Diefstal & ophanging in Dadizele

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     486 Views     Leave your thoughts  

Een belangrijke stof in de geschiedenis, ‘t is de uitoefening van het gerecht. In de geschiedenis van Moeskroen hebben wij dit punt breedvoerig behandeld en wij hebben een groot getal vonnissen aangehaald. Hier zullen we enige der rechterlijke uitspraken voorstellen, die wij hebben kunnen vinden.

Hennekin Stueke had de heer van Dadizele beschuldigd van iederen van zijn soldaten een gedeelte van het krijgsloon achtergehouden te hebben. De schepenbank van Ieper sprak tegen de plichtige het volgende vonnis: hij moest op kerstdag 1379, in de kerk van Dadizele, blootshoofd en ongegord, met een wassen kaars in de hand, de processie volgen.

Voor het hoogaltaar gekomen, zou hij de heer van Dadizele of, in diens afwezigheid de baljuw, om vergiffenis smeken over de uitgesproken lasterwoorden, en daarna de kaars nevens het altaar stellen. Hier volgt de inhoud van de brief met het vonnis, door de voogd, schepenen en raad van de stad Ieper aan Jan van Dadizele gestuurd.

‘Edele ende weerde heere, wy ghebieden ons vrindelic tuwaerts, omme dieswille dat Hennekin Stueke, bringhere deis breif, onlancx by ons ghewyst zekere heerlicke beteringhe te doene, ende onder andere te gane voor processie kerstdaghe eerstcommende te Dadiselle bloots hooft, onghegort, met eenne wassinne kerse onghebrant van eennen ponde, ende ten incommene van der zelver processie voor den hoogautaer van der kerke van Dadiselle voorscreven, u te biddene verghevenesse oft in uwe absentie uwen principalen officier, aldaer in de name van u, ghesproken u injurierende ende belieghende, segghende dat ghy uwe lieden onthouden hadt van huren gaigen ende sauldie, elcken alle daghe eennen grooten oft eennen blancke, ende voorseyde verghevenesse by hem also ghebeden zynde, terstont de voorseyde kerse te stellene ende latene op den voorseyden hoogautare ende te bringhene van u oft uwen voorseyden officier certificatie dat hy dit aldus vuldoen sal hebben mids welken wy u vriendelycke bidden heirtoe te willen verstaen ende hem gheven de voorseyde certificatie, omme ons voorseyde ghewysde vonnesse te zyne vulcommen als dat behoort.’

Frans Nicolaij was de 25ste november 1605 binst de hoogmis in de woonst van de heer van Dadizele gedrongen, was in zijn kamer geklommen en had er geld, juwelen en belangrijke schriften gestolen.

Hij werd door de mannen van het leenhof van de heerlijkheid van Dadizele veroordeeld, om aan de schandpaal der heerlijkheid tot den bloede gegeseld te worden, en daarna uit het graafschap van Vlaanderen te worden verbannen gedurende drie jaar. Hier volgt het vonnis:

‘Ghesien by mannen van leene van den hove van de prochie ende heerlichede van Dadizeele den heesch voor hen lieden overgheleyt by Jacques Coghe balliu van de voorseyde prochie heyschere causa officii jeghens ende ten laste van Franchois Nicolaij criminelen ghevanghene verweerdere te doen binden by den officier crimineel an het pilloreyn deser voornomde prochie en daer corporelick ende straf ghegheeselt te wordene met scherpe roeden totten bloede, omme dieswille dat hy verweerdere hem vervoordert heeft op Sinte Cathelyne dach laestleden XVIe vyfve gheduerende den tyt van der hochmesse, hem te vertransporteeren uut de kercke der voornomde prochie abandonnerende zynen heere ende meestere opene ghedaen hebbende de poorte van den selven huuse..

….treckende op de camere van den zelven heere aldaer nemende een zeker houtten plat coferken met eenen groote notabele somme van ghelde zoo gouden als zelveren munte voorsien met vele diverssche litteragen ende bewysen den voornomd heere toebehoorende van grooter importantie ende weerde, met andere baeghen ende juweelen, mitsgaders gheweert uut de bottellerie van de voorseid huuse drye zelveren lepels ende andersins, zoo eyst dat wy den voornomd verweerdere omme zyn quaet voorstel ende diefte vryen ende bannen uutten lande ende graefschepe van Vlaendren den tyt ende termyn van drye jaeren op peinde van de ghalghe. Gepronunchiert den vyfsten van decembre XVIe vyfve.’

De weduwe van Jan Vanden Bulcke had tegen Margareta Parmentier, huisvrouw van Mathijs Van den Bulcke, smaadwoorden uitgesproken. De schepenbank van Dadizele veroordeelde haar om ter vierschaar te verschijnen, haar smaadwoorden in te trekken; aan God, het gerecht en de beledigde partij, indien zij tegenwoordig is, vergiffenis te vragen, en een waskeers van een pond aan de kerk van Dadizele te schenken ter verlichting van O.L. Vrouw-Kapel.

‘Ghesien by schepenen van de prochie en heerlichede van Dadizeele ‘t proces hanghende in rechte tusschen Margriete Parmentier huurvrouwe van Mathys van den Bulcke heyschere in materie van injurien jeghens de weduwe Jan van den Bulcke verweerstere ende op al ghelet met deliberatie van Raede, de voornomd schepenen ghemaent zynde van de rechte, condemneren de verweerster te compareren in ghebannen vierschare teenen competenten dynghedaeghe, ende aldaer verclaeren over hooghe en overluut de injurien by haer de heyschare anngheseyt, de zelve haer hertelicke laet te wesen, biddende Godt van hemelryck justicie ende gheinteresseerde partie indien zou present zyn wille verghevenesse, ende dat zou verweerstere de zelve injurien dheyschere met quader cause annegheseyt heeft, condemneren voorts de verweerstere te gheven an de kercke der voornomd prochie van Dadizeele te lichte van ons vrauwe een wassen keersse weghende een pont, stellende den bailliu onnerlet de verweerstere ter cause van de boete toe te spreken daer ende zoo hy te raede wesen zal condemneren voorts de verweerstere in de twee deelen van de costen, ende dheyschere in t andere derde uut causen, actum IX januarij 1608.’

Philip Dutoo en Jan De Conin hadden eene grote som geld in het kasteel van de heer van Dadizele gestolen. Ze worden aangevat op de landen van de heerlijkheid van de graaf de Sorre, op de Heilige Drievuldigheidsberg en in het gevang van het belfort van Doornik geworpen.

De heer van Dadizele bekwam de uitlevering der plichtigen en bracht ze voor het gerecht te Dadizele Men raadpleegt de rechtsgeleerden van Gent die de 15de maart van 1623 de raad geven van de twee dieven op te hangen. Zulk vonnis werd tegen hen uitgesproken en zij werden alle twee te Dadizele opgehangen.

Uit ‘Geschiedenis van Dadizeele’ van priester Alfons Coulon. Geschreven in 1890.