Een treurspel van intense droefheid

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 months ago     357 Views     Leave your thoughts  

Op 22 augustus 1567 arriveert Alva in Brussel. Hij wordt er verwelkomd door Margaretha, de Raad van Vlaanderen, de burgemeester en door de lokale edelen en andere inwoners. Alva toont hen de volmachten die koning Filips II hem heeft overhandigd. Dat zal best even schrikken zijn voor het ontvangstcomité; hij blijkt over een zo goed als onbepaalde macht te beschikken om te doen wat hem belieft in alle steden, provinciën en sterkten van Vlaanderen en de Nederlanden. De landvoogdes mag haar schup afkuisen en voor haar vertrek raadt ze nieuwkomer Alva nog vruchteloos aan om te proberen de Nederlanders en de Vlamingen voor zich te winnen en zeker geen repressie te gebruiken.

Ze wist toen al ‘de onheilen die deze man zou veroorzaken’, iets wat achteraf ook zal blijken. Op 30 augustus doen de negentien bataljons Spanjaarden hun intrede in Gent. Met vooraan hun leider Maestro del Campo met enkele andere ruiters. Daarachter marcheren enkele gelederen musketiers en piekeniers die gevolgd worden door tien vaandeldragers en de rest van de musketiers en piekeniers. De andere bataljons stappen in gelijkaardige orde door de straten van een vertwijfelde stad. Ze trekken naar het centrum, naar de Vrijdagmarkt waar ze zich in slagorde opstellen, hun musketten afvuren om zich dan achteraf te begeven naar hun slaapplekken.

De Spaanse soldaten zullen vooral slapen in het centrum van de stad. Bij de burgers zelf die gedwongen werden om drie tot zes van deze onaangename gasten te herbergen. ‘Wat nog het onaangenaamst was, waren de kinderen en de wijven van de soldaten die ze erbij moesten nemen. Langs alle kanten hoorde men groot gewoel, geschreeuw en vreemde verwarring die zulke schrik veroorzaakte dat allen die zich een beetje schuldig voelden meteen de stad verlieten.’ Ook Brugge krijgt enkele regimenten Spanjaarden te logeren. Die zullen ook hier met een scheef oog bekeken worden. Hun hoogmoed en de overlast die ze bezorgen maakt hen direct gehaat. De Spaanse militairen eisen trouwens niet alleen de sleutels van de stad op, hier en daar moeten de burgers de sleutels van hun eigen woning aan hen afgeven.

Terwijl zijn troepen Gent en Brugge bezetten is de hertog van Alva al direct begonnen met de uitvoering van zijn plannen. Hij richt een bijzondere rechtbank op, een raad die bestaat uit een mix van Spanjaarden en Nederlanders. Deze raadsheren zullen zich moeten uitspreken over alle personen die zich schuldig gemaakt hebben aan ‘gekwetste goddelijke of koninklijke majesteitsschennis’. Jacobus Maertens zal de rechtbank voorzitten. Deze man is trouwens de president van de Raad van Vlaanderen. Hij wordt bijgestaan door enkele raadsheren van over het hele land. Ik som ze even op: Jan de Blasere, Jacobus Hessels, Jan Delaporte, een zekere Delrio van Brugge, Jan Dubois, ene meneer Mestdagh. De echte leider van de nieuwe rechtbank is Vargas, een in Nederland geboren man van Spaanse afkomst. Die Vargas blijkt een bloeddorstige man wiens ijver veel groter is dan zijn verstand.

Deze nieuwe raad wordt bij de Fransen ‘le conseil des troubles’ genoemd en krijgt bij ons als vlug het etiket van ‘Bloedraad’ opgekleefd. Deze ‘Raad van Beroerte’ zal zich baseren op achttien wetten om de misdadigers te berechten. Een deel van die wetten is afkomstig van onze eigen damhouder en die worden toegevoegd aan de wetten van de ‘allerstrengste rechter Draco, wiens jurisdictie berucht was omwille van zijn allergrootste strafheid en die in bloed geschreven was.’

De Bloedraad vangt aan met een regelrecht treurspel. De graven van Egmont en Hoorn worden door Sanchio D’Avila opgepakt omwille van hun tolerantie ten opzichte van andersgelovigen. Ze zijn niet alleen. Onder de opgepakten bevindt zich eveneens zijn secretaris, Bruggeling Jan Casembroot. Ze worden op 23 september 1567 onder begeleiding van vierhonderd ruiters en enkele pelotons voetvolk, goed voor drieduizend man, naar Gent gebracht. Graaf van Egmont zit in een koets die voortgetrokken wordt door twee muilezels en zijn collega van Hoorn moet de trip maken in een ‘gemene wagen’. Ze worden verwacht aan het kasteel van Gent waar een zekere Hiëronimo de Salinas hen verwacht. De toplieden worden hier opgesloten en volledig geïsoleerd gehouden van de buitenwereld.

Gedaan met de halfbakken wetgeving die al die godsdienstvrijheid tot stand heeft gebracht. De oude wetten van keizer Karel worden weer in voege gebracht. ‘Men begon scherpelijk te werken tegen al de predikanten, hun aanhangers en allen die ook maar enigszins van ketterij verdacht werden.’ In Brugge blijft het vooralsnog redelijk rustig maar in Gent is dat toch wel wat anders. Heel wat huisgezinnen zien vaders en broers in paniek wegvluchten om in leven te kunnen blijven. Al hun huizen, meubelen en eigendommen worden aangeslagen en de mensen vliegen op de straatstenen. Om te overleven zien ze zich verplicht om ongeoorloofde middelen te gebruiken om te kunnen eten.

Ik ben getuige van een onvervalst drama. De blinde terreur van Alva zorgt voor hallucinante taferelen in de stad van Gent en daarbuiten. ‘De uit hun huizen gezette families begaven zich tot moorden en branden, uitstortende op de Spanjaarden en geestelijke personen hun wraakgevoelens over het verlies en de dood van hun familieleden en vrienden. Ze deden het meeste kwaad aan de geestelijken in West-Vlaanderen. Van enkele sneden ze neuzen en oren af zoals bij de pastoor van Hondschote. Anderen werden gegeseld of ongenadig gepijnigd door het vuur. Zo vermoordden ze een pastoor en zijn koster.’

Uiteraard wordt de jacht geopend om de booswichten voor het gerecht te brengen. ‘Deze wanhopige en verbitterde mensen hielden zich op in de bossen en op afgelegen plekken en zo noemde men hen de ‘wilden’ of de ‘bosgeuzen’. Twee onder hen die een pastoor zo deerlijk hadden mishandeld, werden opgepakt en op de Gentse Korenmarkt en in de Sterre gevangen gezet.’

De Bloedraad heeft twee deurwaarders in dienst genomen die niets anders meer doen dan het schatten van de eigendommen van de opgepakte bosgeuzen. Het zijn de raadsheren Franciscus Curtewyle en Jan van der Burcht. Het duo gaat langs bij allen die beschuldigd worden van iets misdaan te hebben tegen God en de koning, hetzij via deelname aan de beeldenstorm hetzij via de hulp voor het bouwen van de geuzentempel of voor enige deelname aan gewapende acties tijdens sermoenen. Alle aangeslagen goederen en eigendommen komen achteraf in de handen van enkele ontvangers.

Op 10 februari 1568 worden de namen van alle schuldigen voorgelezen. De bekendmaking had eerder al plaatsgevonden in de respectieve steden van de daders. Ze moeten nu allen verschijnen voor de Bloedraad van Brussel waar ze zich uitvoerig moeten verontschuldigen voor de hertog van Alva. Van Male blijft in het ongewisse hoeveel Bruggelingen er aangehouden werden. Van het Gentse zijn er in elk geval honderdvijftig. ‘Zodra al deze en andere personen bij naam en toenaam werden opgeroepen, begon de procureur-generaal, Jan Debois, in de Franse taal de zaak in te leiden voor de beschuldigden en wie zijn naam hoorde vallen, moest antwoorden met ‘hier ben ik’.

Terwijl de deurwaarders klaar staan om hun eigendommen aan te slaan, begint een hoogst bedrieglijke procedure. Velen leven in de veronderstelling van op vrije voeten te komen na hun vraag om vergiffenis, zolang ze maar schuld en spijt bekennen en op hun eerstencommuniezieltje beloven om het nooit meer te doen. ‘Maar Alva wist van geen vergeven noch vergeten, en zo is kort daarna het bloedvergieten begonnen. Op de 29ste maart werden verscheidene calvinisten uit de stadskerker weggehaald en naar het Gravenkasteel gebracht. De volgende dag verschenen ze op de plaats van Sinte-Pharaïldis waar ze hun doodsvonnis kregen te horen.’

Ik heb al enkele keren hele lijsten van namen moedwillig achterwege gelaten. Dit keer doe ik dat niet. De repressie moet een gezicht krijgen. Ik wil een beeld opvangen van de mensen die hier om het leven zullen worden gebracht. Wie zijn ze? Wat hebben ze gedaan in hun leven en waarom worden ze nu zo gestraft?

‘De ene na de andere moest verschijnen. Meester Willem Rudsemelis, advocaat omdat zijn zoon een calvinistenprediker was. Pieter Andries, gevolgd door een tegeldekker en daarna Lieven De Smet een koopman in lakens. De man is zeventig. Gillis de verver en na hem een zekere Jacobus die aanvankelijk schoenmaker was maar uitgegroeid is tot een heelmeester. Hij kon zien aan de urine van de mensen welke kwalen ze hadden en had er niet het minste gedacht van dat hij hiervoor zou moeten sterven.’

Voor hun terechtstelling is er eerst nog een andere ‘show’. Zeg maar een treurspel van intense droefheid. ‘Men bracht uit het Gravenkasteel vier jongelingen die slechts gekleed waren in een linnen rokje dat tot aan hun knieën reikte. Ze werden één voor één aan een staak gebonden waarop bundels hooi en stro waren aangebracht. De scherprechter wilde hen eerst wurgen, maar Maestro del Campo weigerde dat omdat het viertal hardnekkig bleef bij de eigen overtuiging. Terwijl ze hun eigen psalmen zongen, stak hij het vuur aan. Del Campo was zo onbarmhartig dat hij eigenhandig enkele takkenbossen aftrok en spottend uitriep dat ze nu nog wat langer zouden mogen zingen.’

Velen hebben geloofd in de ijdele beloften van de Spaanse overheid en vermoeden nu in de verste verte niet dat ze nooit nog naar huis zullen terugkeren. Jan Commelin en zijn zoon Niclaeys De Salerre en veel anderen worden ter plekke onthoofd. Adriaen Dierkens, Maerten d’Hamere en Nicolaes Van der Steene blijven gevangen.
Lees de volledige kroniek ‘De Paternosterknechten‘- zie ‘kroniek in de kijker’

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>