Een maandagmorgen in de stad

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 months ago     137 Views     Leave your thoughts  

Er is iets merkwaardig aan de gang in Vlaanderen. Er is altijd al wel wat onrust geweest onder de mensen. Maar nu is er toch meer aan de hand. Waar tijdelijke opstoten van volksgeweld zich altijd voordoen in één of andere van de Vlaamse steden, begint deze nu als een constante te woekeren over heel het graafschap met al zijn blijkbaar pervers rijke steden. Later zullen historici het hebben over de grote volksopstand van 1280. De onrust is besmettelijk. De ene stad steekt de andere aan. De steden Gent, Brugge en Ieper liggen al bij al vrij dicht van elkaar. Het is alsof Vlaanderen alleen maar bestaat uit zijn steden: de ‘urbs continua’. Als er iets voorvalt in één van die steden, is het snel geweten in de andere. En er is natuurlijk de ongeziene malaise. Politiek, economisch, sociaal. De dingen draaien gewoonweg vierkant. We duiken onder in de studie van de Franse historicus Gustave Doudelez.

Op bezoek in het machtige Ieper van die tijd. Ieper is één van de meest complete steden van het middeleeuwse West-Europa. Een dominante industriestad. De Ieperse import- en exportactiviteiten reiken tot ver over de grenzen. De aanvoer van wol uit Engeland en de export van zeer geraffineerde textielproducten over zowat heel Europa zijn ongezien in die periode. Dag-in-dag-uit werkt de grote meerderheid van de Ieperse poorters binnen deze industriële context.

De opmars van Ieper is, net zoals die van Brugge en Gent, begonnen rond het jaar 1100. Tijdens de periode 1200-1250 is de stad uit zijn voegen gebarsten door een spectaculaire groei van de lakenhandel. Vreemdelingen die de Vlaamse steden voor de eerste keer bezoeken, staan versteld van de enorme bevolkingsdichtheid ervan. De superioriteit van Vlaanderen in vergelijking met de rest van Frankrijk en Henegouwen is verbluffend.

Hoeveel inwoners Ieper precies telt in de dertiende eeuw, valt moeilijk te achterhalen. Ieperse bestuurders citeren in 1247 en 1258 erg uiteenlopende aantallen tussen de 40.000 en de 200.000. Veel geschiedschrijvers hebben tevergeefs de tanden stuk gebeten om deze cijfers in de één of andere richting te verfijnen. De onophoudelijke in- en uitstroom van poorters tussen de Vlaamse steden wordt als vrij groot beschouwd en maakt een realistische inschatting eigenlijk onmogelijk. Duizenden bannelingen, meestal voor één of meerdere jaren uit hun thuisstad weggestuurd voor één of ander klein misdrijf, verhuizen van de ene stad naar de andere. En het verloop van de gewone mensen heeft natuurlijk ook met het aanbod van werk te maken.

De door de ambachtslieden gebruikte arbeiders (valets) wonen miserabel in getto’s vol met armtierige huisjes. In de verpauperde Ieperse buitenwijken. Ze huren hun miezerige optrekjes per week. De kleren die ze aan hun lijf dragen, zijn zowat hun enige eigendom. Ze trekken van stad naar stad op zoek naar werk dat hen in staat zou moeten stellen om in leven te blijven.

Ga maar eens op een maandagmorgen naar de stad. Je vindt de arme werklieden zowat overal. Op de markten. Bij de kerken. Hier zie je ze angstig wachten op ambachtslieden die hen voor acht dagen werk kunnen bieden. Van zodra ze aangeworven zijn, wordt het werk geregeld door de klokken van de stad. Van de vroege morgen, wanneer het werken moet beginnen, tot aan de avond wanneer de vermoeide lijven even respijt krijgen. Met ertussen eventjes een veel te korte interval om te eten. Elke zaterdagavond krijgen de arbeiders hun loon.

Eigenlijk zouden het zilveren denieren moeten zijn, maar dikwijls is het enige wat ze krijgen een stuk voedsel. De ambachtslieden kennen geen gêne tegenover de werkers. Ze kunnen zo hard zijn als ze willen, want voor elke man die ze werk geven, staan er twee te bedelen om hetzelfde werk te mogen uitvoeren. De verpauperde woongordel rond Ieper groeit onstuimig in de loop van de 13de eeuw. De opstand van 1280 vindt hier deels zijn oorsprong. De onrust is natuurlijk niet vreemd aan de manier waarop de Ieperse schepenen het volk buiten de stadsmuren terroriseert en hen in wezen ook verbiedt om de naam Ieperling te dragen. Ze weigeren categoriek om de bestaande stadsmuren af te breken en opnieuw te bouwen zodat ook de mensen uit de voorgeborchten beschermd kunnen wonen en veilig zijn voor het kwaad dat zo vaak van buitenaf komt.

Dank zij de spotgoedkope werkkrachten en de uitstekende ligging van Ieper bij de zee en in de achtertuin van Engeland, slagen de fabrikanten er in om een ongeziene prijs-kwaliteit te leveren bij de massaal geproduceerde textielproducten van de stad. Het is geweten dat er al in het einde van de 11de eeuw (en dat is bijna 1000 jaar geleden!) al textiel werd geëxporteerd naar het Russische Novgorod. Het Ieperse laken is in die tijd ook al massaal aanwezig aan de Middellandse zee. Zo is er bijvoorbeeld sprake van een partij Ieperse lakens die in 1186 verscheept worden van Genua naar Sicilië. De geschriften uit de 13de eeuw tonen een dominante aanwezigheid van het Iepers textiel over zowat heel Europa!

In de kronieken van de Westhoek besteden we veel aandacht aan Gwijde van Dampierre en de Dampierre-dynastie in de context van de ontvoogdingsstrijd van Vlaanderen versus Frankrijk. In deze studie over de kokerulle spitsen we ons toe op de lokale invloeden van die grafelijke familie op het volksgebeuren te Ieper in 1280. In 1280 is Gwijde van Dampierre, zoon van een heer uit de Champagnestreek, dus onze graaf van Vlaanderen.

Aanvankelijk regeert hij samen met zijn moeder Margaretha van Constantinopel. Hij laat zich in 1275 al direct opmerken door het wraken van 39 schepenen in Gent. In 1279 slaagt hij er in om, dank zij de steun van de Franse koning Filips-Augustus, de controle te verwerven over de stadsrekeningen van Gent, Brugge, Douai, Rijsel en Ieper. Het lijkt er sterk op dat Gwijde paal en perk wil stellen aan de willekeur van de schepenen in de grote steden van Vlaanderen. Dat zal aanvankelijk wel zijn bedoeling geweest zijn, maar in de loop van de gebeurtenissen zal het steeds meer duidelijk worden dat zijn houding tegenover die schepenen onderhevig zal blijken aan de meest uiteenlopende scenario’s.

In de beschikbare documenten van voor 1280 lezen we dat de volgzame Ieperse schepenen eigenlijk wel goede maatjes zijn met Gwijde van Dampierre. Hij willigt met plezier al hun wensen in en er is zowat elk jaar wel één of andere vriendendienst die de graaf gunt aan zijn schepenen. Zo krijgen de Ieperse rijkelui vrijstelling van haventaksen in de haven van Nieuwpoort. Getekend door Gwijde en zijn moeder. De rijke handelaren, lid van de Hanze, en de Ieperse gegoede burgerij krijgen in 1276 toestemming om, net zoals de adel, wapens met zich mee te dragen over heel het grondgebied van het graafschap Vlaanderen.

In 1277 volgt een privilege dat nog handiger is voor het rijk volk. Als ze iets mispeuteren, kunnen ze niet meer verschijnen voor de gewone Ieperse vierschaar. Enkel een beroepsrechtbank van de ambachten mag hen beoordelen. En natuurlijk ook nog steeds de rechtbank van het Zaalhof, waar de Vlaamse feodale rechtbank zetelt. Voortaan kan de graaf niet langer zomaar goederen confisqueren van de gegoede Ieperlingen en kan hij, of één zijn afgevaardigden, hen niet meer laten aanhouden als ze zich buiten de stadsmuren begeven. De textielhandelaars krijgen als het ware een grafelijke vrijgeleide tijdens hun verre reizen naar het binnen- en buitenland. Maar er is ook een keerzijde aan de medaille voor de Ieperse schepenen. In ruil voor de hand- en spandiensten van de graaf, moeten ze wel totaal aan zijn kant blijven staan.

Vooral hun financiële steun en borgstelling voor de graaf tegenover zijn vele schuldeisers vallen in het oog. Leningen. De ene na de andere, moeten de financiële putten van Gwijde dempen. De graaf maakt gewoonweg misbruik van het geld van de Ieperlingen. Hij steekt de stad in schulden. Op 11 oktober 1279 staat hij de Ieperse schepenen toe de verhoogde belastingen (ook al om het betalen van die schulden) liefst voor acht jaar verder aan te houden. En enkele maanden later laat hij weten dat er met zekerheid bijkomende financiële verplichtingen zitten aan te komen.

De stadsbelastingen worden natuurlijk geheven op het ‘gemeen’. En de slimmerik schuift daarenboven nog persoonlijke lasten door naar de stedelijke kassa. Zo nemen de Ieperse schepenen op 14 oktober 1279 een lening over van de graaf. Het gaat om een schuld van 1714 pond die ze beloven om te betalen aan de schepenen van Valenciennes. Het Ieperse beleid in 1280 komt er eigenlijk op neer dat de schepenen naar willekeur mogen regeren. Zolang ze maar bereid zijn om voortdurend de graaf uit zijn financiële problemen te helpen.

Van enige grafelijke controle op de stadsfinanciën is blijkbaar geen sprake. De Ieperse gemeenschap, de gewone ambachtslieden, de werklieden hebben niet de minste inspraak in de boekhouding. De cijfers van juli 1279 worden zonder kritiek aanvaard door Gwijde. En de graaf toont niet de minste schaamte om openlijk te verklaren dat Ieper gebukt gaat onder een zware schuldenberg. Hetzelfde scenario doet zich trouwens voor in Brugge. Niet langer inzage in de financiële huishouding van hun stad. De Ieperse beroepsgilden voelen zich opzij gezet als ze opnieuw straal genegeerd worden bij de controle van de cijfers op 5 oktober 1280. En ondertussen eten de schepenen uit de hand van de graaf. We kijken nog eens nauwgezet naar de situatie in Ieper.

We hebben de schepenen en de rijke Hanzehandelaars met hun gevolg. Ze vormen samen de aristocratie in de stad. Naast deze elite zien we natuurlijk een behoorlijke middenklasse van gegoede burgers. De ambachtslieden, de mensen van de gilden. Ze zijn met velen, want de titel van poorter wordt nogal gemakkelijk verleend aan ieder die zich in Ieper komt vestigen om er een ambacht uit te oefenen. Als er in de Ieperse kronieken gesproken wordt over het ‘gemeen’, dan wordt er meestal verwezen naar die modale burgerij die massaal aanwezig is binnen de stadsmuren.

Gaandeweg zal de kleine burgerij een meer prominente rol gaan spelen in het stadsbestuur. Maar aanvankelijk valt de keuze voor de schepenen meestal onder de groep van de rijke poorters die op één of andere manier gelinkt zijn met de oude families van de stad. Vooral steenrijke textielhandelaars uit de gilden. Alleen wie aan de top staat van het zakendoen, kan aanspraak maken op een schepenfunctie. Voorlopig is er echter nog geen plaats voor de middenklasse.

In de 13de eeuw spelen onder andere de families Van Cassel, Biezehout, Millewart, Broderlein een grote rol. Zij spelen een hoofdrol bij de lakenhandel met Engeland en delen dan ook figuurlijk de lakens uit in hun thuisstad Ieper. Ze zijn de bezitters van gronden en huizen in de stad. Soms gebeurt het dat succesvolle ambachtslieden rijk worden en uiteindelijk ook tot de kleine krans van grootgrondbezitters gaan behoren. Het is de gewoonte in die tijd dat de vierschaar de eigenaars noemt van de plekken waar misdrijven plaatsvinden: ‘op het leengoed van Michel Eime, op de grond van Clais Scattin, van Jean Ruggenvot of van Jean Vos.

De adel, de mensen met het blauwe bloed, verbinden zich natuurlijk maar al te graag met de grootgrondbezitters van stand. Zo vertelt de geschiedenis ons over de grote alliantie van 1209 tussen de adel en de schepenen. Het hart van de stad wordt gevormd door de rijke burgerij. Zij zijn het die aanvankelijk op een exclusieve manier genieten van de stadsprivileges.

Vanaf 1203 zit het graafschap zonder graaf want Boudewijn IX is keizer gaan spelen in Constantinopel en blijkt er zelfs plotseling vermist en verdwenen. Zijn dochter Johanna en zijn broer Filips van Namen besturen Vlaanderen. Maar laatstgenoemde heeft niet de minste affectie met de Vlaming. Een vreemdeling controleert het land. In 1228 wordt Ferrand van Portugal de nieuwe graaf nadat hij twaalf jaar vastgezeten heeft in een Franse gevangenis.

Het ontbreken van enig fatsoenlijk bestuur over Vlaanderen, leidt er toe dat er gedurende zowat 25 jaar sprake is van anarchie en eigenbelangen. De adel doet wat ze wil en het turbulente geloof in eigen kunnen van de steden zorgt voor een reeks van machtseilanden over de hele regio. Van enig centraal bestuur is geen sprake. De ongecontroleerde willekeur tegenover de lagere volksklassen zorgt voor onrust, die pas enigszins weggenomen wordt na de dood van Ferrand in 1233. Er komt opnieuw meer grafelijke controle op de stadsbesturen en de privileges worden overal aangepast om de rust terug te brengen bij de mensen.

In 1209 wordt er al eens geprobeerd om de middenklasse ambachtslieden te betrekken bij het schepencollege. Maar de grootgrondbezitters en de feodale schepenen zijn nog steeds benoemd voor het leven. Ondanks het professionaliseren van het schepenambt, blijven ze zich de komende jaren hardnekkig vastklampen aan de eeuwenoude feodale tradities en macht. De oude geesten verdwijnen niet zomaar. Graaf Filips van den Elzas zag zich in een reeks keures van de 12de eeuw in de grote Vlaamse steden verplicht om te vermelden dat enkel hijzelf een schepen verkiest bij de dood van een schepen in functie.

Het is zowat de enige mogelijkheid om in die tijd schepenen te vervangen. De gemeenschap van de Ieperse burgers heeft er in die periode werkelijk niets aan te zeggen. Ofwel zijn het de bestaande schepenen die de nieuwe kiezen uit hun eigen kliekje. Ofwel is het de graaf. De mensen hebben niet de minste inbreng. Enige vorm van democratie is ver te zoeken. Zo gaat het bestuur enkele eeuwen natuurlijk over van vader op zoon. De hele godse 13de eeuw blijft deze wantoestand aanslepen. Pas in 1301, na tientallen jaren van rellen en onrust, zal de situatie te gronde veranderen.

Dit is een fragment uit ‘boek 2 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>