Drama in Duinkerke

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       4 months ago     162 Views     Leave your thoughts  

In 1236 ontstaat er grote ophef tussen de proosdij van Sint-Walburga en de stad Nieuwpoort. De proost van Veurne meent zijn rechten te moeten laten gelden op de vistienden, belastingen die geheven worden op de kap van de vissers. Het stadsbestuur van Nieuwpoort is daar helemaal niet voor te vinden en weigert. Daarop gaat de proost van Sint-Walburga over tot dagvaarding van Nieuwpoort. Hij stuurt twee priesters naar de havenstad om er de tienden op te eisen. De komst van de hardnekkig aandringende priesters jaagt de Nieuwpoortnaars de bomen in. Ze gaan helemaal door het lint. Wat begint als een vechtpartij eindigt uiteindelijk met de moord op de priesters van Sint-Walburga. Het spel zit nu helemaal op de wagen. Alle inwoners van Nieuwpoort worden in de ban van de kerk geslagen. Geëxcommuniceerd dus. Het is een al te zware straf voor de hele bevolking en na een tijdje verzoeken aan aantal prominenten om eens te praten met elkaar om tot een vergelijk te kunnen komen. Gravin Johanna en Adam, de bisschop van Terwaan, organiseren een soort tribunaal, een bemiddelingspoging en nodigen een aantal partijen uit om in alle onafhankelijkheid het geschil bij te leggen.

Vraag is welke tegenprestaties er moeten komen om de ban van de kerk over de hele bevolking ongedaan te maken. De abt van Sint-Bertijns, de proosten van Sint-Omaars en van Brugge en de kanselier van Vlaanderen worden, onder bedreiging van boetesom van 1000 pond, verplicht zich te melden als juryleden. Op 13 september 1236 volgt het verdict van de jury. Eerst en vooral worden de vijfentwintig Nieuwpoortnaars die betrokken waren bij de moord naar zee verbannen waar ze één jaar moeten verblijven. Onder hen bevinden zich zowel schepenen als gewone burgers. Maar voor de zeereis begint, hebben de vijfentwintig gestraften nog heel wat andere katten te geselen!

De verbanning op zee start op de feestdag van Sint-Jan de Doper op 24 juni 1237 en zal dus duren tot 24 juni 1238. Tussen 13 september 1236 en 24 juni 1237 moeten de mannen een aantal plechtige processies afleggen. Zet u schrap: want dit is wat ze moeten doen als straf: ze moeten op plechtige processie naar de hoofdkerk van Terwaan, naar Sint-Omaars, Sint-Bertijns, Sint-Walburga en Sint-Niklaas in Veurne, naar Diksmuide, Ieper, Cassel, Grevelingen, Calais, Wissant en Boulogne. Vervolgens naar de hoofdkerk van Doornik, naar Sint-Donaas en Onze-Lieve-Vrouw in Brugge, Sint-Pieters en Sint-Baafs in Gent, de Sint-Pieterskerk in Rijsel, naar vier kerken in Kamerijk (Cambrai), naar Arras (Atrecht) en naar de kerken van Douai en Bethune.

De processiegangers dienen de processies blootsvoets, in hun ondergoed, en bij het dragen van roeden uit te voeren, hierbij het gebed ‘Miserere mei, Deus’ (wees mij genadig God) opzeggende. Van elke processie dienen honderd notabelen van Nieuwpoort getuige te zijn. De straf dient integraal te worden uitgevoerd op straffe van verbeurdverklaring van al hun eigendommen.

Ook het stadsbestuur krijgt een straf van de rechtbank: vooral jaarlijkse geldboeten en steungelden voor streekkloosters dienen vereffend. Ook het nieuwe klooster van Roesbrugge moet vijftig pond als rente ontvangen van het Nieuwpoortse stadsbestuur. Schadevergoedingen voor de vermoorde priesters, vergoedingen voor kosten.

Ze worden verplicht duizend pond op tafel te leggen om een versterkte woning te bouwen voor de gravin en ze dienen daar bovenop nog te zorgen voor het uitgraven van de grachten en het bouwen van de versterking. En bovendien moet Nieuwpoort een stuk grondgebied afstaan. Er is één lichtpunt voor de Nieuwpoortenaars: als al het volk tussen de zestien en zestig jaar zweert nooit nog ook maar enig leed te doen aan priesters krijgen ze kwijtschelding van het betalen van de vistienden waar het allemaal mee begonnen was.

In 1237 wordt het nieuwe klooster van Ter Duinen in gebruik genomen. In 1197 had Elias de grondvesten gelegd en het is uiteindelijk de nieuwe abt Nicolaas van Belle die het nieuwe gebouw optrekt en afwerkt. De verhuis van de oude naar de nieuwe abdij gebeurt processiegewijs. Ook alle begraven abten en monniken in het vroegere gebouw worden overgebracht naar een nieuwe begraafplaats.

Bij het opgraven van voormalig abt Sint-Idesbald, die ondertussen al tweeënzeventig jaar begraven is, blijkt zijn dode lichaam exact in dezelfde toestand te zijn zoals het in 1165 begraven was. Later zullen we vertellen over de tweede opgraving van Sint-Idesbald in 1627. De magistratuur van Veurne-Ambacht is in het jaar 1240 niet erg hoog geacht en beperkt zich vooral tot burgerlijke zaken tussen de Veurnenaars zelf. Criminele en bestuurszaken binnen de casselrie zoals de organisatie van de pointingen en settingen, het innen van de belastingen, gebeuren bij de belangrijkste leenmannen van het prinselijke leenhof op den Burg te Veurne.

Het zijn enkel zij die de hoofdlenen bezitten die uitgenodigd worden op de Burg. De hoofdleenmannen dragen zoals gebruikelijk in die tijd de namen van de parochies waar hun respectieve leenhoven gelegen zijn: zoals de geslachten van Stavele, Haringe, Proven, Wulveringem, Isenberge, Leisele, Lampernisse, Oeren, Pollinckhove en de andere. Alle strafrechterlijke en bestuurszaken in die gemeentes worden dus enkel en alleen bepaald door die éne hoofdleenman die hen vertegenwoordigt in den Burg te Veurne. In 1240 wordt de macht van de hoofdleenmannen in hun leengebieden bijna helemaal te niet gedaan.

Gravin Johanna van Constantinopel schenkt de magistratuur van Veurne een eigen wetgeving en wetboek (een keure of keurbrief) die vanaf juli van dat jaar in gebruik zal worden genomen in heel Veurne-Ambacht. De burgemeester en de schepenen van de stad worden met onmiddellijke ingang van zaken ook als ‘keurheren’ (administrateurs) betiteld. Ze worden verantwoordelijk voor alle wetten en voor de inning van de pointingen en de settingen in de hele casselrie.

De paus roept nog maar een keer op om op kruisvaart te vertrekken en oorlog te voeren tegen de ongelovige Sarazenen. De druk verhuist al snel naar Frankrijk en Vlaanderen waar gravin Margaretha van Constantinopel in 1248 opdracht geeft aan haar zoon Willem van Dampierre om de voorbereidselen te treffen voor de nieuwe kruistocht die er zit aan te komen. En natuurlijk wordt ook weer het volk opgetrommeld om mee te helpen.

Kardinaal Petrus à Colle komt officieel de kruistocht verkondigen en meldt zich ook aan in de Sint-Walburgakerk van Veurne waar hij een groot sermoen afsteekt en de inwoners van de casselrie oproept om in deugd en godvruchtigheid hun duit in het zakje te doen en mee te helpen aan deze goddelijke opdracht. De inwoners van de casselrie Veurne slagen er in een schip gevuld met gereedschappen, goederen en proviand klaar te krijgen om de lange zeetocht naar het oosten te maken.

Het schip ligt vertrekkensklaar aan de monding van de Ijzer. In ’t Wijde, een diepere vaargeul in Oostduinkerke. Wanneer de tijd gekomen is om te vertrekken, stappen de vrijwilligers van de streek van Veurne naar Oostduinkerke, vergezeld van hun familie en vrienden. De bloemen worden nog een laatste keer met grote sier buitengezet en iedereen wenst de reizigers een goede en behouden trip naar het Heilig Land. Het schip vertrekt met de beste wind uit de haven van Oostduinkerke om zich te voegen bij de hele Vlaamse vloot die aangemeerd ligt in Duinkerke.

Onder het geschal van de trompetten komt het Veurnse schip aan in Duinkerke. Geloof het of niet, maar precies op dit moment slaat het noodlot ongenadig toe. Schipper en stuurlui hebben het de voorbije avond zo bont gemaakt dat ze amper in staat zijn om het schip te besturen. In dronken toestand begaan ze een noodlottige stuurfout, waardoor het schip slagzij maakt en ter plekke zinkt. De meeste opvarenden, onder wie veel edellieden en priesters verdrinken.

De grote stukken gereedschap waar de bevolking van Veurne-Ambacht zo voor gewerkt en gespaard heeft, gaan verloren. Wat een dramatische gebeurtenis vindt daar plaats in de haven van Duinkerke! De mensen lopen er vertwijfeld naar toe. Naar de zee. Op zoek naar hun geliefden die overal aanspoelen aan de kust. De lichamen worden één voor één opgevist uit het water. De vele ongelukkigen worden ten grave gedragen. In heel Veurne en Veurne-Ambacht bestaat er geen enkele familie die de volgende maanden niet in rouwkledij getooid is.

….

Dit is een fragment uit deel 1 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>