Een trip naar Den Doel in Zonnebeke

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     811 Views     Leave your thoughts  

Uittreksel het boek ‘Den Doel Zonnebeke’ van A. Deseyne

.
Naast de vermaardheid van de abdij “Nonnenbossche” werd het uitgestrekt bosgebied er omheen nog meer bekend (en berucht) bij krijgsoversten en bij bendeleiders. Het dichte struikgewas en de hoge ligging in de buurt van leper, bood aan de oprukkende legers een gunstige aanvalsstelling, terwijl deserterende soldaten of roversbenden er een veilig schuiloord zochten. Het is meteen duidelijk dat de kloosterzusters leden onder de gevolgen van onlusten en oorlogen die eeuwenlang ons gewest teisterden en verarmden.

Vanaf de Middeleeuwen tot de Franse overheersing rond 1800 is het hier nooit één mensenleven lang rustig geweest. Naar aanleiding van deze studie maakten wij voor leper en omgeving een lijst op van de gevechten, belegeringen, plunderingen, ziekte-epidemieën of hongersnoodperiodes tussen de jaren 1100 en 1800. We noteerden 57 jaren waarin een of andere rampzalige gebeurtenis plaats vond, wat betekent dat onze bevolking gemiddeld om de 14 jaren met zware tegenslagen te kampen had.

Soms duurde het slechts één dag, maar dikwijls duurde het weken of maanden, zelfs jaren. Uit die tragische reeks volgen hierna enkele periodes waarbij “Nonnenbossche” in het nieuws kwam. Na de kruistochten was de strijdlust nog verre niet geblust, zeker niet bij de adel. Onder hun bevel werd de plattelandsbevolking van de ene naar de andere veldslag meegesleept. De zware lasten schrikten hen niet af, de hoge tol aan mensenlevens verzwakte de eensgezindheid niet. Dit kwam vooral tot uiting op het einde van de 13 de eeuw, toen de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre het opnam tegen het Franse koningshuis.

In het jaar 1300 viel de stad leper, na 4 maanden omsingeling, in Franse handen. Het verzet was echter niet gebroken en op 11 juli 1302 was het hele Ieperse gewest erbij betrokken om bij Kortrijk de Franse ridderschap uiteen te slaan. De herwonnen vrijheid was echter van korte duur. Herhaaldelijk kwam het tot nieuwe botsingen met het Franse leger. In de kerken te Parijs werd er gepreekt dat het even verdienstelijk was te vechten tegen de Vlamingen als eerder tegen de Saracenen!

In 1315 drong andermaal een Franse legergroep door tot de omgeving van leper. Maar de aanhoudende regen had de grond zo drassig gemaakt dat de paarden bleven steken in de modder. Ter illustratie dit verhaaltje dat we in Zonnebeke hoorden : “Ten westen van de abdij Nonnenbossche, langs de Oude Kortrijkstraat, ligt een perceel grond dat in de volksmond de “paardenhemel” genoemd wordt. De oorsprong van die benaming zou liggen in het feit dat er ooit een Franse ruiterij-afdeling verslagen werd. De paarden, in hun loop verrast door de holle weg, stortten ten gronde en werden door de Vlamingen afgemaakt…” Was dit een tweede uitgave van de slag aan de Groeningebeek in Kortrijk.

In het jaar 1328 woedde een hevige slag bij Cassel (Zannekin). Elk dorp uit onze Westhoek had er talrijke doden te betreuren. De Franse overwinnaars namen nooit-geziene wraakmaatregelen, waarbij de goederen van elk gezin, waaruit iemand aan de slag deelgenomen had, aangeslagen werden. Onze dorpelingen waren totaal ontmoedigd. De zware vernedering werd met gelatenheid gedragen. In angst en armoede trachtte elk in de eigen kring te overleven. De fierheid en de strijdlust waren gebroken en het zou in latere eeuwen een zeldzaamheid worden als er nog buitenmensen gezamenlijk aan de gevechten deelnamen.

Doch de onrust duurde voort. In de 16-de en 17-de eeuw waren de lage landen aan de zee onafgebroken het toneel van volksopstanden of oorlogen. Toen reeds gaf men ons land de achternaam ; slagveld van Europa ! Erger nog : het bezit van de stad leper gold in die tijden als synoniem voor het meesterschap in West-Europa. De Ieperlingen waren uiteraard de eerste slachtoffers maar het omliggende werd er niet minder door getroffen. Henri Pirenne tekende in zijn “Geschiedenis van België” (deel 2) een kaart waarop de naam “Bosgeuzen” ten zuidoosten van leper gedrukt staat. Hij refereert hierbij naar de gebeurtenissen uit de 2-de helft van de 16-de eeuw, de godsdienstoorlogen.

De godsdiensthervorming van Calvijn was tot in de Nederlanden doorgedrongen. Deze religieuze beweging verzette zich o.a. tegen de versiering in de kerken en tegen de beeldenverering. Eerst in het geheim en later in het openbaar werd het nieuwe geloof verkondigd (hagepreken). In Zuid-West-Vlaanderen heerste een grote malaise om de nieuwe indeling van bisdommen en om de teloorgang van de textielnijverheid die veel kleine wevers tot armoede bracht.

Het viel de opruiers niet moeilijk om hun Calvinistische ideeën te vermengen met de economische problemen en er een politiek-gerichte beweging uit te laten ontstaan. De opstandelingen kwamen vooral op tegen de terreur van het toenmalig Spaans bestuur die zijn hoogtepunt zou kennen onder de hertog van Alva en zijn “bloedraad”. Vermits de katholieke kerk het overwicht bezat in de plaatselijke en landelijke bewindsvoering, richtten de eerste aanvallen zich tegen kerken en kloosters.

Vanaf 1561 begonnen de rellen in Zuid-West-Vlaanderen. Het onbarmhartig optreden van de troepen deed de opstandelingen even terugdeinzen, maar in augustus 1566 herbegon het. In drie weken tijd werden meer dan 200 kerken geplunderd. Op 15 augustus 1566 woedde de beeldenstorm in het Ieperse. De abdijkerken van Nonnenbossche, Zonnebeke, Voormezele e.a. moesten het ontgelden. Valeer Pil schreef : “In Nonnenbossche werd alles vernield en verbrijzeld: kruisen, beelden, tabernakel, enz.

De zusters waren op het nippertje weggevlucht naar hun refuge in leper, maar de abdis die gebrekkig was en niet vluchten kon, werd mishandeld en liep zware verwondingen op. Korte tijd later overleed ze”. In “Monasticon Belge-Tbme III” lazen we dat een religieuze naar de Calvinisten was overgelopen en schuld had aan het baldadig optreden. Toen de storm even geluwd was, keerden ze terug. Op 14 januari 1570 kwam de bisschop van leper de ontheiligde kloosterkerk herwijden, maar het volgende jaar volgde een tweede plundering. De zusters vroegen en bekwamen de toelating om zich definitief in leper te vestigen. Doch er volgde een betrekkelijke rust en men vergat te verhuizen..!

Die rust gaf hoop. Er werden meerdere vredesakkoorden afgesloten : de “Pacificatie van Gent” in 1576, het “Eeuwig Edict” in 1577. De Spaanse koning Philips II trok zijn troepen terug. De Calvinisten grepen deze nieuwe kans en herbegonnen hun veroveringstochten. Nadat Gent in hun handen gevallen was, kwamen ze naar leper. Deze bisschopsstad werd 4 dagen belegerd waarna zij zich overgaf op 24 juli 1578, De geuzen zouden meer dan 5 jaar het bewind voeren in leper. En van dan af heerste een ware terreur in heel het omliggende. In de bossen hielden de geuzen hun vergaderingen waar de rooftochten gepland werden. 22 December 1579 werd voor kerken en kloosters een ware ramp.

De Calvinisten staken de kloostergebouwen van Nonnenbossche en Zonnebeke in brand, ook de kerken van Boezinge en Vlamertinge en het kasteel Bellewaerde. Nadat alle voedselvoorraden eruit weggehaald waren, werden vele hofsteden in as gelegd. De religieuzen van Nonnenbossche en Zonnebeke zochten een schuiloord bij burgers in leper. Zolang de geuzen er de meesters waren, was voor de kloosterlingen geen gemeenschapsleven meer mogeijk.

De zwartgeblakerde abdijgebouwen in Zonnebeke-centrum zouden 30 jaar verlaten liggen vooraleer de paters er durfden terugkeren. De puinen van Nonnenbossche zouden weliswaar opgeruimd, doch nooit meer heropgebouwd worden. De kloosterhoeve zou onder de naam “Nonnenbossche-pachtgoed” als enige herinnering overblijven. Alle onroerende goederen bleven echter bezit van de abdij die tot aan de Franse bezettingstijd in leper gevestigd bleef in de St. Jacobsstraat.

De geuzen-overval van 22 december 1579, de verwoestingen en de vlucht van vele dorpelingen waren aanleiding voor Franse muitende troepen om heel onze omgeving uit te kammen. Op Kerstdag 1579 arriveerden ze in Zonnebeke. Alles wat niet te zwaar of te heet was, werd meegenomen. De mannen die weerstand boden, werden als gevangenen meegevoerd. In paniek sloeg iedereen op de vlucht. Velen die meegeheuld hadden met de opstandelingen, zochten hun heil in Nederland. Tussen leper en Roeselare lagen alle dorpen verlaten, de lemen hoeven platgebrand, de kerken en herenwoningen als zwartgerookte ruïnes.

De nieuwe landvoogd Farnese, in 1578 aangesteld, besloot een eind te maken aan het geuzenbewind. Hij stuurde een Spaanse legerafdeling naar leper, doch de stad die omringd was door een gordel van forten, gaf zich niet over. De belegering duurde van januari 1583 tot april 1584. Toen gaf het totaal verzwakte garnizoen zich over nadat eerst alle kerken en gasthuizen in brand gestoken waren. Als gevolg verspreidde zich een vreselijke epidemie : de zwarte pest.

De Calvinisten trokken zich terug in de bossen ten zuid-oosten van leper. Onder de naam “bosgeuzen” terroriseerden zij vele jaren het omliggende. Omdat zij een gevaar betekenden voor de reizigers, kwam er in 1589 een bevel dat langs alle wegen de bossen gerooid moesten worden tot op 700 voet van de wegrand. We vermoeden dat die verordening niet overal nagekomen werd, want op 29 september 1598 werd rechtover de ingang van de uitgebrande abdij Nonnenbossche een moord begaan op Reginald Schoonaert, kapelaan te Beselare. Hij was met zijn familie in een koets op weg naar leper en werd er door Bosgeuzen neergestoken. Ter nagedachtenis werd daar later een kruis opgericht met een tekst die aan het feit herinnerde. Op de hoek van het wegenkruispunt waar de moord gebeurd was, heeft men ook een linde geplant. In 1914 stond die boom er nog en werd door de Duitse artillerie als richtpunt gekozen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn beide, boom en kruis, verdwenen.

Zulke kalvariekruisen werden na de beeldenstorm op menige plaats opgericht, meestal nabij een kruispunt waar een dodelijk ongeval had plaats gehad of op de plek waar iemand vermoord was. Een andere reactie van de katholieke bevolking waren de landelijke Mariakapelletjes. De velden bleven dus jarenlang onbebouwd. Distels en struikgewas overwoekerden de vroegere vruchtbare kouters. In 1592 werd aan om ‘t even wie de toelating verleend om de verlaten akkers voor eigen rekening te bewerken. In de bossen vermenigvuldigde het grof wikizich als nooit voorheen. Een kroniekschrijver zei het zo : “Men ghinck gheen ntyle buyten der stadt, niet zonder paryckel vander wolven verbeten te zyne”.

In de annalen van het Zonnebeeks Augustijnerklooster schreef iemand het verhaal van de dochter van de dorpsherder. Omdat haar vader ziek was, ging ze zelf met de kudde op tocht. Toen ze met haar schapen te dicht bij de bossen genaderd was, werden de dieren door een wolf aangevallen. Het meisje verdedigde haar kudde doch werd zelf gedood. Vooral in het begin van de 17-de eeuw bedreigde een echte wolvenplaag het ganse Vlaamse gewest. Ter bestrijding beloonde de abt of de heer elke vangst met een geldelijke vergoeding. Daartoe moest het gedode dier, veelal een wolvin op zoek naar voedsel voor haar jongen, getoond worden in het bijzijn van getuigen.

Wanneer ergens een wild dier opgemerkt was, verwittigde men de amman (veldwachter). Deze trommelde een groep vrijwilligers bijeen om, onder de leiding van de forestier, jacht te maken op het beest. Spijts de moeilijke omstandigheden hernam het leven zijn gewone gang. Inderhaast werden de geteisterde gebouwen opgekalfaterd. De bossen leverden het nodige hout en daarin zag de abt van Zonnebeke een gelegenheid om het nodige geld bijeen te krijgen voor de heropbouw van zijn klooster.

Na advies van de Ieperse kastelein, mocht hij een bijzondere heffingen op het kappen van de talie “in goeden nambre ende weerde”. Goede talie werd immers aangewend als vlechtwerk bij de bouw van lemen muren. Van rust of vrede was echter nog geen sprake. Alhoewel de gevechten zich meer naar het noorden en het oosten verplaatsten, bleef hier toch de militair bezetting. In de strenge winters van 1641 en van 1645 werd alle hout opgestookt voor de verwarming van de troepen, zelfs de meubels uit de huizen werden hiertoe opgeëist!

Op 30 januari 1648 kwam een einde aan de godsdienstoorlog die 80 jaren geduurd had. Door de “Vrede van Munster” werden de Noordelijke Nederlanden (protestants) gescheiden van de Zuidelijke (katholiek). Voor Frankrijk, dat er steeds op belust was zijn grens naar het noorden op te schuiven, was dit het moment! Er werd dadelijk een leger gestuurd onder het bevel van Louis van Bourbon, de prins van Condé. leper werd ingenomen samen met alles wat ten westen van de Ieperlee lag. Het jaar daarop echter heroverde de Oostenrijkse hertog Leopold de stad na een beleg van twee weken.Wat zo’n beleg voor onze dorpbewoners meebracht, kan men licht raden…

De Franse zonnekoning Lodewijk XIV gaf het bevel om tussen Nieuwpoort en de Leie een ondoordringbare grens aan te leggen. Zijn minister van oorlog Louvois rukte op naar leper in 1678. Van in zijn hoofdkwartier nabij het Wieltje commandeerde hij een regen van kanonkogels. Na een week capituleerde de stad op 25 maart. Daarna beval deze Louis alle bossen, eigendom van kloosters, kaal te hakken om de steden te versterken. De Franse vestingbouwer Vauban tekende de plannen voor de Ieperse vestingen en terzelvertijd ook voor een versterkte lijn tussen Zillebeke-vijver en de Leie te Komen. De werken zouden vele jaren aanslepen. De boeren werden verplicht met paarden en wagens de bomen aan te voeren terwijl de jonge mannen opgevorderd werden voor arbeids- of legerdienst.

Willem van Oranje waagde een nieuwe veroveringstocht in Vlaanderen ten jare 1683. Hij hield halt op de heuvellijn van ‘s Graventafel – Broodseinde en overschouwde de versterkingen rond leper. Ze boezemden hem zo’n vrees in dat hij rechtsomkeert maakte en met zijn leger naar Holland terugkeerde ‘ De “Vrede van Utrecht” in 1713 schonk ons land aan de Habsburgers. Er volgde een periode van rust, de bewoners herleefden, de landbouw ontwikkelde zich als nooit tevoren. De aardappel was een nieuwigheid door Engelse troepen ingevoerd. De knollen werden het voornaamste voedingsmiddel en van jaar tot jaar werden grotere oppervlakten met dit knolgewas beplant. In het jaar 1740, toen alle korenvelden bevroren waren, werd jong en oud van de hongerdood gered door de aardappel. Hetzelfde zou zich 100 jaar later nog eens voordoen!

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>