Drama aan de Goudberg

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       5 days ago     63 Views     Leave your thoughts  

Filips van Artevelde stelt zich aan het hoofd van 9.000 Gentenaars en vertrekt uit zijn thuisstad. Een gelijk aantal volk van het Vrije, de Vier-Ambachten, Geraardsbergen, Aardenburg, Damme, het land van Waas en uit andere gewesten komt zich bij hem aansluiten. Samen met zijn leger bij Oudenaarde beschikt hij nu over een leger van 40.000 vechtbare mannen. In het zuiden hebben de Fransen Ieper achter zich gelaten. Ze zijn nu op komst om Brugge ‘aan te randen’. Voor beide legers is het moeilijk om zich te verplaatsen want onophoudelijke regenval heeft de wegen zo goed als onbruikbaar gemaakt. De Kortrijkse kroniekschrijvers ventileren plots hun eigen mening. Verrassend toch wel. De lokale pers spuwt zijn gal uit over de Gentse aanvoerder: ‘Artevelde, vergeten hebbende dat hij de Brugse victorie zo inniglijk van God afgesmeekt had, schreef nu de zelve teenemaal toe aan zijn eigen macht, verstand en kloekheid, zich inbeeldende dat hij haast stond meester te worden van geheel Frankrijk.’

Hun kritiek houdt maar niet op: ‘De Fransen hebben altijd benauwd geweest een veldslag te wagen tegen de Engelsen, doch vrezende dat de vijand zonder arbeid Brugge zou hebben ingelopen, langs de poorten welke hij zelfs had geslecht en afgeworpen, komt van Oudenaarde naar Kortrijk en van daar naar Roeselare om zo, zonder vrees het leger der Fransen in ’t gemoed te komen.’

Een mens zou het bijna over het hoofd zien, maar er zit ondertussen nog altijd een pak burgers en soldaten vast binnen de vestingen van Oudenaarde. Het beleg sleept al zes maanden aan en de hele tijd is er geen sprake geweest van enige aanvoer van voedsel. De belegerden krijgen het benauwd, warm en koud, het lijkt er wel op dat ze van de honger zullen omkomen. Wie mijn hoofdstuk over het beleg van Calais heeft gelezen, weet welke taferelen zich daarbij afspelen. De sukkelaars sturen een boodschap naar de hertog van Bourgondië. Terwijl ze sterven van ontbering zullen ze onmogelijk weerstand kunnen bieden aan de Gentenaars en dreigt de stad dan ook in hun handen te vallen. Een precieus detail blijft zich vasthaken in hun overlevering.

Wanneer Artevelde vertrekt naar Kortrijk cirkelen er grote groepen kraaien boven zijn troepen. Ze hebben nog de moed om hem achterna te roepen: ‘gaat, gaat naar de dood, die uw lichaam zullen eten, vliegen boven uwe hoofden’. Enkele adviseurs van Filips van Artevelde ontraden hun leider om de confrontatie aan te gaan met het Franse leger. Eén van hen is de heer van Herzele. De winterse omstandigheden zullen sowieso het Franse leger doen ‘verflauwen’. Hendrik Carpentier, de secretaris van Artevelde heeft een andere mening en hij krijgt het meest gehoor. Het gevecht mag eigenlijk niet uitgesteld worden. De steun van de Bruggelingen en die van het Brugse Vrije hangt aan een zijden draad.

Hoe langer hij wacht, hoe groter de kans wordt dat de Bruggelingen hun stad zullen openzetten voor de Fransen en met hen in verbond zullen treden. Kijk maar naar wat er gebeurd is in het zuiden van de provincie. Er duikt weer zo’n detail op: Herzeele die beseft dat zijn raad niet zal opgevolgd worden, verwondt zich aan de eigen voet en vertrekt met veel gestes naar Gent om er verzorgd te worden. Ondertussen ben ik aanbeland op 5 november 1382. Artevelde vertrekt uit Roeselare om de vijand tegemoet te gaan. Hij vindt een ideale legerplaats in de velden van Westrozebeke dat in die dagen nog zo mooi en puur ‘Roosebeke’ wordt genoemd. Het Vlaamse leger stelt zich zo op dat ze onmogelijk kunnen overvallen worden. De troepen voeren overvloedige voorraden krijgs- en levensmiddelen met zich mee.

Er moeten zich ongetwijfeld bronnen van de Kortrijkse jaarboeken in dat kamp bevinden en die vertellen veel zaken die ontbreken in de gebruikelijke verslaggeving van de slag van Westrozebeke. De accenten en de nuances van geschiedschrijving spelen alweer hun goddelijke rol. De nacht voor de veldslag is er volop plezier bij de mannen. Volop spijs en drank en andere geneugten die de moraal moeten versterken. Tussen de vele roemers wijn door steekt Artevelde zowaar nog een speech af. Ik maak er op mijn beurt een eigentijdse versie van.

‘Niet bang zijn mannen’, orakelt Artevelde, ‘we hebben al die Engelse hulptroepen niet nodig. We zijn sterk genoeg op ons eigen’. ‘Achteraf zouden die dan toch de pluimen op hun hoed willen steken. We kennen die mannen. Wij Vlamingen zullen de adel van Frankrijk en van Vlaanderen zelf wel verpletteren. Jullie moeten de vijand vermorzelen en wie medelijden heeft, zal later zelf de nodige lijfstraffen moeten ondergaan. Ik wil geen krijgsgevangen zien, alleen maar dode Fransen, jullie mogen niemands leven sparen.’

‘Van de Franse koning moeten jullie wel afblijven. Ik heb medelijden met het manneke, hij is niet eens zijn kinderjaren gepasseerd, hij weet niet wat hij doet en wordt geleid en bestuurd door de begeerte van anderen.’ Artevelde is behoorlijk overmoedig. Zou het de drank zijn of is hij nu eenmaal zo? ‘We zullen de Franse koning met alle eer naar Gent brengen waar we hem de Vlaamse taal en onze zeden zullen aanleren’. Hij ratelt maar verder; ‘De rest, mannen, of het nu prinsen of graven zijn, we zullen ons wreken met hun bloed en hen zonder enige vorm van genade doden’. Wie over de Leie gekomen is, zal nooit meer naar zijn thuis in Frankrijk terugkeren.’

In Kortrijk hebben ze het ook in de mot. Grappig. ‘Welke woorden, welke onbedachte verwaandheid, welke onbeschaafde ijver wordt hier ten toon gespreid. En allemaal door het drinken van die wijn!’ Aan de Gulden Berg blijft alles tot middernacht in vermaak en geneugte. Anno 2015 is er sprake van de Goudbergstraat in de buurt van Passendale, niet zo ver westelijk van de ’s Graventafelstraat en de Westrozebekestraat. Aan de ene zijde van de Gulden Berg vieren de Vlamingen feest aan de andere zijde worden de zwaarden gescherpt.

Ik haal er even mijn stafkaarten bij. De Goudberg bevindt zich op een hoogte van vijftig meter boven de zeespiegel. Het Franse leger wacht de slag af in de buurt van de Paddebeek en de Bornstraat die op een hoogte van dertig meter aangegeven staan en in het zuidwesten liggen. Als Artevelde en de mannen zich aan de andere zijde van de heuvel bevinden, dan zal dat vermoedelijk in de buurt van de Brieke, de Katte en de Engelse beek zijn.

De feestvierders zijn amper in slaap gewoeld als er zich vanop de heuvel wapengekletter laat horen. Het lijkt er zelfs op dat er daar al gevochten wordt. De angst slaat hen om het hart. Zijn de Fransen nu op dit nachtelijk moment tot de aanval overgegaan? Enkele stoute wezels wagen zich naar de Gulden Berg en stellen vast dat het een vals alarm is. Filips van Artevelde die door een wakende vrouw werd gewekt, legt zich opnieuw te slapen.
De ochtend van de volgende dag breekt aan. 26 november 1382. In het kamp van Artevelde beginnen de mannen al vroeg hun lichaam te versterken en hun wapenuitrusting aan te trekken. Tijdens het verkleden spreken ze elkaar moed in. Peptalk zoals zo vaak te zien bij voetbalwedstrijden waar de winnaar al ruim vooraf bekend is. Ze vertrouwen er op dat de Vlamingen de slag zullen winnen.

‘Terstond zijn zij alle op de berg gelopen die des nachts hun ongeluk had te kennen gegeven.’ De soldaten stellen zich op de Gulden Berg in gesloten slagorde op. ‘Is dat nu onkunde of verwaandheid?, vragen ze zich in Kortrijk af. Hun versterkte legerplaats is volledig afgedekt en versterkt en die laten ze plots zo maar achter om zich op te stellen ergens in de openheid van het landschap. Het strafste is nog dat ze de karren en wapens in hun kampplaats onbeschut achterlaten.

De Vlaamse strijders luisteren alleen maar naar de ijdele woorden van hun aanvoerders. Ze willen zich vandaag onsterfelijk maken. Artevelde houdt zich bezig met het opstellen van zijn Gents leger, 9000 man die hij het meest betrouwt. Hij beschikt nog over 60 Engelse ‘schichtwerpers’ die hij huurt van de Engelse koning. De parallellen met voetbalhistories komen nog maar eens piepen in mijn gedachten.

De krijgsmannen van Artevelde zullen frontaal in de clinch gaan met de Fransen. In de eerste rangen worden de Bruggelingen en de Vrijlaten opgesteld. Zij zijn gewapend met lederen riemen en ijzeren bollen. Hun handen zijn bedekt met stalen handschoenen. In hun gordel steekt een groot mes. De pieken en de lansen in de lucht hebben de allure van een bos.

Bij de Fransen heerst er allerminst hoogmoed. Graaf Lodewijk heeft de hele nacht de wacht gehouden bij zijn 600 ruiters. Ik krijg het gevoel dat de schrijvers van de Kortrijkse jaarboeken wel erg graafgezind zijn. De lacherige kritiek over de verwaandheid van de Vlamingen zouden we dus toch wel beter met een korreltje zout nemen. De Franse koning laat bij het aanbreken van de dag een misdienst celebreren. Het kan allerminst kwaad om te bidden voor de overwinning en om Gods zegen af te dwingen.

Mattheus van Vienne en Guilielmus van Poitiers zullen het paardenvolk aanvoeren. Wat bezielt de Vlamingen om zo maar hun kampplaats te verlaten? De Franse bevelhebbers zijn er niet rouwig om. Tot gisteren waren ze niet zeker van hun zaak. De strijd is een dubbeltje op zijn kant. Gisteren hebben ze nog 140 dappere soldaten tot ridder geslagen. ‘Om de gemoederen nog kloeker te maken.’

Ze vragen zich af of ze hun koninklijke ‘standaard’ naar boven moeten halen, de auriflamme. Die wordt steevast gebruikt in oorlogen tegen de Moren en de ongelovigen. Maar nooit eerder bij confrontaties tegen christelijke vijanden. In die dagen hebben de Fransen hun eigen paus, die van Avignon, terwijl de Vlamingen hardnekkig vasthouden aan de traditionele paus van Rome. Voldoende alibi dus om de bewuste standaard uit de kast te halen als symbool van een strijd tegen de Vlamingen die ze gerust als valse katholieken mogen bestempelen.

De toon is gezet. Bij het opkomen van de zon verdwijnen de dikke mist en de nevel die het gezicht op de vijand onmogelijk maakten. De Fransen zijn beducht geweest voor de ‘smoor’. In diezelfde mistige omstandigheden hebben ze tachtig jaar geleden in Groeninge slaag gekregen en de schandelijke nederlaag van Kortrijk 1302 ligt nog altijd op hun levers.

De Vlamingen hebben het vooral koud. Ze staan al uren in de winterse ijzigheid. Zijde aan zijde zijn ze maar wat blij om eindelijk de gevechten te kunnen openen. De eerste stenen worden richting vijand gekatapulteerd. Aan Franse kant is het de voorste gevechtsrij van de Franse koning die eerst in actie treedt. Die met de standaard bij zich. Ze worden terstond teruggejaagd door de Vlamingen waarbij enkele van de Franse edelen het leven laten. De Vlamingen raken er nog overmoediger door, ze wanen zich al bij voorbaat de overwinnaar van dit duel en gaan als razenden in de aanval.

Ze stormen af op de beide vleugels van het Frans leger. Vechten kan het moeilijk genoemd worden. Wurmen, stoten en prangen, het ene lichaam tegen het andere. Het bos van worstelende Vlamingen wordt na korte tijd al helemaal in de tang genomen door het gros van het Franse leger. De boogschutters zitten als ratten in de val. In dit kluwen van mensen kunnen ze niet eens hun handen vrijmaken om hun pijlen af te vuren. De ene verhindert de andere om het lichaam te bewegen.

Allemaal zijn ze krampachtig bezig om een plaatsje te zoeken om bij de vijand te geraken. Het Kortrijks verslag spreekt boekdelen: ‘Zij beletten elkander het lichaam te bewegen, en alle die plaatse zochten om op den vijand te lopen, wierden door andere opgehouden en weggestoten, ’t geene een groot geschreeuw en beroerte maakte onder de Vlamingen.’ Maar niet iedereen is zo gehaast om tot bij de Fransen te komen. De koninklijke en christelijke standaard die tegen hen gericht is, maakt grote angst los bij de Vrijlaten. Veel zin om te vechten en om hun leven op het spel te zetten hadden ze al niet. Ze slaan massaal op de vlucht, gevolgd door de Fransen en in groten getale gedood.

De naam Guldenberg heeft in niets weg van zijn heerlijke voorganger Guldensporen. Twintigduizend, ik schrijf het nog even in cijfers, 20.000 Vlamingen blijven dood achter op het slagveld of worden tijdens hun vlucht om het leven gebracht. De confrontatie duurt niet veel langer van een half uur. Veel bloed is er niet gevloeid verneem ik. De Vlamingen hebben het zichzelf aangedaan. Een Heizeldrama avant la lettre. Weer eens die vergelijking met voetbalse omstandigheden.

‘De victorie wierd niet behaald door dapperheid ofte arbeid, maar scheen openlijk van God alzo beschikt te zijn.’ Veel bloed is er niet gevloeid. Het merendeel van de doden is er gekomen door versmachting en verplettering. Alleen wie kon vluchten werd door de Franse vijand gedood. De lijken van Filips van Artevelde, Jacob De Ryk en Jan Herman blijven achter op het slagveld. Net zoals die van enkele leiders van de Gentse witkapbrigades. Hier in Kortrijk zijn ze er niet helemaal zeker van dat het lichaam van Artevelde gevonden is. Er zijn bronnen die beweren dat de leider op ‘een vork van de Fransen zoude gesteld geweest zijn.’

De Gentenaars zijn meteen hun autoriteit over Vlaanderen kwijt. Op 27 november zijn de kansen helemaal gekeerd. De mannen die niet vertrokken zijn van hun beleg daar rond Oudenaarde, keren nu met een ei in hun broek naar Gent terug en laten er in paniek hun gereedschap en hun oorlogsmateriaal achter. Een deel van hen wordt achterna gezeten en gedood. Het ongeluk voor die van Gent is dus niet alleen gekomen: ‘dit was het tweede deel huns ongeluks op eenen en den zelfden dag, wanneer zij de belegering van zes maanden hebben moeten verlaten, om het leven te behouden, en met hun achtergelaten levensmiddelen de hongerigen te spijzen.’

Adviseur Hendrik Carpentier, de man die Artevelde de raad heeft gegeven om in confrontatie te gaan met de Fransen, is kunnen ontkomen en gevlucht naar Gent. Hier bekoopt hij zijn advies met de dood. Hij is tegen de wil ingegaan van de meeste Gentse kapiteins en verantwoordelijk voor dit debacle. In Brugge zijn de meningen en de emoties dubbel. Er is natuurlijk de droefheid om hun verloren volk, maar vergeleken met de Gentenaars zijn de Bruggelingen er goed van af gekomen. De manschappen schikken zich onmiddellijk onder het bevel van graaf Lodewijk. Een zekere Christophorus komt nog de 27ste november aan op de Brugse markt waar hij ostentatief de standaard van Lodewijk van Male neerplant.

De bevolking van Brugge stroomt toe daar op de markt. Overal wordt er ‘Vivat de Vlaamse Leeuw’ gezongen, en dat ondanks de angst en de vrees dat de Fransen de stad zullen plunderen en verwoesten zoals ze dat al eerder gedaan hebben in de andere steden van Vlaanderen. Hier in de stad ligt de buit voor het grijpen. De Gentenaars hebben eerder al een deel gepikt. Veel Bruggelingen hebben uit voorzorg de rest van hun zilverwerk en andere kostbare goederen naar Holland en Zeeland versast. Ze weten hoe zeer de Bretoenen (de ‘Bretagnenaars’) en die van Bourgondië (de ‘Bourgognons’) naar de dag hebben uitgekeken om de stad Brugge te mogen beroven en te verwoesten.

De Brugse bevelhebber Pieter de Winter en zijn biechtvader, broeder Nicolaus Craye, pakken hun biezen en hun goederen bijeen en slaan tijdens de daaropvolgende nacht op de vlucht richting Gent. Ze zijn bevreesd dat de Brugse burgers hen zullen uitleveren aan de Fransen en dat ze het zelfde lot zullen ondergaan als hun collega’s in de Westhoek die hun steun aan de Engelsen bekochten met hun leven en ‘op de brugge van Iper waren onthalst geweest.’

Pieter de Winter zal inderdaad wel gehaat worden in zijn stad, weten de Kortrijkse jaarboekschrijvers te vermelden. Elf jaar geleden was hij al eens uit de stad verbannen geworden na enkele moordpartijen. Twee Brugse Minderbroeders mogen het gaan uitleggen bij graaf Lodewijk en zijn schoonzoon. ‘Genade alstublieft’, vragen ze smekend, ‘genade voor de Brugse gezanten die al op pad zijn om zich over te geven en op zoek zijn naar barmhartigheid’. De hertog van Bourgondië is nog niet van de domste moet ik zeggen. Alles wat hij in Vlaanderen vernietigt, zal in zijn nadeel strekken. Brugge is van hem, dus waarom zou hij deze stad vernietigen? Hij belooft hen gehoor en een redelijk mededogen.

Twaalf Brugse burgers bieden zich vervolgens aan in Kortrijk. Ze werpen zich voor de voeten van de graaf en die van de Franse koning, ‘alwaar zij al wenende klaagden dat zij nooit, ten zij gedwongen, de wapens met Artevelde hadden opgenomen.’ Na veel vijven en zessen en veel obligate showtoestanden krijgen de Bruggelingen hun genade en meteen de rekening gepresenteerd. Brugge zal wel het loon van de Bretoense soldaten betalen. Een factuur van 120.000 gouden penningen.

De ‘Bretagnenaars’ zijn al gevorderd tot in Torhout waar ze het verbod krijgen om Brugge te plunderen. ‘Waarover ze zeer knerzelden van spijt’, wat een schitterend woord dat me doet denken aan tandengeknars, en de rest van hun wraak nu richten op Henegouwen. Samen met hun vrienden van Bourgondië richten ze hun steven weer op het zuiden. De hertog van Blois kan echter op tijd een stokje steken voor deze plundering.

En hoe vergaat het Kortrijk in de nadagen van de slag van Westrozebeke? Graaf Lodewijk buigt zich en deponeert zich op zijn blote knieën voor de koning. Maar zijn bidden en smeken wordt geenszins verhoord. Met die jeugdige Fransman kan hij niet zomaar doen wat hij wil. Die wil nog enkele rekeningen vereffenen. Wie niet gevlucht is naar Gent, wordt nu boudweg vermoord. De stad wordt in brand gestoken en geslecht. De oude haat komt naar boven. De Fransen zijn Kortrijk en Groeninge 1302 helemaal niet vergeten.

Koning Karel weet dat de Kortrijkzanen elk jaar opnieuw in de julimaand festiviteiten organiseren om hun Guldensporenslag te vieren, met ‘veel vrolijkheden waar bij ze schimpten op de Fransen ter nagedachtenis dezer victorie’. Er worden in de stad een aantal brieven gevonden die er op wijzen dat enkele Franse dissidenten zich verenigd hadden met de Kortrijkzanen om oorlog te voeren tegen de Franse lelie. Het maakt de wraak op Kortrijk er alleen maar wreder om.

In Brugge zijn ze maar wat tevreden dat ze vrede en vergiffenis hebben gekregen. Ze beginnen hier in snel tempo aan de heropbouw van hun vernielde stadspoorten en van hun stadsmuren. Allen die zich in het stadsbestuur geëngageerd hebben aan de zijde van Artevelde worden gedood. Pieter van den Bossche, de Gentse kopman, heeft het nieuws van de nederlaag vernomen terwijl hij zich in Brugge bevond. Hij is hier gearriveerd na het oplopen van enkele verwondingen tijdens de gevechten bij de Leie in Komen. Hij laat zich met bed en al terugvoeren naar Gent.

De apathie daar is verschrikkelijk. De Gentenaars leven in een soort van trance, de dood van duizenden van hun stadsgenoten zorgt voor een algemene verdwazing. De poorten van de stad staan wagenwijd open. De Fransen mogen er vrij binnen. Van den Bossche ook. Het kan hen allemaal niet meer schelen. ‘Ze maakten geen toestel van tegenweer, schoon niemand zo zeker van de dood was als zij, indien de Fransen eens in hun stad moesten komen, en de verbaasdheid was gedurende drie dagen zo groot, dat zij niet wisten wat aanvallen, en dat de heer van Herzele in geender manier konde vertroost ofte versterkt worden, want zij telden het verlies hun volks alleen op 9.000 burgers.’

‘En ondertussen de Franse edeldom genade verleend te hebben aan die van Brugge, verwachten de Gentenaars ook om genade te verzoeken.’ Dat is zowat de toestand die Pieter van den Bossche aantreft als hij terugkeert naar zijn thuisstad Gent. Hij kampt met wisselvallige emoties als hij dat hier allemaal bekijkt. De burgers krijgen wel onder hun voeten omdat ze de poorten onbewaakt open hebben gelaten, maar hij toont ook wel oog voor hun verdriet en hun droefheid. Maar de oorlog is verre van gedaan. Artevelde heeft zichzelf en 9.000 van zijn medebewoners de das om gedaan door zijn hovaardigheid en zijn verwaandheid. Moest hij zijn leger gelaten hebben waar het stond, dan zouden de Vlamingen onoverwinnelijk geweest zijn.

Met de maand december in zicht moeten ze hier niet bevreesd zijn dat de Franse koning nu nog zal beginnen met een belegering van Gent. Van den Bossche belooft zijn stadsgenoten om nog voor het uitbreken van de volgende lente huurlingen te zoeken om hen bij te staan. Mannen uit Holland, Zeeland, Brabant en Gelderland. François Ackerman zal Artevelde opvolgen als leider en hoe je het ook draait en keert; hij is voorzichtiger en dapperder. Hij zal de oorlog verderzetten, ‘you ain’t seen nothing yet’, de faam van de Gentenaars zal nooit zo groot worden als onder Ackerman. De peptalk van Pieter van den Bossche raakt de gevoelige snaren. Er zal niemand gestuurd worden naar de Franse koning om hem tot genade te verzoeken. Waarom zouden ze?

Dit was een fragment uit de kroniek ‘Het debacle van Westrozebeke‘.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>