Een arme boer van Elverdinge

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       4 months ago     178 Views     Leave your thoughts  

Diederik van de Elzas en de boer van Elverdinge

Diederik van de Elzas, ofwel van Elsaete, zoals veel kroniekschrijvers hem noemen, is een van de beste en meeste deugdlievende vorsten geweest die het edele land en grafschap van Vlaanderen hebben geregeerd. Gedurende bijna een halve eeuw (1129-1168), welke de Goddelijke Voorzienigheid hem gunde, tot het genezen van de diepe en bloedende wonden, door de gruwelijke moord van Karel Cauwaert, de arglistige staatskunde van de koning van Frankrijk Philip I, de ondeugden van Willem Clito en de eerzucht van Willem van Ieper, graaf van Lo, het land van Vlaanderen toegebracht, zag men hem voortdurend van het hem gegeven gezag gebruik maken om God en de wet te doen eerbiedigen, om alle onrechtvaardigheid uit de vierscharen te bannen.

Om kerken en kloosters tegen de baatzucht en overweldiging van de wereldlijke heren te verdedigen, om de lasten die op het volk drukten te verlichten, om de bozen te vervolgen en te straffen en de goeden op te zoeken en met weldaden te overladen, om de nog ruwe zeden van de Vlamingen te beschaven, om handel en nijverheid te beschermen, om de poorten of steden vrijheden te verdedigen, en om ter plaatse waar een God-Mens de waarheden van het Evangeliemet zijn dierbaar bloed had bezegeld, onbeschroomd de ongelovige Sarazenen te bevechten.

Diederik had zoals alle goede, grote en wijze monarchen, zoals de kalif Aaroun-el-Raschid, keizer Karel de vijfde en de Franse koning Hendrik IV, het zich gewend gemaakt van tijd tot tijd het prachtig grafelijk gewaad af te leggen om onder de vermomming van een simpele edelman of van een man van het volk de omstreken van de steden waar hij zich ophield te doorwandelen.

Hij deed dat ten einde in de massa de openhartige gesprekken van diegenen die hem dan als hun gelijken aanzagen, gelegenheden tot hervorming, tot beschaving of tot beloning aan te treffen en zich door zichzelf te overtuigen of zijn onderdanen tegenover God en de mensen gewetensvol handelden en of de ambtenaren die het geluk van het volk betrachten, hen niet verdrukten, geen misbruik maakten van de macht welke hen was toevertrouwd en onrecht in plaats van recht deden gelden.

Diederik had reeds vijf jaar lang de Vlamingen de zoetigheid van zijn wijs en voorzichtig bestuur doen smaken, toen hij eens, bij zijn verblijf in het oude Zaalhof te Ieper lust kreeg om incognito een tochtje te doen in de dorpen van de omstreken van deze stad welke reeds van dan af in nijverheid en koophandel en ten gevolge hiervan in rijkdom uitmuntte en bestemd was om later het derde lid van Vlaanderen te worden.

Wat hem hiertoe in het bijzonder aanspoorde, was dat zijn grafelijk gezag, overal elders in Vlaanderen geeerbiedigd, nog weinig gevestigd was in het kwartier van Ieper. waar graaf Willem van Lo, die in Engeland ondersteuning was gaan zoeken, nog veel aanhangers telde.

Hij begreep dat het voornamelijk de edelmoedigheid en weldadigheid waren, welke hem de harten moesten doen winnen, en dat een gezag dat op zulke grondslagen rustte onkrenkbaar was.

De grasmaand liep ten einde, en ofschoon de lente reeds gevorderd was, deed de guurheid van de winter zich nog gevoelen, en wisselden regen- en hagelbuien elkaar af. Diederik, op een dinsdag in de ochtend uit het paleis vertrokken, in de kleren van een vreemde bedelaar, had reeds in verscheidene parochies een schone oogst van nuttige onderrichten opgedaan, toen hij bij het aanbreken van de avond in Elverdinge aankwam.

Omdat de wegen niet al te veilig waren en hij geen andere wapens op zich had dan een knotsstok en een dolk, besloot hij de nacht in dit groot en schoon dorp door te brengen. Maar hij wilde niet bij een af andere heer die er een kasteel bezat of bij de pastoor intrek nemen.

Hij wilde er onbekend overnachten en wilde vooral de herbergzaamheid en gastvrijheid van de dorpelingen op de proef stellen. Hij wilde weten in hoeverre ze hun plichten ten opzichte van de medemens volbrachten en of er liefdadigheid in hun ziel schuilde. Hij wilde nagaan of hij die in ellende leefde op hun medeleden en bijstand zou kunnen rekenen.

In gevolge dit voornemen ging Diederik van huis tot huis, van hofstede tot hofstede, zich voordoende als een behoeftige vreemdeling. Hij smeekt om hun herbergzaamheid en om de liefde Gods ook voor een stuk brood. Maar nergens werd zijn bede ingewilligd. Overal ontmoetten ze hem met een onbeschofte weigering. De kwaadaardigheid van sommigen was zo groot dat ze zich niet schaamden om hun honden los te laten op hem, onbekende schamele man. De graaf had daarbij grote moeite om deze dieren die hun meesters in boosheid evenaarden met zijn knots van zich af te slaan.

Diederik, over zulke algemene onbarmhartigheid verontwaardigd, was ten zeerste verbolgen en stond op het punt om Elverdinge te verlaten om zich in het nabijgelegen slot van een van zijn vazallen te begeven. Hij dacht in zijn gemoed daarbij al aan de maatregelen die hij zou moeten nemen om de bewoners van dit armzalig dorp voorbeeldig te straffen om hun gebrek aan mededogen. Tot hij plots vaststelde dat hij een kleine hoeve, ietwat afgelegen van het dorp, nog niet bezocht had.

Hoewel de buitenkant van die woning er tamelijk ellendig uitzag en het er op leek dat de bewoners van het huis niets minder dan begoed en bemiddeld waren, wilde hij bij zijn laatste poging nog eens zijn proefneming heropstarten. Hij herinnerde zich de waarheid dat wie het minste bezit soms het meest van al geeft.

Op een zachte klop van de graaf werd de deur van het huisje geopend door een man wiens gelaat goedaardigheid, eenvoud en rondborstigheid uitstraalde. Hij was vergezeld door een grote wachthond die de vreemdeling snuffelend bekeek, hem allengskens benaderde en hem als het ware wilde strelen.

‘Wat is er?’ vroeg de boer die een kleine koehouder was en die men omwille van zijn kleine gestalte Boudewijn De Curte noemde. ‘Kan ik u van dienst zijn vreemdeling?’

‘Ik ben’, sprak de graaf ‘een arme vreemdeling, vermoeid na een lange tocht en omdat het voor mij onmogelijk is om vandaag nog in Ieper te geraken, verzoek ik u in Gods wil om hier de nacht in uw hoeve te mogen doorbrengen.’ ‘Ik zou erg blij zijn met een bundel stro en wat eten en drinken want ik bezwijk haast van de honger en de dorst.’

‘Arme lieden zijn bij ons altijd welkom’, antwoordde de boer, ‘maar het spijt me nochtans dat ge juist nu komt want het ogenblik is niet zo goed gekozen. We zijn hier niet zo op ons gemak. Mijn vrouw heeft vandaag nog een nieuw kindje gekocht en ik zal u niet kunnen onthalen zoals ik dat graag zou willen doen. Maar, kom binnen en zet u bij het vuur, want het regent nogal geweldig en ge zijt doornat. Ge moet u maar goed drogen.’

Tijdens het uitspreken van deze woorden sloot de landman de voordeur, nam Diederik bij de hand en bracht hem in een ruime kamer. Hij deed hem neerzitten in een zetel voor een grote haard waar enkele rollingen brandden en bij dewelke de hond zich ging uitstrekken. De boer vroeg toestemming om zijn gast een tijdje alleen te laten om te gaan kijken hoe het met zijn vrouw ging.

De graaf die maar al te graag met de verzoek instemde, sloeg zijn ogen rond in het vertrek waar hij zich bevond. Hij zag in een wieg twee kindjes. Een van drie en een van vijf jaar die daar sliepen. Aan de voet van de wieg knielden twee meisjes voor een kruisbeeld, het ene zeven en het andere negen jaar tellende. Ze baden God om de spoedige genezing van hun zieke moeder.

Een langwerpige houten tafel besloeg het middendeel van de kamer en in een van de hoeken lag een strozak met ongebleekte linnen slaaplakens en wollen dekens gedekt, welke hoogstwaarschijnlijk deze nacht zou moeten dienen als de bedstede van de boer.

De boer kwam terug bij de vreemdeling. Hij nodigde hem uit nadat hij zich gedroogd en verwarmd had om zich aan tafel neer tezetten en met hem en zijn dochters te avondmalen. Gedurende deze maaltijd, bestaande uit karnemelkpap een stuk vlees, een boterham met kaas en een kruik gemeen gerstenbier, vroeg Diederik aan boer De Curte of de twee meisjes die met hen aan tafel zaten en de twee jongentjes die sliepen in de wieg samen met zijn vrouw het complete gezin uitmaakten.

‘Nee’, antwoordde de boer hierop. ‘Ik heb hier nog de vader en de moeder van mijn vrouw die op dit moment wel niet thuis zijn.’ ‘Woont al dit volk in dit klein huis’, vroeg de graaf. ‘Het is groot genoeg omdat het ons met zijn allen kan bevatten.’

‘Ben je gelukkig’ vroeg Diederik. ‘Ja, vriendschap’ antwoordde De Curte, ‘ik houd me tevreden met mijn stand en mijn leven. Ik werk graag en kom met de hulp van God tamelijk goed aan mijn brood, en een dagelijks brood is alles wat ik verlang. Daarenboven doe ik niemand kwaad, verricht ik al het goede wat ik kan en geniet ik van een zuiver geweten. Kijk maar rond vreemdeling, beoordeel mijn geluk maar eens, die is met zekerheid groter dan die van de graaf van Vlaanderen, onze geduchte heer en meester.’

Nadat hij deze woorden had uitgesproken ging de boer zich opnieuw vervoegen bij zijn vrouw, na eerste nog een rolling in de haard te hebben gelegd en het vuur opgepookt te hebben. Wanneer hij terugkeerde in de kamer, of liever de keuken, droeg hij in zijn armen een nieuwgeboren zoontje, die hij legde in de armen van de vreemdeling en hem zeggende; ‘kijk eens vriendschap, wat voor een fraai geschenk mijn vrouw me gegeven heeft. Wat denk je van deze knaap?’

‘Het dunkt me’, sprak de vorst, het kind opnemende en er naar staarde bij het zwakke licht van de lamp. ‘Het dunkt me dat dit kind bestemd is om een groot fortuin te maken, dat het de opvoeding van een edelman bekomen zal en dat er een adellijk en ridderlijk geslacht uit hem spruiten zal. Ik ken iets van sterren-waarzeggerij en ik meen dat deze jongen onder een zeer gelukkige planeet geboren is.’

De boer lachtte hartelijk met deze voorspelling van zijn gast, leidde vervolgens zijn dochtertjes met het nieuwgeboren kind in de andere kamer en nodigde de vorst uit om zich naast zich op de strozak uit te strekken. En het duurde niet lang voor dat zijn geronk Diederik duidelijk maakte dat zijn gastheer van een geruste en weldoende slaap genoot. De graaf kon zoals het een beetje te vermoeden valt heel de nacht de slaap niet vatten. Hij dacht telkens opnieuw aan het gelukkige lot van deze arme en deugdelijke man bij wie hij zulk een gulhartige gastvrijheid had gevonden en hij dacht al aan de middelen die hij zou ondernemen om hem voor zijn verdiensten te belonen.

De volgende morgen stond de graaf op, nam het ontbijt dat zijn huisbaas hem aanbood, ging de vrouw bezoeken, praatte met haar en met haar ouders die ook al even goedaardig en deugdzaam vond, bezichtigde nog eens het kind en vertrok. Hij vertelde hen dat hij zich sterk maakte om in Ieper aan het hof van de graaf van Vlaanderen een heer te vinden die het jongstgeboren kind als peter boven de doopvont zou willen houden. Hij deed hen beloven dat ze op deze peter zouden wachten tot morgen donderdag om 11 uur en dat hij hem zou komen vergezellen.

De dag en de nacht verliepen en de vastgestelde dag voor de doop van het kind verscheen. Boer De Curte die enkel uit welwillendheid had beloofd om deze peter uit Ieper af te wachten, rekende daar natuurlijk niet op en hij had bij zijn eigen familie al een eigen peter en meter voorzien. En hij stond nu klaar om met hen de hoeve te verlaten om het kind ter kerk aan te bieden. Maar plots kwam een luidruchtig geblaas van een waldhoorn zijn oren treffen.

Men keek langs alle kanten en zag in de verte op de heirbaan van Ieper een talrijke hoop ruiters die in volle draf toesnelden. Ze waren rijkelijk uitgedost en al vlug kon men de livrei van de graaf van Vlaanderen, Diederik van de Elzas onderscheiden en zag men dat het een gedeelte van zijn hof was. Wanneer de stoet ter hoogte van de hoeve gekomen was, stegen als de ruiters, zeker vijftig in getal van hun paarden. Alleen drie allerprachtigst geklede jonkvrouwen bleven op hun paarden zitten.

Een van de ruiters die een mantel op de schouders en een kroon op het hoofd droeg, naderde de vader van het kind, die een voor hem zo buitengewoon als onverdacht schouwspel met verbaasde ogen aankeek. Diederik vroeg hem of hij klaar was om hem naar de kerk te volgen.

‘Ik heb’, voegde hij er aan toe, ‘u beloofd een heer van het hof als peter voor te stellen en ge ziet dat ik mijn woord houd. Daarenboven breng ik u ook een meter mee.’

Hierop wees Diederik de gravin van Vlaanderen aan, Zwanehilde of zoals de meeste schrijvers haar noemen; Margrete, dochter van de graaf Reinald van Clermont en weduwe van de graaf van Vlaanderen Karel de Goede, een van de drie jonkvrouwen die in het zadel waren blijven zitten. Deze vorstin aan wie hij zijn wedervaren in Elverdinge had verteld, had de tocht naar dit dorp met hem willen afleggen en de begeert geuit om de boorling als doopkind te bekomen. een verzoek die haar gemaal haar dadelijk had toegestaan.

Pas dan mocht boer De Curte in de peter van zijn jongste zoon in de schamele vreemdeling die hij gespijsd had en een onderkomen had bezorg te herkennen als de graaf van Vlaanderen, zijn soeverein. Hij viel voor de voeten van de vorst van wie hij al wenende zijn knieën kuste. Diederik haastte zich om de boer op te richten en zei hem dat zijn moeder het kind moest dragen en haar moederlijke zegen te geven boven de doopvont.

De boer deed wat de graaf hem beval, vervolgens nam deze het kind, zette het voor zich op zijn rijpaard en de luisterrijke stoet begaf zich traag naar de kerk waar de pastoor van het dorp die al meer dan een uur aan het wachten was op het gezelschap van boer De Curte en zijn kind en die er al bij al niet al tevreden uitzag om al dat wachten. Hij liet evenwel zijn grote verwondering blijken omwille van de grote menigte van zijn parochianen die de graaf in de kerk waren gevolgd.

Na de doopplechtigheid kwam de graaf opnieuw naar de hoeve van de boer waar hij voor de tweede keer binnentrad. Dit keer in het gezelschap van de gravin en beiden stapten in de kamer van de moeder aan wie ze het kind teruggaven zodat ze het tot de ouderdom van achttien maanden zou kunnen opvoeden. Na verloop van die tijd zou het kind door haar en de peter afgehaald worden en aan het hof opgevoed worden.

Wat graaf Diederik beloofd had, werd volbracht. Hij deed zelfs meer. Hij liet op uitgebreide akkers welke hij in Elverdinge bezat een grote hoeve bouwen en schonk dit goed in volle eigendom aan de deugdelijk voer. Hij schonk hem daarbij de nodige geldmiddelen om dit land naar behoren te kunnen bebouwen.

Zijn doopkind, waar hij ook de naam van Diederik aan had gegeven, kreeg een adellijke opvoeding en werd onder de stalmeesters van de graaf van Vlaanderen geplaatst. Hij werd later door de graaf van Vlaanderen, Filips van de Elzas wie hij naar het heilig land gevolgd had, op het slagveld van Ascalon, waar hij een heldhaftige dapperheid had laten blijken tot ridder geslagen.

Deze Diederik De Curte, deze zoon zo gelukkig ter wereld gekomen op het ogenblik dat zijn vader met plezier een onbekende arme vreemdeling gastvrijheid aanbod, huwde met de dochter van de heer van Boezinge en dan dan af is het edel en ridderlijk geslacht van De Curte afgestamd, dat dikwijls hoge ambten van het land bekleed heeft en in de zeventiende eeuw uitgestorven is.

De beloning van de arme boer van Elverdinge, was de enige straf die graaf Diederik heeft opgelegd aan de ingezetenen van dat dorp die hem slaping en brood geweigerd hadden. Men kan zich wel indenken dat ze in het geluk van boer De Curte, hun medemens, hun eigen rampspoed zagen. Iets wat ongetwijfeld hard moet gevallen zijn.

Uit de krant van 1857 – www.historischekranten.be –

PS: De Curte werd natuurlijk ‘de Curte’. Een leuke wetenschap is het feit dat deze familienaam voorkomt in de lijst van voorouders van koningin Mathilde….

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>