist al mijn aandacht op. Misschien is het beter om de pers van die dagen te citeren. ‘In het jaar 1527 gebeurde te Roosbeke, bij Vijve, op de Mandele, een wonderbare zaak. Zekere vrouw, een dood kind gebaard hebbende, was over dit ongeval grootelijks gedroefd, haar nood klagende aan God en de heilige Gandolf die daar vereerd wordt.’

‘Het kind wierd begraven buiten het kerkhof aan het einde van een stal, bij de herberg De Helm, op de 18de oktober. In de gemelde herberg wierd bij dag en nacht zoo een groot gekerm gehoord, dat de gene die daar gehuisvest waren van slaapkamer moesten veranderen. Dit gekerm duurde negen dagen en negen nachten, doch het wierd meest overnacht gehoord.’ ‘De pastoor van de parochie en de oom van het kind, die dit te voren voor boerterij gehouden hadden, wierden van de waarheid overtuigd, want dit gezucht en gekerm kwam zelfs ter oren van de gemelde oom waar hij op het veld bezig was te werken. Dit bewoog hem en de vader van dit kind om het zelve te doen ontgraven.’

‘Men zegt, als het kistje geopend wierd, dat er een liefelijke reuk uitkwam en dat het kind bij het vuur gelegd zijnde, tekens van leven gaf. Daar liepen enige druppelkes geronnen bloed uit zijn neuzeken, zijn leden begonnen te zweten, zijn hartje te kloppen en zijn tongsken te roeren. De pastoor, dit ziende, heeft het kind gedoopt. Na zijn doopsel werd het sterker van leven. Zijne kaakskes begonnen te blozen en het bloedde nog meer als te voren.’

‘Daar kwam van alle kanten volk om dit wonder te zien. Dit kind leefde nog twee dagen na dat het gedoopt was, en betaalde alsdan de schuld van de dood. Het veranderde ogenschijnlijk: zijn bloed werd zwart en zijn ledekens stijf, het begon lelijk te worden en te stinken. Als men het weder in ‘t kistjen meende te leggen waar het te vooren in gelegen had, wierd het eene palm te kort gevonden, zoo dat men een ander moest maken naar de lengte van het kind, het welk op twee dagen zo veel gewassen was.’

‘Het wierd de tweede maal begraven in de kapelle van den heiligen Gandolf, ter begeerte van zijn moeder, door mijnheer Joos Ravesteyn, kapelaan, en door de maegdekens van Roosbeke plechtelijk naar het graf gedragen. De pastoor die het doopte was genoemd meester Jan vanden Vivere, gezeid Vivarius, een kunstige dichter en redenaar. Hij heeft op deze geschiedenis gemaakt een schone ballade van 38 gesteertte clausulen, in dewelke hoofdletteren van zijn naam begrepen is.’

‘Zij hangt aldaar in de kerk. Ik deed de gemelde ballade ter zelve plaats uitschrijven op de 18de oktober van 1559, 31 jaar na dit voorval. Ik zag beide de zusters van dit kind, met de ene etende en drinkende. Ik deed een nauwkeurig onderzoek op deze geschiedenis en vond niemand die daar tegen zeide. Zij prezen de ouders van dit kind voor zeer godvrezende lieden. Zijn moeder was dit zelve jaar eerst overleden.’

Rond 1537 doet er zich ook in Brugge een vreemd geval voor, ‘een wonderbaar wanschepsel, te weten een meiske dat anders geen hoofd had dan een bek gelijk tussen twee schelpen, waar het zijn voedsel door nam als men het op de schouders klopte. Want het had geen ogen, geen oren en geen neus. Acht jaar oud zijnde, misbeet het hem in ‘t eten, waar door een stuk van d’eene van deze schelpen brak, die met dun vlees bedekt waren.’

‘Vermits deze breuk niet meer kon geheeld worden, is het meisken daar van gestorven. De moeder, als zij van dit kind bevrucht was, had zo een grote lust om mosselen te eten, dat zij die op de markt te Brugge rauw met de schelpen at en in stukken beet, hoe vuil en beslijkt zij waren. Dit heb ik horen verhalen van een geloofwaardige priester, broer van dit meisken, met hem aan tafel zittende ten huize van de zangmeester van keizer Karel den vijfde, genoemd Cornelius de Hondt.’

Marcus Vaernewyck laat me niet meer los met zijn verhalen. Ik krijg amper de kans om nog te ontkomen aan zijn verteldrift. Hij zuigt me als het ware op in zijn kronieken. Dit keer sleept hij me mee naar Ieper. ‘Back to the 16th century’. ‘In dien tijd begon een zekere Cornelius Boerman te Ieper zijn kunsten te tonen. Hij was een kleer- en kousenmaker en werkte op het zicht zonder ooit de maat te nemen. Hij sneed meer in één uur als andere in een halve dag. Hij maakte ook als een andere Prometheus, houten mannekes en andere dingen die zich beweegden alsof zij geleefd hadden.’

‘Onder andere maakte hij een houten vrouwenbeeldje, spinnende en omziende naar haar kind dat in de wieg lag en van een ander kind gewiegd werd, een kind pap etende en zijn hoofd schuddende alsof het zich verbrand had, en een hondeken dat diende om wat te krijgen, zich roerende als of het levende geweest had, een wagen die alleen een goed stuk weegs voortliep, en op den welken een levende man zat die het bestuurde. Hij had zo veel te weeg gebracht, dat als men op de dorpel van zijn kamer trad, de deur van zelf openging.’

‘Men zegt dat hij een houten man gemaakt had die met de boekzak voor zijn vrouw ter kerk ging, en een andere die de prins, in Ieper komende, tegen ging en de sleutels der stad aanbood. Hij heeft ook dergelijk stukskens in Frankrijk geleverd en in het klooster van Marchiennes. Hij was ander een eenvoudige man, zeer goed van hart en van leven maar hij werd deerlijk gekweld door een zotte en boze vrouw die hij nochtans zeer wel behandelde. Zij konde niet lijden dat hij zich met zulke zaken bezig hield, maar wilde dat hij het kleren en kousen maken oefende, wat zijn ambacht was, dus moest hij die kunstelijke stukskens bedektelijk maken.’

Dit is een fragment uit ‘Wonderlijke Histories van Vlaanderen’, lees verder op http://www.westhoek.net/P0804100.htm – verschijnt einde 2016 in deel 6 van De Kronieken van de Westhoek