De zilveren pispot van keizer Karel

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       4 weeks ago     201 Views     Leave your thoughts  

Al een hele tijd onderweg met de bewerking van ‘Ieperse Histories’, handschriften van Lodewijk Boeteman, onderstaand fragment is best hilarisch te noemen en wil ik zeker al eens delen met jullie!

Anno 1519, op de 25ste juli toen keizer Karel binnen de stad van Ieper was, is er geschied een kluchtig geval dat de keizer had horen vertellen dat de waardin van herberg ‘Den Engel’, staande aan de zuidzijde van de grote markt naast herberg genaamd ‘De Valk’. De naam van deze waardin was Elisabeth Quaetjonk, weduwe van Louwen Vertrek in de wandeling ‘kwaabette’ genoemd. Ze kreeg die bijnaam omdat ze een kwaadaardig, onbeleefd en roekeloos vrouwmens was, zo een die men in geen honderd mijl in het rond zou vinden. Als mensen daar gingen iets gaan drinken of er gingen logeren dan behandelde ze haar gasten altijd met spijtige en bijtende onbeleefdheden terwijl het haast niet mogelijk was en wel betoverd leek dat de mensen nog iets wilden gaan drinken in ‘De Engel’, maar dat kwam waarschijnlijk door het feit dat ze altijd goede drank in huis had.

De keizer had al van kwaabette gehoord en gezien hij van nature eigenlijk een grappig man was en een geestig hart had, verkleedde hij zich die nacht in gewone kleren en ging hij incognito op stap in Ieper en begaf hij zich in verscheidene gezelschappen en naar verschillende plekken in de binnenstad. Hij wilde zien hoe het volk zich gedroeg en wat de mensen hier in Ieper allemaal deden. Aangezien hij van de bottigheid en de onbeleefdheid van deze kwaabette al gehoord had, heeft hij zich tijdens deze avond in haar herberg en in burgerkleding verkleed als iemand van het gemeen. Bij zijn aankomst wenste hij al de mensen die daar iets schonken en dronken een goede avond toe.

Hij zag dat de waardin aan de haard zat niet ver van haar toog en hij vroeg haar heel beleefd of hij hier mocht logeren. Kwaabette bekeek de klant zonder een woord te spreken, van kop tot tenen, van hoofd tot voeten, trok haar schouders op en dacht in zichzelf dat het hier ging om een armzalig burgermannetje waar ze zeker haar boterham niet zou aan kunnen verdienen. De keizer die het eigenaardig vond dat ze bleef zwijgen stelde zijn vraag opnieuw; ‘vrouw kan ik hier tijdens deze nacht logeren?’ Nu antwoordde ze dik tegen haar goesting ‘ja ja, men zal voor u een plaats klaarmaken’. ‘Breng mij dan graag ook een fles wijn, ik zou graag een fles van uw beste Spaanse wijn hebben.’ ‘Allemaal goed en wel’, replikeerde de bazin, ‘maar weet ge wel dat de beste Spaanse wijn ook het beste geld kost? En wat hoog van prijs is, ge zult het zelf moeten weten of ge het kunt betalen.’ ‘Het is hier toch geen bordeel dat ik het geld vooraf moeten geven.’ antwoordde keizer Karel. ‘Ba neen’, reageerde kwaabette, ‘het is hier vaneigens geen bordeel, het is enkel om u te waarschuwen dat ge moet zien wat ge commandeert.’ ‘Breng toch maar die wijn, een fles van je beste Spaanse wijn die ge in uw kelder hebt staan. En zeker geen geblauwde of gefraudeerde wijn, ik wil zuivere Spaanse wijn waar nog kracht in steekt.’

De waardin keerde zich richting het volk dat aan de toog zat te drinken. ‘Wij hebben geen geblauwde noch gefraudeerde wijn, mijn wijn heeft trouwens kracht genoeg, kan uw beurs het wel aan om die te betalen, zoniet zal je morgen wel zien wat daar de uitkomst van zal zijn.’ Ze riep naar haar meid Stevelinne ‘haal voor die heer een fles wijn die in mijn nieuwe rekken ligt.’ En Stevelinne ging naar de kelder, bracht de fles wijn naar boven en opende die. Ze goot die uit in een Engelse tinnen kroes en zette die op de toog. Keizer Karel schonk zich een kroes vol, bekeek de wijn, rook aan de kroes en rook nog eens. ‘Hebt gij geen betere wijn dan deze?’ dan welke die ge me hier presenteert vroeg hij aan kwaabette.

‘Wat vraag je nu’, reageerde de waardin verontwaardigd, ‘of ik geen betere wijn heb?’ ‘Er is geen betere wijn in heel de stad, ge moet wel een lekkere duivel zijn dat ge geen smaak vindt in deze Spaanse wijn. Het is de beste van de stad, hier is geen betere te vinden en als die u niet aanstaat, met te betalen zijn ge er van af en dan kunt ge gaan vanwaar ge gekomen zijt!’

‘Maar vrouw toch’, zei keizer Karel, ‘moet ik hier nu werkelijk aan de toog staan drinken. Ik ben moe gestapt, zet voor mij een tafel en een stoel zodat ik mijn fles wijn op mijn gemak kan uitdrinken.’ ‘Stevelinne’, riep kwaabette, ‘schuif daar dat tafeltje bij en zet eens de fles wijn erop, en gij meneer, daar staat een stoel achter u, ge kunt die pakken zodat ge op uw gemak deze fles wijn kunt ledigen.’ Keizer Karel moest dus zelf zijn stoel nemen, zelf schenken en drinken zoals het hem lustte tussen al dat volk dat aan de toog stond te drinken. Onder die mensen bevond zich een blauwverver met name Gaspard Pardoen, dewelke aan de keizer vroeg; ‘meneer wat voor landsman zijt gij eigenlijk?’ ‘Ik ben een Gentenaar antwoordde keizer Karel.’

“Wel’, zei Gaspard, ‘ge moogt me niet kwalijk nemen maar de Gentenaars zijn stout van volk. Ik was onlangs nog eens in Gent en ik was er de weg verloren en wist niet meer waar ik moest zijn. Ik zag drie mannen met elkaar praten en vroeg ‘zeg eens vrienden langs waar moet ik gaan om de Peperstraat te vinden?’ Een van dat drietal zei dat ik altijd moest gaan naar waar mijn neus wees.’. ‘Nochtans’, zei iemand anders daar aan de toog, ‘onze keizer die momenteel hier in Ieper verblijft is toch ook een Gentenaar? En het is toch een deugelijk monarch.’ ‘Wel’, zei keizer Karel, ‘om bot en onbeleefd volk te vinden zou men niet ver moeten gaan’ en hij dacht voor zich ‘vooral bot tegen de vreemdelingen, de bazin van dit huis hier is alleszins bot en onbeleefd genoeg.’

Maar nu vroeg keizer Karel ‘vrouw hebt ge iets om te eten vanavond, ge moet voor me een goed avondmaal bereiden van het beste dat ge hebt kunnen krijgen.’ ‘Ja ja, ‘t is al goed zei kwaabette, ‘men zal het beste voor u uitpluizen.’ ‘Er is trouwens nog een kwestie zei Karel; ‘ge moet me een kamer bezorgen zodat ik daar mijn avondmaal kan nuttigen, ik wil hier niet zomeer eten in het gezelschap van al die mannen aan de toog.’ ‘Wel’, zei kwaabette terwijl ze zich keerde naar haar stamgasten aan de toog, ‘dat moet wel een grote heer zijn dat hij een kamer alleen wil hebben om te eten. Men ziet wel aan zijn pluimen welke vogel men voorhanden heeft. Ik heb nog al zulke kale vogels gehad; ze commanderen als edelen en betalen als bedelaars, wat ik toch allemaal moet meemaken!’

‘Vrouw, ge moet niet ongerust zijn’, reageerde keizer Karel, ‘ge zult eerlijk betaald worden van mij, zolang ge mij maar tot mijn tevredenheid bedient.’ ‘Ja, ‘t is goed’, zei kwaabette, ‘we zullen dat allemaal wel zien, Stevelinne, leid meneer maar naar de achterkamer, neem de kaars mee en de kandelaar en maak daar een bed op en als je daarmee klaar bent kom dan opnieuw naar beneden om een stuk vlees aan het spit te braden, maak wat salade klaar en wat eieren, maar ik wil wel betaald worden hé! Ik zal die grote meneer wel moeten dienen, welke duivel heeft zulke klanten naar mij gezonden? Ze zei dat allemaal spottend terwijl Stevelinne de kaars ontstak en al even bot en onbeleefd was als haar bazin en uitriep naar de gast; ‘kom, volg me, ik zal uw slaapkamer tonen.’

Keizer Karel volgde de meid naar boven, ze leidde hem naar een kleine achterkamer en nadat ze het bed had opgemaakt zei ze, ‘wat moet ik nu nog naar boven brengen?’ ‘Niets anders dan een goed avondmaal’, antwoordde keizer Karel. ‘Het is goed’, zei Stevelinne. Ze stapte naar beneden, stak een stuk vlees aan het spit. Een van die mannen aan de toog zei tegen zijn kompaan; ‘het dunkt het dat ik die heer die zopas naar boven is gegaan al ergens gezien heb, maar ik kan hem niet thuis wijzen, maar als ik hem goed bezie heeft hij toch wel het wezen van keizer Karel. Hij heeft net zo een lang aangezicht en een hoogopgaande neus.’ ‘Ja’, zei de waardin, ‘hij lijkt er wel op, maar toch is het ergens een deserteur die commis is geworden die hier zulke figuur slaat als hij een edelman is geworden, net de graaf van het land.’

Nadat het avondmaal bereid was ging Stevelinne naar boven, dekte de tafel, gaf hem een serviet, zette een salade met hardgekookte eieren, een schapenschouder, een bord met wat oestaas, een ander met krieken, boter, brood en kaas op tafel. Keizer Karel zette zich aan tafel en proefde eerst van het stuk gebraad terwijl Stevelinne ondertussen naar beneden stapte. Keizer Karel stond op en luidde de bel. ‘Hoort’, zei kwaabette, ‘die boef heeft nu nog wat te kort, wat de duivel moet hij nu nog hebben? Ga eens kijken Stevelinne waarom hij belt?’ Boven aangekomen zei keizer Karel haar ‘gij moogt gaan dochter, zeg dat mevrouw naar boven moet komen.’

Beneden gekomen zei de meid; ‘Het is gij die naar boven moet gaan, hij wil u spreken!’ ‘Wat voor de bliksem zal die klant mij nu orders geven. Wil hij nu niet aan u zeggen wat hij wil? Dat hij zijn muil maar toehoudt, ik ga niet naar boven. Keizer Karel die alles wat ze beneden aan het zeggen waren kon horen, liet nog een keer met alle kracht de bel rinkelen. ‘Wat voor de duivel wil die toch’ riep kwaabette, ‘hij moet hier niet te veel van zijn tak maken of ik zal hem hier door de hoofdwacht op straat doen smijten.’ ‘En toch zal je best eens naar boven gaan’, sprak Stevelinne, ‘hij wil mij geen redenen hiertoe geven.’ En zo ging de waardin, een groot, dik en zwaar vrouwmens pruttelend naar boven. Ze vroeg hem onbeleefd, ‘wat hapert er, denkt ge waarlijk dat ik altijd ga klaar staan om achter uw gat te lopen? Ik heb wel ander werk te doen, je bed is opgemaakt, het avondmaal is opgedist, wat wilt ge nog meer hebben?’

‘Ik wou u gewoon maar zeggen’, reageerde keizer Karel, ‘dat uw stuk gebraad maar half gebakken is, peinst ge dat ik een Engelsman ben die zijn vlees half rauw eet? Nee, ik ben een Vlaming en zulk half gebraden vlees kan ik onmogelijk eten.’ ‘Ja ‘t is al wel’, zei kwaabette, ‘schijt op uw neus, het vlees is zo delicaat gebraden alsof het voor de keizer was en als ge dat niet wil eten moet ge het maar laten staan, ik krijg de duivel van uw lastigheid, wat zult ge nog allemaal uithalen om mij te ambeteren?’ Maar keizer Karel was nog niet uitgesproken. ‘Uw bed is bovendien veel te hard, ik wil een zachtere matras en fijnere dekens en slaaplakens want die zijn veel te grof. En ze mogen ook wel witter zijn!’

Kwaabette werd nog kwader. ‘Wat voor een vieze donder zijt gij, zijt ge altijd zo gewend om gemakkelijk te liggen dat ge ons beddengoed niet kunt goedvinden?’ ‘Beste mevrouw’, zei Karel; ‘dat gaat u helemaal niet aan zolang ik u betaal verlang ik van u het schoonste te krijgen van wat ge in uw huis hebt liggen.’ ‘Goed dan’, zei de waardin, ‘ik zal u ander beddengoed bezorgen, maar ik wenst hartsgrondig dat ge nooit naar hier gekomen waart, ik heb meer moeite met u dan met een edelman. En ik vraag me nog altijd af hoe gij zult betalen .’ Kwaabette stapte naar beneden en beval Stevelinne een andere matras en beter beddengoed en lakens te leggen en nadat sze dit gedaan had trok ze naar boven met een pispot.

‘Wat is dat?’ vroeg keizer Karel. ‘Dat is een pispot voor u’, antwoordde de meid. ‘Wat is dat voor een slechte pispot’ liet de keizer zich ontvallen.’Zeg maar aan uw madame dat ze nog eens naar boven mag komen. ‘Ze heeft geen tijd’ zei Stevelinne, en ze heeft een onvermogen van lichaam om telkens naar boven te komen.’ ‘En toch wens ik haar hier op mijn kamer te zien’, zei de keizer, ‘ik wil hebben dat zij naar boven komt.’ De meid ging zo met flinke tegenzin naar beneden om haar bazin nog eens op te trommelen. ‘Ge moet absoluut nog eens naar boven gaan, want meneer moet helemaal niet weten van de pispot die hij gekregen heeft. Kwaabette fulmineerde nog maar eens ‘wat voor een duivelse bliksem is die gast feitelijk? Als hij niet content is met zijn pispot moet hij maar in zijn hoed pissen.’ Ze ging woedend naar boven en kwam met alle gramschap in haar dikke lijf de achterkamer binnengelopen.

Ze schreeuwde en tierde ‘met wie houdt ge de zot hier, wat zal het volgende zijn? Als ge niet tevreden zijn van uw pispot moet ge maar door de venster pissen, ge zult me niet langer meer vervelen. Betaal mij nu maar direct en maak dat ge weg zijt, ik heb het schijt aan al uw zottigheden.’ ‘Ja, maar vrouw’, zei keizer Karel, ‘ge moet u zo kwaad niet maken, ik heb geld bij me en geen enkele van uw stappen zult ge voor niets moeten doen, al wat ik u vraag moet ik krijgen en ge zult het u niet beklagen van mij goed bediend te hebben. En wat die pispot aangaat moet ik een zilveren pot hebben.’ ‘Wat de duivel nog meer’, raasde Kwaabette terug, ‘zijt gij gewend van in een zilveren pispot uw behoefte te doen, ik geloof dat ge u inbeeldt van de kat van de keizer te zijn!’.

‘Ik ben helemaal niet de kat van de keizer en zijn hond evenmin, ik ben wie ik ben en ge zult op tijd wel zien wie dat is’ ‘Ja ja’, zei de waardin, ‘ge zijt een zotte lastige duivel die niet eens tevreden is met een gewone pispot, pist voor mijn gedacht in uw hoed want ik heb geen betere pot.’ ‘Ik wil ook nog een paar vilten pantoffels want mijn voeten zweten van te gaan en ge moogt me ook een schone slaapmuts bezorgen.’ ‘Ik geloof werkelijk dat de duivel in u zit’, zei kwaabette, ‘ge wilt mij werkelijk nog meer kruisigen. Ik heb helemaal geen pantoffels staan, tenzij een paar slaffers van mijn overleden man, als ge ze wilt hebben zal ik die laten bezorgen. En een slaapmuts heb ik evenmin. Als ge er persé een wil, geef me geld, ik zal der een gaan kopen.’

Keizer Karel liet zich niet doen. ‘Ik stel toch wel vast dat ik hier kwalijk gelogeerd ben. Van al wat ik wil kan ik de helft niet krijgen, ik zal voor deze nacht mijn neusdoek aan mijn hoofd binden.’ ‘Doe wat ge niet laten kunt’, zei kwaabette, ‘en nu moet ge me niet meer roepen want ik zal niet meer naar boven komen. Ik heb wel ander werk te doen dan te voldoen aan al uw lastigheden’ en ze liep de trappen af. Keizer Karel moest zijn plan trekken zo goed als hij kon en voegde zich tot de nachtrust. Maar hij sliep niet veel, deels omdat hij zo slecht gelogeerd was en deels omdat verscheidene dronkaards tot laat in de nacht een duivels lawaai maakten in de herberg. Dat had natuurlijk ook te maken met de wetenschap dat de keizer daar boven op zijn achterkamer woord voor woord kon verstaan wat er in de achterkeuken verteld werd. Daar was onder andere een beenhouwer gearriveerd die een bakje brandewijn vroeg en kwaabette blijkbaar niet vlug genoeg was om hem in te schenken, omdat ze zag dat de man dronken was. ‘Ge hebt al de vespers gezongen’ beet ze hem toe, ‘en nu komt ge hier uw lof zingen!’. Waarop de beenhouwer antwoordde: ‘ik mag in alle kapellen voor mijn geld zingen, schenk mij nu in, ik heb brandewijn nodig’, waarop kwaabette een bakske brandewijn in een glas meende te schenken, maar de beenhouwer nam het haar af en riep haar toe ‘eer ge schenkt wil ik eerst wel eens zien of dat bakske wel vol is.’

Terwijl hij het bakske controleerde zei hij tegen de bazin; ’gij duivelin, gij kwaabette: uw bakske is meer dan een strobreed beneden de pint’, en ondertussen nam hij de fles met brandewijn en schonk het uit tot het bakske over liep, waarop Kwaabette op haar beurt begon te vloeken en te lasteren en uitriep; ‘gij dronken donder ge hebt meer dan één bakske verloren gegoten’ en ze zetten twee bakskes op zijn rekening. Waarop de beenhouwer natuurlijk in een colère schoot, de fles brandewijn vastpakte en die tegen de schouw in stukken smeet. De brandewijn kwam natuurlijk in het vuur terecht en vloog in brand. Terwijl de beenhouwer de rest van zijn drank uitzoop liep hij de herberg uit. Ondertussen werd kwaabette razend en dol, precies een helse vuurdraak, met inbegrip van het vloeken en het uitspuwen van lasteringen. De aanwezigen waren verschrikt van haar aan te horen en dat was natuurlijk de reden waarom de keizer maar moeilijk zijn ogen tot toeluiken kon krijgen.

Nadat de keizer ‘s anderdaags wakker geworden was liet hij de bel weerklinken. Stevelinne die nog niet helemaal wakker was stond evenwel op en kwam naar boven. Ze vroeg hem met spijtige woorden; ‘wat moet ge hebben?’. ‘Ik moet water hebben om me te wassen’, antwoordde de keizer , ‘en een bakske likeur om mijn hart te versterken’. ‘Goed’, zei Stevelinne en ze vertelde dit aan kwaabette die nog in haar bed lag. ‘Die heer boven vraagt water om zijn handen te wassen en een bakske likeur om zijn hart te versterken.’ Wat voor een luie duivel is dat eigenlijk?’ zei kwaabette, ‘kan hij niet naar beneden komen om in de waterketel zijn handen en zijn bakhuis te wassen? Loopt, loopt, breng hem een kom met water dat hij zuin muile spoelt en zegt dat we geen likeur hebben tenzij brandewijn.’

De meid ging daarop naar boven met een schone kom water en een grauwe handdoek om zich af te drogen. ‘Wel dochter’, vroeg keizer Karel ‘welk water heb jij daar mee om me te wassen, en ge hebt geen likeur mee. Ga nog eens uw bazin halen.’ ‘Ze ligt nog in bed’ liet de meid weten en doodmoe omdat ze niet heeft kunnen slapen. Ze kan nu onmogelijk opstaan.’ ‘En toch moet ze opstaan’, zei Karel, ‘zeg dat ze naar boven komt omdat ik haar dringend wens te spreken.’ En Stevelinne ging dus nogmaals naar beneden en zei tot haar bazin dat hij het water en de handdoek geweigerd had en eiste dat ze naar boven zou komen. ‘Dat hij naar de bliksem loopt’, zei kwaabette, ‘ik sta voor hem niet op, het is nog veel te vroeg, als hij wat te zeggen heeft dat hij dan zelf naar beneden komt.’

Keizer Karel had natuurlijk alles gehoord en dacht bij zichzelf dat het toch wel waar was wat de mensen over dit vrouwmens vertelden, en dat ze waarlijk een bette was en niet voor niets kwaabette genoemd wordt. Hij wachtte eventjes en rinkelde dan opnieuw de bel. En daar kwam Stevelinne opnieuw naar zijn kamer. ‘Waarom belt gij toch de hele tijd? Als ge wat moet hebben kom dan naar beneden, mevrouw kan nog niet opstaan.’ ‘Zeg dat ze naar boven moet komen, ik moet haar spreken’. De meid vertrok en gaf de boodschap nog maar een keer door. ‘Ik zal wel moeten opstaan, want die dekselse zot zal blijven zagen, ik word er van langs om vermoeider van.’ En kwaabette kleedde zich aan kwam in zeven gramschappen naar boven, precies een vuurdraak met brandende ogen. ‘Ga je nu eindelijk eens ophouden met uw donderse lastigheden, begin mij maar te betalen zodat ge uit mijn huis kunt verdwijnen.’

‘Stil vrouw’, zei keizer Karel, ‘ik heb water gevraagd om me te wassen en uw meid komt met een kom water naar boven gelopen, dat en betaamt niet.’ ‘Wat voor de bliksem moet ge dan wel hebben als ge schoon water vraagt.’ ‘Ik moet’, zei Karel ‘rozenwater hebben met een zeer fijne handdoek om me te wassen en af te drogen’. ‘Wat zegt ge, rozenwater?’, antwoordde kwaabette, ‘is uw bakhuis zo delicaat dat het met welriekend water moet gespoeld worden, wie de duivel heeft daar al van gehoord? Ik heb helemaal geen rozenwater in huis en als ge uw muil in schoon water wil wassen, was die dan in de pispot want ik heb schoon genoeg van uw uw donderse zottigheden. Betaal me en .. mijn kot uit!’

Terwijl Karel in ruzie kwam met kwaabette was het tijdstip aangebroken waarbij één van zijn hovelingen naar hem zou komen vragen in de herberg. Er kwamen dus vierentwintig grenadiers van het Spaans leger in vol ornaat en wel bewapend voor herberg ‘De Engel’ staan. De dienstmeid die de soldaten bemerkte vroeg zich af wat er nu ging gebeuren. Misschien is die vent hierboven wel een kwaaddoener, dacht ze, misschien een dief of een moordenaar en misschien komen ze hem vangen. Met deze gedachten riep ze haar bazin naar beneden. Kwaabette vroeg zich wat er scheelde terwijl Stevelinne met bevende stem de aanwezigheid van de soldaten voor haar deur meedeelde. ‘Ik weet ook niet wat dit beduidt’, riep de bazin, ‘zoveel soldaten die ons huis komen afzetten, zou die heer in de achterkamer dan toch een dief of een moordenaar zijn? Het moet er mee te maken hebben, ik wenste dat die duivel me al betaald had.’

Ondertussen kwamen er vier prinsen binnen in de herberg. Ze waren gekleed in blauw laken met gouden gallanten en hoeden met gouden boorden en schone pluimen erop. Achter hen kwamen een groot deel burgers aangelopen die voor de herberg bleven staan, niet wetend wat er aan de hand was. De markt krioelde van het volk. De vier prinsen vroegen wie er de vrouw des huizes was. ‘Dat ben ik’, antwoordde kwaabette met een bevend hart, niet goed wetend wat er aan de hand was. ‘Is hier gisterenavond geen heer komen logeren, zo en zo van wezen en postuur?’, vroegen ze. ‘Ja meneer’, antwoordde kwaabette. ‘Wel’, zei een van de prinsen, ‘die heer die hier vannacht heeft gelogeerd is zijne majesteit keizer Karel.’

Geen donderslag of blikseminslag kon iemand zo verschrikkelijk op stang jagen, geen uitslaande brand of onverwachte dood kon iemand zo ontsteld doen staan, al haar bloed en haren rezen zo ten berge alsof ze zich in het aanschijn van de dood bevond om hier te horen dat deze heer keizer Karel was. Vooral omdat ze goed genoeg besefte met welke kwade, onbetamelijke en onbeleefde woorden ze de keizer bejegend had. Ze verandere wel in honderd kleuren tegelijk, beefde als een riet, haar hart stond klaar om te bezwijken en haar polsslag sloeg zo hard als iemand die met een geraaktheid alias appoplexie getroffen wordt.

Een van de vier prinsen vroeg Kwaabette om hen naar zijn kamer te leiden. ‘Spijtig’, zei de waardin, ‘moest ik geweten hebben dat keizer Karel hier op logement was’, dan zou ik hem zeker met meer eer onthaald hebben.’ En zo begon ze zichzelf al direct te verontschuldigen. ‘Kom, volg mij maar’, zei ze met een benauwd hart alsof ze naar de galg toestapte in plaats van naar zijn slaapkamer, ‘ik zal u zijn slaapkamer aanwijzen.’ En zo zijn de prinsen in de achterkamer binnengestapt waar ze hun majesteit met de grootste beleefdheid begroetten. Zoals dat altijd gebeurt aan koninklijke hoven. Ze vroegen of zijne majesteit goed geslapen had.

‘Laat de waardin maar eens naar boven komen’, zei keizer Karel en men riep haar direct. Ze kwam naar boven, met een kloppend hart en bevende ledematen, precies iemand die naar de vierschaar moet om er zijn straf te ondergaan. Toen zij in de achterkamer binnenkwam viel ze op haar knieën en zei met bevende en gebroken stem; ‘heer keizer vergeef mij alstublieft dat ik u zo kwalijk en onbeleefd heb toegesproken. Dat kwam alleen maar omdat ik de majesteit niet kende.’ ‘Ja’, zei keizer Karel, ‘ik ben nu geen lekkere duivel, noch donder of bliksem, ge moet me nu vertellen wat ik u schuldig ben voor eten, drinken en logement.’

‘Ik vraag enkel dit’, zei kwaabette, ‘dat uw majesteit mij mijn onbeleefd onthaal zou willen vergeven, allemaal doordat ik u niet kende en een onbekende maakt nu eenmaal een onbeminde.’ ‘Dat kunt ge wel beweren’, zei keizer Karel, ‘rmaar ik had wel degelijk al vooraf gehoord dat gij al uw klanten zo stout, onbeleefd en roekeloos aanspreekt en dat ge daarom door de mensen bekend staat als kwaabette en ik ben eigenlijk in uw herberg gekomen om dat zelf te ondervinden. Ik heb de waarheid daarvan zelf ondervonden dat gij een kwaad beest zijt in een menselijk vel. Ge zijt niet anders dan een kwaadaardig, bot en roekeloos vrouwmens die het niet waard is dat er ook maar iemand één denier in uw herberg verteert. En dan heb ik het nog niet over uw buitensporige en ongehoord onbeleefdheid.’

‘En daarom, als straf voor uw ongemanierde en goddeloze handelswijze, zowel met mij als met andere mensen, zo zult ge binnen de tijd van vierentwintig uur het aanhangbord van uw herberg waarop ‘De Engel’ wordt aangeduid van de gevel afhalen en vervangen door de titel ‘In de wrede beer”. Uw herberg zal voortaan niet langer ‘De Engel’ genoemd worden maar ‘De Beer’, dit als herinnering dat gij beste waardin absoluut geen engel zijt maar een wrede berin die alle mensen op die manier behandelt.’ ‘Dit is een bevel’, sprak de keizer ‘en als je die niet opvolgt staan er er verdere lijfstraffen te wachten….

Uit de kroniek ‘Ieperse Historieën’ van L. Boeteman