Een tonge van lintjes

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     332 Views     Leave your thoughts  

Miserie in het huwelijk

– ‘Ze heeft moeten trouwen’, de gebuurs merken het gauw: ‘’t schortje rijst’; ‘ze was al aan ‘t sparen’.

– Hij is een soorte van een ‘heremaker’ die niets bezat ‘als krotte en kompajie’ en hij heeft ze gebonden ‘met beloften en vort’appels’ en durft nog boffen: ‘wat da’k vuil gemaakt heb, is weer schone gemaakt’. Nu speelt hij baas met heur kluiten en ‘toogt stilletjesaan zijn tanden’.

– Haar ogen zijn opengegaan: ‘g’en kunt ze niet kennen, ge moet er eerst bij geslapen hebben’.

– Ze zal niet ver meer lopen: ‘hij heeft ze geschakeld van de pomp naar de stove en de watersteen’.

– Zij klaagt bitter haar nood: ‘Trouwen is een keten waar veel meisjes naar langen om vrij te zijn. ‘k Ben van de klaver in de biezen gelopen’. Hoe dat ze ‘t stelt?… ‘Z’heeft al dikwijls gekeken van waar dat ze gekomen is’.

– Hij is nooit thuis. Ze zit daar nu alleen ‘met ‘t pakske en de zorgzak aan heur nekke… De slore mag heur oogjes vagen’. Hij is een vlieguit en laat ze maar rollen.

– Buiten kan hij een hele kompajie bezighouden maar als hij het huis nadert ‘zijn mutse staat scheef en ‘t weer overtrekt’.

– Een dwingeland. Hij komt alle stappe ‘uit zijn kot’, ‘t wijf moet zien waar dat ze terdt, er is daar geen huis mee te houden, geen kot mee te houden, ‘t is ‘inlandschen oorloge’.

– De gebuurs kennen dat lawaai en zeggen: ‘hij droomt weer van zijn duivels’ of ‘’t is weer kot van d’helsche duivels’. En ze beklagen ‘t vrouwtje: ‘welhere dat slorement, z’is getrouwd tot over heur oren met zo’n groldemol – brombeer, beerotter, ijsbeer, hertefretter, ijzerbijter – ‘t is een izegrim, een echte bullebak’.

– ‘t Spreekt vanzelf dat ‘t ongelijk niet al van ene kant komt, immers ‘preutse meisjes slordige wijvetjes’ en ‘’t preuts model is een lege teste geworden’. Ze zou het al op heur stoel moeten gebracht worden, ‘z’is te leeg dat ze heur gat opheft’.

– ‘t Staat er al overeinde (wanorde): ‘’t Is lijk ‘t huizetje van Jan Steen’. Stoelen en beelden behangen met kleren: ‘’t Is daar heel ‘t jaar Passiezondag’. Zij boft zelfs: ‘’k Heb een ezel in ‘t veld (broodwinner), ‘k moet zovele niet meer werken’.

– Geen orde en geen bedeel. Ze zou het al willen verslaan in een korte robbelinge, nu en dan doet ze een ‘roofschote’, doch ‘t is al ‘schoefelwerk’, ‘t blijft ‘half ten einze liggen’. Niets ligt op zijn plaats, haar tijd vergaat in zoeken. Geen wonder dat er gesnakt wordt: ‘waarachter zoekt ge nu? achter uw stappen!?’ Of: ‘dat ‘t kost ge zoudt uw gat verliezen’.

– Zijn moeder beklaagt hem: ‘ja ja, veel jonkheden peinzen dat trouwen een kerremesse is en ‘t is nog geen ommegang’. Ze zet hem aan: ‘ge zoudt ze moeten naar jen hand leren’. Ongenadig ook: ‘z’is maar goed genoeg om in ‘t gotegat te steken’.

– Een ‘kommére’ (praatziek) verliest al evenveel tijd, ‘t is. ‘kèkelen en nog kèkelen’. Schertsend: ‘dat babbelen een ambacht ware, ze wierden smoorrijke’. ‘t Werkt op zijn zenuwen als ‘t werk niet vordert: ‘ja maar vrouwtje, ‘t is klappen en breien’.

– Ze is nooit van de deur: ‘Veel op de praat, veel op de straat’. Ze is hele dagen ‘op den draai’ en weet al het nieuws,. ‘t is al ‘van horen zeggen’ en strateklaps.

– De vent heeft goed te vermanen: ‘Hoge zit verre ziet – Vele klapt vele liegt’: zij heeft altijd heur antwoord gereed: ‘Elk zijn goeste, klappen en broekschijten is vrijen ambacht’. Hij schudt zijn hoofd: ‘Ge kunt ze wel met één woord doen klappen maar met geen honderd doen zwijgen’.

– En dat ‘t nog aaneenhield, al die klaps. Maar ‘t en houdt al thope niet veel in, ‘t is klaps tegen de vaak, ‘t hangt aaneen lijk stront aan ‘t hemde, ‘t is een reke lijk een kruidhage, ‘t en is al thope niet goed genoeg om voor de kiekens te brokkelen.

– Die mond staat nooit stil, ‘t is lijk een windmeulen, een tonge van lintjes, een bobijne die afloopt, zo zere als de bladen die waaien, ze zou ‘t al omverre klappen. ‘t Is babbelen van ‘t vaderland weg: hoe dat ze nog speeksel heeft…

– Ze babbelt lijk een ekster, lijk een hagekutte; ‘t is een snetsebelle, een echte babbelkonte. – En zo gaan de uitspraken en vergelijkingen naar het ergste: ‘’t is een vuile tonge, een vuile kommére’.

– ‘t Kan evengoed gebeuren dat ze koppig van aard is en niet wil spreken. ‘’t Is daar in de stille metten. ‘t Is een gelezen messe aan tafel’. Datte: ‘’t is een koppige rosse’. (Is de man koppig, ‘t is een ‘stierekop’).

– Hij heeft een truntje getrouwd, een kruidje-roer-me-niet. Hij mag er niet naar wijzen, of luide klappen, of ‘’t is hoog water’. Ze zit seffens ‘met de schremer in de kele’: hij zou wel altijd moeten zijn handschoenen aandoen.

– Zij kan geen geld houden ‘geen geld zien liggen’. Ze verteert ‘kop en peze’.

– Hij moet ze kort houden van geld. De wijsheid rijmt: ‘Een raak en een spriet dat is iet, maar twee sprieten dat is nieten’. Meer eisend: ‘Twee sprieten zijn twee nieten – Een raak en een spriet is nooit iet – Maar twee raken zullen er wel geraken’.

– Hij heeft een ‘dulle Griete’ getrouwd, of ook: ‘een dulle Miete’. Antwoord: ‘Een dul wijf is een goe’ doornhage’. ‘Hij heeft geen hond nodig: ze ga’ze aantijden van de deure bassen’. En zijn vrienden lachen: ‘Hij zal geen kam moeten kopen, ze zal aantijden zijn haar kammen’.

– Goede raad voor de overeenkomst: Wijsheid in mannen, geduld in vrouwen, dat kan het huis in ruste houwen.

– Vrede in ‘t huishouden is de beste geldkoffer’ want ‘de uitvinder van de kwiste is de erfgenaam van de bedelzak’. Ruw gezegd: ‘Kwiste is ruzie maken, en dat is maar onder zwijns’.

Magda Cafmeyer in ‘Spreuken en zegswijzen uit de omstreken van Brugge’ – ‘Biekorf nr 63 – jaargang 1962
IV. Vrijen en trouwen

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>