Den Groten Onzen Heer

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     567 Views     Leave your thoughts  

Daar waar de baan Poperinge-Boeschepe de grens oversteekt, hebben wij een eigenaardig gehucht, verre en nâar gekend onder de naam ‘Den Groten Onzen Heer’. De vier hoeken van die kruisstraat zijn volgebouwd met huizen, waaronder menige herberg en winkel, met opschriften boven deuren en vensters, om de voorbijgangers in te lichten en vriendelijk aan te lokken.

De Franse opschriften spreken in grote letters van ‘Picon… Champagne… Cognac…’ enz.. want naar het schijnt vinden de Belgen, zowel vrouwen als mannen, veel smaak in die produkten van ‘la douce France’. Boven de Belgische winkels of drankhuizen zijn er ook opschriften, waarop sprake is van alle soorten tabak en sigaren, van trappistenbier, van chocolade Côte d’Or, enz. Veel Franse wandelaars die dat lezen, gaan aan ‘t waterbekken en beginnen te tasten naar hun geldtasje.

Nu, zoals gezeid, heet dat gehucht ‘De Groten Onzen Heer’, omdat er daar juist aan de kruisstraat, op Franse grond, een grote Christus op een buitengewoon hoog kruis te pronken staat. Niemand weet wanneer of waarom dat kruis daar opgericht werd. De oorsprong ervan blijft een onopgelost vraagstuk. Men weet alleen dat het eeuwenoud is. De oudste mensen van de streek, en ook hun ouders en voorouders, hebben het daar altijd weten staan.

Eens toch is er met dat kruis iets gebeurd waarvan men somtijds hoort vertellen. Het zou halfweg de negentiende eeuw gebeurd zijn, dus omtrent honderd jaar geleden. In die tijd was de Grolen Onzen Heer allesbehalve een treffelijk of rustig gehucht. Smokkelaars of ‘blauwers’ en pakdragers kwamen daar dikwijls bijeen in de ene of andere herberg; niet te gader, maar uit voorzichtigheid elk alleen, poco-piano en rondloerend, over verschillende binnenwegen.

Gewoonlijk kwamen ze aan tegen de avond, ‘tussen donkeren en klaren’, als het hazegrauwde, zoals men alhier zegt, en alles er blauw uitzag. Daarom noemt dat volkje zich ‘blauwers’.

Na wat gewacht te hebben tot het pikdonker werd, trokken zij de grens over om hun pak ‘blauwgoed’ wat dieper in Frankrijk af te leveren. Dezelfde nacht kwamen ze terug. Als alles met sukses afgelopen was, gingen zij geestdriftig aan het drinken, van blijdschap. Maar als zij doeaniers ontmoet hadden, over hagen en sloten hadden moeten vluchten, en hun pak in die ‘rabbeling’ kwijtgespeeld waren, dan zag men ze terugkeren met gescheurde kleren, en bevend van ontsteltenis en schrik.

En ook dan gingen ze drinken, om hun ontroering te bedaren en hun schrik uit hun lijf te spoelen. Zo werd er in die tijd in de herbergen van ons gehucht – helaas, onder het beeld van de gekruiste Zaligmaker – veel geschonken en gedronken, geraasd en getierd, gevloekt, gevochten en gebatavierd, dat het alle mensen te veel scheelde. Het ging zover dat de pastoor van Boeschepe er meer dan genoeg van kreeg. Hij vroeg zich af of die verloren hoek van zijn parochie nog wel een behoorlijke plaats was om Ons Heer daar boven op zijn kruis oor- en ooggetuige te laten zijn van de schandelijke onbetamelijkheden die daar plaatsvonden. En zo besloot hij het heilig beeld weg te nemen uit dat nest van drinkebroers en geruchtmakers.

De bewoners van de Groten Onzen Heer waren als van de donder geslagen als ze hoorden dat er sprake was van hun goddelijke buur te verhuizen. Twee fijngebekte klappers van de hoek gingen seffens naar de pastorij in de hoop mijnheer pastoor te doen verzaken aan zijn projekt. Hun pleidooi was omtrent het volgende: ‘Dat kan toch niet, mijnheer de pastoor, en dat mag ook niet, dat gij ons geliefd Christusbeeld weghaalt van bij onze huizen.

Hij is onze machtigste beschermer. ‘t En is toch zeker niet omdat wij van tijd tot tijd een pint te veel drinken dat Hij ons moet verlaten! Gij weet zo goed als wij dat Hij zelf op de bruiloft van Kana iets beters en sterkers dan bier gedronken heeft. En als er daar “korteresse” was van wijn, heeft Hij er gemaakt, uit kompassie met degenen die nog dorst hadden. Hoe zou Hij er dan tegen zijn dat wij, arme sukkelaars, smaak vinden in een glaasken bier? Ons Heer is goed, mijnheer de pastoor, en wij houden van Hem.

Hij weet hoe gevaarlijk ons werk is. Als we de grens oversteken voor een nachtelijke tocht, moeten we Hem eerst voorbij. Hij ziet ons vertrekken, en dat geeft ons ijver en hoop. Nooit zouden we dan nalaten een dikke Onze Vader van onze lippen te laten vallen, opdat Hij ons zou zegenen…’

Mijnheer pastoor glimlachte, trok verschillende wolken rook uit zijn pijp en zei: ‘Beste vrienden, ik kan u niet beloven dat er iets zal veranderen aan wat ik besloten heb, en dat heel binnenkort zal uitgevoerd worden. Maar wat de bruiloft van Kana betreft, ben ik het gedeeltelijk met u eens. Daar werd inderdaad smakelijker drank gedronken dan bier. En Ons Heer heeft daar waarlijk een half dozijn kruiken wijn gemaakt van eenvoudig putwater.

Die nog dorst hadden, hebben ervan gedronken, maar wanneer hun dorst gelaafd was, hebben ze gezegd “genoeg is genoeg” en ze zijn vertrokken met de zegen van Ons Heer, naar huis. Jammer dat het op uw hoek anders gaat! Want daar wordt gedronken zelfs als men geen dorst meer voelt. Ook moet ik u nog zeggen dat Ons Heer te Kana op zijn gemak was, omdat Hij daar te doen had met eerlijk, rustig en stil volk. Bij u is er te veel ruzie, twist, gevecht en getier, en dat moet Christus op Zijn kruis geweldig vervelen.

Wanneer Hij, toen in Palestina, rumoer, gerucht en gewoel rond Zijn persoon voelde, dan trok Hij zich terug en zocht stilte in de woestijn. Daarom zullen wij ook zijn heilig beeld oprichten waar het voor Hem stiller zal zijn dan aan uw kruisstraat.’

En dan zijn er, enkele dagen later, vakmannen gekomen. In een haai en een draai hebben ze de Christus van zijn kruis afgenomen, het kruis neergeveld, alles driehonderd meter verder gevoerd en daar, zonder ‘drentelen’, weer opgetimmerd en opgericht. Men meende dat de Groten Onzen Heer voor goed zijn Christus kwijt was. Maar de bevolking van het gehucht liet dat niet zo. Mannen, en ook vrouwen. gingen geweldig te keer om hun schoon, groot kruis terug te krijgen op de kruisstraat.

Jaren hebben ze vergeefs daarnaar getracht. Hun zaak kreeg nochtans een gunstiger wending toen de pastoor die het kruis verhuisd had in een andere parochie benoemd werd en Boeschepe aan een nieuwe herder toevertrouwd werd. De familie die de grond bezat waarop het kruis vroeger altijd gestaan had, had zich ook hardnekkig ingespannen om het terug te doen brengen op haar familiebezit. De nieuwe pastoor liet zich overhalen, nog het meest omdat de Groten Onzen Heer intussen merkelijk veranderd was, en verbeterd en gezuiverd. Die zuivering was grotendeels te danken aan de Franse doeaniers, die versterking gekregen hadden en wat blauwers bij de kraag gevat hadden, zodat er om zo te zeggen aan die kant van de grens geen ‘blauwerij’ meer mogelijk was.

Een dag om het heilig beeld op zijn oorspronkelijke plaats terug te brengen was gauw gekozen. De Christus werd nog eens van het kruis afgenomen, en eerst werd alleen het bloot kruis aan de kruisstraat geplant. De volgende zondag, na de vespers, moest het beeld plechtig tot daar gedragen worden en weer aan het kruis vastgemaakt. Mijnheer de pastoor had zijn parochianen uitgenodigd aan de plechtigheid deel te nemen.

Ze waren dan ook in grote groepen opgekomen om Christus processiegewijs te vergezellen. Aan het hoofd van de stoet de misdienaars, de kongregatie van de jonge dochters, het zangkoor, dan het beeld en daarachter een dichte menigte mannen en vrouwen. ‘t Was schoon om zien. Het beeld lag schuin op een vrome berrie, prachtig versierd met bloemen en kleurige linten. Vier kloeke mannen waren aangeduid om het ter bestemming te brengen, en ze waren ervan overtuigd dat het voor hen en zeer gemakkelijk werkje zou zijn. Die Christus daar op zijn paradebed moest toch, meenden ze, voor vier kloekgebouwde mannen van te lande, maar een lichte vracht zijn.

Maar ze wisten niet dat het beeld volledig van ijzer was. Ook waren ze verschrikkelijk bedrogen als ze het kwamen opnemen. Door zich tot het uiterste in te spannen konden ze het toch opheffen en kregen ze de berrie op hun schouders. Een van de vier dragers uitte zijn verwondering; men hoorde hem halfluid zeggen tot zijn mededragers: ‘Potverdikke! Is me dat een zware duivel van een Onze Heer!’

Mijnheer de pastoor had het gehoord en ging seffens aan het zingen van ‘Vive Jésus! Vive sa Croix!’… om niet te moeten lachen met die echt-Boescheepse uitdrukking van de drager.

Uit Ons Erfdeel – jaargang 11 – 1967-1968

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>