De zwijnefruute is voor mijnheere paster

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 months ago     177 Views     Leave your thoughts  

Van bier, kerken en pastoriestellingen,

Dat de Vlamingen bierdrinkers zijn is een algemeen bekend feit, en dat het bier van in de oude tijden een bron van inkomsten was voor de heren van het gewest en een te waarderen steun voor de stedelijke financiën kunnen we ondermeer lezen in het werk van J. Penninck over’Het Bier te Brugge’.

In diezelfde studie wordt eveneens de opmerking gemaakt dat de pastoors nooit kwaad spraken over de fabricanten van het bier; de brouwers. Ze gaven er integendeel de stamineebazen en de drinkers duchtig van langs. Wat echter niet vermeld wordt is dat dezelfde pastoors de herstelling van Gods huis zeer dikwijls aan het bier te danken hadden.

Vooral na de godsdienstige beroerten van de 16de eeuw was dit het geval. Zo werd de kasselrij van Ieper door de pastoor, de baljuw en de schepenen van Boezinge toelating gevraagd om belastin te heffen voor het herstel van hun kerk. Op 10 november 1600 ondersteunde de Wet ter Zale en de kasselrij het verzoek. Uit Brussel werd op 6 juni 1601 daartoe toelating verleend: 10 stuivers mochten gelicht worden op elke ton dubbel bier binnen de parochie gesleten, en dit gedurende vier jaar.

Enkele jaren later werd, voor het herbouwen van de drie kerkbeuken, een nieuwe aanvraag gedaan om 20 stuivers te mogen lichen op iedere ton dbbel bier en één stuiver op elke stoop wijn. Ook dit werd toegestaan door de aartshertogen, op 15-12-1606 voor een duur van 3 jaar, op gunstig advies van de afgevaardigden van het college van de kasselrij.

Omdat dit nog niet volstond, werd op 8 oktober 1608 een nieuw octrooi verleend maar ditmaal ging de belasting niet op het bier. Het octrooi werd toegestaan ‘om uyyt crachte desselfs, te mogen ommestellen, heffen ende luchten ghemet landts in de voorschreven parochie bedreven, zes stuivers tsjaers te betaelen in twee gelycke payementen, te weten de twee derde deelen ten laste van de proprietarissen, en het derde ten laste van de pachters, ende boven dien dat het cappitel ende canonicken van Ste Mertens kercke tot Ypre, ter oirsaecken van de thiende die zij in de voorschreven prochie zijn lichtende, oock sullen ghehouden wesen jaerlicx te betalen vijffentzweventich guldens, ende dat voor den termyn van zesse jaren naestcommende…’.

In 1606 kwam Kemmel eveneens aan de beurt met een verzoek, ditmaal in het Frans, uitgaande van ‘Pierre Bommare, écuyer, sgr de Kemmel’ en ‘le pasteur, marglisseurs et notables’ om te mogen lichten 20 stuivers op ieder vat zwaar bier en 2 stuivers op iedere stoop wijn, gedurende vier jaren. Het magistraat van de kasselrij ondersteunde het verzoek, maar bracht de termijn terug op drie jaar. De aartshertogen verlenen op 13 april 1606 toelating voor de duur van 3 jaar. Maar na de uitgevoerde werken ontbreken er nog 900 ponden groot. Weer wordt een aanvraag voor 6 jaren gedaan in december 1608. De aartshertogen staan 3 jaar toe op 19 februari 1609.

Op 15 december 1609 geven ‘Albert et Isabel Clara Eugenia, Infante d’Espaigne’ door een oorkonde toelating aan Westrozebeke, op request van ‘noz bien amez les pasteur, bailly, gens de loy et notables manans de la paroiche de Roosebeke en notre chastellenie d’Ypre ..’, ‘de pouvoir charger es grosses bierres qu’ilz consommeront de vingt patarts le tonneau et le vin d’ung au lot, l’espace de six ans …’ Ook dit octrooi werd bij open brieven van 7-8-1610 met drie jaar verlengd voor het oprichten van het O.L.V.-koor van dit druk bezocht bedevaartoord.

In 1608 richten de ‘Pasteur, bailliu, schepenen ende ghemeene ingezetene van der prochie van Zillebeke’ een verzoekschrift tot de aartshertogen, gezien ‘hoe gheduerende de rebellie ende belegherynghe van de voorseide stede Ieper, huerlieder prochiekercke gansch verbrandt ende in ruine ghevallen es, ende alsoo de voorseide prochie lancx om meer ghefrequenteert ende bewont beghint te wesen, ende bydien wel betaemen zoude, dat aldaer ten gheryfe ende goede ghestichtynghe van elcken, den dienst Gods andermael zoude hernomen ende gheexerceert worden, de voorseide supplianten en hebben daertoe voor een beghin ghereeder middel ende van mynderen intereste connen excogiteren, dan te lichten eenen gulden up elcke tonne groot bier ende eenen stuver up elcken stoop wyns, die binnen de voorseide prochie ghesleten wordt voor eenen termyn van zes aenstaende jaeren…’.

De wet der Zale en kasselrij is akkoord en verklaart dat het bier aldaar aan 3 stuivers de stoop en de wijn aan 16 stuivers wordt getapt, terwijl in het schependom het bier aan 4 stuivers en de wijn aan 26 stuivers de stoop is. Op 24 april 1608 wordt het gevraagde voor 4 jaar toegestaan. Er werd ook nog een verzoek gedaan om een belasting te mogen heffen op landerijen. De helft van de belasting diende gedragen te worden door de eigenaars en de andere helft door de pachters. Dit werd goedgekeurd door de bisschop van Ieper, de ‘canonycken van ‘t let van Ste Maertens’ en de wet van de kasselrij.

De heffing op het bier was dus niet altijd voldoende om de herstellingskosten te dekken en zelfs moeten er parochies geweest zijn waar er weinig of geen drinkebroers waren, vermits men er die bron van inkomsten verwaarsloosde om uitsluitend belastingen te heffen op de landerijen. Wat de pastorieën betreft, die wellicht eveneens hadden te lijden onder de godsdienstige beroerten, de herstellingen zullen meestal gebeurd zijn door degenen die voor de troebelen de last van het onderhoud te dragen hadden. Dit waren enerzijds de wereldlijke tiendeheffers van de parochie voor het huis en de aanhorigheden, en aderzijds de pastoor zelf voor sommige bijgebouwen zoals de schuur, paardenstal en zwijnsstallen.

Dat een pastorie schuren en stallingen had, vooral zwijnsstallen, kan thans zonderling schijnen, maar in vroegere eeuwen beantwoordde dit aan een noodwendigheid. Waar anders zou de pastoor de opbrengsten van schoot- en bloedtienden geborgen hebben? En toch zullen er wel altijd vindingrijke pastoors bestaan hebben die net zoals pastoor Reyphins van Merkem in 1749 er iets anders op vonden om hun 7 weken oude zwijnejongskens niet zelf te moeten opkweken.

Deze brave herder liet immers aan zijn nazaten volgend advies na: ‘Ick hebbe dickwils het tiende swiin gelaeten voor vier courante schellingen op conditie dat sii mii moesten brengen eene oore ende eenen poot van hun swiin as sii het sloeghen, en de ick profiteerde hier mede, want sii en deurfen dit niet alleene brenghen, maar voeghden de reste daer bii, ofte wel een balghstuckxken ofte eenighe sotsiisen.’

Is aldus misschien de gewoonte ontstaan die nog op vele plaatsen van onze Vlaamse buiten bestaat, om de pastoor en aan sommige notabelen bij een zwijnsslachting een geschenk te dragen, een ‘zwijnefruute’ zoals men in het noorden of een ‘zende’ zoals men in het zuiden van West-Vlaanderen zegt.

St. Boutens in ‘Iepers Kwartier’ van 1966