De zeven branden van Belle

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     150 Views     Leave your thoughts  

De eerste Bellebrand was gedaan ten jaren 900, door de Noormannen, die uit Noorwegen, Zweden en Denemarken bij grote menigte jaarlijks gedreven werden om roof te gaan zoeken. Zij vielen binnen in het beste deel van Frankrijk en ook in Vlaanderen. Ze verbrandden, verwoesten en plunderden overal waar ze binnenvielen, zowel kloosters, kerken, abdijen als kastelen, steden, dorpen en alle huizen.

Maar Boudewijn de Ijzeren dan nog forestier of houtbewaarder van Vlaanderen, met heel zijn macht de koning ter hulp komende, heeft de Noormannen verslagen waarvoor hij graaf van Vlaanderen gemaakt werd. De Noormannen werden door dat verlies niet helemaal uit Vlaanderen verdreven want ze hebben nog wel 40 jaar lang alles geplunderd en verwoest overal waar ze toekwamen.

De tweede brand was ten jare 1436 toen de Engelsen in Vlaanderen binnenvielen. Belle helemaal geplunderd hebbende, staken ze de stad in brand, nadat ze menige duizenden ellen laken en veel andere goederen geplunderd hadden en aar Engeland vervoerd. Daarna scheen het oorlogsvuur geblust te zin. Nederland was voor enige tijd in rust en men schiep nieuwe moed in Belle. Men bouwde er veel huizen, de lakennijverheid en de neringen kwamen opnieuw tot bloei.

De derde brand werd ontstoken door de Franse troepen die onder Lodewijk XI naar Vlaanderen kwamen en Belle in brand staken. Ze leidden 500 burgers gevangen met zich mee naar Frankrijk.

De vierde brand is geschied in het jaar 1502, per ongeluk wanneer er 500 huizen door de vlammen tot as werden herleid. Maar korte tijd daarna werden de huizen herbouwd en de lakennijverheid en de neringen herbloeiden.

De vijfde brand werd veroorzaakt door het volk van de markies Roubays, ten tijde van de Nederlandse beroerten in 1582 wanneer ook de proosdij van Sint-Antheunis afgebrand en geplunderd werd en de monniken op de vlucht werden gedreven. Belle was praktisch helemaal afgebrand, en door de moedwilligheid van de soldaten moesten de boeren ook vluchten en alles achterlaten. De akkers bleven onbezaaid waardoor dat er een zeer dure tijd is aangebroken. Toen werd Alexander Florachius door de koning van Spanje gezonden om de moedwilligheid van de ketters in Vlaanderen te stutten.

Ten jare 1584 werd de tarwe verkocht aan 104 ponden per razier, dat komt overeen met 65 Franse ponden. Daar stierven er velen van honger en velen vertrokken van Belle naar Engeland om de hongersnood te ontvluchten en ze hebben daar de lakennijverheid ingevoerd. Het lakenweven ging teniet in Belle en daarom hebben de Bellenaars de garentwijnderij opgericht waardoor ze als een nieuw leven schepten want in die tijd begon de nering wel te gaan.

Maar daar kwam te Belle een grote sterfte, zowel door de pest als door de rode loop. Want bij gebrek aan goed brood moesten de mensen brood eten van bonen en erwten, en ook van revelare die van overzee kwam en die niet alleen slecht rook maar zelfs halfrot was. De arme mensen moesten wel drie jaar lang van die stinkende revelare eten, zodat er te Belle en onder de ambachtslieden van de stad velen gestorven zijn van de pest en de rode loop. Tussen juni 1646 en begin 1648 is er sprake van 3600 gestorven mensen. Uiteindelijk stopte de pest en de dure tijd kwam tot een einde. Maar de oorlog ging nog altijd voort tussen Spanje en Frankrijk.

De zesde brand is als volgt veroorzaakt: de oorlog bleef verder duren. De Spanjaarden verboden aan die van Vlaanderen, op straffe van eigen leven, dat ze geen belastingen meer mochten betalen aan de Fransen. En de Fransen van hun kant bedreigden hen als ze weigerden van de te betalen ze dan al de steden en de dorpen zouden plunderen en in brand steken.

De Fransen kwamen met geweld over de Leie, iets wat de Spanjaarden niet konden beletten. Er kwamen 2.000 soldaten naar Belle en veel burgers namen de vlucht. De soldaten sloegen er aan het plunderen. Zaken van hoge waarde werd weggenomen uit de prochiekerk en in veiligheid gebracht in de kerk van de capucienen. Ze namen het garen half gebleekt uit de blekerijen. Achteraf kwam een deel van de ruiters met bondels strooi op hun paarden en ze staken aan alle kanten het vuur aan in Belle. En als de vlammen over heel Belle door verspreid waren, zo bedreven ze grote geneuchten tot ze vertrokken. Bij hun vertrek staken ze nog een windmolen en drie oliekoten met twee rijen huizen in brand, alsook vier korenschuren waar ze voorbij kwamen. Het garen en de andere goederen werden door de soldaten wel drie uren ver langs de weg gestrooid. Op deze tijd zijn te Belle verbrand 470 huizen, het zwartenonnenklooster en 701 twijnmeulens.

De zeven branden is er per ongeluk gekomen, vanuit de brouwerij van de zwarte zusters, op de 8ste mei van 1681. Om drie uur in de namiddag was het vuur ontstaan in de vermelde brouwerij. De dikke rook vloog samen met de vlammen hoog tot in de wolken, samen met de vlammen vlogen er ook half verbrandde papieren die door de lucht vlogen als zwarte kraaien. Ook bondels stro die opvlogen al brandende en blakende, waardoor veel huizen in brand geraakten. De vlammen vlogen, zoals de bliksem van het ene naar het andere gewest van de stad. Men gebruikte alle middelen om het vuur te blussen maar het bleek allemaal vruchteloos. Want diegenen die van de andere kant van de stad kwamen om te helpen blussen moesten haastig terugkeren naar hun huizen om er snel hun eiugen beste goederen buiten te dragen, maar helaas, nog voor ze er toekwamen waren hun huizen al omsingeld door het vuur en de vlammen.

Al hun pogingen konden niet baten. De oostelijke wind begon zo verschrikkelijk te blazen en de vlammen voort te jagen, met zulk een vreselijk getier en gehuil dat veel mensen zegden dat de het helse geesten waren die zulk getier en gehuil maakten in de vlammen, zodanig erg klonk het getier tot in de lucht. Het was afgrijselijk om te horen en te zien wat daar geschiedde.

De markt, de waterplas en de steenputten waren helemaal gevuld met goederen maar het mocht allemaal niet baten want ze werden samen met de huizen en de hele markt op korte tijd door de vlammen verslonden. De Weststraat werd helemaal afgebrand en van al de huizen die stonden op de teerling genaamd ‘Bellequin’ en in de Sint-Jacobsstraat bleef er maar één enkel huis staan, dat ook niet en werd gehinderd als de soldaten het vuur in Belle staken.

De Nieuwstraat werd van twee zijden platgebrand, tot de armenschool toe. In de Kerkstraat en de Paterstraat is er niet één huis gebleven. De Vulderijstraat was ook helemaal afgebrand behalve een huis in de proosdij. De straat van de Heilige Geest werd ook al afgebrand en ook de Koolstraat een weinig. De Vijverstraat en al de huizen die stonden al men gaat van de markt naar de capucienen werden ook allemaal door het vuur vernield, net zoals al de huizen in de Ooststraat, van het klooster van de zwarte nonnen tot aan de markt. Maar geen woningen over het klooster aan de oostzijde.

De kerkgracht was opgevuld met alle slag van goederen om ze te bevrijden voor de brand, alsook veel andere putten, maar het hielp allemaal niet, want ze brandden in het water, immers die maar half in ‘t water en waren, waardoor het water heet werd. Zo zijn er 488 huizen, 14 brouwerijen, 80 twijnmeulens, het klooster en de kerk van de Jesuieten, het grauwe-nonnenklooster en de parochiekerk verwoest, met uitzondering van de beelden van Onze Vrouwe, van Sint-Vedast en Sint-Leonardus, die boven de kerkdeur stonden.

Namen van 23 mensen die in hun huizen verbrand zijn: Jan Hardeman, Christiaan Berteloot, Jan Ysebrand, Petronelle Flaheel, weduwe Pr. Petilion, Johanne de Chateau, Jacques van Amandel, Tanneken Poortier, weduwe Marius du Plovy, Tone le petit, Chatharine de Wulf, Jacquemijntje Faes, Joufwe Mary Vremout, weduwe meester Louis de Gelke met haar zoon en vier dochters en haar maarte Josine de Coninck, Mary Olivier, Pieternelle Laporte, Pr. Questroy, en Treze Roelens.

Op enige woorden en de spelling na, overgenomen uit het handboek van Gratiaen-Anthone Vervot, ‘Steenvoordse ijveraar der cijferkomste’, geboren te Steenvoorde de 4de juli 1736 en daar overleden op 7 oktober 1808.

Overgenomen uit ‘Biekorf’ van 1891