Een vreemde sjarel van een god

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       6 months ago     204 Views     Leave your thoughts  

Gallië bestaat uit drie naties. Belgisch Gallië, Celtica en Aquitanië. De bevolking is wonderlijk geneigd tot godsdienstigheid en dat is vooral te zien in tijden van ziekte en oorlog, van ramp en tegenspoed. Het kwijtspelen van die slechte dagen kan alleen maar afgezworen worden bij de goden zelf. Offerande en sacrificie. De mensen bieden zichzelf aan om geslachtofferd te worden ter ere van een of andere vreemde sjarel van een god. Daar staan de druïdes voor, de priesters nog voor dat woord is uitgevonden. Het zijn zij die de offerandes voorstellen en uitvoeren en hun volk zo gek krijgen om mee te stappen in dit verhaal van afgoderij.

De druïdes stellen luidop de vraag of het niet aangewezen is om de ontevreden goden te paaien met dode lichamen van mensen die bereid zijn om zich persoonlijk te offeren voor het behoud en de welvaart van hun medebewoners. Al deze rituelen zijn onderhavig aan een hele reeks van openbare wetten en verordeningen die allemaal opgesteld werden door de machtige druïden.

Zo gebeurt het dat de mensen een soort heilige kooi maken van riet en takkenbossen. Een frame in de vorm van een godsfiguur die dan opgevuld wordt met levende mensen en die dan op en rond het vuur gezet wordt. De groep mensen wordt op de meest ellendige manier gebraden en verbrand, alsof het levende varkens aan een spit zijn. Zolang ze maar een behaaglijke offerande en een aangename misviering voor hun goden kunnen uitvoeren.

Zonder dat ze het eigenlijk zelf beseffen, tonen de Galliërs een schoolvoorbeeld van hoe dwaas een geloof, zeg maar elk geloof eigenlijk is. Ze geloven warempel dat ze de onsterfelijke goden behagen met de pijn en het afzien van diegenen die gevangen genomen zijn om redenen van diefstal, moord en andere misdaden. En als ze niet voldoende kwaaddoeners kunnen vinden dan worden er enkele arme onschuldige sukkelaars uitgekozen om mee te gaan in het vuur. Men kan niet genoeg zijn best doen om de goden te behagen.

De absolute hoofdgod is Mercurius. Hij is zonder meer de uitvinder van alle kunsten. Hij bepaalt de weg die reizigers dienen te volgen. De patroon van de kooplieden en de commerçanten. Ook voor Apollo, Mars, Jupiter en Minerva koestert de bevolking felle gevoelens. Apollo geneest zonder enig spoor van twijfel alle ziektes en krankheden. Mars is de bezieler van de oorlog. Geen enkele overwinning op het slagveld kan afgesloten worden zonder een gemeende dankzegging aan god Mars. De oorlogsbuit en de buitgemaakte heiligenbeelden worden aan hem opgedragen.

De bewijzen hiervan zijn nog lange tijd na Caesar zichtbaar. Verscheidene Gallische steden bezitten elk hun respectieve pakhuizen waar deze buit opgestapeld ligt en waar niemand het durft te riskeren om daar iets van te stelen. Want wat daar ligt is allemaal eigendom van de afgod Mars. Diegene die dat zou aandurven, veracht en minacht zijn god en zal na een rituele marteling ter dood worden gebracht. Vaernewyck heeft het over het ondergaan van de ‘aldervreedste pynen’. Ik hoef er geen verdere details meer bij te krijgen.

De god Jupiter regeert over de hemel. Minerva is de goeroe van de kunst en van de ambachten. Pluto wordt beschouwd als de broer van Jupiter. Jupiter, meester van de hemel en zijn broer baas van alle dingen die zich beneden het oppervlak van de aarde bevinden. De hel. Zoveel is duidelijk. Er is niemand die zelf weet waar de goden vandaan komen en waarom ze eigenlijk vereerd worden. Bewijzen zijn er niet. De druïden beweren dat het zo is en de mensen geloven de priesters en hun prietpraat. Geloof en bijgeloof zijn van alle tijden.

De tijd wordt niet geteld in dagen maar in nachten. Een gebruik dat nog altijd ingeworteld zit diep in de 16de eeuw. De mensen hebben het dan nog altijd over St.-Maartensavond, Driekoningenavond en Vastenavond. De Galliërs wensen niet in het openbaar gezien te worden met hun zonen vooraleer deze volwassen genoeg zijn om oorlog te voeren. De mannen moeten er op toezien dat hun huwelijksgift, de inbreng in hun huwelijk, na hun dood opnieuw ter beschikking kan komen van hun weduwen.

Liefkozend en vriendelijk zullen de mannen wel niet omgaan met hun vrouwen. De mannen hebben een identieke macht over hun vrouwen zoals ze die hebben over hun kinderen. Ze beschikken over de rechten om hen in leven te laten of eventueel te doden als ze zich tegenover hen misdragen. Bij het overlijden van belangrijke mannen, komen zijn bloedverwanten en vrienden bijeen en als ze kwade vermoedens koesteren over de doodsoorzaak, dan zoeken ze vergelding bij de weduwe. ‘Zij pijnigden haar wredelijk als men bevond dat zij in deze dood schuldig was, en zij werd met het vuur gestraft.’

De begrafenisdiensten moeten gruwelijke ceremonieën zijn. Met de nodige pracht en luister die mijn schrijver omschrijft als ‘grootdadigheid.’ Wie tijdens het leven van de overledene door hem graag gezien werd, wordt samen met zijn lijk in het vuur geworpen. Voor dieren en voor vrienden wordt er geen uitzondering gemaakt. Korte tijd voor de komst van de Romeinen ondergaan zijn dienaren en zijn bondgenoten nog altijd hetzelfde macabere en afgrijselijke lot.

Vaernewyck geeft er zelf zijn mening over. Vrouwen die hun man graag hebben gezien, moeten na zijn dood proeven van het wrede vuur. Het wordt beschouwd als een eerlijk loon voor een leven van trouwe liefde. Maar is het wel allemaal redelijk te noemen om een onnozel schepsel op die manier van het leven te beroven? Een wolvin heeft het beter af dan deze ongelukkige vrouw!

Hij haalt er een van zijn bronnen bij. Valerius Maximus, een Latijnse schrijver van rond het jaar 0. Maximus schrijft dat het ook in Indië de gewoonte is dat iedere man zoveel vrouwen mag hebben als hij kan onderhouden. Bij het overlijden van de man moeten hun weduwen voor de vierschaar uitleg geven hoe graag ze gezien werden door hem. Als dat door de rechter ook zo beschouwd wordt, dan lopen de respectieve weduwen blijmoedig naar het vuur, leggen zich bovenop zijn lijk en worden ze samen verbrand. Wie niet geloofd wordt door de rechters kan niet anders dan beschaamd af te druipen.

De Galliërs staan altijd klaar om oorlog te voeren. Het is hun leven. Schrijver Vincentius van Lérins, een Noord-Franse Galliër, een monnik, schrijft in de vijfde eeuw niet enkel lovende zaken over zijn volk. Voor de strijd tonen ze zich allemaal stoer en vroom, maar lang houden ze het niet vol. De Galliërs kunnen moeilijk ontbering verdragen. Ze kunnen het blijkbaar erg goed zeggen. Wat ze niet kunnen realiseren in de strijd, halen ze binnen met bedrog en arglistigheid. Schrander en innovatief zijn ze, maar meteen ook ongedurig, rusteloos en trouweloos. Ze maken snel vrienden en nog sneller vijanden.

En dan zijn er de Germanen. De ‘Duytsche’ schrijft Vaernewyck. Hun zeden verschillen totaal van die van de Galliërs. Hier bestaan er geen druïden die offerandevieringen leiden. De Germaanse goden zijn natuurelementen, dingen die ze effectief kunnen zien. De zon, de maan. En Vulcanus die door de heidenen beschouwd wordt als de god van het vuur. Dat is het zowaar.

De Germanen houden zich onledig met jagen, paardrijden en oorlog voeren. Hun kinderen moeten van jongs af leren omgaan met werken en met ongemakken. Hun favorieten zijn jongeren die lang kind blijven en de belofte met zich meedragen om uit te groeien tot krachtige strijders. Lang kind blijven, betekent meteen dat er geen plaats is voor het beleven van de puberteit. Kijken naar de vrouwen voor hun twintigste is zonder meer onbetamelijk. En dat moet verdorie niet gemakkelijk zijn als ik het zo lees. Mannen en vrouwen wassen zich gezamenlijk in de rivier. De vrouwen bedekken amper hun intieme delen en tonen zich dus zo goed als naakt aan de jonge mannen.

Ze moeten niet veel weten van de landbouw. De pot schaft melk, kaas en vlees. Niemand heeft grond in eigendom. Elk gezin krijgt jaarlijks een perceel toegewezen. Veel ambitie om te boeren is er niet. Vooral met de wetenschap in het achterhoofd dat ze in een volgend jaar op een andere plek zullen wonen. Het rondzwerven heeft zo zijn bedoelingen. Hun focus ligt op oorlog. Veel op dezelfde plaats blijven wonen is binnen deze context nefast. Het beoefenen van de landbouw zou de mannelijke strijdbaarheid kunnen doen afzwakken.

De oorlogskunde mag nooit vergeten worden! De landbouw heeft trouwens een sociaal aspect dat hen niet echt aanstaat. De rijkste en de machtigste boeren zullen de zwakke domineren en verdrijven. Het volk mag niet te keurig wonen. De Germanen mogen niet begerig koekeloeren naar geld en goed. Beschut zijn tegen hitte en koude is al meer dan voldoende. Elke vorm van welstand zal muiterij, tweedracht en gekrakeel doen ontstaan. Nee. Het is duidelijk beter om een goede eensgezindheid te behouden.

Het Duitse volkje vindt het prima als hun steden omringd zijn door woest en onbewoonbaar land. Ze hebben hun buren verdreven, zoveel is duidelijk. Niemand durft nog te wonen in hun nabijheid en zo zijn ze meteen ook zeker om niet om het geringste aangevallen te worden. De oorlogen spelen zich dus vaak af tussen de steden onderling, met de burgemeesters als legeraanvoerders en gezegend met de absolute macht om te heersen over het leven en dood van de eigen onderdanen.

Ook in tijden van vrede laten de voogden van de steden zich gelden als alleenheersers. Voor gemene overheden en magistraten is er geen plaats. De burgemeester regelt alle geschillen. Straatschenden en het uitstropen van mensen die niet van hun stad of land zijn, wordt niet als verkeerd bestempeld. Integendeel: het is voor de jongeren een kans om te oefenen en om de luiheid uit hun lijven te verdrijven. Van God en zijn geboden hebben ze nog geen weet. Het zijn heidenen. Ze volgen de wetten van de natuur. Zo is het totaal verkeerd om iemand te beroven die onschuldig is. Men mag niets aanrichten aan een ander wat men zelf niet graag zou ondergaan. Het is niet geoorloofd om het goed van een ander te beroven als dat het resultaat is van diens zweet en arbeid en als het allemaal eerlijk en met vaardigheid werd gespaard.

Hier in Vlaanderen hebben velen onder ons anno 2015 datzelfde Germaans bloed in zich. Ik ben er als de kippen bij om meer te leren over al die illustere voorvaderen. Al vroeg proberen die Germanen hun heerschappij uit te breiden. Ik moet daarbij aan de naam ‘Franken’ denken dat met verloop van tijd trouwens de maidennaam van Frankrijk zal genereren.

Dit is een fragment uit boek 6 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>