Een vreselijke pest in Vlaanderen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     632 Views     Leave your thoughts  

Anno 1006: een vreselijke pest breekt uit in Vlaanderen
In 1006 worden de Vlamingen getroffen door een grote ramp. Een verschrikkelijke pest breekt uit. Alleen al in de stad Brugge sterven er 12.000 inwoners en in sommige plaatsen blijven er onvoldoende levende mensen over om de doden alsnog te kunnen begraven. Boudewijn heeft het niet gemakkelijk. Zo krijgt hij het meermaals aan de stok met de Roomse keizer Hendrik II. Het komt tot een treffen in het Henegouwse Valencyn dat nu Valenciennes wordt genoemd.

De graaf slaagt er in de stad in te nemen maar wordt later volledig ingesloten door de legers van de keizer. Hij wordt uiteindelijk gered door de hulptroepen van de koning van Frankrijk en die van de hertog van Normandië. Hendrik II heeft zijn zinnen gezet op Gent. Door de hulp van de Franse troepen kan hij zijn plan echter niet uitvoeren. Toch worden de naburige dorpen platgebrand en trekt hij zich met grote buit en met gegijzelde edellieden terug naar Duitsland.

Maar de graaf van Vlaanderen is een heerser die vooral vrede wil. Het komt in 1025 tot een vredesverdrag tussen de Duitse keizer en Boudewijn. Valencyn wordt afgestaan aan de Duitsers in ruil voor vrede en de terugkeer van de gegijzelde Vlaamse edelen. Boudewijn IV brengt nieuwe luister aan het geslacht van de graven van Vlaanderen: zijn zoon en toekomstige opvolger treedt in het huwelijk met Adela, de dochter van de koning van Frankrijk. Dat huwelijk betekent meteen het begin van veel problemen voor Boudewijn. Gedurende vele jaren probeert zijn zoon de grafelijke troon te bestijgen ten nadele van zijn vader.

Op een bepaald ogenblik betrekt hij de voornaamste leenheren van Vlaanderen in zijn plannen. Boudewijn zoekt noodgedwongen hulp bij Robertus, de hertog van Normandië. Robertus roept alle partijen bijeen in Oudenaarde en laat alle konkelfoezende partijen op de heilige relikwieën zweren dat ze de rust in het land niet langer zullen verstoren. De wijze graaf van Vlaanderen laat verschillende rechtbanken (vierscharen) oprichten, laat de stad Rijsel met muren omringen en bouwt verder aan verschillende kerken en kloosters. Na een bestuur van 47 jaar sterft hij op 28 mei 1036 te Gent en wordt er in de abdij van Sint-Pieters begraven.

Boudewijn van Rijsel in 1036
Boudewijn V van Rijsel (1036). Boudewijn V wordt na de dood van zijn vader tot het graafschap van Vlaanderen verheven. Hij gaat wonen in de stad Rijsel die hij laat verbeteren en versieren. Later zullen de Vlamingen de graaf van Vlaanderen omschrijven als ‘den Goedertieren’ omwille van zijn menslievende inborst. Tijdens zijn regering veroorzaken de mislukte oogsten van 3 jaren een verschrikkelijke hongersnood onder de mensen.

De situatie in Frankrijk en in Vlaanderen is schrijnend. De mensen hebben zodanig honger dat ze vertwijfeld de doden opnieuw opgraven en levende mensen en kinderen om hun vlees vermoorden. In 1044 wordt er op sommige markten zelfs menselijk vlees geveild. De bisschoppen van Kamerijk en Luik en de steenrijke abt van Gembloux proberen de noden te lenigen. Zoals zo vaak betekenen ellende en miserie bij de mensen de aanleiding voor oorlogen.

Dat is ook het geval in Vlaanderen: De Duitse keizer Hendrik III stelt zich opnieuw aan en bedreigt de onafhankelijkheid van Vlaanderen. Boudewijn neemt de wapens op en neemt de stad Gent in. De keizer van zijn kant verovert de stad Doornik die hij in 1047 aan roof en plundering blootstelt. Opgejaagd door het leger van Boudewijn, vlucht Hendrik III naar Duitsland, maar de legers van Boudewijn en die van Godfried van Lotharingen achtervolgen de keizer en slagen er uiteindelijk in om het keizerlijk paleis grondig te vernielen. Pas dan wordt er opnieuw vrede gesloten tussen de strijdende partijen.

Boudewijn schopt het in 1060 tot regent van Frankrijk
Al tijdens het leven van zijn vader hebben we gezien dat de vriendelijke Boudewijn V in realiteit een ambitieuze man is die hunkert naar macht en gebiedsuitbreiding. Hij laat zijn oog vallen op Henegouwen die hij wil annexeren aan Vlaanderen. Als Herman, de graaf van Henegouwen sterft, kan Boudewijn het zo regelen dat zijn zoon trouwt met de weduwe van de overleden graaf. Die weduwe, zeg maar de nieuwe schoondochter van Boudewijn, luistert naar de naam Richilde.

Eén en ander gebeurt zéér tegen de zin van de Duitse keizer die de Vlaamse gebiedsuitbreiding niet graag ziet gebeuren. Het komt opnieuw tot een veldslag. En weer loopt die niet goed af voor de Duitsers. Het vredesverdrag dat er in de nasleep van deze nederlaag volgt in Keulen, zorgt voor een verdere gebiedsuitbreiding van het graafschap Vlaanderen. Boudewijn schopt het in 1060 uiteindelijk tot regent van Frankrijk, een functie die hij zal uitoefenen gedurende de minderjarigheid van de troonpretendent Filips I. Zijn zoon Robrecht treedt in het huwelijk met Gertrude, de weduwe van Floris, de graaf van Holland.

In 1063 wordt hij voogd van de twee zonen van Gertrude en dat is niet naar de zin van de Friezen die in opstand komen tegen graaf Robrecht. Robrecht van Vlaanderen verslaat de Friezen en wordt naderhand betiteld als ‘Robrecht de Fries’ (Robert Le Frison). Na zijn terugkeer in Vlaanderen, besteedt Boudewijn de rest van zijn leven met de uitbouw van zijn graafschap. Tijdens zijn regeerperiode van 31 jaar heeft hij versterkingen gebouwd rond Rijsel, Ieper, Gent, Brugge, Oudenaarde en Ariën. Hij wordt in 1067 in de Petruskerk van zijn geliefde Rijsel begraven.

Boudewijn VI van Bergen in 1067
Boudewijn VI van Bergen (1067) is de opvolger van zijn vader. Hij is een rustige beschaafde man, matig in eten en drinken en een vijand van wijn en andere zatmakende dranken die hij als vergif van ziel en lichaam beschouwt. De nieuwe graaf verbiedt het aangaan van duels. Tweegevechten zijn taboe. Hij legt de rechtbanken strenge gedragswetten op en schenkt gemeenterecht aan veel parochies. De uitoefening van het recht wordt bijzonder strak aangehouden. Voor het eerst kunnen mensen gaan slapen zonder hun deuren te moeten afsluiten en kunnen ze zich verre verplaatsingen veroorloven zonder wapens met zich mee te nemen.

Boudewijn verplicht de rechters om een roede te dragen, de ‘roede van justitie’ genoemd. Het is een gebruik dat zal aanhouden tot in de jaren 1800. Het wijze en deugdzame bestuur van Boudewijn is geen lang leven beschoren voor de graaf die sukkelt met een zwakke gezondheid. Had hij dan toch niet beter wat alcohol tot zich genomen, vraag ik me af. Hij voorziet van niet zo lang te leven en besluit de graafschappen van Vlaanderen en Henegouwen aan zijn twee zonen te schenken.

Het gebied van Vlaanderen gaat naar Arnulf die wel nog onder de voogdij staat van Robrecht de Fries. Henegouwen wordt, met de goedkeuring van zijn echtgenote Richilde, geschonken aan Boudewijn. Boudewijn van Bergen sterft schielijk te Oudenaarde. In 1070 wordt hij in het klooster van Hasnon, in het bisdom van Atrecht, begraven. In datzelfde 1070 wordt de heilige Godelieve op bevel van haar man Bertulphus, de kastelein van Gistel vermoord. Ze zal voortaan vereerd worden als maagd en martelares in een kapel in de regio van Gistel.

De wreedheden van de gemene Richilde
Arnulf III de Eenvoudige. De graafschappen van Vlaanderen en Henegouwen staan nu definitief onder het bestuur van de twee zonen Arnulf en Boudewijn. De onrust steekt al snel opnieuw de kop op in Vlaanderen. Er is een twist ontstaan tussen Robrecht de Fries en Richilde, de weduwe van Boudewijn van Bergen en de moeder van Arnulf. Beiden claimen ze de voogdij over Arnulf, zeg maar de macht over het graafschap van Vlaanderen.

Wanneer Robrecht de Fries zich genoodzaakt ziet om af te reizen naar Friesland om daar een opstand de kop in te drukken, ruikt Richilde haar kans. Ze nodigt een groot aantal aan Robrecht toegewijde leenheren en edelen uit om te komen naar Mesen. Ze laat ze met zijn allen onthoofden en neemt zo op een wel erg gewelddadige manier de macht over Vlaanderen over. Al snel bezwaart ze de Vlamingen met ongemeen harde wetten, wreedheden en diverse zware belastingen. De inwoners wenden zich hopeloos tot Robrecht de Fries en vragen zijn hulp om de wreedheden van Richilde te laten ophouden.

Robrecht en een leger van Vlamingen slagen er in 1071 in om Richilde te verdrijven naar Rijsel waar ze zich definitief wil vestigen. De Vlamingen, onder leiding van Robrecht de Fries, willen graag de situatie uitklaren en het geschil met Richilde op een menslievende manier bijleggen. Richilde nodigt de edelen van Brugge, Gent en Ieper uit om te praten over vrede. In werkelijkheid smeedt ze concrete plannen om alle Vlaamse edelen te laten onthoofden. Haar snode, valse en verraderlijke plan kan pas in laatste instantie verijdeld worden. Maar nu heeft ze zich definitief de intense volkswoede van de Vlamingen op de hals gehaald.

Robrecht de Fries zegeviert in het jaar 1071
De burgers van Vlaanderen zijn furieus en belegeren Rijsel. Ze willen het vel van de valse Richilde. Robrecht en zijn Vlamingen slagen er in om de stad over te nemen maar Richilde ontsnapt naar Frankrijk. Ze begeeft zich naar de Franse koning Philippe en biedt hem 2000 kg goud aan om haar te voorzien in een ondersteunende krijgsmacht. Robrecht de Fries ziet de opbouw van het nieuwe, met goud gefinancierde, Franse leger met lede ogen aan. Hij laat de voornaamste steden versterken en stuurt gewapend volk naar Cassel waar hij een veldslag wil aangaan met de krijgsmacht van Richilde en Philippe. Het leger van de Vlamingen, beduidend kleiner dan het Franse leger, zet de aanval in en neemt aanvankelijk de overhand.

Tijdens de gevechten wordt Robrecht de Fries in het nauw gedreven en door de vijand gevangen genomen. Maar ook Richilde valt in de handen van de Vlamingen. De gevechten worden stopgezet. Uiteindelijk worden beide krijgsgevangenen aan elkaar uitgewisseld en valt alles te herdoen. Op 20 januari 1071 komt het vervolg. De krijgsmacht van Robrecht de Fries wordt herschikt en wacht op de aanval van de Fransen. Er volgt een hevig gevecht waarbij de Fransen zich gedwongen zien zich terug te plooien. Robrecht beveelt nu een algemene aanval en slaagt er in om de Fransen in de pan te hakken. De koning van Frankrijk en Richilde kunnen aan de slachting ontkomen en vluchten naar Vitry. Slechter is het gesteld met de jonge graaf Arnulf die het leven laat tijdens de strijd. Tijdens het bloedige gevecht op de Casselberg sneuvelen die dag 22.000 Franse soldaten.

De bouw van het kasteel van Wijnendale in 1085
Robrecht de Fries (1071). De zegevierende Robrecht wordt met de goedkeuring van de bisschoppen, de edelen van het land en ook met de toestemming van de steden (die ondertussen wel al vrij machtig geworden zijn) tot graaf van Vlaanderen verheven. Het is zijn eerste zorg om die duivelse Richilde uit zijn graafschap te verdrijven want haar claims op Vlaanderen wil ze nu vertaald zien in het aanstellen van haar tweede zoon Boudewijn tot graaf. Opnieuw is ze er in geslaagd om de Franse koning Philips voor haar kar te spannen. Een aanzienlijke Franse legermacht valt samen met Boudewijn het Vlaamse St.-Omer binnen waar allerhande wreedheden worden begaan.

Als het Franse leger zich om lafhartige redenen terugtrekt uit de stad, blijft alleen het leger van Boudewijn, graaf van Henegouwen over. Boudewijn wordt verslagen door het leger van Robrecht de Fries maar nog geeft Richilde het niet op. Ze vindt nu steun bij de bisschop van Luik en bij de Duitse keizer Hendrik IV. Het komt opnieuw tot een gewapend treffen. Deze keer gaat de slag door nabij het Henegouwse Bergen, ter hoogte van Obourg. Opnieuw moet Boudewijn het onderspit delven tegen de Vlamingen. De slag in Obourg is zo heftig geweest dat de locatie sindsdien de naam draagt van ‘Mortes Haies’ of ‘Dode Hagen’. Richilde zal zich uiteindelijk uit het publieke leven terugtrekken.

Ze laat het gezag van Henegouwen nu definitief over aan haar zoon Boudewijn en trekt zich voorgoed terug in het klooster van Mesen. Henegouwen is opnieuw gescheiden van Vlaanderen. De tijd van herstel in het verwarde Vlaanderen is eindelijk aangebroken. In 1085 laat Robrecht het kasteel van Wijnendale bouwen op de plaats waar zijn voorganger Odoacer vroeger een versterking had gebouwd. Veel van de latere graven van Vlaanderen zullen Wijnendale als woonplaats kiezen.

Na een geschil met de paus is Robrecht de Fries in de ban van de kerk geslagen. De graaf toont zijn goede wil ten opzichte van de paus en vertrekt, vergezeld van zijn voornaamste edellieden, op bedevaart naar Jeruzalem. De aandacht van heel Europa is in die tijd helemaal naar Jeruzalem gericht. De godsdienst is in alle hevigheid aangegroeid en er bestaat een verlangen om de plaatsen te bezoeken waar Christus geleefd en geleden heeft. Hele groepen pelgrims trekken, zonder enige vorm van middelen, naar het verre Jeruzalem.

1093: Robrecht II van Jeruzalem
De graaf toont zijn goede wil en voldoende berouw tegenover de paus en besluit eveneens samen met zijn voornaamste edellieden op bedevaart naar Jeruzalem te trekken. Na zijn terugkeer uit het Heilig Land worden nog meer kerken en kloosters opgericht. Maar toch beantwoorden zijn gedrag en zeden niet aan de heersende opvattingen van die tijd. Hij geeft keer op keer aanleiding voor ergernissen bij de geestelijkheid die hij kwelt met zijn zedeloosheid en met tal van nieuwe belastingen voor de kerk. Het komt opnieuw tot een aanklacht bij de paus. Een tweede vonnis komt er niet want na een bestuur van 22 jaar sterft Robrecht de Fries in 1093 een schielijke dood in zijn kasteel te Wijnendale.

Robrecht II van Jeruzalem (1093). Robrecht II is zijn vader amper opgevolgd of er komt al een oproep om een raid te organiseren naar het Heilig Land waar grote ophef is ontstaan tussen de Turken en de westerse bedevaarders. Het zijn de Turken die de scepter voeren over Palestina. Aanvankelijk laten ze de bedevaarten oogluikend toe want ze kunnen een graantje meepikken van de handelsactiviteiten die de missies met zich meebrengen. Op het einde van de 11de eeuw komt hier verandering in als het bestuur over Turkije in handen valt van Islamitische fundamentalisten die het christendom haten. Christenen die naar Jeruzalem reizen, worden door Turkse Tartaren gemarteld en op verschrikkelijke wijze vermoord.

De westerlingen die op bedevaart trekken, stellen zich bloot aan de gevaarlijke toestanden maar ze lijden onder de vele mishandelingen die ze moeten ondergaan. Stilaan ontwikkelen er zich felle haatgevoelens tegen de Turken en Tartaren. De climax komt er bij het bezoek de Vlaamse monnik Pieter de Eremyt aan Jeruzalem. Hij stelt tot zijn verontwaardiging vast hoe de Turken de voor hem sacrale plaatsen tot stallen hebben gedegradeerd en hoe ze spotten met zijn godsdienst. Hij besluit er iets aan te doen.

Pieter de Eremyt reist Vlaanderen af in het jaar 1095
Terug in Vlaanderen en Europa, reist hij van dorp tot dorp, van stad tot stad. Gezeten op een ezel, met een wollen kleed om de lendenen, blootsvoets en met een kruisbeeld in de hand, veroorzaakt hij overal een grote volkstoeloop. Hij vertelt over de bloedige mishandelingen van de christenen in zijn Heilig Land. Stilaan ontstaat er over heel West-Europa een razernij tegenover de Turkse houding. Pieter de Eremyt slaagt er in het jaar 1095 in om de paus te overhalen om de oorlog tegen de Turken te laten prediken. Robrecht II, graaf van Vlaanderen, zit amper twee jaar op de troon.

De pauselijke oproep tot een vlammende rechtvaardige en gewettigde oorlog veroorzaakt grote geestdrift niet enkel bij de edelen en ridders, maar ook bij de gewone mannen en vrouwen. Het rode kruis, als teken van hun belofte wordt op de kledij genaaid of met gloeiend ijzer in hun huid geschroeid. De voorbereiding voor de eerste kruistocht is begonnen. De moedigste ridder van zijn tijd is Godfried van Bouillon die zijn heerlijkheid in Bouillon verkoopt aan de bisschop van Luik en dat geld aanwendt om er een krijgsmacht van wel 100.000 man mee te financieren. Het leger vertrekt naar Constantinopel waar de bijeenkomst van de kruisvaarders van alle landen zal plaatsvinden.

Het Vlaamse leger staat onder leiding van hun jonge graaf Robrecht en het Franse leger wordt geleid door Hugues de Groot, de broer van de Franse koning. Beide legers vertrekken eveneens naar Constantinopel. Het ontzaglijk christelijk leger trekt zegevierend door klein Azië waar ze halt houden. De kronieken vertellen over de ontelbare heldendaden van Godfried van Bouillon maar ook de graaf van Vlaanderen laat zich onderscheiden. De Grieken noemen hem ‘de zoon van St.-Joris’ en de Turken betitelen Robrecht als ‘het zweerd van de christenen’. Uiteindelijk krijgt hij de eretitel Robrecht van Jeruzalem.

Godfried van Bouillon wordt koning van Jeruzalem
Aanvankelijk zijn er voldoende levensmiddelen voorhanden om het Europese leger te ravitailleren. Op het einde van het jaar staan de legers voor de poorten van Antiochië, een stad die vestingmuren bezit van wel 3 meter dikte en versterkt is met 130 torens. Na maanden van dagelijkse bestormingen en beproefd door honger, dorst en een algemene verzwakking, slagen ze er in een ultieme aanval in om de stad in te nemen. Het kruis wordt op de wallen van Antiochië neergeplant. De kruisvaarders begaan er, haaks op hun eigen geloof, maar wie denkt er daar nu aan op deze momenten, schandelijke wreedheden op de verslagen Saracenen.

Het komt hen slecht af, want naast het gebrek aan levensmiddelen breekt de pest uit en in een tijdspanne van 30 dagen sterven er maar liefst 50.000 kruisvaarders. En het wordt nog erger: de Fransen hebben besloten de terugreis aan te vatten en laten de christelijke legers achter in Antiochië waar ze op hun beurt opnieuw belegerd worden door een ontzaglijk Turks leger onder leiding van de Sultan van Moussoul. Toch slagen de legers er in om de Turken te verslaan. Tijdens de slag sneuvelen 100.000 Turken en telt het christelijke leger 4.000 verliezen. Begin 1099 kunnen de kruisvaarders eindelijk doorstoten naar Jeruzalem. Van de 900.000 man die het kruis hebben aangenomen blijven er maar 60.000 meer over als ze uiteindelijk het einddoel van hun reis bereiken en de heuvels van Emaus beklimmen.

Maar ook Jeruzalem blijkt moeilijk in te nemen. De stad wordt bezet door 40.000 Egyptenaren. Er volgt een bloedige slag. Slechts na het bouwen van 3 zware stormrammen, kan uiteindelijk een doorbraak geforceerd worden. Op 15 juli 1099 wapperen eindelijk de kruisbanieren boven de muren van Jeruzalem: de stad is ingenomen door de kruisvaarders. Er is eindelijk wraak genomen op de ongelovigen. Er dient een koning van Jeruzalem gekozen te worden. Veel van de voornaamste veldheren achten Robrecht-Korte-Knie van Normandië of onze Robrecht, graaf van Vlaanderen, geschikte kandidaten, maar beiden verzaken aan de titel omdat ze terug willen keren naar hun vaderland. Uiteindelijk wordt Godfried van Bouillon tot koning van Jeruzalem uitgeroepen. Het rijk van Godfried zal echter niet zo lang duren want amper één jaar later wordt hij ziek en sterft hij. Hij wordt opgevolgd door zijn broer Boudewijn.

1111: Boudewijn VII met de bijl of graaf Apken
Robrecht van Vlaanderen en de zijnen komen in het jaar 1100 met roem overladen terug bij hun huisgezinnen in het vaderland. Ze worden als helden ontvangen in Vlaanderen. Maar Robrecht krijgt terug te maken met diezelfde vijanden die het zijn vader ook al zo moeilijk maakten. Tussen 1100 en 1110 volgen meerdere veldslagen tegen de legers van de graaf van Henegouwen die in een verbond met de Engelse koning is getreden met als bedoeling de heerschappij over Vlaanderen over te nemen. Robrecht slaagt er in de Engelse invasie af te slaan en sluit zich in 1111 aan bij het Franse leger van Lodewijk de Dikke, de koning van Frankrijk, dat eveneens strijd levert tegen de Engelsen. Het Engelse leger wordt verslagen te Gesors in 1111, maar bij een val van zijn paard op de brug van Melun wordt Robrecht van Jeruzalem zwaar gewond en sterft hij aan de opgelopen verwondingen. Hij wordt begraven in de H. Vedastuskerk van Arras.

Boudewijn VII met de bijl of graaf Apken (1111). 18 jaar is hij als hij zijn vader opvolgt. Op het einde van zijn leven heeft Robrecht de tweede nog enkele strenge wetten opgesteld tegen de talrijke misbruiken binnen het graafschap. De naleving van die wetgeving vergt gezag en een sterke hand. Het is bovendien hoog tijd geworden om zich bezig te houden met het intern bestuur van Vlaanderen in plaats van het continu voeren van allerhande oorlogen. Boudewijn is er de geknipte figuur voor. De nieuwbakken graaf roept bij de aanvang van zijn bestuursperiode alle Vlaamse edelen samen in de stad Ieper.

Tijdens een geestdriftige toespraak overtuigt hij hen om elke vorm van misbruik en geweld uit te roeien en een kordaat bestuur te voeren in elke regio van het land. Alle leenheren krijgen één maand de tijd om na te denken over de voorstellen die hij in Ieper voorlegt en zullen op het einde van hun bedenktijd op het kasteel van Wijnendale hun antwoord dienen te geven. Eén maand later, in Torhout, voert de edele heer Van Praet, woordvoerder van alle Vlaamse edelen, het woord en vertelt hij aan de graaf dat er niets urgenter is dan de rust in het land te herstellen en de hervorming van het gerecht uit te voeren. Daarmee stellen de leenheren zich op dezelfde lijn van Boudewijn die nu opnieuw de Staten-Generaal samen roept.

De Landsvrede van Boudewijn VII
Er dient dringend een einde gemaakt te worden aan de verschrikkelijke buitensporigheden die zich overal in het land voordoen. De oorlogen die Boudewijn VI en Robrecht de Vries voerden, hebben geleid tot een algemene verbastering van de zeden bij de Vlaamse bevolking. De ene ramp volgt de andere op in die 11de eeuw die door de mensen ook wordt omschreven als de ‘ijzeren eeuw’. Iedereen vecht en moordt er op los, het ene dorp vecht tegen het andere maar ook de huisgezinnen zijn verdeeld. Broers tegen broers, vaders tegen zonen gebruiken dolken en messen om elkaar te bevechten en te vermoorden.

De situatie is werkelijk schrijnend. De zogezegde ‘landsvrede’ van Boudewijn VII stelt uiteindelijk perk en paal aan het geweld en is de voorloper van de rechtspraak die we op vandaag nog kennen. Maar bij de uitoefening van dat gerecht ontstaan er grote misbruiken. Vooral de water- en vuurproeven, waarbij bekentenissen afgedwongen worden bij het toebrengen van excessieve pijnen, zijn voorbeelden van onterechte bestraffingen en van een gekleurde rechtspraak. Het feodaal bestuur, nog ingevoerd door Karel de Grote in de 9deeeuw, wordt door de adel fel misbruikt. De leenheren oefenen een ongenadig bestuur uit op hun onderdanen die ze als slaven behandelen.

Binnen de grenzen van hun domeinen heersen geen wetten. Integendeel: hun kastelen zijn roversnesten waar ze gestolen goederen en de vruchten van hun onderdanen op voorraad houden. Zogezegde misdadigers worden in onderaardse hokken opgesloten waar ze al of niet van de honger en ontbering omkomen terwijl de heren zichzelf te goed doen aan drinkgelag en baldadigheden. De landbebouwers proberen zich te beschermen tegen de vele roofbenden en ze proberen hun pachthoeven te omwallen. Geleidelijk aan worden die met aarden wallen ommuurd en omringd door grachten.

In de 11de eeuw is de onkunde en onwetendheid even groot, zoniet groter dan die in de 7de eeuw. De edelen zelf kunnen noch lezen noch schrijven en ze gaan er zelfs prat op dat ze ongeletterd zijn. Voortaan dient de wet echter nageleefd te worden door alle burgers, edelen of niet-edelen en eveneens door de staatsbeambten die bij het niet respecteren van de wetten zelf een dubbele straf zullen ondergaan. De zware bestraffing wordt omschreven als de ‘eerlijke vrede van Ieper’ omdat ze het recht en de vrede van alle klassen in de samenleving ambieert.

30 juni 1112: 10 gevangenen worden opgehangen
Boudewijn blijkt inderdaad erg streng in de uitvoering van de wetten. Als de heer van Oostkamp bij Brugge enkele koeien koopt bij een arme weduwe en haar daarbij betaalt met twee valse munten, wordt hij op de markt van Brugge levend in een kokende verfketel gegooid. Boudewijn toont niet het minste pardon of verschoning voor misdaden in Vlaanderen. Hij laat 10 edele ridders, beticht van moord en geweld, met de strop om de hals ophangen aan een balk van zijn kasteel. Een ander voorval schetst de doortastendheid van Boudewijn: de heer van Calloo en 9 andere edellieden hebben vernomen dat er enkele oosterse juwelenhandelaars zijn aangekomen in Brugge met als bedoeling om hun juwelen te slijten op de jaarmarkt van Torhout.

Ze besluiten de handelaars in een hinderlaag te lokken en stellen zich op in De Leepe, een bos tussen Brugge en Torhout, nu Zedelgem, waar ze de oosterlingen vermoorden en beroven van hun juwelen. Ondertussen wachten de knechten van de handelaars vol ongeduld op hun komst. Als ze uiteindelijk het nieuws krijgen van de moorden, klagen ze de smerige edellieden aan bij de graaf van Vlaanderen. De graaf vertrekt zonder aarzelen, met een groep gewapende mannen, op zoek naar de vermeende moordenaars en dieven. Hun reistassen worden doorzocht en de gestolen juwelen worden er inderdaad in teruggevonden.

Ze worden alle 10 gevangen weggevoerd naar Wijnendale waar ze op 30 juni 1112 opgehangen worden. Boudewijn met de bijl, hij heeft die inderdaad steeds bij, stelt zich gewetensvol en zonder pardon op voor dieven en stropers die zonder enig medelijden aan de bomen worden opgeknoopt. Overal in het land heerst er groot ontzag voor de graaf die er in slaagt om van zijn gebied een veilige regio te maken. Wanneer Boudewijn VII naar Frankrijk reist om er Lodewijk de Dikke te ondersteunen in zijn strijd tegen de Engelsen, wordt hij in Normandië aan het hoofd gewond. Aanvankelijk lijkt de blessure mee te vallen, maar gaandeweg wordt deze levensbedreigend.

Hij verlaat noodgedwongen zijn leger en trekt naar Roeselare waar hij de staten van Vlaanderen bijeenroept. Hij benoemt er Karel, de zoon van de Deense koning Canutus en de kleinzoon van gewezen graaf Robrecht de Fries, tot zijn opvolger. Boudewijn trekt zich terug in een klooster waar hij in 1119 op amper 26-jarige leeftijd overlijdt. Hij wordt begraven in het klooster van de heilige Bertinus te Gent.

.

Dit is een fragment uit deel 2 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>