Fluppe en zijn populiereboom

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     446 Views     Leave your thoughts  

Fluppe was juist de oude van den populiereboom nevens zijn huizekotje, én, die was een kerel! Ge moet, weten, Fluppe’s vader had een plantsoen op zijn eigendom geplant juist den dag van Fluppe’s geboorte, én:

– ‘k Weet ‘s wonder, wie er langst zal leven, mijn boom of mijn jongen, zei hij tegen Wieze, zijn wijf.
– Dat boomtje vliegt uit, al wij willen, loech Wieze, maar ons jongentjes leven is in Gods handen.

En zie, de populier en Fluppe waren nu juist, dag op dag, een en tachtig jaar oud en ze leefden nog alle twee. Fluppe had den boom zien opgroeien nevens hem, wild lijk hij, veelal ongesnoeid en ongekuischt, doch vol dolle jeugd, geweldig overladen met takken en blaren, doch zwart van veite en dansend in den wind.

Fluppe bleef knechtejongen alleen met vier zusters en hij had het breed bij vader; hoe geweldiger en levenslustiger hij was, hoe meer vader, Jan, gedije vond in dat galgejong en hoe liever hij zijn kapoen zag.

– Flupke is weerom al doende. Wat een schavuit! pochte hij.
– Hij zal nog armens en been’n breken en geradbraakt t’huis gebracht worden in een slaaplaken, die waaghals, met al zijn klimmen en zijn klaasteren! pruttelde Wieze.

‘t Was’ wel vooral tegen het klimmen, dat Wieze het gemunt had, én, niet zonder redens, want, tegen dat Fluppe tien jaar oud was, klaasterde hij langs de boomen, precies lijk een katte, en, precies lijk een katte hing hij er ook toeren te doen en hij trok er bovendien nog leelijke grimassen, genoeg om een aap te verbleunen.

Zijn inzet was de jonge populier geweest; van in zijn kinderjaren bond hij wel drie musschebuiken – oude klompen met strooi bevlochten – in de wilde zijtakken van den jongen boom, en, in twee weken tijds, woonden er drie koppels musschen in. Was me dat een leventje!

– Niet te veel bij de buiken klimmen, Flupke, of die beestjes zullen verleggen en elders gaan nest dragen, vermaande vader.
Jamaar, ja, niet te veel!

Hoeveel keers te weke Flupke ging kijken en tasten, g’hadde’t wel moeten aanteekenen, en, pertank, die beestjes verleien daarom met, neen z’: ‘dzieri-ri-dzieri’ riepen ze, half-uit, half-in den buik; dan greep Fluppe zijn klimkoorde, en, met op- en neerhalen, lijk van een puid, klom hij naar boven.

In den top van den boom fladderde de musscheman en schold : dief-dief-dief! Bijdewijle tastte Fluppe vol vernibbeling de eiertjes aan, greep er eentje uit het nest, bezag en bepootelde ‘t en lei het dan weer tusschen de warme pluimtjes.

– ‘t Zu’n al zwalpeiers zijn, klaar van de bepootelinge! riep vader van alover de halve deure van zijn zwingelkot.
– Ze wegen, tierde Flupke tegen, geen ééntje dat klutst.

– Ha, gij, loeder, ge klutst ze nog op en neer ook? Dat was er nog aan te kort! Al zwalpeiers!

– Jongen. Al jongen, ventje! Ge zult het zien, manneke!

En ‘t was lijk als de jongen ‘t voorzei; ‘t gebeurde wel dat er een zwalpei tusschen de andere eiertjes was, maar, dooreengenomen, veel-veel jongen. Dat kwam alzoo : de musschen werden aan Fluppe gewend en Fluppe aan de musschen, én, als de jongskens vlugge waren, pakte die deugniet er een stuk of drie uit elken buik en liet er het kakkernest en nog entwaar een verpieterd jong in, maar de beste en vetste fruitte hij in de panne.

Later miek hij zelfs kennis met de eksters, want, het jaar zelf van zijn Eerste Communie, huizenierde er een langsteert op den jongen populier, geheel in den top, in een groot nest van doorns, beplakt met moze al binnen en bevloerd met fijne wortelkens.

Met den tijd lagen er vijf groote, bleekgroene en gespotte eiers in. Uit die bepootelde eiers kropen er vijf jongen, waarvan Fluppe er één kweekte, een deugniet, die later eens Wieze’s oorringen dook en dan den kop werd afgewrongen.

Zoo, ge kunt nu al besluiten, hoe Fluppe en de populier goê makkers en innige opscheuten waren en geen zin hadden ooit te scheiden, ook, als Fluppe’s zusters, die jong vlugge waren, de wereld in vlogen, zette hij ook de klakke op zij en flikkerde hij uit, op zoek achter een lief, zoo eene om er meê te trouwen en samen in het oud nestje te wonen, onder de kroone van den hoogen populier.

Fluppe vond een lief naar zijn goeste, een Threzeke, dat ‘t hoopewaarts in ging wonen bij Jan en Wieze. Fluppe en Threzeke deelden goed de pensen met de oudjes; ze gerochten treffelijk aan de knorre broods, én, vergaarden ze geen geld, ze vergaarden toch een hebbelijke kudde ferme jongens. Algelijk, tegen dat vader en moeder dood gingen, hadden ze, met het vel van hun vingers te werken, het eigendom in hun huizeke aan de vier zusters uitbetaald, zoodat ze in en op het hunne woonden.

Fluppe was zóó preutsch met zijn gedoentje cn vooral met den populier, die nu een ranke, slanke mantje-kerel geworden was, gekuischt en onderhouden, dragende vast zijn zware kroon, hoog op, door dik en door dun, door regenslag en zonnegeweld, door storm en windloosheid, nu zoo eeuwig lang al.

‘s Zomers ging Fluppe al dikkens buiten gaan slenteren, om af te luisteren wat de wind zooal te vertellen had en te fezelen door de dichte blaats, ginder hoog, in de halve donkerte van de kroon, tusschen de flinke spillen van zijn boom – mijn boom! – zei Fluppe.

Als het stormde, lag Fluppe met het vóórlijf over de halve deure van zijn zwingelkot, zijn tabakspruime te knabbelen en op te kijken naar den machtigen boom, die, geschud en geslingerd, gevaagd en weergejaagd, gegrepen en gewrongen, te reutelen stond en te stenen en te wiegewagen, lijk in doodsnood.

Bij iedere windzweep, die huilend aanstoof, beet Fluppe hard op de pruime en als er een takske van zijn boom tuimelde en verre weg alover de akkers tierelaaide, steende hij, om de inwendige kwetsuur, die hij voelde, alsof er een brokske van zijn ziele scheurde.

– Threze, kloech hij, onze boom ziet af, wijveke Gods!…

Mettertijd werden Fluppe’s jongens ook droeve duivels.
– ‘t Zijn moorschpeerden! schuddebolde Fluppe altemets, maar dan ging hij met zijn gedachten naar zijn eigene jeugd en schoot in een lach.

Och ja, vader zag die moorschpeerden doen wat hij zelf voordeed in zijn jongensjaren; ze klommen ook op den boom en roofden er musschen en eksters; ze groeiden ook, lijk vader in zijn tijd, nevens den boom op en ze waren al gezonde knappers t’hoope…

Alover Fluppe’s huis en boom vlogen de zomers en de winters de eeuwigheid in; de jongens werden groot en vlugge, moerevlugge; ze vlogen uit ook, hun eigen wegen in, én, och Maria toch! Fluppe en Threze bleven op hun eenigheid met den ouden populier.

Nog jaren vlogen voorbij en de twee dutsen krevelden door de dagen, al hun laatste centjes opknagende tot ze niets, niets meer te vertuiten noch te vertinnen hadden. Fluppe had al dikkens Threze betrapt, daar ze te kijken stond naar den populier, maar dan sukkelde de oude man weg en doolde te veldewaarts:

– Och, Maria, mijn boom! kreunde hij. Threze kreesch dan, beet voort de centjes in tweeën, miek van langsom meer mikraas eten, tot ze ‘t eindelijk niet meer herden kon.
– Fluppe, waarvan zu’n we nu eten? vroeg ze, naar den populier kijkend. ‘t Was winter en ‘t was zoo koud, zóó koud! Het vet was zoo hoog in prijs en de steens vroegen geld.
– Och, Jesus, ‘k sta ielhands lijk Djob! kermde Threze.

– Wijf, loop achter den kloefenmaker, steende Fluppe.
Threze trakelde seffens voort en Fluppe ging hem te bedde leggen en snikte :
– ‘k Wille ware ‘k dood!

De populier werd verkocht voor veel geld, en, in de kortemaand, kwam de velder op, beladen met happe, houweel en spá; hij trok te Fluppes’ bin’, ontstak zijn pijpe en:
– We zu’n dien uitzuiger van ‘t goe land op zijn pense gooien; hij heeft al kwaad genoeg gedaan, mordrie! vloekte hij.
– Aan mij niet! Aan mij niet! kreunde Fluppe.
– Aan mij ook niet, kreesch Threze.
– Threze, leg de bedding op, zei Fluppe, Threze, da’k ga rusten, kermde hij.

Threze kreupelde meê, met haar kreupelend manneke en draaide het tusschen de lakens…
Kchu! Kchu! Nngu! steende de velder, en, bij ieder gesteen, beet de happe in het eenlijk eerdsgat van den boom en groote, platte spaanders sprongen er van af tot in den put…

– Threze. Fluppe is er in gedaan, enéé? hijgde de velder, al op zijn spaboom rustend.
– Ik ook. maar nood dwingt : niets meer te breken noch te bijten hebben, vent. Ha ja, Fluppe en zijn boom!… ‘k Ga zien of hij slaapt… Best ware slapen enéé?

Threze sleepbeende ‘t huis in…

De velder ontstak zijn pijpe, maar ze veunsde met rooi, of hij gooide ze veralterereerd den put in. Daarbinnen, in ‘t huizeke, hoorde hij kermen en klagen en Threze verscheen in ‘t deurgat, dubbel geplooid, met de handen op de kniên, eenlijk jankend.

– Threze, riep de velder, wijf, in Gods naam, wat hapert er?
– Fluppe!
– Wat?
– Stakestijfdood!

Uit ‘Levensgezellen – Grepen uit aardig menschenleven’ van Warden Oom