Een Vlaamse kolonie in Wales

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       10 months ago     639 Views     Leave your thoughts  

Een Vlaamse Kolonie in Wales (1107)

De Vlaming die in het zuidwestelijk gedeelte van Wales vertoeft is niet weinig verbaasd in die tamelijk ver gelegen streek een taal te horen spreken die hier en daar op het Vlaams gelijkt. Volgende woorden bijvoorbeeld zullen zijn aandacht opwekken – zuivere Vlaamse woorden die niet in het Engels gebruikt worden:

taal

Tussen welke grenzen worden die woorden gebezigd? Men hoort ze alleen maar in Pembrokeshire, ‘t is te zeggen in het kleine schiereiland gelegen ten westen van de baai van Carmarthen: een laag kustland dat afgescheiden is van de Engelse vlakten door het bergland van Wales waar het Keltisch nu nog sterk overwegend is.

In Pembrokeshire integendeel is het Keltisch geheel verdwenen en men spreekt er, volgens Trevor Lewis, een soort ‘lingua franca’ bestaande in hoofdzaak uit Engels met daarbij woorden van anderen en vooral Vlaamse oorsprong.

Is het niet eigenaardig Vlaamse klanken in Wales terug te vinden? Misschien zou men geneigd zijn daarop te antwoorden: toch niet, we weten immers dat vele Vlamingen deelnamen aan de verovering van Engeland in 1066 en dat er sedertdien heel wat anderen naar Engeland en Schotland emigreerden o. m. in de 11de en 12de eeuwen als huurlingen van de Engelse koning, in de 16de eeuw als vluchtelingen.

Maar hoe komt het dan dat Vlaamse woorden niet in andere districten zijn blijven voortbestaan? Omdat Pembrokeshire zo erg afgezonderd is van Engeland door het eigenlijke Wales? Best mogelijk. Maar ook omdat de Vlamingen veel talrijker geweest zijn in Wales dan in andere gedeelten van Engeland, omdat zij er feitelijk een kolonie gesticht hebben in het begin der 12de eeuw, wat dan ook de oorzaak is geweest van het verdwijnen van het Keltisch.

In de volgende bladzijden zullen wij het feit van de Vlaamse kolonisatie in Wales onderzoeken. Eerst zullen wij vaststellen dat de Vlamingen die in 1107 naar Wales overgescheept zijn van het noorden van Engeland kwamen. Daarna zullen wij de oorzaken van die migratie opzoeken om eindelijk onze aandacht te vestigen op de gevolgen van de kolonisatie voor Pembrokeshire zelf.

‘Flandrenses ad Ros venerunt’; zo spreken ‘sub anno 1107’ in korte maar onbetwistbare woorden de ‘Annales Cambriae’, de meest betrouwbare bron voor de geschiedenis van het schiereiland Wales in de middeleeuwen. Al dadelijk voelt men dat de aankomst van de Vlamingen op zulk een treffende wijze vermeld in de, voor dat tijdperk, uiterst kortbondige Annales een feit van groot belang is geweest voor Pembrokeshire.

Het gaat hier niet over Vlaamse huurlingen die tijdelijk in Wales vertoefden om er de heersappij van de koning van Engeland te vestigen. Het korte zinnetje kan maar op één enkele manier uitgelegd worden: er is sprake van een groep Vlamingen die zich in Wales komen nederzetten en er dus een kolonie stichten. Hoe zouden wij er kunnen aan twijfelen? De Annales Cambriae zelf, voor de latere jaren, zijn vol bewijzen van het bestaan van de Vlaamse kolonie.

Bovendien komen andere bronnen onze thesis staven: de ‘Brut y tywysogion’, een der bijzonderste Keltische bronnen (gelijktijdig van af 1100) zegt uitdrukkelijk dat de inwoners van Wales bij de inval van de vreemdelingen door deze uit hun huizen en eigendommen werden weggejaagd en levert dus het bewijs dat de Vlamingen, bij hun aankomst in Wales wel zinnens waren een kolonie te stichten – doel waarin zij dan ook geslaagd zijn.

Willelmus Malmesburiensis, Ordericus Vitalis en Florentius van Worcester weten trouwens ook een woord te reppen over de kolonisatie in Pembrokeshire: over de echtheid van de Vlaamse nederzetting in Wales kan niet de minste twijfel bestaan. Geen enkel geschiedschrijver heeft dan ook het feit in opspraak durven brengen: Gantrel, Freeman, Varenbergh, Kervin de Lettenhove, Cunningham, Bense, Phillips, Owen zijn het eens om het zonder aarzelen aan te nemen.

De vraag luidt nu: van waar zijn die Vlaamse kolonisten in Wales vandaan gekomen? En hier begint de moeilijkheid. Gantrel meent het volgende: tijdens een overstroming op hun kust in 1103 zouden Vlamingen naar Engeland gevlucht zijn en er aan koning Hendrik I de toelating gevraagd hebben om zich ergens in het land te vestigen. Hendrik I zou ze eerst naar Northumbrië gezonden hebben om ze dan, vier jaar later, naar Wales te doen verhuizen – omdat ze niet goed overeenkwamen met de Normandiers die in het noorden van Engeland leefden.

Freeman drukt het veel eenvoudiger uit: de Vlamingen zouden ten gevolge van een overstroming direct naar Wales gevlucht zijn als ‘last of Teutonic settlement in Britain’. Varenbergh en Cunningham nemen de stelling van Gantrel aan. Kervin de Lettenhove volgt Willelmus Malmesburiensis (waarover verder) zonder rekening te houden met de andere, tegenstrijdige en meer belangrijke bronnen. De Welsche geschiedschrijvers zoals Phillips en Owen zijn ten gunste van de stelling van Freeman. Wij zullen de bronnen opnieuw zorgvuldig onderzoeken om, indien mogelijk, tot een nieuw besluit te komen.

Ziehier, eerst en vooral, wat de steeds goed ingelichte Willëlmus Malmesburiensis over de zaak weet te vertellen: ‘rex Henricus … Flandrenses omnes Angliae accolas eo [in Wales] traduxit’. De koning zou dus al de in Engeland wonende Vlamingen naar Wales gezonden hebben. Wij weten beslist dat dit niet gebeurd is: trouwens, in vele bronnen van de 12de eeuw – en wel voor de jaren die de nieuwe Vlaamse immigratie van 1137 en volgende jaren voorafgaan – vinden wij bewijzen van de aanwezigheid van Vlamingen in alle gedeelten van Engeland, overal in feite, waar ze sedert de verovering van 1066 gevestigd waren.

De Vlamingen waren ten andere, zo talrijk in Engeland dat zij onmogelijk allen in het zuidwestelijke schiereiland van Wales zouden kunnen leven hebben. Willelmus Malmesburiensis heeft dus een vergissing begaan. Maar we onthouden van zijn verhaal dat Hendrik I de Vlamingen verplaatst heeft en dat de Vlaamse kolonisten dus voor hun aankomst in Wales reeds in Engeland aanwezig waren.

Florentius van Worcester zal ons overigens verder inlichten over de streek waar ze woonden voor de verhuizing: ‘rex Anglorum Heinricus Flandrenses qui Northymbriam incolebant cum tota supelleclili sua in Waloniam transtulit et terram quae Ros nominatur incolere praecepit’. De Vlamingen die in 1107 in Wales toekwamen woonden dus vroeger in Northumberland; ze verhuisden met al hun goederen naar Wales en dit bewijst eens te meer dat ze hier werkelijk een kolonie wensten te stichten.

Twee andere bronnen echter ook de ‘Brut y tywysogion’ en de ‘Historia ecclesiastica’ van Ordericus Vitalis. Ze geven ons teksten die onze thesis schijnen tegen te spreken. Na een eerste, oppervlakkige lezing van de tamelijk ingewikkelde tekst van de ‘Brut y tywysogion’ zou men wel kunnen denken dat de Brut Gantrel’s theorie staaft. Maar als men de bron zorgvuldig leest weet men weldra orde te brengen in de verschillende aangehaalde feiten. Het verhaal van de Brut kan, naar onze mening op de volgende duidelijke wijze samengevat worden:

1. Een zekere natie die sedert jaren op het eiland vertoefde werd door Hendrik I naar Ros gezonden; 2. Die natie was afkomstig uit Vlaanderen; 3. Haar verplaatsing was het gevolg van een overstroming in de door haar [in Engeland] bewoonde streek; omdat heel het platte land onder water lag en de bergen reeds dicht bevolkt waren vroeg zij een schuiloord aan Hendrik I die ze naar Ros zond.

Ons dunkt dat deze interpretatie zonder mogelijke twijfel de juiste is: de schrijver zegt inderdaad, terloops, dat de natie uit Vlaanderen afkomstig is en niet dat zij er pas van komt en hij bekent dat hij niet weet waar zij gedurende een zeker aantal jaren geleefd heeft. Het derde deel van het verhaal heeft betrekking niet op het tweede maar wel op het eerste deel en de overstroming waarover sprake is gebeurd niet in Vlaanderen maar in Engeland zoals de laatste zin van den tekst het op een afdoende wijze bewijst.

Hoe kon Gantrel trouwens het tegenovergestelde beweren ? De beschrijving van het landschap (platteland met bergen) past immers niet op Vlaanderen. Overigens is er in Vlaanderen sedert de zcetransgressie van de 4de en 5de eeuwen geen enkel overstroming geweest die het land onbewoonbaar maakte en een emigratie tot gevolg had.

Geen enkele Vlaamse kroniekschrijver weet ook iets te vertellen over een 12de eeuwse uitwijking naar Engeland. We mogen dus gerust aannemen dat ook volgens de ‘Brut y tywysogion’, de Vlamingen uit een ander gedeelte van Engeland naar Wales verhuisden.

Blijft Ordericus Vitalis. Sub anno 1134 luidt het in de ‘Historia ecclesiastica ‘; ‘In Flandria mare noctu redundavit et per VII miliaria reperde diffusum, basilicas, turres atque tuguria pariter operuit et innumera hominum milia … pari periculo absorbuit… Eodem anno… tunc Guali Britones … vehementer affectit sunt et plurimae regiones eorum Flandrensibus datae sunt’. Mag men er uit afleiden dat de Vlamingen door een overstroming genoodzaakt werden uit Vlaanderen naar Wales te vluchten?

Toch niet. Hier ook zijn twee goed te onderscheiden feiten aangehaald: 1) de overstroming in Vlaanderen; 2) de Vlaamse kolonisatie te Ros. Nergens wijst Ordericus op een verband tussen de twee delen van zijn verhaal: hij beschrijft eerst de vloed van 1134 en dan, omdat hij het toch over Vlaanderen heeft, vertelt hij iets over de Vlamingen in Wales. De tijdsaanwijzing eodem anno, die hier onjuist is, dient tot overgang. Volgens ons zegt Ordericus Vitalis dus noch min noch meer dan de Annales Cambriae. We hoeven overigens geen te groot belang te hechten aan zijn schrijven; de Historia Ecclesiastica is bij verre na niet zoo hoog te schatten als de andere vermelde bronnen; voor het begin van de 12de eeuw en voor de feiten die betrekking wél gekend is doch bij verre na niet zo belangrijk was als hij het ons wel zou willen doen geloven.

Al onze bronnen zeggen dus hetzelfde met min of meer bijzonderheden: de Vlamingen werden uit Northumbrië naar Wales verzonden, en dit gebeurde in 1107, zoals blijkt uit de data der twee Keltische bronnen, de Annales Cambriae en de ‘Brut y tywysogion’.

Latere minder betrouwbare kroniekschrijvers, zoals Brompton, hebben den tekst van de ‘Brut y tywysogion’ verkeerd verstaan en dan ook al de feiten verward. Van die latere bronnen komt het verhaal der geschiedsrijvers van de 19de eeuw.

Nu kunnen wij een stap verder gaan en ons afvragen: hoe zijn de Vlamingen in Northumbrië geraakt? Kunnen wij er hun aanwezigheid vaststellen voor 1104 – dus voor de zogezegde (volgens Gantrel) verhuizing van Vlaanderen naar Northumbrië?

Een hele reeks oorkonden bewijzen dat aan de grens van Schotland veel Vlamingen leefden die gedeeltelijk als huurlingen van de koning van Engeland dienst deden in het Engels leger, gedeeltelijk als landbouwers gevestigd waren. Ziehier o. m. enkele voorbeelden. Toen Willelmus Rufus in 1092 de stad Carlisle veroverde en er de hoofdstad van Cumberland van maakte nodigde hij uit, naar de nieuw aangeworven streek, Fransen en Vlamingen die meer zuidwaarts woonden, om er het land te komen bebouwen.

In 1080 werden in het noorden, Vlamingen door Northumbiers aangevallen en in 1068 kreeg een Vlaming, Robrecht van Komen, het bestuur over Northumberland. Al deze teksten bewijzen dat er Vlamingen waren in Northumberland. Een in het Angelsaksisch opgestelde oorkonde toont iets meer en wel dat er heel veel Vlamingen woonden in Northumbrië.

Wij hebben het over een charter van Willem I gegeven in 1066-69 ten gunste van Aldred, aartsbissop van York en waarin sprake is van ‘aenig man deth frencisc oder flemisc oder englisc’. Dit is naar ons weten de enige archief-oorkonde waarin er gewag gemaakt wordt van Vlamingen. Altijd en overal worden alleen Fransen en Engelsen opgenoemd: dat Willem de Veroveraar het hier nodig geacht heeft speciaal de Vlamingen te citeren schijnt ons wel te bewijzen dat ze heel talrijk waren in Northumbrië.

Daar wij verder door de pas aangehaalde teksten vernomen hebben dat de Northumberse Vlamingen in strijd waren met de Angelsaksers en in gunst bij den koning Willem I, mogen wij besluiten dat ze met de Veroveraar in Engeland overgescheept zijn in 1066 en deel uitmaakten van de goed gekende Vlaamse afdeling van zijn veroveringsleger.

De Vlaamse kolonisten in Wales hebben dus Vlaanderen verlaten in 1065-66; ze hebben deelgenomen aan de verovering van Engeland en hebben zich dan nedergezet in Northumbrië, waar zij het land bebouwden en vooral de strijd voerden tegen de laatste niet onderworpen benden van het noorden en ook tegen Schotland. In 1107 zijn ze van Northumbrië naar Wales verhuisd .

Wat is nu de oorzaak van de Vlaamse migratie geweest? Wel mogelijk is het dat Northumbrië in het begin van de 12de eeuw gedeeltelijk onder water lag, en daar juist waar de Vlamingen woonden; de beschrijving van het overstroomde land in de ‘Brut y tywysogion’ past immers goed bij Northumbrië en alhoewel geen enkele oorkonde een overstroming vermeldt voor 1107, toch weten wij dat de Northumberse kust heel vaak door de zee aangetast werd in de middeleeuwen. Dit zou dus wel ten minste gedeeltelijk de oorzaak van de emigratie kunnen geweest zijn en in dit geval zullen de Vlamingen zelf van den koning een ander schuiloord gevraagd hebben.

Verder is niet uitgesloten dat de Vlamingen die zo talrijk waren in Northumbrië er te invloedrijk werden naar de gedachte van de koning en van de daar wonende Normandiers die vreesden dat hun partijgenoten te machtig zouden worden in de grensstreek. De Vlamingen waren aan de noordelijke grensstreek welgekomen geweest zolang het er op aankwam de Northumbiers te bekampen en op dat gebied hebben ze op een prachtige manier hun taak volbracht. Maar wanneer de orde hersteld was in het begin van de 12de eeuw, zullen ze daar, zo ook in andere plaatsen van Engeland te laste gevallen zijn, en zoals Willelmus Malmesburiensis het zegt ‘ut pro multiludine onerosi videntur’.

Laat er ons echter aan toevoegen dat Hendrik I een heel ernstige reden had om de Vlamingen naar Wales te sturen: ze zouden er de Walliërs bekampen. De Vlamingen stonden inderdaad gekend om hun grote dapperheid – gedurende de 12de eeuw worden ze geprezen als de beste soldaten van de tijd en veel van de beroemde ‘Brabancones’, zijn Vlamingen en daarom ook werden zij in Engeland door de koning zo goed onthaald telkens dat hij soldaten nodig had.

Het ware jammer geweest zulk een oorlogskracht ongebruikt te laten na de overrompeling van Northumbrië, terwijl er een prachtig oorlogsveld was in Wales. Het prinsdom Wales was immers verre van onderworpen in het begin der 12de eeuw; later nog zullen de koningen van Engeland verplicht zijn er oorlog te voeren tegen de Walliërs nm. Steven van Blois in 1136 en Hendrik II in 1157 en 1165.

De Vlamingen konden er dus een uiterst nuttige rol spelen; ze naar dat gevaarlijk grenspunt sturen dat is dan ook het hoofddoel van Hendrik I geweest toen hij ze naar Wales zond. Of een overstroming in Northumbrië of/en onenigheid tussen Vlamingen en Fransen in het noorden er toe aanleiding gaven is, geloven wij, van minder belang. Hoofdzaak is dat de Vlamingen de Walliërs in bedwang zouden houden, zoals Willelmus Malmesburiensis het op een treffende wijze zegt; ‘: qui [ Flandrenses] eis [ Wallensibus] pro claustro sint et eos perpetuo coerceant.’

En inderdaad, pas zijn de Vlamingen in Pembrokeshire aangekomen of ze beginnen een hardnekkige strijd tegen de inwoners. Tot dan toe hadden de veroveraars de inheemse inwoners uit hun woningen niet gejaagd. De Vlamingen dachten beter. Ze zagen wel in dat het voor hen onmogelijk zou zijn in het land meester te blijven indien ze zich met de bevolking mengden. Ze namen dus een heel district in beslag en onteigenden er de Walliërs, die na bloedige aanvallen onder dewelke velen ‘absque omni humaratatis respectu quasi canes interfecti sunt’ zich verplicht zagen eindelijk heel Pembrokeshire te ontruimen. Dit is niet op éen dag geschied: de weerstand was hardnekkig en de Annales Cambriae en de ‘Brut y tywysogion’ zijn vol aanhalingen van botsingen en gevechten tussen Vlamingen en Walliërs.

In 1107 worden Vlamingen vermoord. In 1111, 1112 en 1115 worden de Vlamingen hevig aangevallen. In 1116 wordt een Wallisch opperhoofd, Owein, door de Vlamingen gedood. Later komt het tot een echte oorlog en zijn de koningen van Engeland verplicht tussen te komen om de Vlamingen te verdedigen. Kortom, van 1107 tot 1220 hebben de Vlamingen een echt barrière gevormd tegen de Walliërs: en dat was ook de hoofdbedoeling van Hendrik I geweest.

De bedrijvigheid van de Vlamingen in Wales beperkte zich echter niet tot het voeren van de oorlog tegen de Walliërs: ze koloniseerden het land in de volle zin van het woord t. t. z. dat zij het bebouwden en uitbaatten. Pembrokeshire is een vruchtbare, open lage vlakte, in de 12de eeuw tamelijk dicht bebost, en met een mild klimaat: een uitstekende streek voor bevolking en landbouw.

Voor de Vlamingen was het een ander Vlaanderen. Ook schijnen ze heel snel hun nieuw land gewoon geworden te zijn. Eerst in Ros en Dungleddy gevestigd, verspreidden ze zich langzamerhand naar het noorden toe om tot aan de Laugharne te geraken, rivier die de grens van hun grondgebied werd. Heel dat district door hebben ze nieuwe bevolkingscentra gesticht wat bewezen wordt door de namen van de dorpen afgeleid van de namen der eerste Vlaamse pioniers die door de oorkonden gekend staan, z.b.v. Tankardston van Tankard, kastelein van Haverford; Jordanston van Jordan van Cantinton zoon van den Vlaming Aylwin; Wyston komt van Wys de Vlaming, stichter van de beroemde familie van de Wogans; Lambston van Lambertus Echeners; Rogerston van Rogerus de Stoke. Vermelden wij nog Harmeston, Hubberston, Lambston, Leveston, Ripperston, Walterston en Uzmaston.

Door al die ‘veroveraars’ werd met hardnekkigheid gewerkt aan de uitbating van de rijke bodem. In Wales werkten ze, zoals zij het in Vlaanderen altijd gedaan hadden; het landschap was veranderd, de levenswijze bleef dezelfde. Ze bebouwden op het vruchtbare land dat hen geschonken geweest was dezelfde voortbrengselen als in Vlaanderen; evenals in Vlaanderen hadden zij kuddes vee en zorgden ze voor een opbrengst van wol die ze zelf bewerkten om zo de Vlaamse lakennijverheid ook in Wales in te voeren.

Wol en lakens werden verkocht: de handel per zee en over het land ging gepaard met de landbouw. In een woord: Pembrokeshire hebben de Vlamingen tot een lachende oase herschapen te midden van de bergen bewoond door zuiver herdersvolk, een oase die gekend stond onder den naam van ‘little England beyond Wales’, hetgeen wel een bewijs is dat het beschavingspeil van de kolonie hoger stond dan dit van het bergland.

Gaston Gerard Dept. in ‘Annales de la Société d’émulation de Bruges’ van 1931