Er zijn geen gatkrabbers meer!

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 weeks ago     91 Views     Leave your thoughts  

Een stukje scatologische geschiedenis

Wie heeft zich ooit afgevraagd hoe onze voorouders zich schoon maakten van de resten en de sporen van hun ‘achterlijk’ werk?

Van wc-papier was er vroeger geen sprake, ten andere op zichzelf was het een veel te duur materiaal om daarvoor te worden aangewend. Bovendien was het nog helemaal niet zacht en soepel genoeg om daarmee de aars schoon te vegen. Of spoelden ze misschien hun achterwerk met water, zoals sommige islamieten plegen te doen uit eerbied voor het papier, waarop de koran is gedrukt?

Closetpapier zouden de Chinezen al in het begin van de 9de eeuw na Chr. hebben gekend. In het Westen kwam het echter pas in het laatste kwart van de vorige eeuw in zwang.

Tussen haakjes, de uitvinding van de geperforeerde closetrol wordt toegeschreven aan een zekere Walter James Alcock, op het einde van de 19de eeuw. Het kostte hem jaren hard werk om de verkoop ervan wat op gang te brengen. Eerst moest hij een haast onoverkomelijke preutsheid van het publiek overwinnen eer hij tot massaproductie kon overgaan. Maar wat zou een fabricant niet al gaan bedenken om zijn kwijnende papierfabriek wat aan te zwengelen?

Maar als er voor de 19de eeuw geen papier werd gebruikt, wat dan wel?

Wellicht werden er kleine lapjes afgedankt textiel benut, maar dat was voor de gewone man een veel te dure onderneming. Vodden waren geld waard en werden gebruikt voor de papierfabricage. Uit de fragmentjes textiel die soms in een afvalput worden gevonden kan men zich afvragen of het toevallige lapjes dan wel doelbewuste toiletvodjes zijn.

De Romeinse schrijver Seneca (-55 tot +39) maakt in een brief aan Lucilius melding van het feit dat de Romeinen gebruik maken van een spons op een stok om hun achterwerk te vegen.

In de rekeningen van de Franse koning Karel VI (1368-1422) wordt er in 1398 een post vermeld waarin sprake is over de aankoop van katoen en vier pond ‘stoppe’ (werk van vlas) ‘pour la consommation personelle’ (‘voor het persoonlijk verbruik’) ten behoeve van Duc de Berry.

Waarover wel enige zekerheid schijnt te bestaan is het gebruik van kleine stukjes leistccn die een driehoekige vorm hebben. Bij archeologisch onderzoek van afvalputten in Antwerpen zijn enkele van die ‘gatkrabbers’ te voorschijn gekomen. Deze handige discreet-kleine en vooral hygiënisch gezien goed onderhoudbare werktuigen waren wellicht per ongeluk door het toiletgat gevallen op een moment van onoplettendheid.

Vond de gebruiker er altijd eentje te zijner beschikking, in elk toilet dat hij bezocht, of had ieder zijn persoonlijk exemplaartje bij zich? Hoe werd het door de gebruiker gereinigd, als een spade afgeschraapt aan de rand van de toiletbril of met water afgewassen. Werden er ook oester- of mosselschelpen als variante aangewend? Zou de zegswijze ‘Hij heeft geen nagel om zijn gat te klauwen’ ons meer informatie kunnen verschaffen i.v.m. de gewoonten om zich de aars te wissen of is het gewoon een aanduiding op welke wijze je de jeuk van de aars kan wegnemen? Allemaal vragen waarop alleen onze verbeelding een antwoord kan geven.

Vanaf de 20ste eeuw werd het krantenpapier gretig gehanteerd. Zorgvuldig werden de blader in octoformaat (ca. 10 bij 15 cm) gescheurd en in het toilet aan een ijzeren haak opgehangen. Het was een hele luxe als je een telefoongids aan de haak kon slaan: de inkt van deze telefoonblaadjes bleek steviger op het papier vast te zitten. Anderzijds was het wel aardig meegenomen om tijdens de wachttijd het nieuws van een paar maanden geleden nog eens door te nemen. Wellicht is de gewoonte om de krant te lezen op het toilet in die dagen ontstaan.

Ooit vertelde een Poperingse kloosterzuster me dat ze in de tijd toen het contact met de wereldse actualiteit nog taboe was, in het geniep het nieuws volgde op het ‘wc-papier’.

Dr. Jozef Weyns wuift de vele hypothesen i.v.m. de gebruikte materialen voor de ‘gatvegerij’ met één beweging weg en ziet het als volgt:

‘Een paar eeuwen geleden was dat (het gebruik van toiletpapier of wat anders) nergens het geval. Gras of strooisel was er desnoods wel waar de boeren gingen, en waar dat niet was, gebruikten ze er geen. Maar bedenken we daarbij hoe de natuur het wil. Hoe is het bij de dieren? Ik ben er sterk van overtuigd dat de natuurlijke, eenvoudige voeding van eertijds, de nood aan een papiernijverheid veel minder groot maakte dan thans. Oude volksspreuken zeggen het trouwens (over bruin brood met zemelen, over boekweit, enz .. , .. Ons fijn eten heeft waarlijk onaangename gevolgen gehad.’

Wie nu denkt dat enkel de kleine man zijn gat ging vegen met gras of stro, zal toch eens zijn mening moeten herzien. Héord, de privé dokter van de Franse koningen Hendrik IV (1589-1610) en van Lodewijk XIII (1601-1643), maakt volgende melding in zijn dagboek over de kleine Lodewijk:

Vrijdag 22 september 1606. Om 4.30 u. loopt hij (Lodewijk die vijf jaar oud is) naar de kindermeid in de tuin en ‘doet kaka’. De kindermeid, bij gebrek aan linnen, veegt zijn gat schoon met bladeren. Daarop gaat hij schreeuwen en schreien: ‘Gemeen wijf!’ Madame de Monglat, zijn gouvernante, komt aangelopen en vraagt wat er aan de hand is. ‘Doundoun heeft mijn kont geveegd met bladeren,’ roept hij en terwijl hij zich terug naar de kindermeid wendt en haar slaat met een stok, roept hij opnieuw: ‘Gemeen wijf!’. De karwei wordt afgewerkt met een stukje linnen door Mademoiselle de Ventelet.

Zaterdag 23 september. Monsieur de la Court zegt (tot de kleine Lodewijk): ‘Monsieur, heeft u niet gehoord dat uw vader u heeft gezegd dat u moet leren alleen uw handen te wassen en uw kont te vegen?’

Zo stellen we vast dat ook koningen wel eens de handen uit de mouwen moeten steken. Als onze voorouders zo gemakkelijk naar stro of gras grepen voor de ‘aarswis’, laat het zich gemakkelijk raden welke gevolgen deze handelingen hadden voor kleren en handen. Er zijn vage aanwijzingen dat het tot de goede toon behoorde zich hierbij van de linkerhand te bedienen. Dit maakt het dan alleszins begrijpelijk dat men zijn voedsel met de rechterhand naar de mond bracht en kinderen al vroeg leerde toch vooral ‘het mooie handje’ te geven.

Uit ‘Scatologische spreekwoorden en zegswijzen uit de Westhoek’ van Willy Tillie

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>