De wortels van mijn volk

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       6 months ago     260 Views     Leave your thoughts  

Een knipoog naar mijn nageslacht
Een klein beduimeld boekje met een vaalpaarse omslag blijkt een heuse schat te zijn. Ik beklaag mijn eerste bezoek aan de Passendaalse heemkundige boekenmarkt van 11 november 2015 zeker niet. ‘Récits des Temps Mérovingiens’ van Augustin Thierry’ maakt deel uit van een reeks educatieve boekjes, de ‘Classiques Larousse’ en verscheen in 1935. Mijn oudste kleinzoon draagt de authentieke Vlaamse naam Gust. Augustin Thierry is dus voor wat mij betreft in zekere zin ook Gust Thierry.

De man zal er vermoedelijk niets op tegen hebben dat ik hem hier voortaan als Gust zal betitelen. Een knipoog naar mijn nageslacht. Larousse besteedt ruime aandacht aan zijn werk en zijn leven die zich uitstrekken tussen 1795 en 1856. Historicus, dwarsligger, patriot, briljant, veelzijdig, ziek en blind vanaf zijn eenendertig jaar. De rest van zijn leven zal hij in pijn en lijden afwerken. ‘Il ne cessera de souffrir jusqu’ à sa mort’.

Zijn werk over de Merovingen schrijft hij dus neer in bedenkelijke levensomstandigheden. ‘Verhalen’ vertelt de correcte Vlaamse vertaling voor ‘récits’. Zijn ‘Récits des Temps Mérovingiens’ blijkt een verzameling van zeven verhalen waarvan er zes gepubliceerd worden tussen 1833 en 1837. De term ‘verhalen’ zal veel notoire Franse historici van zijn tijd doen steigeren. Te verhalend, te weinig gestaafd, te emotioneel verbonden met zijn onderwerp. Ik herken de onderhuidse en met tussenpozen betweterige kritiek van een wereld die ook de mijne niet is. Het is daarom dubbel zo fijn dat ze in Parijs wel aandacht willen besteden aan zijn werk en zijn leven.

De wortels van mijn eigen volk
Gust Thierry wil geen geschiedenis schrijven van een natie, maar die van burgers. Van mensen. Om dat werkelijk te doen moet je mensen als mensen bekijken. Gust volgt het spoor van wezens alsof hij oprecht bezorgd de stappen van zijn vrienden tijdens hun gevaarlijke reizen mee beleeft. Hij keert terug naar de originele bronnen en probeert de gebeurtenissen van het ver verleden ook met de ogen van toen te bekijken. Zijn voornaamste bron is een erfstuk van bisschop Gregorius van Tours. De man maakt de periode mee als vertrouwenspersoon van enkele Frankische koningen van die tijd en noteert zijn ervaringen in zijn ‘Historia Francorum’.

Ik ga op zoek naar wat meer uitleg over Gregorius en leer tot mijn erg aangename verrassing dat de bisschop bekend geworden is als een verteller met oog voor details en anekdotes en dat hij zich op zijn beurt baseert op de overlevering van nog oudere handschriften. Ik vraag me nu al ongeduldig af hoe Gust Thierry in staat zal zijn om de oude geschriften van Gregorius van Tours om te toveren tot een erudiet verslag van de zesde eeuw.

De jaren 500 zijn zo goed als onbekend voor de meesten onder ons. Dat geldt uiteraard ook voor mezelf. De Romeinse periode is definitief achter de rug en de Franken zijn aan zet. Ze zullen Frankrijk en Vlaanderen op de kaart zetten. Ik ben ervan overtuigd dat Vlaanderen een kind is van het Frankenrijk, een logische evolutie van wat ooit begonnen is nadat de Germanen West-Europa hebben ingepalmd. Ik neem bewust wat afstand van mijn Westhoek om de geschiedenis ervan in een ruimer perspectief te benaderen. Precies zo zal ik de wortels van mijn eigen volk en streek kunnen ontwarren in de bodem van het verleden.

Tussen Poperinge en Braine
Ik begin meteen aan het eerste verhaal. Braine aan de rivier de Vesle is een Frans dorp in de buurt van Reims en van Soissons. De afstand tussen Poperinge en Braine bedraagt tweehonderdveertig kilometer. Parijs ligt honderd kilometer verder in het zuiden. Hier in Braine bevindt zich in de zesde eeuw één van die immense boerderijen waar de koningen van de Franken hun hof houden. Ze verkiezen die boven de mooiste villa’s van Gallië en onderscheiden zich daarmee van de bestaande Gallo-Romeinse aristocratie. Na eeuwen van Romeinse bezetting zijn de oude Galliërs en de Romeinse nieuwkomers niet meer van elkaar te onderscheiden.

De Galliërs bestaan niet meer, de oude Belgen zijn een herinnering. De Romeinse soldaten zijn gaan samenwonen met Gallische vrouwen. Het nieuwe volk mag dus inderdaad best als een mix van Gallo-Romeinen bestempeld worden, een normaal fenomeen na een intermezzo van vijftien generaties van leven, werken en voortplanting. De Gallo-Romeinse aristocratie leefde op het land en van het land. De industrie van de oude dagen was bevolkt met slaven en alles wat ook maar rook naar handel en commerce werd geminacht. Wie geen bezitter was van landerijen, grote domeinen en ‘villae’, maakte nooit kans om ooit als vertegenwoordiger van het volk op te treden.

De Frankische koningen maken een einde aan deze gebruiken. Ze nemen het land in en verdelen het onder hun achterban. De bestaande Gallo-Romeinse bevolking en de Franken moeten nu allebei leven van dit land. De villa zelf kan ik omschrijven als een onafhankelijk organisme, een zelfbedruipend centrum volgepropt met luxe. De heer van de villa, de ‘dominus’, houdt een deel van het land voor zich en de rest verdeelt hij in kavels van elk zowat tien hectare die hij ter ontginning aanbiedt aan een reeks horige boeren. Deze kavels worden mansi geheten. Elke boer komt dus in het bezit van een eigen mansus in ruil voor tegenprestaties aan zijn heer.

De slaven van de heer
De meeste mensen schoppen het niet tot zelfstandig landbebouwer en blijven slaaf voor de rest van hun leven. De ‘serfs’. Vroeger zijn ze ooit vrij geweest, maar ze bezaten geen grond. Van handel is er geen sprake, daar kunnen ze onmogelijk van leven. Ze zijn dus wel verplicht om te leven van de opbrengst van andermans grond. De slaven sluiten om deze redenen wel noodgedwongen een contract met de dominus. Ze krijgen hun levensonderhoud van hem en in ruil moeten ze op het land werken en karweien doen voor hun baas. Braine is het voorbeeld van een dergelijke flink uit de kluiten gewassen hoeve waar de Frankische koningen de scepter zwaaien.

Ze verkiezen die veruit boven de mooiste villae van Gallië. De boerderij heeft nog niets mee van het militair uitzicht die kastelen later in de middeleeuwen zullen verkrijgen. Een groot en elegant gebouw is het, ingesloten door portieken met een Romeinse architectuur. Vaak gebouwd in hout, gestileerd en voorzien van kunstwerken. Rond het hoofdgebouw bevinden zich in verspreide volgorde een reeks van bijgebouwen. Hier wonen de officieren van het paleis. Barbaren of mannen met Romeinse roots. En natuurlijk de krijgers en hun leiders die zich naar Germaans gebruik aangeboden hebben om onderdanig te zijn aan hun koning. Het engagement van vazallen die hun leider trouw blijven en hem militaire bescherming aanbieden. Ik ontwar eveneens nogal wat kleinere gebouwen en hutten.

Hier wonen dus de horige families, de slaven van de heer. De mannen en vrouwen oefenen tal van beroepen uit. Van goudsmid tot de productie van wapens. Wevers en leertouwers, arbeiders die borduren met zijde en goud, een serie ambachtslieden die hun dagen vullen zoals bijvoorbeeld de bewerking van wol en vlas. De meeste van die families zijn Gallisch van origine, geboren en getogen op de grond waar ze nu hun ondergeschikte rol spelen. Nadat de Franken zich tijdens een militaire campagne meester van hun land gemaakt hebben, zijn zij als het ware als onderdeel ervan mee verhuisd en gewelddadig verplicht, gekoloniseerd als het ware om naar de pijpen van de Franken te dansen.

Chlotarius, de zoon van Clovis
De imposante Frankische hoeve beschikt naast een uitgebreide bewoning verder ook nog over schuren, stallen, paardenfokkerijen, stoeterijen, schaapstallen en allerhande loodsen en opslagplaatsen. Op zich toont de mansus perfect de standenwereld zoals die ook te zien was in hun vroegere heimat van Germanië. En precies zoals dat het geval is rond de Rijn, treffen we de Frankische herenboerderijen vaak aan bij de rand van wouden of soms centraal verscholen in grote bossen. In zijn intro heeft Gust Thierry een duidelijk beeld geschetst van de Frankische leefwereld die in Vlaanderen en Frankrijk ontstaan is nadat de Germanen zich meester hebben gemaakt van het land.

Het wordt stilaan tijd voor hem om er nu namen op te kleven. Braine is de favoriete stek van Chlotarius, de jongste zoon van Chlodowig, voor ons beter bekend als Clovis. In Frankrijk zal die verder muteren tot de populaire voornaam ‘Louis’.

Gallië is eigenlijk een erg algemeen woord. Er is alsnog geen sprake van een land met vastgelegde en historische grenzen. De oorlogen die deze staatsgrenzen op papier zullen moeten afbakenen dienen nog allemaal gestreden te worden. Mijn Karolingische en Merovingische vorsten beschouwen hun koninkrijk in de jaren 500 eigenlijk nog altijd niet als een staat maar als een domein waar zij toevallig de eigenaar van zijn. Na de dood van de eigenaar wordt het land zonder scrupules of zorgen verdeeld onder de beschikbare zonen zonder dat hierbij rekening gehouden wordt met enige grenzen of geografische beschouwingen.

Deze toestand blijft eigenlijk bestaan tot in de tiende eeuw. Eigenaardig genoeg herstelt het grondgebied van het Frankenrijk zich telkens tot één domein, maar dat heeft veel te maken met neven en nonkels die in tweede instantie bereid zijn om hun landerijen weer samen te brengen onder het bestuur van een enige zoon, schuine streep, opvolger. Ik moet daarbij onwillekeurig denken aan een hagedis waarvan de staart na amputatie terug groeit naar zijn oorspronkelijke vorm. Alsof de staat zich vanzelf en na verloop van tijd weer herstelt tot zijn vroegere proporties.

De vergaderingen van de bisschoppen
Braine is dus zonder twijfel het lievelingsverblijf van Chlotarius. Hij is de jongste van de vier zonen van Clovis. Na de dood van zijn drie broers is hij koning van heel Gallië geworden. Chlotarius heeft een geheime kamer laten inrichten in zijn kasteelhoeve. Hier huizen grote koffers voorzien van driedubbele grendels en sloten, volgestouwd met rijkdom, geld, vazen en precieuze juwelen. Hier kan je ook de aktes en documenten terugvinden die zijn koninklijke macht moeten staven. Het is in Braine dat hij de conferenties van zijn bisschoppen laat doorgaan. De wetten van het land zijn enkel geldig indien ze afkomstig zijn van beslissingen van deze synodes en die kunnen enkel opgeroepen worden door de koning in hoogsteigen persoon.

Het is zeker geen slecht idee om even stil te staan bij het bestaan van deze concilies, soms ook wel synoden genoemd. De grote Gallische steden hebben elk hun bisschop. Hun gezamenlijke vergaderingen moeten zorgen voor wet en orde. Vertegenwoordigers van buitenlandse koningen worden er in stijl ontvangen. Het oude parlement als het ware. Chlotarius zit de vergaderingen der vrije mannen van de Frankische natie voor. Achteraf worden er grote festijnen georganiseerd. Everzwijnen en herten worden in hun geheel op brochetten geplaatst en gebraden. Met enig inlevingsvermogen hoor, zie en ruik ik het afdruipen van de vetten op de gulzige vlammen, de rook en de geuren die ze veroorzaken. Het vlees wordt opgediend op tafels van gebroken vaten die overal verspreid staan tot in de uithoeken van de zaal.

Aan maîtresses is er geen gebrek
Chlotarius vult zijn dagen met het bezoeken van zijn diverse domeinen. Zolang hij geen oorlog moet voeren uiteraard. Zijn vijanden zijn hem goed bekend. De Saksen die hun gebied hebben tussen de Weser en de Elbe. De Bretoenen of de Visigoten van Septimanië, ‘Zevenland’, de landstreek van Zuid-Frankrijk met steden zoals Carcassonne, Nîmes en Perpignan. Ik krijg wat details over enkele van die domeinen. Attigny aan de Aisne in de Ardennen, Compiègne, Verberie aan de Oise. Koning Chlotarius gaat er de voorraden controleren en levert zich samen met zijn Frankische vertrouwelingen over aan de geneugtes van de jacht, de visvangst, de zwemkunst en deze van de vrouwen.

Aan maîtresses is er geen gebrek. De dochters van zijn slaven staan vrijuit ter beschikking. Het gebeurt af en toe dat de mooiste meisjes zich kunnen bevrijden uit hun staat van concubine (bijvrouw) en promotie maken tot echtgenote en koningin. Chlotarius moet zodanig veel keer getrouwd zijn dat mijn schrijver er zowat de tel bij verliest. Zo huwt hij met Ingonde een jong meisje van lage afkomst. ‘Zonder overigens van zijn ongeregelde levenswijze af te zien, die zij als slavin met een uiterste onderwerping duldde, beminde hij haar hartelijk en leefde met haar in de beste eensgezindheid.’ Ik moet er wat om lachen. Ondergeschiktheid, laat me niet lachen, maar ondertussen gaat ze wel op zoek naar een geschikte man voor haar zuster Aregonde. Een dappere en vermogende echtgenoot zodat ze niet langer belachelijk zal gemaakt worden door de inferieure status van haar eigen zus.

Ingonde en haar zus Aregonde
Misschien kan haar man de koning Ingonde wel helpen. ‘Dit verzoek wekte de nieuwsgierigheid van de vorst en tegelijk zijn begeerte naar genot.’ De vleselijke lusten die de geile Chlotarius ondervindt ergens rond de jaren 534-535, gutsen nu nog altijd over mijn scherm. Best wakkere geschiedenis, geromantiseerde kronieken die om verdere uitleg vragen en zo ga ik verder met de amoureuze escapades van mijn Frankische vorst Chlotarius. ‘Hij vertrok diezelfde dag naar het landgoed waar Aregonde woonde en een van de handwerken uitoefende die aan de vrouwen opgedragen waren, zoals het weven en verven van wollen stoffen.

Chlotarius vindende dat zij haar zuster op zijn minst in schoonheid evenaarde, nam haar met zich, gaf haar zijn koninklijk vertrek tot verblijf en de naam van vrouw tot titel.’ Achteraf keert hij terug naar Ingonde met de boodschap dat hij geen betere man heeft kunnen vinden voor haar zus Aregonde dan zichzelf. Je moet het maar kunnen zeggen in het leven. Veel meer dan slikken en ja knikken zal Ingonde wel niet hebben kunnen uitkramen vermoed ik. De romantische variante geeft het een andere draai: ‘zonder enige blijk van ontroering te geven of enigszins haar geest van onderwerping te verloochenen, antwoordde Ingonde: mijn heer en meester, doe wat gij goed vindt, zolang zijn dienstmaagd maar niets van zijn genegenheid verliest.’

Ik pluis er Wikipedia even op na. Dubbelchecken, weet je wel. Chlotarius zorgt voor vier officiële mannelijke opvolgers. Van eventuele dochters is er geen sprake. Ingonde is conform de geschiedenisboeken een Duitse prinses maar ik weet ondertussen wel beter. Ze staat genoteerd als de moeder van Charibert (520), Gontran (532) en Sigebert (535). Halfbroer Chilperik, vermoedelijk de jongste, is een kind van Aregonde en wordt geboren in datzelfde jaar 535. Een vijfde halfbroer, Chramm, wordt hier om een of andere voorlopig onbekende reden over het hoofd gezien.

Chilperik krijgt lik op stuk
Zachtzinnig zal het er niet aan toegaan tussen vader Chlotarius en zijn zonen. Dat kan ik alvast uitmaken uit volgende passage: ‘in het jaar 561, na een veldtocht tegen één van zijn zonen, wiens opstand hij strafte door hem samen met zijn vrouw en zijn kinderen te doen verbranden.’ Het gaat hier meteen over de ‘vergeten’ Chramm. Ik begrijp meteen waarom er geen plaats vrij werd gemaakt voor zijn aanwezigheid in onze vaderlandse geschiedenis. ‘Na zijn wraakoefening kwam hij zeer bedaard en met een gerust geweten in zijn huis te Braine terug. Daar maakte hij zich gereed tot de herfstjacht, bij de Franken een soort van plechtigheid.

Door een menigte mannen, paarden en honden gevolgd, begaf de koning zich naar het bos van Cuise, waarvan dat van Compiègne in deze tegenwoordige tijd slechts een gering overblijfsel is. Te midden van die geweldige inspanning, waartegen zijn jaren niet meer bestand waren, kreeg hij de koorts en zich naar zijn naastbij gelegen goed hebbende doen vervoeren, stierf hij aldaar na een regering van vijftig jaren.’ Na zijn dood in 561 eist Chilperik naast de schatkist van zijn vader eveneens het hele Frans-Frankische grondgebied op, het ‘Regnum Francorum’. Maar hij krijgt lik op stuk. Zijn oudere halfbroers krijgen ook hun deel van het grondgebied toegewezen. Chilperik erft uiteindelijk het kleinste stuk: Vlaanderen, de Westhoek, het gebied ten noordwesten van de Somme tot aan Zeeuws-Vlaanderen.

Sigebert zal voortaan heersen over de oostelijke gebieden, Austrasië, een soort voorloper van West-Duitsland. Van Tongeren in het westen tot Thuringen in het oosten en een flink stuk verder dan de Rijn. Ten zuiden van Reims en Parijs worden west en oost verdeeld tussen Haribert en Gontran. Haribert krijgt de westerzijde die zich uitstrekt tot aan de Pyreneeën en Gontran de regio Bourgondië eindigend aan de Middellandse zee. De verdeling zal al direct zorgen voor conflicten tussen de broers. In 562 breekt er een oorlog uit tussen Chilperik en Sigebert en probeert eerstgenoemde weer in het bezit te komen van de regio Reims.

Haribert, Gontran, Chilperik en Sigibert
Dit is kort gezegd de stand van zaken na de dood van Chlotarius, op mijn manier geschreven, mijn kroniekschrijver staat echter te trappelen om het wel zelf te vertellen. Ik laat hem dan ook graag aan het woord. De ‘petite histoire’ heeft bij mij altijd zijn rechten. ‘Zijn vier zonen Haribert, Gontran, Chilperik en Sigebert volgden vaders lijkstatie tot aan Soissons, psalmen zingende en waskaarsen in de hand houdende.’ De kat zal nu wel gauw op de koord springen.

‘Nauwelijks waren de plechtigheden van de begrafenis afgelopen of de derde van de vier broers, Chilperik, vertrok in allerijl naar Braine en dwong de bewaarders van dat koninklijk goed om hem de sleutels van die schatkamer te geven en zo over al de schatten door zijn vader verzameld te kunnen beschikken.’ ‘Hij begon nu een gedeelte van deze schatten aan de opperhoofden der benden en aan de krijgslieden uit te delen die ofwel te Braine of in de nabijheid hun woningen hadden. Allen zwoeren hem trouw, hun handen in de zijne leggende, begroetten hem juichend met de titel van koning en beloofden hem overal te volgen waar hij hen zou leiden.’

De kleine kantjes van de geschiedenis
Dat is nu eens een brok geschiedenis waar ik geen barst van afwist. Jullie toch ook niet? De kinderjaren van mijn streek hebben heus wel wat meer voorgesteld dan de oude Belgen, de Romeinen die dan gevolgd werden door de Franken. Het bloedvergieten en de kleine kantjes hebben er in ruime mate deel van uitgemaakt. Parijs, Vlaanderen, Gallië zoals ik ze allemaal nog nooit bekeken had. ‘Toen, zich aan hun hoofd stellende, trok hij recht op Parijs aan, het oude verblijf van zijn grootvader Clovis en later dat van zijn overleden oom Childebert. Chilperik hoopte dat het bezit van de stad die eertijds door de veroveraar van Gallië bewoond werd hem enige voorrang zou geven.

Misschien beoogde hij daarmee niets anders dan zich het koninklijk paleis toe te eigenen, welke gebouwen en tuinen zich langs een aanzienlijk gedeelte van de linkeroever van de Seine uitstrekten.’ ‘Chilperik kwam zonder tegenstand te ontmoeten binnen Parijs en huisvestte zijn krijgslieden in de torens die de bruggen verdedigden van deze stad, welke toen door de Seine omringd was.

Maar de drie andere broers, die overrompeling vernomen hebbende, verenigden zich tegen hem, die zichzelf een deel wilde kiezen uit de vaderlijke erfenis, en trokken met een grote overmacht en grote dagmarsen naar Parijs. Chilperik durfde hen het hoofd niet bieden, en van zijn ondernemingen afziende, onderwierp hij zich aan de kans van een met onderlinge goedkeuring gemaakte verdeling. Die verdeling van heel Gallië en van een aanzienlijk deel van Germanië geschiedde door een loting, net zoals die al eens een halve eeuw geleden had plaats gevonden tussen de zonen van Clovis.’

Neoster Rike en Oster Rike
Jullie hebben daarnet mijn eigentijdse samenvatting gelezen over de indeling van de Europese landstreken tussen de vier zonen van Chlotarius. De uitleg en de naamgeving van Europa leest totaal anders als ik de kroniekschrijvers van die tijd aan het woord laat. ‘Er waren vier loten, elk van welke met enige veranderingen de vier gedeelten van het grondgebied toewezen, bekend onder de koninkrijken van Parijs, van Orléans, van Neustrasië en Austrasië. Haribert kreeg door het lot het koninkrijk waaraan Parijs de naam gaf, zich van het noorden naar het zuiden uitstrekkende, die Senlis, Melun, Tours, Bordeaux en de steden der Pyreneeën bevatte.

Gontran kreeg voor zijn aandeel met het koninkrijk van Orléans het deel van zijn oom Chlodomir, het hele grondgebied van de Bourgondiërs van de Saône en de Vogesus tot aan de Alpen en de zee van Provence. Reims werd beschouwd als de hoofdstad van de Austrasische gebieden.’ Chilperik die baas wou worden over het hele Frankengebied krijgt uiteindelijk enkel de regio waar later Vlaanderen en de Westhoek tot stand zullen komen. Het kleinste deel, dat zal hem leren om voor zijn beurt te spreken.

‘Het deel van Chilperik was dat van zijn vader, het koninkrijk van Soissons, die de Franken ‘Neoster Rike’ of Westers Rijk noemden en dat ten noorden de Schelde en ten zuiden de Loire tot grenzen had.’ Het Oosterse Rijk, uiteindelijk, of het Oster-Rike, kwam aan Sigebert die in zijn deel Auvergne, het noordoosten van Gallië en Germanië tot aan de grenzen der Saksen en Slaven bezat’. Vlaanderen, met de Westhoek als uiteinde aan de grote zee was dus ooit de tegenhanger van de oostelijke gebieden van Gallië. Ons land kon dus net zo goed Westenrijk genoemd zijn en net zoals Oostenrijk de tanden van de tijd overleefd hebben.

Het land van de Salische Franken
Ik ben in de Westhoek beland. De regio van Chilperik heeft Soissons als hoofdstad en bevat onder meer de kernen van Atrecht, Kamerijk, Amiens, Terwaan, Boulogne en Doornik en de gebieden in welke de Morinen ooit thuis waren. Het gebied ook van de Salische Franken. Met verloop van tijd zal de hele noordwestelijke kant van het Regnum Francorum bekend raken als Neustrië, een verbastering van ‘Neoster Rike’. ‘Nadat het lot aan de vier broers hun aandeel in de steden en het grondgebied had toegewezen, zwoer elk van hun op de relikwieën der heiligen met zijn eigen deel tevreden te zijn. Het duurde niet lang of die eed werd verbroken.

Chilperik, gebruik makende van de afwezigheid van zijn broer Sigebert die in Germanië oorlog voerde, viel onverwacht Reims aan en overmeesterde deze stad, benevens enige andere die onder zijn bereik lagen.’ Ik had het kunnen denken. ‘Maar hij had niet lang genot van deze verovering. Sigebert kwam zegevierend terug van zijn tocht aan de overzijde van de Rijn, heroverde zijn steden, de ene voor, de andere na, en zijn broer tot onder de muren van Soissons vervolgende, versloeg hem in een veldslag en kwam met geweld binnen de hoofdstad van Neustrië.’ Chilperik verliest Soissons aan zijn broer.

Eigen schuld. ‘Volgens het karakter van barbaren, wier drift geweldig maar van korte duur is, verzoenden zij zich met elkander, opnieuw zwerende niets tegen elkander te ondernemen. Beiden hadden een woelig, krijgszuchtig en uitermate wraakzuchtig karakter. Haribert en Gontran, ouder en minder hartstochtelijk vonden genoegen in rust en vrede.’ Ik krijg wat voorbeelden te lezen over het milde karakter van beide broers. Vooral onze eigen koning Chilperik moet een crapuleuze persoonlijkheid zijn en dan nog een van het soort die denkt dat hij slimmer is dan een ander.

De succesvolle raid van de kerk
Ik lees het zo: ‘koning Chilperik daarentegen, een soort van halfwilde vrijgeest, luisterde alleen naar zijn eigen goeddunken, zelfs in zaken die de leer van het Roomse geloof betroffen. Het gezag van de geestelijkheid scheen hem ondragelijk en een van zijn grootste genoegens vond hij in het vernietigen van testamenten die ten voordele van een klooster of een geestelijk werk werden gemaakt. Het karakter en gedrag van de bisschoppen was het ideale onderwerp van zijn scherts en tafelgesprekken. De ene noemde hij een domkop, de andere een onbeschaamde, deze een babbelaar en gene een wellusteling.’

De kerk is dan al begonnen aan zijn succesvolle raid op ’s werelds eigendommen en dat blijkt niet naar de zin van Chilperik te zijn. Wat zou deze koning toch een adept van de latere Franse revolutie geweest zijn! ‘De grote goederen die de kerken bezaten en die steeds toenamen, de invloed van de bisschoppen in de steden, waar zij sedert de regering der barbaren de meeste voorrechten van de oude municipale overheden genoten, al die rijkdommen, al die macht, die hij benijdde, zonder enige middel te kunnen vinden om zich daarvan meester te maken, wekte zijn na-ijver allergeweldigst op.

De klachten die hij in zijn spijt deed horen waren niet van gezond verstand ontbloot en dikwijls hoorde men hem zeggen: “ziedaar, onze schatkist is verarmd, onze goederen gaan over naar de kerken, niemand regeert inderdaad meer dan de bisschoppen der steden”.’ Chilperik moet zijn grootvader Clovis op zulke momenten vermoedelijk verwenst hebben. Waarom heeft hij zichzelf toch ooit laten dopen? Besefte hij dan niet hoe zeer de clerus van zijn rijkdom zou beginnen te profiteren?

Naijverig op de liefde
En dan zijn er natuurlijk nog de vrouwen waar de zonen van Chlotarius blijkbaar een zwak voor hebben. ‘Voor het overige maakten de zonen van Chlotarius, met uitzondering van Sigebert, de jongste, zich aan een hoge mate aan onkuisheid schuldig, bijna nooit zich met een enkele vrouw vergenoegende, zonder de minste schroom verlatende die zij eerst kortelings getrouwd hadden, en haar vervolgens na een gril van een ogenblik weder tot zich nemende. De vrome Gontran huwde bijna even zo dikwijls als zijn twee broers, en zo wel als zij had hij zijn bijzitten, van de welke er een, Venerande genoemd, de dochter was van een aan de fiscus toebehorende Galliër.

Koning Haribert nam twee zeer schone zusters, die tot de bedienden van zijn echtgenote Ingoberge behoorden, tegelijk tot zijn bijzitten. De ene heette Markowefe en droeg een geestelijk kleed. De andere heette Meroflede. Ze waren dochters van een wolwerker, barbaars van afkomst en lijfeigene van het koninklijk goed. Ingoberge, naijverig op de liefde (wat een schitterende manier toch om jaloezie te omschrijven), die haar man die twee vrouwen toedroeg, deed alles wat in haar vermogen lag om hem die te ontnemen, maar het gelukte haar niet. Haar mededingsters echter niet durvende mishandelen noch wegjagen, verzon zij een soort van krijgslist, geschikt naar haar oordeel om de koning een afkeer te laten inboezemen van een verbintenis hem onwaardig.

Zij liet de vader van de twee meisjes komen en liet die wol kaarden op de binnenplaats van het paleis. Terwijl de man aan het werk was, zijn best doende om zich ijverig te tonen, riep de koningin haar man om de werkplaats te komen bezichtigen. De koning kwam, keek rond en niets anders ziende dan een wolkaarder werd hij boos, de scherts zeer euvel opnemende. Het kwam tot woorden tussen de twee echtgenoten en de uitslag was heel anders dan Ingoberge verwacht had. Zij was het die de koning wegjoeg om met Meroflede te trouwen.’

Schuldig aan dubbele heiligschennis
‘Haribert, kort daarna vindende dat één enkele wettige vrouw hem niet genoeg was, gaf plechtig de titel van echtgenoot en koningin aan een meisje, Theodehilde genaamd, wier vader veehoeder was. Enige jaren daarna stierf Meroflede en de koning haastte zich haar zuster Markowefe te trouwen’. Ik word haast tureluurs van al die vrouwenhistories. ‘Volgens de wetten van de kerk was hij zo schuldig aan een dubbele heiligschennis, vooreerst als hebbende twee vrouwen en ten tweede als gehuwd hebbende een vrouw die de geestelijke sluier had aangenomen.

Aangemaand door St. Germain, toen bisschop van Parijs, om zijn tweede huwelijk te verbreken, weigerde hij dit volledig en werd in de ban gedaan, maar de tijd was nog niet gekomen, waarin de kerk de brutale hoogmoed van de erfgenamen der verovering onder haar tucht zou doen bukken. Haribert liet zich weinig aan dat vonnis gelegen en behield zijn twee vrouwen bij zich.’ Chilperik de zoon van Aregonde, die zal wel het record op zijn naam hebben van het grootste aantal getrouwde vrouwen en koninginnen.

‘Onder al de zonen van Chlotarius is het Chilperik aan wie de verhalen uit die tijd het grootst aantal koninginnen geven, dat is te zeggen, vrouwen, volgens de wetten van de Franken, met een ring en de penning getrouwd. Eén van die koninginnen, Audovera, heeft in haar entourage van dienstmeiden een jonge Frankische freule die Fredegonde genoemd wordt. Zoals haar naam laat vermoeden, is het meisje van Frankische oorsprong. Het meisje bezit een opmerkelijke schoonheid en Chilperik voelt liefde op het eerste zicht bij de eerste ontmoeting met haar.

Het gevaarlijk pad van Fredegonde
Fredegonde beantwoordt deze liefde tussen dienstmeid en koning en begeeft zich daarmee op een gevaarlijk pad. Eentje van jaloezie, afgunst en wraak van haar meesteres. Het verwondert me een beetje dat Gust Thierry zich vastbijt in deze vrouwenhistorie. Hij zal er zeker wel zijn redenen toe hebben zeker? Ik kan jullie nu alvast al meegeven dat deze Fredegonde gaandeweg een hoofdrol zal gaan opeisen in de levens van de kleinzonen van Clovis.

Een stroomversnelling van amoureuze escapades en intriges. Ik keer dus best eerst nog eens terug naar het begin. Beauty Fredegonde trekt zich niets aan van de frustraties van haar bazin. Aan ambitie heeft ze blijkbaar geen gebrek en ze gaat op zoek naar mogelijke middelen om de koning te scheiden van Audovera. De oude kronieken van de jaren 500 hebben het er ook over. Fredegonde slaagt in haar opzet.

Met de oogluikende toelating van een bisschop en dank zij de naïviteit van Audovera zelf. De maîtresse barst van de ambitie en gebruikt alle mogelijke legitieme middelen om een breuk tussen het koninklijk echtpaar te veroorzaken. Gust schuift me een voorbeeld toe. Sigebert heeft het aan de stok met de Saksen, Chilperik besluit om af te reizen naar de Rijn en zijn broer te gaan helpen. Hij laat een zwangere Audovera achter in Braine. Nog voor zijn terugkeer bevalt zijn vrouw van een dochter.

‘Moet ik de kleine nu laten dopen?’, vraagt ze argeloos aan Fredegonde. ‘Uiteraard zal dat dienen te gebeuren’, adviseert haar sluwe medewerkster, ‘je kan je echtgenoot het toch niet aandoen dat hij bij zijn triomfantelijke terugkeer van de Rijn een ongedoopt kind in zijn armen zou toegestopt krijgen?’ Haar medewerkster krijgt daarop opdracht om een doopceremonie te organiseren. Het wordt een valstrik, een ceremonie gevuld met intriges. Fredegonde ruikt haar kansen en speelt een gehaaid spel ten koste van haar meesteres.

Audovera mag het aantrappen
Ik zie het doopritueel zo voor me. Bisschoppen en ceremoniemeesters gekleed als kerstbomen en in vol ornaat nemen de ceremonie uiteraard ernstig op. Audovera is er met haar pasgeboren dochtertje. Van een meter is er geen spoor. ‘Waar blijft die toch?’ vraagt ze zich af. ‘Geen enkele vrouw heeft voldoende autoriteit om de dochter van de koningin boven de doopvont te houden’, antwoordt Fredegonde. ‘Geloof me, er kan maar één iemand je kind vastnemen tijdens de doop: u zelf als koningin!’ De bisschop vervolledigt met het nodig misprijzen de ceremonie terwijl Audovera zelf niet snapt welke religieuze blunder ze heeft geslagen.’

Bij zijn terugkeer wordt koning Chilperik warm verwelkomd door de jonge meisjes van het thuisfront. Met bloemen en gezangen. Fredegonde is er ook bij. ‘Proficiat met je overwinning en met de geboorte van je dochtertje’, dat zijn hier nu wel mijn eigen woorden, maar daar zal het wel op neerkomen. ‘Maar met wie zal mijn heer nu slapen?’ ‘Met de koningin, mijn meesteres zal dat moeilijk gaan, want ze is nu de doopmeter van je kind Hildeswinde!’ Chilperik zoekt zijn vrouw op in de portieken van de koninklijke villa. Ze toont hem fier hun kind. ‘Maar vrouw toch’, reageert hij, ‘welke dwaze zaken heb je nu toch uitgericht?

Je hebt jezelf onmogelijk gemaakt als echtgenote.’ Ik kort het verhaal wat in tot de essentie: de bisschop wordt verbannen en Audovera mag het aantrappen naar een klooster waar ze de rest van haar leven als een religieuze zal moeten doorbrengen. ‘Om haar te troosten gaf hij haar verscheidene landerijen, aan de schatkist behorende en in de nabuurschap van (Le) Mans liggende, ten geschenke. Chilperik huwde Fredegonde en het was onder het gedruis der feesten van dit huwelijk, dat de verstoten koningin naar haar schuilplaats vertrok, waar zij vijftien jaren later op bevel van haar vorige dienstmeid ter dood gebracht werd.’

Terug naar het nulpunt van de tijd
Ik voeg er voor de volledigheid aan toe dat Audovera en Chilperik samen vijf kinderen op de wereld hebben gezet. De zonen Theodebert, Meroveüs en Clovis en de dochters Basina en Hildeswinde. Basina zal met verloop van tijd ook geneutraliseerd worden door Fredegonde. Ze wordt in haar opdracht verkracht en verliest hierdoor haar status als mogelijke erfgename. Zelf zal Fredegonde zes kinderen op de wereld zetten. De eerste vier zullen vroeg sterven ten gevolge van dysenterie en volgens haar door de schuld van Chilperiks in 580 enig overgebleven zoon Clovis.

Ik ben wat op de feiten vooruitgelopen en keer wat terug naar het nulpunt van de tijd. Terwijl de drie oudste zonen van Chlotarius een losbandig en zedeloos leven leiden en allemaal huwelijken aangegaan zijn met vrouwen uit de dienstbare klasse, doet de jongste Sigebert precies het tegenovergestelde. Hij veracht het gedrag van zijn broers. Op hun niveau moet er getrouwd worden met meisjes van koninklijke bloede.

Hij voegt de daad bij het woord en richt zijn trouwvizier op één van de twee dochters van Athanagild, de koning van de Visigoten die op dat moment in de geschiedenis regeert over een gebied dat ik het best als ‘Spanje’ kan omschrijven. De dochters in kwestie heten Brunhilde en Galswintha. Sigebert laat zijn oog vallen op Brunhilde, de jongste, die ‘zeer wegens haar schoonheid bewonderd werd’. Een talrijk gezantschap vertrok met zijn geschenken van Metz naar Toledo, om van de koning der Goten haar hand te vragen. Hofmeester Godeghisel van het paleis van Austrasië, ervaren in alle soorten van onderhandelingen, slaagde in deze volkomen en bracht de bruid van koning Sigebert uit Spanje mede terug.’

De bevallige Brunhilde steelt de show
‘Overal waar Brunhilde op haar lange tocht naar het noorden voorbij kwam, trok zij de aandacht tot zich door de bevalligheid van haar manieren, haar elegantie, de wijsheid in haar gedrag en het aangename van haar omgang. Sigebert beminde haar, en heel zijn leven bleef hij haar een hartelijke liefde toedragen.’ Een Nederlandse vertaling uit 1836 die zich op dezelfde bronnen baseert, geeft extra kleur aan het leven in deze Frankische tijden. Lees maar: ‘Het was in het jaar 560 dat de bruiloft met grote statie in de koninklijke stad Metz gevierd werd. Al de heren van het rijk van Austrasië waren door de koning uitgenodigd om aan de feesten deel te nemen.

De graven der steden en de landvoogden van de noordelijke provinciën van Gallië, de patriarchale opperhoofden van de oude Frankische stammen die aan de overzijde van de Rijn gebleven waren, de erfelijke hertogen van de Alamannen, de Bavaren en de Thuringers zag men met hun gevolg van mannen en paarden te Metz toekomen.’ Het is alsof de geschiedenis onder mijn tokkelende vingers begint te leven. ‘In die zonderlinge vergadering zag men de beschaving en de barbaarsheid naast elkander, en beide in verschillende graden. Er waren beschaafde en indringende Gallische, trotse en stuurse Frankische edellieden.

Men zag er ware wilden, geheel in bont gekleed, zo ruw in hun manieren als in hun uiterlijk. Het bruiloftsmaal was prachtig en de vreugde maakte het levendig. De tafels waren bedekt met schotels van gesneden of gedreven goud en zilver, de vruchten van de plundering na de verovering. De wijn en het bier stroomden onophoudelijk in bekers van jaspis of in horens van buffels met zilveren randen, waaruit de Germanen dronken. In de grote zalen van het paleis hoorde men de gezondheden en toosten die de drinkers elkander toebrachten, de uitdagingen die zij elkander deden, het gejuich, het gelach, al het geraas van de Duitse vrolijkheid weerklinken.’

Dit is een fragment uit Deel 6 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>