Een zonderlinge misgreep

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      3 months ago     146 Views     Leave your thoughts  

Boezinge, 19 januari 1892

Mijnheer de uitgever,

zaterdagavond is hier een zonderling feit gebeurd dat bewijst hoe rechtzinnig pastoors en kapelaans het geestelijk welzijn van hun parochianen ter harte nemen. Wat ik u vertellen wil is geschied met onze politieke onderpastoor, die volgens zijn zeggen hemel en aarde zou doen beven om een ziel voor de hemel te winnen, maar die door zijn daden toont dat hij zoveel geeft om de verlossing van een ziel als een aap om een nootschulp.

Ziehier het voorval:

Pieter Vermeersch, een doodbraaf man die langs de Elverdingse kalsijde woont, was zo gevaarlijk ziek dat men het nodig oordeelde hem de heilige sacramenten te moeten toedienen.

Spoedig liep men naar de kapelaan die men niet thuis vond, en de meid zegde dat men hem waarschijnlijk zou gevonden hebben bij zijn vriend Kemel, maar noch de kapelaan, noch Kemel waren te vinden, aangezien zij hun avond waren gaan doorbrengen bij een jonge weduwe.

Er was geen tijd te verliezen en men liep naar het huis van de weduwe waar men eindelijk er in gelukte de hand op de kapelaan te leggen.
– Spoedig, als ‘t u belieft, mijnheer kapelaan, Pieter Vermeersch is in stervensnood en men zou hem willen doen berechten.
– Wie? Vroeg de kapelaan.
– Pieter Vermeersch, langs de Elverdingse kalsijde, mijnheer.
– Goed ,zeg dat ik dadelijk komen zal.

De man vertrok en enige minuten nadien bereidde zich de kapelaan om aan zijn verzoek te voldoen. Maar eensklaps scheen hij verlegen, want hij wist niet waar gaan om de koster te vinden, die hem moest vergezellen.

Wat nu gedaan?, zei hij, ik kan toch niet wel alleen gaan. Vriend Kemel, gij zou me moeten het plezier doen de koster te spelen en mee te gaan met de lantaarn.
– Ja, maar… stamelde de andere.
– Kom, kom, er valt niet te dralen, gij kunt zowel de dienst vervullen als de koster, het is al gelijk wie er Ons Heer uitlicht.
– Welnu, sprak de anderen, om u aangenaam te zijn zal ik wel de koster spelen.

Men ging naar de kerk, waar de kapelaan de lantaarn aanstak, het beursje met de berechting nam en de bel in Kemels handen duwde. Men vertrok, maar nauwelijks hadden ze enige stappen gegaan of de kapelaan bleef stilstaan en vroeg aan Kemel:

– Maar zeg eens, waar is het dat we moeten zijn? De buitenlucht heeft me zo duizelig gemaakt dat mijn hoofd draait en ik heb de naam en het adres vergeten van de man die we berechten moeten.
– Kijk, ik ook, zei Kemel; en na zich wat bepeinsd te hebben riep hij eensklaps uit:
– Ha! Het komt mij te binnen, het is bij Pier Candre, de wagenmaker.
– Zijt gij er wel zeker van?
– Heel zeker, de man is sedert lang ziek en het is daar we moeten zijn.
– Als dat zo is, gauw, zei de kapelaan. En ze vertrokken naar het huis van Pier Candre die langs een heel andere kant woont.

Daar gekomen, hoorden ze noch ruit noch muit, alles was er doodstil en men bemerkte er niet het minste lichtje.

– Dat is aardig, zei de kapelaan, men zou zeggen dat men ons niet meer verwacht. Laat ons kloppen.

Kemel klopte en en na enkele minuten vroeg een stem;
– Wie is daar?
– Doe spoedig open, zei de kapelaan, we komen Pier Candre berechten.
– Wie? Pier Candre? Maar die ben ik. En gij komt mij berechten?
– Zeker, men heeft ons daar zonet komen voor halen.
– Maar ik ben niet ziek!
– Hoe! Men zegt dat gij in stervensnood waart.
– Welnu, men heeft u bedrogen, sedert veertien dagen ben ik genezen en nog nooit ben ik gezonder geweest dan nu.

Onze twee mannen stonden te kijke gelijke een koe voor een balie, toen Pier Candre eensklaps zei:

– Maar is ‘t niet bij Pieter Vermeersch, langs de Elverdingse kalseide, dat ge moet zijn, men zegt de de man op zijn laatste is.
– Zo is het, riep Kemel uit, nu komt het mij te binnen.

En de kapelaan en Kemel keerden op hun stappen terug en drentelden langs de Elverdingestraat recht naar Pieter Vermeersch, waar ze eindelijk aanbelandden. Maar toen ze zich aanboden om de zieke te berechten zei men hen dat de man reeds overleden was.

Groot was hun verwondering dat de zieke gestorven was zonder hen af te wachten, en, van de nood een deugd makende, keerden ze al tjaffen terug naar de kerk. Het moet zijn dat de nacht zeer donker was, of dat de koude lucht nog meer op de hersenen van de berechters had gewerkt, want ‘s anderendaags bemerkte de koster dat de lantaarn gebroken was, en mensen die naar de mis gingen, vonden er de stukken van in de gracht.

Natuurlijk werd dit feit nogal veel besproken en elkeen vroeg zich af wat men moet denken van een man die zoveel in zijn kuip dondert tegen deze die zonder berecht te zijn of gebiecht te hebben deze wereld verlaten, en zo lichtzinnig te werk gaat met hen die hij in hun doodstrijd moet bijstaan.

Mijnheer de uitgever, dit voorval is waar gebeurd en ge zou me verplichten het eens aan uw lezers bekend te maken. Zo zal iedereen nu onze politieke kapelaan naar waarde kunnen schatten.

www.historischekranten.be

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>