Djezeges Lelijkaard

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     303 Views     Leave your thoughts  

Zijn eigenlijke naam was Sissen Voorde; hij kwam ter wereld op Passendale, binst een gruwelijke dondervlaag en hij kreeg al wijwater van eer hij gedoopt werd, wijl ’t kraakte buiten, dat het daverde. – Louize, zei Warden Voorde aan z’n wijf, we zullen ’t nooit vergeten, dat we vandaag onzen kadet indeden.

– Nie’w’, zei Louize, op haar Nieuwkerks. Zo, die verscheling werd ’s anderendaags Siske gedoopt en: – ’t Is lefaard, zei de koster, daar Siske blette lijk een versmoorde.

Spijts het accompagnement van donder en bliksem bij z’n geboorte, groeide Siske lijk een kool; hij had een kop lijk een mortier, armen en benen lijk tuinstaken en langs achter was hij colossaal !

– Een ferme dragonder te wege, bofte Wieze.

– Een kurassier! loech Warden.

Z’hadden gelijk alle twee, want, als Siske vier-vijf jaar oud was, hadde niemand met zekerheid kunnen zeggen, of hij best aan een kurassier, dan wel aan een dragonder geleek; ’t zou zelfs – voor meêgaande gemoeden – mogelijk geweest zijn, hem voor beide te doen doorgaan, doch klaarziende menschen en sikaneurs beweerden, dat hij een mengelmoes was van alles en tot een marteko uitgroeide. In alle gevallen week z’n voorhoofd schuifelette weg al onder z’r; haar en neep hij de bogen; precies lijk een treffelijke bosman; z’n neusgaten zakten even wijdgat open onder de dikke neustop, die lijk met een steen platgesmeerd was; z’n kin kroop al de kele weg, en, de openhangende mond; vol grote tanden, trok gispen, dààr, waar een betamelijke mens, z’n kin heeft.

– Ons Siske schiet struis op, maar ‘k weet lijk niet … zei Warden altemets.

– ’t Zal al vergroeien in z’n voordeel, zei Wieze. ’t Vergroeide, ja, doch al in z’n nadeel, zódanig in z’n nadeel; dat de schooljongens opsprongen van ’t verschot, als ze die verschijning voor den eerste keer in de poorte van de speelplaats zagen blekken. ’t Was maar seffens een getroppel van de andere wereld; elk wilde er rond en bij zijn en er aan tasten, en dan, na enige ogenblikken verstomming, ging er een gelach en een gehuil op, dat meesters duiven van klare schrik uit de kete vluchtten en in de lucht spetterden. –

– ’t Is Siske Voorde, zei Mieltie Senders, een gebuurjongen,

. – ’t Is Djeezeges lelijkaard ! schetterde een plaatseJongen.

Dààr, hij was herdoopt voor goed.

Was Siske leliik bij het inkomen, nu werd hij nog lelijker; z’n schelen begonnen te slaan en z’n ogen draaiden, dat er het zientje van verdween en hij weerlichtte met de witte bollen, om het hemels licht beschaamd te maken; hij zette z’n keel en z’n mond open en hij huilde, hij huilde, omdat hij Zjezeges Lelijkaard was.

Dat was z’n intrede in de school; ’t was geen zeemlikken, maar de jongen werd er aan gewend van Zezeges Leelijkaard genoemd te zijn en de andere jongens van met dat apenjong om te gaan. En zoo vervloog Siske’s jeugd, gelijk die van schone jongens vervliegt; en, al op een heldere – zomerdag, ontwaakte Sisken tot het jongelingschap, met al de menigvuldige geesten en verlangens, die in een jongelingshert woekeren, hij moge schoon of leelijk zijn, doch vooral lelijk …

– Moeder, ‘k ga trouwen, zei Sissen, op een avond, bij ’t inkomen van z’n werk.

– Ga’ je trouwen! gilde moeder, ’t broodmes op den vloer latende vallen van alteratie.

Jaa’k .moeder, ‘k ga m’n verdooie trouwen:

En met wie de mardjakke? … Met Elle, den boers meid.

Watte ! Met Elle! Gij, zo een geildige, ferme vent, met dat lelijk konijn!

– Ze noemen mij wel Zeezeges leliikaard.

– Omdat ze geen ogen heên.

Nu nu, ’t is genoeg en zoveel, dat Sissen met Elle trouwde en ze moesten van malkander niet beschaamd zijn noch duimpje leggen, want, d’ene was d”ene, en, d’andere, was d’andere.

– ’t Is een gratie Gods dat die twee lelijke scharmikken geen jongens hebben, zeiden de mensen in latere tijden; want ze zouden voorzeker ’t vernissen niet weerd zijn …

Doordien Sissen en z’n wijf neerstig en spaarzaam waren, vergaarden ze stilletjes een ponke, en, voortgestuwd door die erfelijke begeerlijkheid naar land, eigen aan buitenmensen, huurden ze een huis met drie gemeten akkergrond, aan een boer, op een naburig dorp, met alle mogelijke voordelen en een enkel nadeel, namelijk, dat Sissen, gedurende maai- en oogsttijd, een handje moest bij steken op het hof.

– Als ’t maar dat is, oordeelde Elle, ’t kan er door.

– En zondag moeten we samen naar den boers, om onzen nieuwen ’t huis te bezichtigen, als g’er niets tegen hebt, zei Sissen.

Zo, zondag kwam er en Sissen trok op met Elle, alle twee gepint met hun beste kleers en Elle met haar gouden alaam, oorslingers met bellen en platen en een ketting, sterk om er een geite meê aan den muur te binden. Ze worden goed onthaald bij den boer en dronken er met hem koffie in de keuken, wijl de boerin en de jongens door sleutelgaten en deurspleten die twee lelijke weerlichters afloerden en hun buik vol loechen.

Zie, dàt liep al op wieltjes, en, als de koffie gedronken was, leidde de boer – volgens lands gebruik – z’n nieuwe pachters rond zijn gedoente.

– We zullen eerst onze viggenmoer bezien; ze ligt precies met twaalf jongen, zei de baas. Aan de gevel van de koeienstal trok hij de halve deur van ’t verkenskot open en

– Kijkt, Sissen en vrouwe, pochte hij, beziet een keer die pondige tante, met heur twaalf knappertjes.

Sissen stak z’n hoofd over d’halve deur; nevens hem stond Elle, op de toppen van de tenen en de boer bleef bachten ’t koppel te monkelen, doch hij monkelde niet lang, want nauwelijks stak Sissen’s hoofd in de opening, of: Awou ! Awou ! baste de viggenmoer, en … ze viel morsdood. De boer durfde Sissen niet een van zijn beesten meer tonen, uit vreeze van dodelijk verschotten.

Met Oktober betrok de nieuwe pachter z’n huis en werd er met den dag een vermaardheid; zijn reputatie en lapnaam van Zezeges Lelijkaard waren hem vóórgevlogen en :

– De zwijnsmoeren vallen dood van ’t verschot, als ze dat spektakel zien, vertelden de menschen onder elkaar. Sissen moest – spijts de overeenkomst – nimmer hooi- noch oogsttijd helpen doen op het hof en de boerinne stak de staldeuren toe, als ze hem zag naderen, zodat hij over de hagen moest gapen om den boers beesten te zien, ook gebeurden er verders geen dierenongevallen meer op het hof. Wat slechter was, Sissen zelf werd ziek en stierf, na korte dagen lijdens.

– ‘k Zou nu ook willen sterven, kreunde Jan Bolle, een oude dronkaard uit de buurt, die ook erg krank was. – En waarom nu? vroeg een buurwijf, die hem oppaste.

– Er zal geen duivel meer in geheel d’helle zijn, zei Jan… ·

’t Was een zware slag voor Elle, die er nu alleen zat op haar gedoentje, in afwachting, doch … ’t wachten bleef duren en Elle bleef weduwe, spijts zeepe, reukwaters en allerhande versieringen. Al har troost bestond voortaan in ’t portretje te bezien dat ze deden maken in hun vrij tijd op Roeselarefoore en waarop ze, zij zelve, nevens Sissen stond, met haar klein vingertje krinkeldekrul in Sissen’s en dan, dan : Och Heere toch! steende ze, wel-wel-wel; Sissen zaliger.

Uit ‘Grepen uit aardig menschenleven’ van Warden Oom

 

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>