Die eerste preek van Boeschepe

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 weeks ago     164 Views     Leave your thoughts  

In Poperinge leer ik Pieter Dathen kennen. De voorloper die voldoende welbespraakt is om het calvinisme te prediken. Een monnik met een rosse baard. Een type ‘Willem Vermandere’ maar dat is een subjectieve benadering van mijn kant waarbij elke verdere vergelijking hier mee ophoudt. Ik citeer even Juliaan Opdedrinck: ‘zijn welsprekend woord, de betrekkingen die hij met het Poperingse schependom aangeknoopt had, de gemeenschap met zijn Poperingse familieleden en zijn verderfelijke geschriften waren de machtige middelen die hij ter hand had om de dwaalleer aan het volk op te dringen.’ Peter Dathen komt ter wereld te Cassel in het jaar 1531 en treedt als junior broeder toe in het Ieperse Karmelietenklooster. Hij laat er zich opmerken met zijn onwaardig en verfoeilijk gedrag en hij smijt zijn paterskleed al op zijn negentien jaar over de haag.

Hij wil voortaan een leerling van Calvijn zijn. De overstap gebeurt dus in 1550 en zijn komst zal veel voer gaan betekenen voor nogal wat geschiedschrijvers die hem omschrijven als een ‘hevige, welsprekende en bedrijvige verkondiger van de nieuwe religie’. Dathen blijft niet in de Westhoek. Hij duikt op in Duitsland, Engeland, Holland, Zeeland. Hij predikt in Gent, Brugge en Kortrijk. ‘Op 1 november 1566 legt hij als geuzenpredikant de vereiste eed af voor het magistraat van Ieper waar hij voortaan begint met het verkondigen van zijn leerstelsels. Later zal hij trouwen met een non van de Clarissenorde.

Dathen, ook wel Dathenus genoemd, verschijnt al vroeg in Poperinge. Wanneer precies is niet geweten. De eerste echte bewijzen van zijn aanwezigheid dateren van 1566. Hij is een figuur met grote invloed op het stadsbestuur en op de mensen zelf. Er heerst grote hongersnood in de Westhoek in de seizoenen 1565-1566. Dathen gebruikt op een bepaald moment zijn Duitse relaties om een deel van de overvloedige oogst ginder naar Poperinge te verhuizen en aan te wenden voor de ‘schamele hongerigen van de gemeente’. Het graan komt er door toedoen van zijn machtige vriend graaf Frederik van Saksen. Dathen dringt er op aan dat het graan niet bestemd mag zijn voor vreemde monden.

Het is een mooie geste van graaf Frederik. Maar er staat wat tegenover. Juliaan vraagt zich af of de levering een of andere list was en dat lijkt me wat overtrokken. Ook in die tijd zal de zegswijze ‘voor wat hoort wat’ ook wel meetellen. Feit is dat de Duitse graaf een hekel heeft aan pauselijke toestanden en Dathen en andere predikers opleidt en traint voor de verspreiding van het calvinisme in de Nederlanden. De levering van het graan zal dan wel rechtstreeks in verband staan met een zekere goodwill vanwege de Poperingse schepenen tegenover de verspreiding van de nieuwe leer.

Rond kerstmis 1566 logeert meester Pieter Dathen in gasthof ‘Den Hert’ te Poperinge. Hij wordt ook opgemerkt in een nieuwe woning in de Gervelgatstraat. Hij treedt er op als lobbyman van graaf Frederik. Vooral de verscheidene bezoeken van Woestenaar Jan Denys zijn opvallend. Denys raakt bekend als de aanvoerder van de Westhoekgeuzen die de nieuwe godsdienst met de wapens zal proberen in te voeren en met dat opzicht zich voortdurend engageert om nieuwe wapenknechten aan te werven.

Dathen zelf blijft wel op de achtergrond en zal niet persoonlijk prediken in Poperinge. Hij beweegt zich listig en sluiks om zijn ‘vergiftigde leer’ in de stad te slijten. Via zijn netwerk van vrienden worden er pamfletten met liederen en psalmen rondgestrooid om zijn ‘verderfelijke’ catechismus bij het groot publiek kenbaar te maken. Een verordening van de Poperingse schepenen op datum van 4 september 1549 toont dat het lokaal gasthuis in die dagen al problemen ondervindt met benden vreemde snuiters die er logeren en er de gasthuiszusters op een onbeschofte manier behandelen en zich blijkbaar niet storen aan de katholieke status van de godvruchtige dames. Dergelijke houding t.o.v. religieuzen is hier absoluut zeer ongebruikelijk. Voor Juliaan lijkt het maar al te duidelijk: ‘kenden die vreemdsoortige lieden de verleidende dwaalleer nog niet, dan waren ze in elk geval helemaal voorbereid om die weldra gretig welkom te heten.’

Rondzwervende rabauwen tonen van langs om minder respect voor de regels en gedragingen van de maatschappij. In 1552 ziet het stadsbestuur zich verplicht om strenge maatregelen in te voeren om de ongehoorzaamheid en de overlast door hun dronkenschap te beteugelen. Nachtelijke patrouilles (een nachtwake) zullen proberen ‘de opstand tegen de wakende lieden tegen te gaan’. In 1554 treedt het stadsbestuur op tegen activiteiten die niet stroken met de bestaande zeden. Nieuwe verordeningen hebben het over bordeelachtige toestanden, ‘danserijen’ op de straat waarbij het er op lijkt dat de spot wordt gedreven met de katholieke en puriteinse zeden.

Luther beweert dat een mens in alles zijn eigen meester moet zijn en aan niemand onderworpen. Dat zinnetje alleen al doet de oren van de mensen flapperen. De schrijver heeft het over een oproerig leenstelsel dat veel slechte vruchten voortbrengt. Feit is dat het openbaar gezag van langs om minder gerespecteerd wordt en dat zelfs de kinderen in Poperinge zich vijandig opstellen tegen de gangbare ‘law and order’. Wetteksten uit 1560 geven een goed inzicht in de lokale toestand. Gerechtsdienaars mogen niet langer beledigd worden en wie dat toch riskeert, mag rekenen op een boete van twee keer zestig Parijse schellingen en verdere vervolging. Boetes toegekend aan kinderen zullen moeten betaald worden door hun vaders en moeders.

Wat voor een breuk toch met het verleden. Nooit gezien is het. Een bekende schrijver omschrijft de toestand als volgt: ‘bij het volk ging de overtuiging tot daden over en de gedachten werden in realiteit omgezet. De onafhankelijkheid inzake het geloof leidde tot een volstrekte onafhankelijkheid, de mensen wilden niet meer weten van de godsdienstige overheid en verachtten elk burgerlijk gezag.’ Voor sommigen gaat Luther nog niet ver genoeg. Mensen moeten inderdaad baas zijn over zichzelf en er bewust voor kiezen om herdoopt te worden op het moment dat ze daar zelf voor kiezen. Kinderen hebben bij hun doopsel nooit de kans gekregen om persoonlijk te kiezen voor hun eigen godsdienst. Anderen deden dat in hun plaats en dat is volledig in strijd met een persoonlijke keuze. De mensen moeten er zelfbewust voor kiezen om herdoopt de worden.

Ook in Poperinge is er sprake van de herdopers. ‘Ze predikten de volkomen vrijheid en gelijkheid, de gemeenzaamheid van de aardse goederen, de verwarde vermenging van de geslachten. Zij beoogden de inrichting van het nieuwe rijk van Sion, zo zij het noemden, met alle afschuwelijke gevolgen vandien.’ De afkeer van Opdedrinck voor de herdopers spat van zijn teksten. Hij zou al een volledig boek kunnen schrijven over de onzedelijkheid van deze afschuwelijke herdoperssekte die nochtans al serieus voet en menigvuldige aanhangers had hier in Poperinge. Ikzelf blijf verder tobben over de vraag wat de anabaptisten eigenlijk bedoelen met hun verwarde vermenging van de geslachten.

De overheid doet in die dagen ook al beroep op onderzoeksbureaus. Enfin; in die dagen is er alleszins sprake van een geloofsonderzoeker, Pieter Titelmans die op 14 november 1561 de resultaten van zijn research doorspeelt aan Margareta van Parma, de landvoogdes van de Nederlanden. Hij heeft vastgesteld dat de sekte van de herdopers in zeven afdelingen ingedeeld is. Zeven kerken die elk hun eigen diensten organiseren. In Ieper, Poperinge, Menen, Armentières, Hondschote, Doornik en Antwerpen. Eigenlijk is de kerk van Poperinge niet echt een officiële afdeling maar vooral een harde kern van gehersenspoelde lieden die veel kwaad veroorzaken bij de gewone mensen van hun stad en streek.

Het fenomeen is bekend voor ons allemaal. Er is niet één geloof op aarde dat meer voorstelt dan een sprookje, allemaal uitgevonden door mensen. Roodkapje versus sneeuwwitje die niet moeten onderdoen voor christendom versus islam. Het wordt pas erg als er radicalisme bijkomt. Zoals hier dus in Poperinge. De geest van de mens is overtuigd om eigenaar te zijn van een idee of een geloof. In werkelijkheid is het net andersom: het geloof heeft als een hardvochtige deurwaarder bezit genomen van de menselijke hersencellen die ze voortaan in haar opdracht laat ronddwalen.

Titelmans heeft het ook over dat dwalen in Poperinge. ‘Ze bewijzen hoe diep de dwaalleer reeds ingeworteld was. De herdoperskerk van Ieper houdt er mee op na een maand of tien, maar de stad blijft net zoals Poperinge geplaagd door vagebonden die naar het platteland trekken waar ze heel veel kwaad aanrichten bij de gewone mensen. Tussen de bossen van Ieper en Menen schuilen er mogelijk tot honderd anabaptisten.’ Het aantal lutheranen en calvinisten ligt in elk geval veel hoger in de Westhoek. Ze reizen vaak over en weer naar Engeland, en dat via de haven van Nieuwpoort. Engeland kan mogelijk een aanstoker zijn van het alternatief geloof. En tussen Nieuwpoort en Poperinge reizen de inwoners heen en terug via de Poperingse vaart en de Ijzer.

Kerk en staat reageren noodgedwongen. Landvorst Filips II dringt er bij de paus op aan dat de kerkelijke hiërarchie in de Nederlanden dringend aan een reorganisatie toe is en zo komen er veertien nieuwe bisdommen bij. Keizer Karel heeft de bisschoppelijke stad Terwaan in 1553 met de grond gelijk gemaakt. In 1559 krijgt de Westhoek drie nieuwe zetels: die van Ieper, St.-Omer en van Boulogne.

De eerste bisschop in Ieper is afkomstig uit de Kempen. Dokter Martin Boudewyn, tot dan toe rector van de hogeschool in Leuven, wordt de nieuwe katholieke baas. De geestelijke werd geboren in het plaatsje Riethoven in de buurt van Eindhoven en gaat aan de slag onder de naam van ‘Rythovius’. Hij is blijkbaar een deugdelijke man van hoge wijsheid en grote geleerdheid, zetelt zelf in de hervormingscommissie van het katholicisme, het zogezegde ‘Concilie van Trente’. Margareta van Parma rekent op hem om de aangroeiende ketterij in de Westhoek tot staan te brengen.

Haar brief aan Rythovius van 31 december 1561 spreekt boekdelen: ze smeekt de beminde bisschop van Ieper opdat hij alle parochiekerken van bekwame, geleerde en voorbeeldige priesters zou voorzien, mannen die de registers van hun kerken stipt zullen bijhouden. Ze moeten vooral de zuivere leer van de Rooms-katholieke kerk aanleren aan de communicanten en hard werken om de verdoolde schapen op te zoeken, te waken over de zieken, katholieke scholen te stichten waar schoolmeesters hun leerlingen de catechismus zullen aanleren en hen twee keer in de week naar de kerk zullen leiden.

Rythovius maakt er werk van. Hij verdeelt het bisdom Ieper in negen dekenijen. Sint-Winoksbergen, Veurne, Cassel, Poperinge, Belle, Waasten, Diksmuide en Nieuwpoort. De negende is Ieper zelf die gecatalogeerd wordt als een aartspriesterdom. Onder de dekenij, de christenheid van Poperinge vallen negentien parochies: Beveren, Boeschepe, Krombeke, Elverdinge, Godewaarsvelde, Haringe, Houtkerke, Oostvleteren, Poperinge (met St.-Bertijns , Sint-Jan en Onze Lieve Vrouw), Proven, Reningelst, Stavele, Vlamertinge, Watou, Westouter, Westvleteren en Woesten.

Rythovius brengt structuur en plannen. Maar of die allemaal succesvol zijn is een andere kwestie. Hij heeft het in elk geval niet gemakkelijk. Het verslag van een vergadering van 21 mei 1577 geeft wat meer inzichten in de toestand. De verderfelijke sekte van de herdopers telt in de Westhoek nog altijd zijn hardnekkige aanhangers die zich niet meer in de openbaarheid begeven maar achter de schermen bij de mensen poken en stoken om het doopsel aan hun kinderen te weigeren. De katholieke priesters krijgen de opdracht om zich te concentreren op de vroedvrouwen die er voor moeten zorgen dat ze hun plichten in dit verband vervullen.

Schrijver Juliaan Opdedrinck keert nog verder terug in de tijd. Het pad van Rythovius gaat niet over rozen. Maar hoe is het in hemelsnaam allemaal zo ver kunnen komen? Ik begeef me naar die allereerste preek. Deze van zondag 12 juli 1562 op het kerkhof van Boeschepe en die zorgt voor de nodige opschudding in het stadje en zijn omgeving. De primeur van dienst is voor Boeschepenaar Ghelein Damman die zich al eerder liet opmerken als hardnekkig protestant. Hij heeft zich al eens in 1559 moeten verantwoorden voor de geloofsonderzoeker Pieter Titelmans. In de kerk van Westouter zwoer hij op zijn eerstencommuniezieltje om zich nooit nog met deze dwaalleer in te laten en volbracht hij de hem opgelegde boetpleging. Niet lang daarna werd hij opnieuw betrapt en uit Vlaanderen verbannen waarop hij zich noodgedwongen in Engeland vestigde.

De eerste juliweek van 1562 zien zijn streekgenoten hem plots terug. Damman wordt opgemerkt in Reningelst, Westouter en Berten. ‘Ik ga jullie een en ander vertellen over de ware toedracht van ons geloof en zou graag hebben dat je komt luisteren naar wat ik te vertellen heb.’ Mahieu van Peperstraete van Westouter en Robrecht Van der Leye van Berten krijgen bij zich thuis het bezoek en de boodschap van de teruggekeerde Boeschepenaar. De uitnodiging voor die eerste preek komt niet zomaar uit de lucht gevallen. Het protestantisme sluimert al een hele tijd in Poperinge en zijn hinterland.

Ghelein heeft een broer. Willem. De man is in functie als katholiek priester wanneer hij plots zijn geloof verloochent en zich overgeeft aan het protestantisme. Dat is natuurlijk niet naar de zin van de bisschop van Ieper die hem laat opsluiten. Willem moet dan al beschikken over een hele groep medestanders die zijn opsluiting niet pikken en hem uit de gevangenis komen bevrijden. Titelmans heeft het er over in een brief van 12 mei 1562: ‘een zeker getal van heretieken en ketters hebben zich als graanverkopers toegang verschaft tot de stad en zijn gekomen in het gevangenhuis en dat van het geestelijk hof binnen Ieper. Ze hebben de cipier bij de hals gegrepen en heere Willem Dammans uit de gevangenis gehaald en weggeleid, met pistoletten en andere wapens.’

Een van die ketters is een Poperingenaar. Jan Beaugarant, het kan mogelijk gaan om Jan Beaugrand. Na zijn vrijlating zal priester Willem actief blijven werken aan de verspreiding van zijn nieuw geloof. Hij schrijft geestelijke liedjes en gedichten en probeert zijn boodschap op alle mogelijke manieren aan de man te brengen. ‘Om de onbezonnen lieden naar de geuzenpreek te lokken, strooide men met brievekens rond waarin valselijk vermeld stond dat de volgende morgen om 9 uur de bisschop of een geleerd man in zijn plaats het evangelie zou komen verkondigen in Boeschepe en daarbij wat uitleg zou geven over wie nu precies de valse profeten waren.’

Die eerste publieke preek van Boeschepe is slechts het topje van de ijsberg. De dwaalleer is al diep doorgedrongen in het Westkwartier, de volgers zijn zo talrijk dat ze vanaf die julimaand 1562 voldoende zelfverzekerd zijn om de autoriteiten publiekelijk uit te dagen. De landvoogdes van Vlaanderen weet al in september 1561 welk vlees ze in de Westhoekse kuip heeft. ‘Onze streek is lelijk geïnfecteerd’, schrijft ze, ‘ingrijpen is nodig, maar zal gepaard gaan met bijzonder veel bloedverlies, de vernietiging van de hele regio en nog andere ongemakken.’ De grootste besmetting is terug te vinden in Nieuwkerke, Kemmel, Wijtschate, Dranouter, Reningelst, Steenwerk, Mesen en Hondschote.

Overal te lande zoeken en vinden de aanhangers van de dwaalleer elkaar in clandestiene vergaderingen waarbij ze lezingen bijwonen met daarin de interpretaties van de heilige schrift zoals Luther of Calvijn die bekijken. ‘Zulke vergaderingen grepen plaats in “De Croone” te Loker, te Westouter bij nacht “in zeker wousten huus”, overdag “in een zeker bos” te Reningelst en in “zeker woesten huuze en een ijdele schuur”, in Dikkebus en Berten, op verschillende tijdstippen en telkens met een ‘notabele menigte van volk.’

Men heeft niet over veel empathie beschikken om te beseffen dat de verspreiding het ‘nieuw geloof’ maar één aspect is van al die vergaderingen. Het volk is wakker geworden. Gedaan met de geestelijke betutteling en met de uitzichtloze armoede veroorzaakt door de hele kliek geestelijken en notabelen die God en Jezus enkel en alleen maar gebruiken om hen, arme inwoners onderdanig te houden. In de schuren groeit een volksbeweging, een revolutie van solidariteit onder de mensen. Juliaan Opdedrinck schrijft het ook zo: ‘Te Boeschepe werden er ook penningen ingezameld ter onderhoud van de schamele broeders van hun gemeente en er werd ook gebeden voor hun broeders die in de cel zaten omwille van hun geloofsovertuiging. Ze baden tot God opdat de prinsen van het land tot inzicht zouden komen en niet langer het onnozel bloed te vervolgen.’

Pieter Haezaert van Belle, Willem en Ghelein Damman en Hansken van Brugge raken zo bekend om hun sermoenen. Na de eerste preek in Boeschepe haast Pieter Titelmans zich naar Ieper om de situatie te bespreken met bisschop Rythovius. Hij arriveert er al de volgende dag, meer bepaald op 13 juli van 1562. Het nieuws van die eerste preek is als een lopende vuur door de Westhoek geraasd. Ghelein Damman heeft tijdens de hoogmis een vol uur het woord genomen. De Rooms-katholieke kerk, de paus, de offerande, de sacramenten krijgen er de volle lading. Zowat tweehonderd toehoorders, gewapend met stokken, rapieren en pistolen luisteren gebiologeerd naar wat Ghelein te vertellen heeft.

Damman moet niet onderdoen voor de reguliere priesters voor wat betreft het showgehalte en het theatraal gedoe van zijn optreden. De volgende getuigenis doet me echt wel denken aan dikke zwarte Amerikaanse predikanten die de gelovigen van hun kerk brainwashen en bedelven onder een lawine van geloofsprietpraat en schuldbesef. Onder de noemer van ‘Djeezus al hier en Djeezus aldaar.’ ‘Ghelein Damman was op de vleesbank geklommen, met een boek in de hand. Hij predikte overluid en achteraf viel hij op zijn knieën waarbij hij herhaaldelijk opriep om te bidden voor de schamele broeders en zusters van de gemeente. Daarna hief de predikant een psalm aan die door enkelen van de aanwezigen werden meegezongen.’

De priester die de misdienst aanvankelijk leidde, zal wel het verschot van zijn leven hebben opgedaan. Ik kan het me nu in onze tijden niet indenken dat de een of andere onverlaat tijdens zijn preek naar voren komt om in zijn plaats zelf een sermoen te houden. Wanneer de man zijn gelovigen oproept om niet te luisteren naar deze valse profeet, wordt hij door een van de toehoorders vastgegrepen en krijgt hij het zwijgen opgelegd. In de bewuste kerk van Boeschepe bevinden zich op dat moment enkele voortvluchtigen die onlangs teruggekeerd zijn uit Engeland.

De landvoogdes van de Nederlanden stuurt op 31 juli 1562 een brief naar de Raad van Vlaanderen. Daarop volgt de opdracht voor de baljuws van Ieper, Belle en Cassel om Damman en zijn gezellen op te zoeken, gevangen te nemen en zo snel mogelijk te berechten. In Boeschepe wordt er een plakkaat opgehangen met daarop de belofte van tweehonderd gulden voor wie de opstokers van de beroerten zou uitleveren in de handen van justitie.

De preek zorgt voor een ware schokgolf tot in de hoogste regionen van het land. Filips II, de koning himself, eist een streng onderzoek en een zware bestraffing. Hij belast ridder Fernand de la Barre, de heer van Moeskroen en Jacob de Brune, de procureur-generaal om de nodige acties te ondernemen. Ze krijgen de assistentie van twee raadsleden bij de Raad van Vlaanderen, met name Robrecht du Cellier en Jan de Blazere.

Ghelein Damman heeft zich tijdig uit de voeten gemaakt en is gevlucht naar Holland. Drieëndertig toehoorders vallen in de handen van de gerechtsdienaars en worden voor de vierschaar van Ieper gevonnist. Onder de mannen bevinden zich twee van Loker, dertien van Westouter en zes van Reningelst. Landslieden, kleermakers, herbergiers, wevers en andere arbeiders. Opdedrinck somt hun namen één voor één op. Ik beperk me tot Mahieu van Peperstraete en Jan Schrevele van Westouter en Reningelst. Ze sturen tevergeefs een genadeverzoek naar de koning.

Het vonnis leest moeilijk en ik probeer het wat te transformeren tot een leesbare tekst. Ze hebben mensen geronseld om naar het sermoen te gaan van gezochte ketters en ze zijn er zelf naartoe geweest. En dan nog met stokken en messen. En dat voor het kruis van die arme Jezus. Ze hebben de broers Damman eten en onderdak gegeven en zijn daarbij ingegaan tegen specifieke orders van de baljuw. Ze krijgen allemaal de doodstraf. Ik schrik ervan. ‘We veroordelen u om geëxecuteerd te worden tot de dood er op volgt en daarna zullen uw dode lijken op een rad tentoongesteld worden.’ Al hun eigendommen worden aangeslagen.

Mijn onderpastoor Juliaan Opdedrinck valt van zijn gelovige sokkel met zijn bewering dat de bestraffing meer dan terecht is. Hoe? Wat? Lees maar: ‘die gegronde vermoedens, weldra door akelige daadzaken, beeldenstorm, kerkbraak, moord en vernieling verwezenlijkt, bewogen de rechters terecht om de plichtigen met meerdere strengheid te behandelen.’ De dodelijke berechting van justitie & kerk zet zonder twijfel een even dodelijke lawine van gebeurtenissen in gang. De bedoeling van de vierschaar is zonneklaar: de straffen moet vreesaanjagend zijn. Tot in 1565 zal het ook rustig blijven in de Westhoek.

Dit is een fragment uit het onlangs verschenen deel 7 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>