Drie maagden op de Kemmelberg

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     548 Views     Leave your thoughts  

‘t Was Maandag na kleinen Tuindag (kermis) van den jare 1521. Drie jonge dochters, Magdalena Ghyselin, Lucia Larmeson en Maxima Van den Driessche, uit gebuurzaamheid vereenigd, en door de koelte van den vallenden avond uitgelokt, wandelden langzaam door de stad. In de Tempelstraat gekomen zijnde, ontmoetten sij aldaar een klein peerd, dat zonder leidsman was en scheen te dwalen.

Dit beest was zoo wonderlijk schoon, aardig en bevallig van gedaante, dat de drie maagden bleven stilstaan om bet beest te bezichtigen. Het vel van dit peerdeken was wit, zonder hair en zeer glad; op elke bil vertoonde zich, als of ‘t borduursel ware geweest, een groene papegaai, en om den buik zag men verscheidene ranken met bloemen hangen ; de beenen waren zoo rond als gedraaide pilaren, gouden kwispels vormden de maan, en de steert was van bontkleurige zijden linten samengesteld.

Op den rug lag een zadel van rooskleurigen damast. Terwijl de drie maagden zich aldus door de ongemeene schoonheid van dit peerdeken lieten vervoeren, kwam er van ver een postknecht toegeloopen, die de meester van het verloren beest scheen te zijn. Hij stuurde zich tot de opgetogen vrouwen en vraagde haar of zij wel ooit zulk een welgemaakt peerdeken hadden gezien.

Neen, antwoordden zij met verrukking. Ik geloof het wel, ging hij op een beleefden toon voort, want dit peerdeken komt van Japonie. Ik ben er vandaag eerst mede in de stad IJper gekomen, zijne hoedanigheden maken het nog meer bewonderensweerdig dan zijne uitgelezene gedaante. Het wil zich van geene manspersoonen laten berijden, en werpt degenen er af, die zulks durven beproeven; maar het is bijzonderlijk gerigt om jufvrouwen te vervoeren, zoo als gij het aan zijnen schitterende zadel bemerken kunt.

“Wanneer deze het willen beklimmen, laat het peerdeken zich aanstonds op de knieën vallen om haar op zijnen rug te ontvangen. En indien het u lustte, Jufvrouwen, eene kleine wandeling er mede te doen, zet er u maar alle drie eens op, en zegt waar gij woont of waar gij gaan wil, het zal er u met alle genoegen heen voeren, alsof het zich gevleid gevoelde, tot de dienst der schone kunne gebruikt te worden.

—Wat dunkt gij ? zegde Magdalena, die de stoutste was tot hare twee vriendinnen, ik heb nog wel eens te peerd gezeten, en indien gij het wagen durft, zal ik mij van voren zetten om te bestieren. Gij zet u van achter en kunt u aan mij vasthouden.

Wij zijn tevreden, antwoorden de twee andere. Sa, heb moed, mijn Malegys peerdeken, sprak de postknecht, terwijl hij het beest streelde, buig uwe knieën voor die Jufvrouwen, opdat zij u beklimmen mogen. Aanslonds viel het peerdeken op zijne knieën, en de drie maagden sprongen er op.

Ja maar, zegde Maxima Vanden Driessche tot den postknecht, gij moogt het peerd niet doen lopen of springen, want ik ben bang van af te vallen. Vrees niet, antwoordde de postknecht, het zal niet springen. Zeg maar waar gij zijn wilt? Naar huis, spraken de drie maagden te gelijk. Wij wonen nevens elkanders deur in de Recollettestraat. Sa, gij hebt het gehoord, mijn Malegys peerdeken,wees gehoorzaam, en rijdt met die Jufvrouwen voort, zegde de knecht tot het wonderbare beest.

Magdalena hield zich bij den toom vast, die eene gevlochte zijden koord was, om te bestieren en het fiere beest trad zoo zachtjes voort, dat men ter nauwernood zijne voetstappen hoorde. Maar allengskens versnelde den loop des peerds, en ‘t scheen eindelijk dat het als eene pijl langs de baan vloog. Men was reeds de poort uit, eer de drie maagden hadden gewaar geworden dat zij misleid waren.

De avond was gevallen en ‘t werd onmogelijk den togt af te meten, die het peerd aflegde; maar op eens hield het stil, en men bevond zich voor een wonderlijk groot kasteel, waarvan de talloze vensters als zoo vele vuurovens voorkwamen; zoodanig joeg het licht dat binnen in het kasteel was aangestoken zijne stralen er door, de welluidende tonen van duizende muziekinstrumenten bekoorden het luisterend oor der maagden.

‘T scheen ook als of men er lustig danste en sprong. Op eens ging de poort van dit kasteel open, en het Malegys peerdeken, met onze drie maagden er op, reed binnen. Den postknecht, die niet ten achteren was gebleven, trad ook binnen, en de poort sloot zich van zelfs achter hen toe, zoo dat er niemand meer uit kon. Een ogenblik daarna opende zich eene zijde deur, en menigvuldige kostelijke gekleede hof- en jonkvrouwen vertoonden zich aan het oog der IJpersche maagden.

In ‘t midden der kamer stond eene wel opgedischte kermistafel, aan welkers hoofdeinde een grote heer zat, die de meester van den huize scheen te zijn. Eenige dier jonkvrouwen stonden op, naderden de drie maagden en hielpen haar van het Malegys peerdeken stappen, dat andermaal de knieën boog, en deden ze binnen komen. Maar de Ijpersche maagden van hare verbaasdheid nog niet teruggekomen, baden om verschoning voor de ontijdige verschijning op het kasteel, en wilden het verhaal van haar ongeval beginnen.

Doch men gaf aan die verschoningen geen gehoor en de maagden waren verpligt het verzoek der jonkvrouwen in te willigen. Zij traden binnen. Haar gezicht was nog niet verzadigd van de uitgelezene kleding van al die jonkvrouwen, wanneer hare aandacht reeds op den grote heer was getrokken, uit wiens oog zulke flikkerende klaarte straalde. Zijne kleding bestond in eenen grooten tabaard van damast, die hem het gehele lichaam bedekte en op zijn hoofd had hij eene soort van luiksche muts, waar van vooren een klein spiegelken uitstak en waaraan van beide zijden diamanten en andere kostelijk gesteente vastgehecht was.

Deze heer was niet min heusch dan al de jonkvrouwen en wist door zijne vleiende taal de drie maagden zoo vriendelijk aan te halen, dat zij welstandshalve een plaatsje aan zijne tafel aanvaardden en een kermisbrokje mede aten.

De drie maagden hadden tot aan het avondmaal gewacht om den uitleg van hare wedervaring te geven, en wanneer zij den mond gingen openen om naar eenen leidsman tevragen, die ze weder bij hare ouders zouden brengen, welke zich reeds over die langdurige afwezigheid moesten bekommeren, rigtte de groote heer zich op zijne zetel op en sprak: Lustige beminde! Nu Malegys peerdeken ons het geluk heeft verschaft, die edele jufvrouwen van Ijpere op dit kasteel te mogen ontvangen, mogen wij niets nalaten om haar den avond op eene aangename en vrolijke wijze te laten doorbrengen.

Laat ons pand spelen. En als of al de hofjuffers het gedacht van haren heer raadden, hadden zij zich reeds in eene ronde geschaard, eer hij die laatste woorden had uitgesproken. Zij lieten een plaatsje open voor de Ijpersche maagden en praamden ze zich bij haar te voegen. Maar Magdalena Ghyselin sprak: Ik speel niet mede, want mijn ouders zouden ongerust zijn, zo ik mij langer ophielde.

Ik ook niet, zegde Lucia Larmeson. Ik wil volstrekt van avond ’t huis zijn, zegde Maxima Vanden Driessche, die de jongste was en vreesde bekeven te worden. Maar op die weigering kregen de ogen van de grote heer een uitdrukking, en zijn gelaatstrekken betrokken zich met zulk een wrede somberheid, dat zij zich weldra in de ronde zetten om zich aan de akelige begoocheling van dit gezicht te onttrekken. De drie maagden meenden eerste dat hare weigering een onbetamelijkheid geweest was en beschuldigden zich reeds van de ongunstige verandering, die zij in de manieren van die personagie bemerkten.

Men speelde pand. Als de beurt aan de drie maagden kwam om de woorden na te zeggen, die de grote heer voorsprak, bleef ongelukkiglijk hare gewone behendigheid in het pand spelen in gebrek, en zij waren door zijn gezicht zodanig onthutst, dat zij telkens misten en moesten pand geven. Dit duurde zo lang dat de drie maagden alles moesten afgeven, wat zij bij zich hadden, zo dat zij ten laatste al haar goudwerk als oorringen, ketting, ringen en armbanden, zelfs hare kleederen kwijt waren. De maagden wagtten met benepen hert en in hare hemdemouwen, het einde van dit spel af.

Nu, zeide de grote heer, eer wij tot de uitdeling der panden overgaan, moeten wij eens op de gezondheid van het Malegys peerdeken drinken, dat die jufvrouwcn zoo wonderbaar op ons kasteel gebragt heeft. Op de uitspraak van die woorden, werden de ogen van al de hofjuffers helderder, en schoten vlammetjes, die onze drie maagden schier verblinden. De postknecht trad binnen, schonk de glazen vol, en het schenkbord ging pligtig rond. ‘t Scheen dat de lippen van den groten heer enige geheimzinnige woor­den mompelden, en hij, die met onverschilligheid dit toneel had kunnen bijwonen , zou gezien hebben dat zijne Turkse muts veel hoger stond dan te voren, alsof er op zijn hoofd iets verborgens opgroeide, dat haar in de lucht verhief.

Men hief de glazen op en bracht ze aan den mond; maar wanneer de eerste druppels nat over de lippen der maagden had gelopen, schenen zij in eens uit een droom te ontwaken en bevonden zich onder den blauwen hemel in het bedauwd gras, dat op den bodem van een grote diepte groeide. De begoocheling was verdwenen. De drie maagden zaten in een put op den Kemmelberg, twee uren van de stad gelegen, alhoewel zij tot nu toe niet wisten op welke plaats zij zich bevonden.

Men oordele met welke verslagenheid de drie maagden elkander bezagen. In ‘t midden van den nacht, half naakt en op een onbekende plaats in een grote diepte gestort, van waar men niets ontdekken kon dan de sterren die aan den hemel glinsterden. Die stomme verbaasdheid maakte weldra plaats aan een wederzijds beklag, over haar jammerlijk lot. Eindelijk zoeken zij een middel om uit dien put te klimmen, dwalen hoofd- en blootsvoets, enige stonden op den berg rond en ontwaarden een boerenhut, waar zij hare stappen naar toe wenden.

Men klopt aan de deur; de boer staat op en vraagt wat men begeert, De drie maagden verhalen haar ongeval en vragen naar den naam der plaats, waar zij zich bevinden. Op den Kemmelberg, was ‘t antwoord, en zoo ik hoor, sprak de boer zijt gij in de bende der tooverheksen geweest, die hier alle nachten op den berg een schromelijk gerucht maken; over een uur zelfs ben ik nog opgestaan, en heb mijn hoofd het venster uit gestoken, doch heb niet met allen gezien, dan een groot licht, alhoewel ik gedurig hoorde spelen, zingen en dansen.

De drie maagden baden om klederen en om hulp; maar de boerin, die van in haar bed alles gehoord had, riep: Neen, Klaas, helpt ze niet! Ik heb in ‘t gedacht, dat die vrouwen, welke zich zoo naakt aan onze deur durven vertonen, wel drie toveressen zijn, die komen om ons te bedriegen en ons kind te betoveren, want ik boor het al schreien, laat ze ons liever vastgrijpen en verbranden.

Ik geloof dat gij gelijk hebt, vrouw, zegde de man, want het is onmogelijk dat drie lJpersche jufvrouwen, dochters van treffelijke ouders,op zulke een ongevoegelijk uur, en zonder klederen, op den Kemmelberg komen. En hij greep Magdalena,die zich het digste bij hem bevond, bij haren blauwen onderrok vast. Lucia en Maxima vlugtten en liepen den berg af. Magdalena schreeuwde en worstelde met wanhopige moed; doch er bleef haar weinig kans van te kunnen ontsnappen over, wanneer bij alle geluk den haak van haren rok lossprong. Dit toeval kwam haar te stade. Zij sprong uit den rok, dien zij in de handen van den boer lies en liep weg.

Na lang over onbekende wegen gedoold te hebben, kwamen onze schamel geklede maagden met de ogen vol tranen, beschaamde wangen en kloppend hart eindelijk aan een herberg en klopten daar ook. Zij durfden aan den weerd, die weldra opstond, niet meer vertellen, hoe zij tot dien ellendigen staat gekomen waren, uit vreeze van niet beter dan de eerste maal behandeld te worden, en verzonnen een leugen. Zij deden den weerd geloven, dat zij door struikrovers overvallen en uitgestroopt waren geweest. Dit ongeval boezemde medelijden in! De drie maagden werden binnengeleid en van klederen verzorgd.

Maar wie zijt gij, vroeg de weerd. Ik, sprak Magdalena, ben de dochter van Baudewijn Ghyselin, en deze twee meisjes wonen nevens mijne deur. Hoe, de dochter van Mijnheer Ghyselin, mijn vriend, uit de Recollettestraat te lJpre ! riep de weerd uit; indien ‘t zo is, ga ik spoedig mijnen wagen inspannen, waarmede ik verleden week een vracht hout naar zijn huis gevoerd heb, en u nog dezen nacht naar uwent geleiden, waar men zeker ongerust zijn moet.

O doe dit, doe dit! brave man, spraken de drie maagden te gelijk, onze ouders zullen u rijkelijk over die daad belonen. In min dan een half uur tijd stond de wagen met een koppel peerden er voor gespannen, voor de deur der herberg. De drie maagden, met de klederen der weerdin gekleed, sprongen er op en men vertrok.

Men was reeds een uur ver gereden, als de weerd dacht dat hij van de regte baan was afgeweken. Dat is aardig, sprak hij; ik weet den weg van Kemmel naar IJper zo goed als mijnen Vader-ons, en nogtans ben ik een verkeerde straat ingereden. Men denke hoe bang de drie maagden het kregen, wanneer zij aan het Malegys peerdeken dachten, dat haar zoo bovennatuurlijk over heg en over haag had gevoerd.

Dit is aardig, sprak de weerd weder, ik kan mijne peerden niet dwingen. Wij zijn hier nu in ‘t midden van een weide en ik kan niet begrijpen hoe het mogelijk is, dat mijn peerden er de wagen konnen doortrekken. En de wagen ging sneller en sneller voort, en werd met kracht over dijken, door bossen, over akkers en door beken getrokken. Een schim vloog gedurig voor de peerden heen. ‘t Is de schaduw van Malegys, lispelden de drie maagden met beangstheid. Men kwam eindelijk aan een brede baan, en de wagen stond stil. De peerden dampten van ‘t zweet, dat hen afliep. De schim was verdwenen en de dageraad kwam op.

De toverheksen van de Kemmelberg zullen ons misleid hebben, sprak de weerd, die zoo bleek geworden was als de dood; maar haar rijk is ten einde, want ginds in den Oosten verschijnt reeds het morgenrood. Op dit ogenblik kwam er een landman voorbij, die naar het veld trok.

Vriendschap op wat weg zijn wij hier, sprak de weerd hem toe. Op wat weg? Ja, ik moet het u vragen, alhoewel het zeer belachelijk schijnt, want ik zou de weg van Kemmel naar IJpre blindelings doen, zoo goed weet ik hem, en nogthans beken ik hem hier niet. De landman glimlachte.

Ik geloof u waarachtig wel, mijn vriend; gij spreekt van IJpre, en gij zijt meer dan tien uren van daar, want gij bevindt u hier op den weg van Steenvoorde naar Kassel. Ziet gij de stad daar in de lucht niet uitblauwen?

O Hemel! zuchten de drie maagden, hoe konden wij toch zoo onnozel zijn van ons op dit Malegys peerdeken te zetten ; en haar hoofd, door te veel ontsteltenis geschokt, zonk op haren hijgenden boezem neder. Wie weet, waar het einde van deze wegvoering zoude geweest zijn, indien ‘t Malegys peerdeken door “t daglicht niet overrast ware geworden. ‘t Was met veel moeite dat zij dien dag de stad IJpre bereikten. Men denke hoe ‘t bij haar terugkomst in ‘t Ouderlijk huis verging.

Blijdschap en verwondering,volgden op kommer en droefheid, bij ‘t verhaal van het gene zij doorgestaan hadden. Drie jaren later trouwde Magdalena Ghyselin met Remaclus, en de ongelukkige gebeurtenis, die haar en hare twee vriendinnen wedervaren was, werd op de wanden van de beste kamer geschilderd met de juiste dagtekening. Magdalena legde het onderwerp dier taferelen aan hare kinderen uit, die dan weder later hetzelfde aan de hunne deden, en zo is allengskens die geschiedenis tot ons gekomen, met de overtuiging dat er in vroegere tijden nijdige toverheksen haar verblijf op den Kemmelberg hielden, omtrent een put, die ter vereeuwiging van het verhaalde, den naam van Kinderput heeft verkregen.

Uit ‘De Toekomst’ van 1863. Met dank aan Guido Vandenbroucke.