Diksmuide voor de oorlog van veertien

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     724 Views     Leave your thoughts  

Ik was zo gelukkig nog in een ander kring welgekomen te zijn, bij twee gezusters die in ‘t hartje van de stad zelf geboren zijn. En of ze vertellen kunnen.

‘Geren genoeg mens, verwelkomde d’oudste zuster Grietje, maar van de Franse tijd kan ik niet veel vertellen. ‘k Heb nog g’hoord dat metje, mijn vaders moeder, op e’ stokerij woonde te Esen aan ‘t kapelletje. Ze was wreed kurieus en zond alle dage de knecht uit om te weten hoe verre dat de Franse al waren, en als ze te Esen binnenvielen zei ze: ‘Toe zere mannen, rol e’ vat jenever naar de plaatse, als de soldaten stratekrimineel dronke zijn, gaan ze wel van zelfs verder afzakken.’

Mijn andere grootmoeder, metje Puur, was e’ boeredochter van Lampernesse, en lijk al de Veurnambachtse boeren was ze te niete gegaan omdat ze op het kerkegoed woonde. Dat was alzo: de boeren waren te fraai en durfden geen zwart goed kopen uit vreze van gestraft te zijn. Maar veel Brugse heren deden dat wel, en kochten veel kerkegoed op, en ze deden de boeren een grote pacht betalen.

Dat kosten de pachters niet bokken noch ophalen, hun goed werd verkocht en ze wierden uitgeschud. Metje Puur was daar nooit over uitverteld. Ze kwam kommersie doen in kolen en bouwstoffen te Dikmuide aan d’Hoge brugge, juist buiten de stad op Kaaskerke, de tegels en pannen kwamen toe met de barze en de burte.

Van de andere kant moet ik zeggen dat de Veurnambachtse boeren het hoog in de wapens hadden, metjes vader kwam te peerde gereden naar Diksmuide met witte kousen en schoen met zilveren gespen aan. Z’hadden het alleszins groot op. Als ze naar de Botermarkt kwamen, verteerden ze al hun geld in goudewerk en schone kleers.

Als grootvader Flippe nog jong was had hij een oogsje op Rozetje Zande over de vaart en hij vroeg aan zijn tante, de groot iefvrouwe van ‘t Begijnhof, raad en advies. ‘Hort e’ keer, zei z’ alzo, Flippe mijn jongen, dat ik in uw plaatse ware, ‘k zou over de vaart zwemmen om dat eeuwig schoon Rozetje te plukken’ zo zei tante-begijne, dat zo e’ snel jong was e’ nee.

Schutters en partijen
Te Diksmuide zei niemand de Ijzer, men zei gewoonweg de vaart. Er lag maar één brugge, d’ Hoge brugge, en de kalsie zakte e’ beetje af naar de Lindetjes. Al de ene kant van de Lindetjes stond de reke huizen van meulnare Smet ‘d’Acht Zaligheden’ en al de andere kant stond er een houten pompe. Daar bachten lagen de weiden met een eindelijke grote wal, ‘de pompepit’, waar dat ze ‘s winters kwamen schaverdijnen. Wat verder lag de ‘Persewee’ van Bastiaan; de koninklijke gilde van Sint-Sebastiaan was aan de katlieke partij en ze zongen: ‘Sebastiaan, Sebastiaan, dat gild zal nooit vergaan’. De liberale perse, Willem Tell, lag langs de Woumen kalsie’.

Maar ge vergeet de schietinge van Diksmuide-feeste, vermaant haar zuster Idalie, ge weet wel de derde zondag van juli was ‘t Diksmuide-feeste, en de maandag was ‘t krakeschietinge, en Pietje Laantje, de zot van de gilde, in ‘t geluw en groen gekleed met klingelende belletjes, sprong door den hoepel, och ‘t was toch zu ‘k e’ geestig manje!

‘O ja ja ‘k, ‘k heb e’ goed onthoud van de krakeschietinge, knikt Grietje. Kijk, ze lieten è koeke bakken de grootte van die tafel met è stresse in gebakken deeg versierd, en de pijlrapers droegen die koeke te togen op een berrie, en daarachter wierd de grote ‘krake’ in parten gesneên volgens verdienste van de hooggaai en zijgaaien. Maar er wierden ook kleine koeken gebakken, met è snuifje nagelpoen en è snuifje anijs in, alzo de grote van è butterkoeke met e’ gat midden in, bruin lijk è mokke en stijf stijf goed van smake. De schutters staken die kleine kraken op de pijle om te togen hoevele dat ze er geschoten hadden, den overschot wierd dan verkocht.

‘s Anderendaags was ‘t ‘kandeel’ in ‘t Burgondisch schild, en de vrouwtjes waren ook van de partij en ons mama was er ook bij: ze bolden in de bolletra door de genummerde staakjes voor prijs en ze dansten en zongen. Anne Krabbe verkocht taartjes en bij de schutters, in de tente, ging er een man rond met scheljes gekookte lever en een tipzakje zout, en een ander schonk vers getapt bier uit een kitte.

‘t Spreekt vanzelf dat de kinders lang opbleven dien avond, en van als er aan de deur gelutterd wierd riepen wij allen tegelijk: ‘O! mama is daar!’ Ze deelde seffens de taartjes uit en de bolprijs wierd bekeken en gekeurd, was me dat een plezier.

Lijk of dat ik al zei, er waren twee schietpersen te Diksmuide. Je moet weten dat ‘t steedje è nestje was van veel strijd, en er waren ook twee muziekmaatschappijen. Maar die liberale heren waren rijke en hadden veel te zeggen è nee omdat ze vele kosten geven, hulder muziek floreerde stijf goed en Madam Verbeke, die een instrument gegeven had, kreeg dikwijls een airtje ten beste voor heur deure. Ze maakten ook een spotliedje op de tegenpartij, op de voois van: ‘En ik heb niet en gij hebt ‘t al’:

Madam Kalkoen van op de markt,

en z’eet zo geren zoetepap,

met veel sirope,

die vuile kalote

Er was ook een ‘puppeschietinge’ in de zomer, maar er was snaar een pop te winnen: de hooggaai; ‘t was ander speelgoed voor de zijgaaien. Allee ge kunt niet geloven welk een strijd voor zulk een steedje; d’er waren zelfs families die van hunder volk hadden in ieder partij, ge kunt oordelen naar dat spotliedje:

‘t Kan er toch niet baten

dat pastor Jantje prak,

hij zit daar nu verlaten

als enen natten zak,

 

Jantje, vriendje goe’ vajazie,

trek maar weg met pak en zak,

weg met heel de kozinazie,

De Landshere is onze man.

Maar in ‘t jaar 1890 hebben de katlieke hulder gesteld, z’ hebben het g’haald en zijn aangebleven, maar dat bleef alles in ‘t dubbel: twee schietpersen, twee muzieken, een pastorschole en een stadsschole en ook twee toneelmaatschappijen. De liberalen hadden voor kenspreuk Nu, morgen niet, maar ‘t volk zei ‘we gaan naar ‘t toneel van de morgenieten’, en dat was bij Tule Boveries, een café en danszaal op de markt; ‘t was een gemengd toneel met vrouwenrollen.

‘t Ander ‘t katliek toneel speelde ook op de markt, bij Beuns onder de kenspreuk Scerp duere onder het heilig Cruus, en de mensen zeiden kortweg ‘we gaan naar de Scherders toneel’. Ze speelden twee keer ‘s jaars en er kwamen gekende groepen van Antwerpen en van Brussel. Er was ook nog een liefhebberstoneel in den Tap op de Wulvendijk, en meester Morliong was daar een gekende goede speler…

Diksmuide was een klein steedje en iedereen was er door en door gekend en wierd met voorname en zijn bijname genoemd, als ze ten minste nog geen lapjename hadden. Dat was: Sidnie van Verbekens en Oktavie van Ostens en Sidnie van Deleis en Leinie van Vloers. En als er te vele van dezelfde familie waren? Wel ze wierden dan naar hun bezigheid genaamd, ge gaat gaan horen.

Pieter Veis de honderdjarige vierde in 1830 zijn jubilee en kreeg van koning Leopold I een gouden snuifdoze. Zijn vier getrouwde zeuns, alle vier kommersanten, bleven te Diksmuide wonen en de mensen wisten presies waar dat ze moesten zijn: hij die kommersie deed in vellen was Katte Veis geheten, de wijnhandelare en winkelier was als Kaas Veis gekend, zijn broer die stoffen en ellegoederen verkocht heette Laken Veis, en Sjette Veis hield een merserie winkel.

De mensen zaten niet verlegen met è name en de schooljongens maakten zelfs rijmpjes op de name: ‘Rosten hoevele moet je kosten? – Tiend pond en half! – ‘t Is genoeg voor zu’k è kalf’ en veel andere.

De Diksmuidelingen wierden voor Diksmuidse bruëters gescholden en ge kent toch wel ‘t wapen van Diksmuide? ‘Drie sneedjes bru en e’ kastje’.

Weet ge hoe dat we bru maakten? alzo zie: boekweitblomme pianewijs in kokende melk gieten tot dat de lepel blijft staan; laten afkoelen in grote telloren en in ‘t midden è putje maken voor ‘t klontje butter; de reste wordt ‘s anderendaags in sneedjes verdeeld en met bruine potsuiker bestrooid en gebakken.

Botermarkt
Als er te Diksmuide meer bru geëten wierd of elders weet ik niet, maar waarvan da ‘k overtuigd ben, dat is dat er hier alleszins meer butter verhandeld en verbruikt wierd. De Diksmuidse butter – ‘t is te zeggen de Veurnambachtse – wierd per klompe verkocht en dat was nog geen 900 gram toe; ze was verwerkt alzo op de goeste van een grote omgekeerde vingerhoed, al boven afgerond en langs onder plat met een uitgelangd voetje; bovenop wierd de klomp butter gestempeld met è bloempje of è sterje. In de witte wissen buttermande lag er een natgemaakt butterpapier en de klompen waren overdekt met è blauw-wit geperkte butterdoek.

De maandag was het markt en Diksmuide leefde daarvan: heel ‘t omliggende was daar gezet. Van ‘t Veurnambachtse lijk Stuvetjes, Kaaskerke, Oostkerke, Sint-Jakobs, Lampernesse. En van ‘t Houtland hadt ge daar Be’st, Esen, Vlazele, Bovekerke, Zarren, Klerken en Woumen.

Ho mens! zeg dat de winkels dan draaiden. Om maar één voorbeeld te geven è nee: drie kutsers ‘zetten uit’ bij Oostens in de ‘Vier Eimanskinders’ op de markt: twee Brusselaars en een Wale. De kutsers kochten de butter op de markt met hele manden en die boerinnen kwamen ze leveren in de grote verzendingsmanden die in de Vier Eimanskinders gereed stonden. Ze kosten meteen daar in de verwarmde keuken è komme koffie bestellen met een ‘eierkoeke’ die ze met de reste van ‘de proef’ smeerden; ge verstaat dat è nee?

è Keer dat ze binnen waren kwamen de boerinnen van zelfs naar voren in de winkel kopen, en ze kosten daar niet zere genoeg bestieren met drieën tegelijk. Kleine winkeliers van den buiten waren van zelfs ook goede klanten: ze bestelden koffie, suiker, rijst. allee, een hele mande vol. Maar butter moesten ze op de markt kopen.

Rond Nieuwjaar was de butter diere: drie frank de klompe, maar de burgers profiteerden van goedkoper zomerbutter om in te leggen. Want met juli – d’eerste bete van ‘t ga(r)s – betaalden ze maar è frank en half tot twee frank. Fijnproevers verkozen ‘’t eemat’ d.i. de tweede bete van ‘t ga (r) s met september; ze betaalden entwat meer, maar ze was fijnder van smake en bewaarde langer. Butter inleggen was nog è kenesse, en de winkeliers deden dat op aanvraag: ze moet goed toegestampt worden in de eerden pot, geen lucht tussen laten, en ze goten er dan ‘brijne’ (pekel) over om te bewaren.

Pottenbakkers
Doolagens, de pottebakkers van Diksmuide, bakten butterpotten in alle formaat, maar ‘k gelove dat ze elders lieten emajeren, ‘t is spijtig è nee, ge zijt te laat aan, ge moest vroeger gekomen zijn ten tijde van mijn man zaliger: hij kost stijf goed over die pottebakkersfamilie vertellen. Kijk wat dat hij schreef hier van achter op die portretten. Maar è ja ‘t meeste deel, om niet te zeggen heel de boel, is in den oorloge van veertiene gebleven.

Alzo wist mijne man te vertellen dat er twee vrienden, Diksmuidelingen, twee Karels: Karel Doolage en Karel van Vloers, in ‘t jaar dertig te gare naar Brussel optrokken om hulder als vrijwilligers aan te geven en de Hollander buiten te burstelen. En als ‘t land nu goed en wel gekuist was wierden ze alle twee beloond: Karel Doolage die gekwetst was, wierd vereerd met ‘t ijzeren kruise en hij keerde were naar Diksmuide, trouwde met de zuster van zijn strijdmaat en werkte in de pottebakkerij van zijn ouders in de Paaphoek.

En de andere Karel wierd te Brussel in staatsdienst aanveerd, trouwde algunter en wierd ontvanger van de belastingen in de Kempen. Maar è mens weet nooit waar dat jen ende ligt: de zone van Karel van Vloers die gunter met è meisje van Poppel trouwde stierf jong en de weeuwe kwam met heur vijf kinders naar ‘t oude nest in de Paaphoek te Diksmuide om heur brood te verdienen. En met dat ze vreemde sprak zeiden de Diksmuidelingen: ‘We gaan naar de nieuwe madam van de nieuwe winkel.’

Nu om voort te doene, die Doolagens woonden, lijk of dat ik al zei, op den hoek van de Paaphoek en de Patersstrate (die ze later in Maria Doolagensstrate herdoopten). En weet je wie daar ook in ‘t gebuurte woonde? Kateeuws, je kent toch wel Kateeuw, die in d’oude papieren de geschiedenesse van Diksmuide opzoekt? ‘t is van hem dat ik het volgende hoorde.

‘Vroeger bakten ze schone bleke tegels om den heerd te beklêen, maar als kind zag ik meest draineerbuizen – waar dat er veel vrage naar was in Polders – en ook wel potten. Ze stonden daar verder in de strate te drogen tegen aan Pietje de Kloefkappers; de strate lag in bulten en knulten, maar ‘t werkvolk voerde de gedroogde buizen, potten en pannen, per kortewagen, barrevoets over lange houten loopplanken naar den oven. De laatste pottebakker was Adolf Doolage, die inwoonde bij zijn broere Prudent, en jongman gebleven is; met zijn dood viel de pottebakkerij op de Paaphoek stil’.

Mijn man zaliger heeft ook Dolf Doolage gekend maar hij wierd altijd ‘Deken Doolage’ geheten en dat kwam hierdoor, ieder keer wierd hij als deken van de Bastiaansgilde herkozen en hij is het gebleven tot aan zijn dood. Met de krakeschieting, als de vrouwtjes ook uitgenodigd waren, moet ge niet vragen hoe dat ze het gemunt hadden op de deken-jongman, ze waren er op uit om die eeuwige deken de duivel aan te doen.

En de Deken liet ze maar doen en vermaande bijtijds: ‘Hola geen potten breken!’ Doch hij was de eerste om de gebroken potten te betalen, ‘t was toch maar een keer krakeschietinge! ‘t Waren alleszins eigenaardige typen die Doolagens en er zat artiestenbloed in dat volk. G’hebt gij zekers nog wel g’hoord van de dichteresse Maria Doolage, dat was de tante van deken Doolage. ‘t Standbeeld van Maria Doolage stond met dat van Bortier in de botanieken hof.

Neen, neen, onderbreekt Idalie, d’echte Diksmuidelingen zeggen bokaniekenhof. Dat was ‘t ziene weerd op è zondagachternoene in de zomer en op de feestdagen. De garde kwam dan ‘t hekken opendoen en ‘t was open hof. De madams kwamen daar floreren met hulder trouwbare dochters onder è zijden parasolletje en e’ sleep aan de rok. Allee ‘t was van ‘kijk naar mij!’

Begijnhof
Vreemdelingen zouden eer naar ‘t Begijnhof gaan kijken. Er waren maar drie begijnen en half meer: ‘t vierde begijntje was versleten en e’ duts geworden. Er woonden daar ook oude vrouwen lijk ‘Strek Moene’ die opperhemden, kols en manchetten streek, en er waren ook enige spellewerkegen bij. ‘k Heb er dikwijls staan opkijken als ze aan ‘t spellewerken waren van die bree’ follesiene kanten è nee, en Babetje zong dan zu ‘k een oud liedje:

Daar was een wijf dat spon bis

Al op een houten spinnewiel,

En er was geen tortel aan.

 

(Refrein) Vive lorre peperbusse

Vive lorre spa – Faladera

Giezegazegoeze – Sieskakoese

Fiederalala.

 

Dat wijf had een man bis

En in de weke heet hij Pier

En de zondag heet hij Jan.

Dat wijf had een schapra bis

 

En van boven stond er butter,

En van onder kropsala.

Dat wijf had een hond bis

En in de weke lekt hij butter,

 

En de zondag lekt hij stront.

Dat wijf die vaart op zee bis

Al op een musselschelpe,

En die schelpe brak in twee.

Ge verschiet ervan è nee, dat ik dat nog zo goed kenne, maar ‘t is eigenlijk mijn vriendinne Zanneje, een rasechte Diksmuidelinge, die van muziek houdt, en ‘t liedje opgeschreven heeft. Er kwamen ook veel schilders naar ‘t Begijnhof en ‘k zag daar ook è Fransman, Kassel dat e’ naamde, en onder e’ schilderij stond er: ‘Béguinage de Bruges’. Ja, ja, ge zoudt ‘t niet geloven e’ nee, maar ‘k heb ik nog zu ‘k è postkaartje en ‘k sta er ook op als kind.

‘t Begijnhof is wel achter 1914 heel herbouwd, maar dat is ‘t zelfde niet meer.. Maar laat gij è keer den oorlog daar, herpakt Grietje, we gaan voortvertellen van vroeger. W’hadden hier dan è brandklokje en ieder huis had è brandseule of drie met je name opgeschilderd om te blussen. Van als ‘t klokje luidde kwam elk met die seultjes gelopen naar de stadspompe (ze stond tussen de kerkdrommers ingemetseld) en de brandseultjes wierden al kwanselen van hand tot hand overgeslingerd naar de brand. Er waren ook mensen die zere om de onderpastor De Witte liepen, hij kost ook entwat, beweerden ze, om de brand tegen t’houden.

W’hadden ook een uitklinker Pieto Wilie. Als er iets verloren was of als è steeboertje geslacht had kwam Pieto aan de straathoeken uitklinken en riep: ‘Er is een gouden oorring verloren die hem gevonden heeft kan hem were brengen bij de gae’. Oftewel ‘Vers geslegen zwijnevlees aan twee frank en half de kilo bij Mazemans!’

En ge moet è keer gaan horen hoe dat Pier Zwijn, è steeboertje vaarde. Pier woonde in een herberge in de Woumenstrate en had ook è stalmelkerij. Er was zwijnskeuringe te Brussel en Pier zou è keer meedoen. Zo, hij stapte met zijn grote schone zwijnemoere op den trein. Maar Pier, enja hoe gaat dat al è nee, Pier had nu misrekend en de zwijnemoere jongde op vajazie, en noodgedwongen kwam Pier met heel die kooie zwijnejongen naar huis, zonder keuringe.

Achter de zondagmesse zetten deugnieten è spotrefreintje in:

En Pier Pier Pier

Kom maar alhier,

d’ekspositie is hier!

En Pier met zijn zwijn,

En Pier met zijn zwijn,

En hij moest te Brussel zijn!

En ‘t steeboertje brieste erbij en hij zou de masschers vermoord he’n die met vastenavond ‘t refreintje voor zijn deure in de Woumenstrate kwamen brullen.

.

.

M.C. In Biekorf jaargang 64 van 1963

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>