Een duivelszak raakt nooit gevuld

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       8 months ago     345 Views     Leave your thoughts  

De priester van Sint-Michiels wordt levend verbrand
Filips van Valois, kersverse koning van Frankrijk, rukt op naar Vlaanderen om de graaf uit de nesten te helpen en om de orde te herstellen. Zannekin wil hem afstoppen, maar lijdt een teleurstellende nederlaag na een heroïsche strijd op de Casselberg de 23e augustus 1328. Temidden deze turbulente dagen wordt keldermeester Alard van Dentergem de nieuwe chef van de proosdij.

De manuscripten van de abdij ter Duinen in Koksijde laten uitschemeren dat zijn aanstelling er is gekomen dank zij de invloed van de graaf van Vlaanderen die zich op dat moment in Ieper bevindt. Alard is een jonge en dynamische kerel die nog 35 jaar aan het roer zal blijven. Afkomstig van een Vlaamse adellijke familie, de heren van Dentergem. Alard wordt voor de eerste keer geciteerd op 28 mei 1327 ter gelegenheid van een compromis die hij en de Ieperse schepenen maken rond de moord op Jacques Scabaille. We zullen de nieuwe proost echter ontmoeten in veel belangrijkere omstandigheden.

De Ieperse ambachtslieden hebben zich maar al te zeer gehaast om aan de zijde van Zannekin te staan daar op de heuvels van Cassel waar ze deelachtig waren aan zijn dapperheid maar ook aan zijn ondergang. Overwinnaar Filips van Valois, koning van Frankrijk, is op komst naar Ieper. Wanneer het verbijsterende nieuws van de nederlaag op de Casselberg binnensijpelt in de stad, breekt de revolutie uit. Het volk keert zich tegen zijn magistraten. Opgehitst door, onder andere, de priester van de Sint-Michielsparochie, besluiten ze hun huid duur te verkopen en zich tot ter dood te verzetten tegen de inname van de stad door de Fransen.

Dat is buiten de waard gerekend van de schepenen en de notabelen die de wapens grijpen en de ambachtslieden een lesje leren en hun leiders gevangen te zetten. De pastoor van Sint-Michiel en 16 van zijn kompanen blijven zich met hand en tand verdedigen in een ‘steen’, maar bekopen hun verzet met hun leven wanneer de versterking in brand gestoken wordt en ze met huid en haar verzwolgen worden door de vlammen.

De mensen zijn niet meer die tamme schaapjes van weleer
De magistraten en de belangrijkste burgers van de stad, haasten zich als kippen zonder kop om een delegatie te sturen naar de Franse koning die zich nog altijd in Cassel bevindt. Op 28 augustus 1328 krijgen ze een vrijgeleide. Twintig personen onder leiding van de proost van Sint-Maarten reppen zich naar Filips van Valois waar ze zich op hun knieën werpen en hem bedelend verzoeken om de stad vergeving te schenken.

De koning gaat in op hun verzoek, maar zal de ambachten hard aanpakken. De koning zal trouwens zijn handen zelf niet vuilmaken aan de vendetta. Het zijn de Ieperse schepenen zelf die 22 van de belangrijkste oproerkraaiers van de voorbije revolte moeten uitkiezen. Zij zullen de boter moeten opeten voor de rest van de ambachten. Hoe dan ook; Ieper zal zwaar betalen voor haar afvalligheid. Verbanningen, boetes, verbeurdverklaringen zullen de stad aanzienlijk verarmen en voor een decennium in een staat van algemene machteloosheid herschapen. Ook het kapittel krijgt zwaar te lijden onder de onlusten in Vlaanderen.

In 1330 richten ze zich, in samenspraak met de pastoor van Reningelst, inderdaad tot graaf Lodewijk van Nevers en zijn raad van Vlaanderen. Ze dienen een klacht in tegen Arnold van Loker en tegen de heer van Loker die zich met geweld verzetten tegen de heffing van cijnzen op de eigendommen van het kapittel in Loker en Reningelst die zich bevinden binnen de heerlijkheid van Jan van Heule. De 16de juni geeft de graaf opdracht aan zijn baljuw te Veurne om de klacht te onderzoeken en zo nodig komaf te maken met eventuele geweldplegingen en rechtsovertredingen. De mensen zijn niet meer die lamme schaapjes die zich zo maar laten inpakken door de geestelijken die denken dat ze de waarheid in pacht hebben. De kerkelijke tucht is niet meer wat ze geweest is en de politieke mondigheid heeft zijn intrede gedaan.

De heren van Loker zeggen het kapittel op
De heren van Loker durven het aan om het Ieperse kapittel op te zeggen en sturen op hun beurt een klacht naar Terwaan, in casu naar Alard van Dentergem. Op 26 december 1334 geeft Terwaan de opdracht aan de deken van de christelijkheid in Ieper en aan alle priesters en kapelaans dat ze hun proost moeten gelasten de kerk van Sint-Kruis niet langer te laten bedienen door een vreemdeling maar wel door eigen priesters, net zoals dit het geval is bij de diverse parochiekerken van de stad. Indien ze niet ingaan op de eisen van Terwaan, zullen ze hun inkomsten op de bewuste kerk kwijtspelen.

Eén en ander is niet helemaal duidelijk, maar zes maand later, bij monde van brieven van de 22e juni 1335, worden de officiële aanklachten tegen de proost in stelling gebracht. Het houden van een taverne en de wijn te verkopen als een echte herbergier. Hij heeft een tonsuur laten aanbrengen, de kruin laten scheren, bij een jonge kanunnik van Sint-Maarten, zonder dat die vooraf aangebracht werd door een bisschop of een prelaat.

Hij heeft eigenhandig straffen opgelegd aan zijn kapelaans terwijl dit recht alleen kan toebehoren aan de hof van Terwaan. En blijkbaar is er ook financieel gesjoemel vastgesteld. Kapelanijen werden niet opgericht ondanks het feit dat er voor betaald werd en hier en daar zijn rentes verdwenen. De laatste aanklacht kennen we al: de Sint-Kruisparochie moest normaal bediend worden door een kanunnik die er woonachtig is, maar hier heeft hij het aangedurfd om een buitenstander die niet eens kanunnik is, de betrekking te geven. De 4de juli mag Alard van Dentergem zich komen verdedigen voor de procureurs. Hij verkoopt helemaal geen wijn zoals een herbergier. Het is juist dat hij hier en daar soms een plezier doet door een vat te verkopen, maar dat gebeurt niet uit winstbejag.

Het café ‘In de Vrede’ van de 14de eeuw
En inderdaad, hij verkoopt de resten van de vaten zodat ze niet verloren gaan. En is dat niet toegelaten misschien? Hij heeft inderdaad een tonsuur laten aanbrengen, maar dat is gebeurd op iemand die al de handenoplegging ondergaan heeft bij de bisschop. ‘So what?’ Hij volgt een gewoonte die al eeuwenlang schering en inslag is, zonder dat er ooit een haan heeft naar gekraaid. Abt Alard beweert helemaal geen straffen te hebben opgelegd aan zijn kapelanen. Hij heeft ze enkel uit hun functie ontzet en geschorst en dat is zijn volste recht. En wat betreft de financiële malversaties en de aanstelling van een leek in Sint-Michiel, schuift hij al die aanklachten van zijn nek en lult hij er op los met heel ingewikkelde redeneringen en onverstaanbare uitleg.

Precies een rechtbank van onze moderne tijden. En blijkbaar krijgt hij warempel nog gelijk ook, want er wordt geen verder gevolg gegeven aan de klachten. De relaties tussen Alard van Dentergem met het hof van Terwaan zullen voortaan op een hoffelijke manier verlopen. Tussen de Ieperse administratie en de proosdij van Sint-Maarten zijn er weinig problemen. Hier en daar een meningsverschil als het gaat over de taksen op wijnen. Dat wel.

Het kapittel beweert bij hoog en bij laag dat ze vrijgesteld is van alle accijnzen gezien de immuniteit die ze al eeuwen genieten in en rond de stad. Het stadsbestuur betwist dit niet maar stelt wel dat deze vrijstelling alleen maar geldt voor eigen gebruik. Voor wat de kanunniken zelf opdrinken, bestaat er geen discussie. Maar er moeten wel accijnzen betaald worden op wat de geestelijken verkopen aan derden.

Doorn in het oog van de stadsambtenaren is de kroeg die de kanunniken blijkbaar uitbaten in het klooster van Sint-Maartens zelf. Het café ‘In De Vrede’ dat de paters van West-Vleteren anno 2013 uitbaten, heeft inderdaad een 14de eeuwse versie te Ieper. Bij de Ieperlingen worden de taverne gemeenzaam ‘het capitel bitael’ genoemd en die bevindt zich binnen de muren van de abdij waar de kanunniken hun familieleden en vrienden van de kerk trakteren op wijn. Nog voor 1815 zal de ruimte trouwens nog getransformeerd worden in een ‘salle de spectacle’.

De geestelijken drinken 250 liter wijn per dag
Het kapittel kan niet anders dan toegeven dat de klacht van het stadsbestuur min of meer gegrond is, en begint nu met ingewikkelde berekeningen hoeveel liter wijn hun eigen mensen wel mogen en kunnen drinken. Op 13 maart 1335 geraken ze er uit. De abdij krijgt voortaan vrijstelling van accijnzen op 35 tonnen van 4 mudden. In het besef dat er in één Vlaamse mud zowat 644 liter wijn kan, zou de vrijstelling dus gaan over jaarlijks 90.000 liter of zowat 250 liter per dag. Een fenomenale hoeveelheid wijn dus die naar hartenlust gedronken, geschonken of verkocht worden. De afrekening van de accijnzen wordt tweejaarlijks uitgevoerd, alles wat boven de 70 tonnen verbruikt wordt, is nu blootgesteld aan taksen. De regeling rond de wijn zal lang in stand blijven en amper gecontesteerd worden.

‘Anno 1336 tNazareth gebaut door Jan Passcharis’ staat er geschreven in de oude Ieperse geschriften. Die Jean Passcharis is de kapelaan van Sinte-Catherine. Het Nazareth verpleeghuis bevindt zich aan het einde van de Rijselstraat, bijna rechtover het verpleeghuis van Broederlam. Het Nazareth komt er voor de opvang van de oude weduwnaars. Op de kaart van Ieper die Sanderus ooit zal maken, omschrijft hij het gebouw als het ‘gerontocomium’ voor de arme grijsaards. In de cartularia spreken ze in 1345 over de ‘veveurs’ van Sire Jean Passcharis. De voorgevel van het verpleeghuis zal herbouwd worden in 1717 en zal tot aan de eerste wereldoorlog de naam dragen van ‘GASTHUIS VAN ONZE VRAUWE VAN NAZARETH’.

Lodewijk van Male doet zijn blijde intrede in Ieper
De abdij is in rust verzonken tijdens de periode dat Vlaanderen bestuurd wordt door Jacob van Artevelde. Er is sprake van enkele kleine aanwinsten. De stad leeft terug een beetje op en geniet van een relatieve welstand. Maar er zijn ook kwade dagen wanneer verbitterde Poperingse wevers de nodige moorden en vernielingen plegen. De schrijvers houden het kort over deze historie die nochtans jaren zal aanslepen.

Ze besluiten dat de stad van Poperinge zich zal onderwerpen aan de uitspraken van de rechtbank en voortaan zijn of haar leven zal beteren. De Poperingenaars stellen zich uitermate ootmoedig en vertrouwensvol op ten opzichte van proost Alard van Dentergem, wat toch wel bewijst dat de leider van de Ieperse kerk zich de hele periode door erg discreet heeft opgesteld in de oorlog tussen die van Ieper en Poperinge. De dood van Jacob van Artevelde, vermoord op 17 juli 1345, wordt gevolgd door de dood van Lodewijk van Nevers die op 26 augustus 1346 sneuvelt op het slagveld van Crécy. Zijn zoon Lodewijk van Male doet nog in datzelfde jaar zijn blijde intrede in de goede stad Ieper.

Maar de term ‘blijde’ is ongetwijfeld een understatement want vanaf de dag van zijn aantreden krijgt hij al problemen met zijn onderdanen. In een brief van 28 mei 1347 afkomstig van Brugge, Gent en Ieper, de drie goede steden van Vlaanderen, kunnen we wat meer te weten komen over de rol die de clerus speelt tijdens de perikelen die zich over Vlaanderen in die periode afspelen. Het interdict, in de volksmond de banvloek, werd op 15 mei over Vlaanderen uitgeroepen door Annibal, de bisschop van Tusculum en door kardinaal Stevin, maar de 22e van de zelfde maand gaat de raad van Vlaanderen in beroep en beslist ze om een beroepsprocedure te starten en zo de paus beter te informeren over de werkelijke toedracht. Het beroep wordt ondersteund door de Vlaamse clerus die zich helemaal aansluit bij de zienswijze van de raad. De steden tonen zich erkentenisvol tegenover de geestelijken en ze beloven plechtig dat de hele procedure op hun kosten zal gebeuren en dat de abdijen geen cent zullen moeten ophoesten.

De begrafenisrechten zijn ‘big business’ voor de kerk
De steden beloven dat ze geen akkoorden zullen afsluiten, noch met de koning van Engeland, noch met de Fransen, zonder de geestelijken daarbij vooraf te betrekken en dat ze er alles aan zullen doen dat er geen tienden op de geestelijke eigendommen zullen moeten worden betaald, niet aan Engeland en niet aan Frankrijk, zolang er geen sprake is van een definitieve vrede. Uiteindelijk gaat de wind wat liggen en krijgt de proosdij wat tijd om zich bezig te houden met interne vraagstukken die zich binnen haar eigen organisatie aan het voordoen zijn. Eerst en vooral zijn er de laatste tijd nogal wat problemen met de Minderbroeders in de stad.

Het kapittel eist een vierde van de overlijdensrechten en de begrafenisgelden van allen die op het kerkhof van de broeders wordt begraven. Ze stuiten op een weigering van de Minderbroeders die opwerpen dat de pastoors van Sint-Maarten al hun ding hebben kunnen doen want allen die begraven liggen, hebben een begrafenisplechtigheid gekregen in één van de parochiekerken van de proosdij.

Let wel! De belangen die op het spel staan, zijn niet te onderschatten. De mortuariumrechten, in die dagen de ‘funeralia’ genoemd, zijn rechten die bij het overlijden van lokale inwoners toekomen aan de parochiale kerk of aan de parochiepriester. Voor wat betreft Ieper, is het niet helemaal duidelijk wat die exact bedragen, maar voor andere locaties in Vlaanderen, krijgen we een beter beeld van de funeralia.

Een derde of een negende van de meubelen van de afgestorvene, nadat al diens schulden afbetaald werden. Als mensen van de adel sterven, krijgt de kerk zijn of haar beste bed. Wel te verstaan helemaal opgemaakt met het fijnste beddengoed. Op overleden ambachtslieden staat een taks van 30 Doornikse stuivers en voor de ondergeschikten een vierde van dat bedrag. Na het toedienen van de laatste sacramenten, krijgt de pastoor gewoonlijk een voorschot, zonder dat daarbij iets op papier neergeschreven wordt.

Een duivelszak raakt nooit gevuld
En er zijn nogal wat vooraanstaande mensen in Ieper die begraven willen worden in de kloosters en die zich tijdens hun leven nogal vrijgevig hebben opgesteld tegenover de broeders. Uiteindelijk geraken ze uit de discussie tijdens de oktobermaand van 1352. Alard sluit een overeenkomst met broeder Willem, wachtmeester van de Minderbroeders. De lijken van de te begraven mensen dienen verder op de gebruikelijke manier gepresenteerd te worden aan de parochiekerken, maar de broeders mogen niet langer ‘septenaires’ en ‘trentains’, of jaardiensten, organiseren zolang die niet eerst gecelebreerd werden in de parochiekerken.

De strijd om de offerandegelden is gestreden. De zevende en de dertigste dag na het overlijden wordt er eerst en vooral in de kerken een gezongen kerkdienst gehouden, compleet met alles erop en eraan. En als de parochiepriesters al eens toestemming geven om wel een dienst te laten doorgaan, dan eisen ze wel alle offerandegelden op. Een duivelszak geraakt nooit gevuld. De Minderbroeders moeten verder nog één vijfde van de ontvangen begrafenisrechten afstaan aan de proosdij. Zowel in geld als in natura.

Als er vreemdelingen overlijden in een Ieperse parochie, geldt dezelfde afspraak, maar dan moet de pastoor wel bewijzen dat de overledene gestorven is in zijn parochie, anders krijgt hij niets. De opbrengsten van aanvullende herdenkingsmissen zijn voortaan volledig voor de Minderbroeders. Ten minste als alle begrafenistaksen correct werden betaald.

De belofte van de eeuwige herdenkingsmissen
Alard van Dentergem realiseert in die periode een aantal belangrijke acquisities. Zo passeert er op 30 juli 1336 een notariële akte in aanwezigheid van de abten van Zonnebeke en van Waasten. In een kamer van de abdij van de Nonnebossen schenkt juffrouw Marie Stiers de rechten van 7 hectare gronden, gelegen in de parochies van Zillebeke en Sint-Jan aan Sint-Maartens. De gronden situeren zich tussen de weg naar Kortrijk en deze van Beaurewaert, ten noorden van de hoeve van Scabaille.

In ruil voor haar schenking krijgt Marie Stiers alles wat ze nodig heeft om goed te leven en zal ze na haar dood eeuwigdurend een jaarmis krijgen in de kerk van Sint-Maarten. De 2de oktober van 1344 schenkt kapelaan en priester Siger Voghel 8 hectare grond aan de kanunniken van de Sint-Maartensproosdij. Weer al een met de belofte van eeuwigdurende herdenkingsmissen voor zichzelf, zijn ouders en zijn vrienden.

Verder wil hij betrokken worden bij alle goede werken die het klooster aan het uitvoeren is. Zowat 8 hectaren grond worden eigendom van Sint-Maartens. 5 hectare grond in de Sint-Jacobsparochie en de rest in Elverdinge. Er is één ‘maar’. Sigher Voghel wil verder het vruchtgebruik van de gronden voor zich en voor Jan Baderel, deken en kanunnik van de Sint-Maartenskerk. Het vruchtgebruik zal eindigen bij de dood van de laatste van het tweetal. De transactie krijgt de goedkeuring van proost Alard.

Het menu van de Ieperse kanunniken
Die Siger Voghel is blijkbaar geen onbemiddelde figuur. Via een soortgelijke akte schenkt hij voor het hof van Terwaan nog zowat 4 hectare grond in de parochie van Brielen en 2,5 hectare grond in Elverdinge aan de kanunniken van Sint-Maartens. Hier eist hij levenslang een dagelijkse voorziening van logies, voeding en drank van de proosdij. Archivaris Diegerick geeft verdere details wat dergelijke voorziening betekent in de 14de eeuw, meer specifiek voor een kanunnik in het Belle-verpleeghuis.

Een kamer voorzien van degelijk beddengoed en linnen. De (vette) dagen voor Vastenavond een bord met koe- of varkensvlees, of een stuk van elk. Met brood. In de magere dagen zijn dat vier eieren per dag met boter, voldoende bier en soep, vis en vlees, op voorwaarde dat de gemeenschap er binnen heeft gekregen. Zijn eten wordt op de kamer gebracht, zijn bed wordt opgemaakt door de mensen van het verpleeghuis die hem ook zullen verzorgen als hij ziek wordt en die hem eten zullen toedienen als hij dat zelf niet meer kan. Op 3 januari 1346 schenken Philippe Ghime en zijn vrouw Marguerite Griele, allebei burgers van Ieper, de hofstede van Berteloot in Vlamertinge.

De transactie gaat door voor de baljuw en voor schepen Philippe van Kemmel. De hoeve omvat 11 hectare landbouwgrond en de volledige inboedel. Aleaume de Witte is schepen in 1351. Op 10 april van dat jaar schenkt hij 54 stuivers en 9 Parijse denieren als tegenprestatie voor de grafsteen van zijn dochter Marie die begraven ligt in het klooster, dicht bij de kapittelzaal van Sint-Maarten en naast zijn voorouders. De schenking betreft de rechten op een eigendom dat gelegen is in de Elverdingestraat, aan de hoek met het Sint-Niklaasstraatje, een woning die hij zelf acht jaar eerder heeft gekocht. Diezelfde Aleaume schenkt op 2 juni van het daaropvolgende jaar, eeuwigdurend en dat wil wat zeggen, 12 eenheden bier per dag aan Sint-Maarten, bier dat te leveren is aan het Belle-verpleeghuis. In ruil wenst de Witte een al even eeuwigdurende dagmis voor zich of voor wie hij wenst in de kerk van Sint-Maarten.

Dit is een fragment uit volume 4 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ 

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>