Gekleed lijk de rauwe andjoens

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 weeks ago     103 Views     Leave your thoughts  

Omstreeks 800 is de Roeselaarse bevolking helemaal gevormd zoals zij thans nog is: een versmelting van Menapiërs, ingesijpelde Ingvaeonen en een bovenlaag van Franken. Weinig talrijk zijn de inlichtingen die de oorkonden over de stand der voormalige bevolking hebben kunnen verstrekken. Alleen kan men eruit vernemen dat oorlog en pest te Roeselare herhaalde malen hun gesel hebben gezwaaid, en er telkenmale het bevolkingscijfer in sterke mate deden dalen.

In 1699, na de verschrikkelijke oorlogsjaren, zou de stad nog enkel 699 inwoners hebben geteld, In de 18de eeuw schommelde de bevolking in de binnenstad tussen 4.000 en 5.000 inwoners: ‘considérée la population des 4 à 5.000 âmes dans cette ville’5; in 1786 waren er 7130: ‘la population qui porte à présent 7.130 âmes’; in 1830: 9.888; – in 1900 waren er, in binnen en buitenstad samen, 23.141 inwoners; in 1940: 30.737; in 1950: 32.558; in 1954: 33.548.

Benevens de ‘gewone’ Roeselaarse bevolking telt de stad nog ongeveer 300 gezinnen van ‘Nieuwmarktenaren’ die, als eerder gezegd, de oorspronkelijkste bevolkingsgroep van Roeselare zouden uitmaken! Afgezonderd in het midden van de stad, en gegroepeerd rond de ‘Nieuwmarkt’, waaraan zij sedert de middeleeuwen hun naam ontlenen, hebben zij met de andere stadsbewoners nagenoeg geen gemeenschap, en huwen dan veelal ook alleen binnen hun kaste. Daar geen enkele oorkonde ook maar de geringste aanduiding nopens hun herkomst, hun vroegere levenswijze, hun zeden en gebruiken bevat, heeft de volksverbeelding, waaraan dan vrije teugel werd gelaten, in hen Mongoloïden willen zien, of Ethiopiërs, of ‘Gypten’, of Egyptenaren, of Saksers’ die door Karel de Grote naar de lage landen werden overgeplaatst om er bossen te ontginnen en dijken te bouwen, of slaven die door de kruisvaarders uit het Oosten werden meegebracht, of Bourgondlërs, of Spanjaarden of Zigeuners, terwijl zij zelf de afstammelingen van Blankenbergse vissers beweren te zijn.

Nochtans is ook bij hen nog lang niet alle twijfel over stam en herkomst opgeheven, want nog lange jaren hebben de Egyptenaren op de Nieuwmarktse volksverbeelding, in de vorm van de herbergnaam ‘Egypte’, nagewerkt. – Allen zuiver Vlaamse namen dragend (Deckmyn, Engels, Gaytant, Houthoofd, Plancke), is het intussen opvallend hoe zij, naar fysisch uitzicht, taal en zeden, helemaal van het overige deel der Roeselaarse bevolking verschillen.

Meerdere van deze familienamen, welke de Nieuwmarktenaren nu nog eigen zijn, schijnen in het Roeselare uit de vorige eeuwen een grote uitbreiding te hebben gekend en niet het uitsluitend bezit van de bewoners van de Nieuwmarkt te zijn geweest. In de persoonsbeschrijvingen uit de 18de eeuw zijn vooral de namen Deckmijn en Engels (Ingels) aan de eer: Constantinus Deckmijn, f(iliu)s Franciscus; Frans Deckmijn, fs. Frans, visvoerder; Pieter Deckmijn, fs. Pieter; Frans Deckmijn, de ooghen wat staande diepe in ‘t hooft, plat van neuse, de bovenste lippe dicke, grooten mond; Pieter Deckmijn, hebbende syn haer rondt gesneden, wat gesteuvelt, bruyn van couleur, hebbende groote blauwachtige ooghen, den neus wat dick, zeer clouck van lichaeme ende leden; – Joannes Inghels, vischvoerder; Joseph Ingels, fs. Michiel; Eugenius Engels, kindt van Michiel; Eugenius Ingels … bruyn van ·haire, groote blauwe ooghen; ‘Martinus Ingels, dragende sijn eijgen hair ,{hij had dus geen ‘kalote’) bruyn treckende op het rost, geteeckent van de poxkens, syn aensight den neus wat scheef treckende naer den slyncker kantl, enz.

Van huis uit is de Roeselarenaar een christelijk, diep gelovig en liefdadig mens, ijverig en werkzaam als geen, handelaar in merg en been, niet al te zeer met cultuuraangelegenheden begaan, maar tuk op vermaak en plezier, lachlustig, maar vredelievend en rechtgeaard van inborst, sappig en vindingrijk van taal, fier op zijn stad, en trouw, hoe onbewust soms ook, aan eigen volksaard.

De Roeselarenaar houdt van mooie kleren, fijn van snee, sterk van stof en ‘eeste kaliteit’, doch bij het werk past andere dracht. Op de weekdagen trekt de arbeider naar zijn werk in fluwelen of ‘panen’ broek, met een ‘karwaat’ om de hals, flinke ‘kazakkeschoenen’ of ‘tatseschoenen’, en vroeger ‘kloefen’, aan de voeten, terwijl de winkel- of bureelbediende zich in een ‘schabbe’ of stofjas hult. ‘s Avonds worden de ‘sliffers’ of ‘pantoefels’ aangedaan.

‘s Zondags wordt de ‘beste kazakke’ bovengehaald: een goedzittend pak, een mooie ‘plastron’, kraaknette schoenen en een ‘kaphoed’ van vilt, tenware de voorkeur werd gegeven aan een ‘blote kop’ met brillantine ‘gesmout’. ‘s Winters worden de schoenen soms met een paar mooie ‘getjis’ bedekt, en in de zomer verschijnt de Roeselarenaar met zijn ‘strooi’ of zijn ‘hondekot’ op zijn hoofd.

De ouderen van dagen houden het echter bij de deftige ‘bolhoed’ of ‘terrepot’. – Bij ceremonieën en in plechtige omstandigheden verschijnt hij ‘ip z’n piekebeste’, in ‘pittalair’, witte handschoenen, een ‘streksgi’ aan de ‘kol’ en een ‘buze’ op het hoofd. – De vrouwen dragen een ‘schorte’ bij de huishoudelijke bezigheden, en gaan uit winkelen met een ‘kaba’ aan de arm. De tijd is voorbij van wijde ‘hoepelrok’ of ‘krinoline’, van ‘gatji poef’ en ‘balayeuse’, van muts en ‘pelerine’ tegen de kou, van ‘neusdoek’ op hoofd en schouders, van ‘falië’ en zwarte ‘kapmantel’ die het ganse lichaam omhulde.

Nu is alles nieuw en ‘van de latste mode’, en niet zodra heeft iemand zich in een nieuw pak vertoond, of de buren gaan ‘z’n schoen ne keer kuschen’, en hij moet het gelag betalen. ‘s Zondags zijn de dames ‘gewit’ en ‘geblanket’, hun lippen en nagels zijn gerood, en zij zijn gekleed ‘lijk de rauwe andjoens’ in de fijnste zijde, blouse, rok of tailleur, zijden of nylon kousen, polshorloges, stralende ringen, broches en armbanden, een blinkende ‘sacoche’, een ‘palto’ of weidse mantel, soepele schoentjes en een sierlijke hoed.

Een mooie ‘permanente’ vervangt de ‘froufrou’ of de ‘queue’ van vroeger; ‘moffels’ en ‘wanten’ zijn door de opengewerkte handschoenen verdrongen, en de ‘katte’ door de pelsmantel in de winter. Zo uitgedost, ‘gesmout’, ‘gereed en gekleed’, kan ‘madam’ zich dan ‘gaan smijten’.

Op maandag verdwijnt linnen en ondergoed in de ‘loge’ of het ‘zeepsop’ van de ‘woskeerne’, en wordt daarna lange uren door het ‘strijkijzdre’ bewerkt. De moderne huisvrouw kan thans echter ook haar ‘woste’ aan de wasserijen ‘Klant is Koning’, ‘Moderna’, ‘Rap en Rein’, ‘Roeselare’, ‘De Zwaan’, e.a. toevertrouwen.

Op de Nieuwmarkt droegen de mannen enkele tijd geleden nog een wijde ‘panen’ broek, een rode ‘baai’ met witte benen knopen, een bonte ‘foulard’ om de hals, een platte zijden klak, waaruit een krul haar op een der slapen neerviel, en ‘klabetterende’, houten ‘kloefen’ aan de voeten. Zij hadden ringetjes aan en watte in de oren. Met kermistijd droegen ze een kostuum van zwart laken, een zwartzijden ‘ondervest’, een hoge zijden klak, en ringen en horlogekettingen in het goud.

Een zakdoek was niet volstrekt noodzakelijk, wijl een eenvoudige vingerdruk op een van de neusvleugels hun de nodige ontlasting kon bezorgen.

De vrouwen waren doorgaans eenvoudig gekleed; als enige versiering droegen ze een onder de kin toegebonden zijden ‘sjaal’ over het gevlochten hoofdhaar; alleen oudere vrouwen droegen een strooien hoedje dat het hoofd ten nauwste omsloot. Gedurende de kermisdagen droegen ze een bonte rok met meerdere zwarte ‘panen’ boorden, een bovenkleed van zwart fluweel of zijde, kostelijke kammen in het haar, een kruis in goud of diamant op de borst, een gouden ketting om de hals en gouden ringen aan vinger en oor. Maar ook bij hen heeft de moderne mode haar rechten laten gelden, en het is thans vrijwel niet meer mogelijk de jongere Nieuwmarktse vrouwen op het stuk der klederdracht nog van hun andere stadsgezellinnen te onderscheiden.

Als eenmaal het uitwendige is verzorgd, moet ook de innerlijke mens worden bedacht. Goed ‘eten en smêren’ is de Roeselarenaar een waar genot; daar kan hij een woordje van meepraten! Van elke feestelijke gelegenheid wordt gebruik gemaakt om eens ‘z’n voetje onder tafel te steken’.

De jaarlijkse ‘wetsvernieuwing’ waarbij, in de middeleeuwen, de aftredende wethouders door nieuwe werden vervangen en ook de stadsrekeningen werden afgesloten, werd telkenmale, ten gemenen koste, door een ‘banket’ besloten: ‘betaelt ten daeghe van tvernieuwen vande wet ouer de maeltyt tdiffroyeren vande commissarissen ende huerl. peerden, cvij lib. x sch. vj den. par.’

De ‘vergansynghe’ of aanstelling der nieuwe schepenen gaf aanleiding tot een nieuw banket: ‘tzynen maeltyt gheheeten de vergansynghe naer costume’, en ter gelegenheid van de jaarmarkt en sommige andere feestelijke dagen van het jaar werden ‘cuergherechten’ ingericht.

Tenemaal Breugeliaans mag de feestdis heten die op 19 Juli 1474 door de ‘Zeegbare Herten’ werd ingericht: voor de 80. tafelgenoten, waaronder de dames van 35 gildebroeders, werden twee lammeren en nog een half opgediend, een schaap, twee schaapskoppen, 10 pond varkensvlees, twee oosterse hammen, een half vat erwten en een keur van allerhande pasteien; ter bereiding waren 202 pond vet verbruikt geworden, en tijdens de maaltijd werden twee ‘dikke tonnen dobbel stuyverbier’ leeggedronken!

Weliswaar is het niet altijd kermis, en dan hoeft men ook niet immer zo kieskeurig te zijn, maar altijd moet er genoeg op tafel staan, er moet ‘buukvullinge’ zijn voor de mens die werkt; met een ‘deerlijk’ mens kan immers niets worden aangevangen: ‘j’en ê maa ‘t leven van ne robaard’. In vroegere jaren was de dagelijkse dis voorwaar niet immer keurig. Dan kon de mens aan tafel zitten te eten ‘heuge tegen meuge’, zitten” te ‘kijsteren’ en te ‘temelen’, dat het ‘bolde in zyne mond’ en dat zijn ‘herte keerde’.

Maar ach! Dan was het nog altijd beter ‘een luze in de pot of géén vet’! En overigens, ‘de goeste komt ol eten’, zei moeder. Als vader ‘s middags, ‘vroed’ of ‘scheel van den hoenger’, terugkwam van de arbeid en dat ‘z’nen beer grolde’ of dat ‘z’ne mêrelare schufelde’, dan kreeg hij een ‘tele zoetepap’ of een ‘klak kêrepap’ met siroop of ‘poersuker’ voorgezet; er stonden ‘papbrokken’ op de tafel; hij at ‘patatten met de pele’; de ‘hutsepot (met vellegis in)’, de’stampers’ of de ‘stovers’ werden uit de gemeenschappelijke schotel gegraaid.

Dan kon hij eten ‘lijk nen dijkedelver’, ‘buuk sta bij’, en er kwam geen woord over zijn lippen; hij at dat hij ‘keeroogde’ en hij ‘smekte’ erbij. En de ‘slokkers’ en de gulzigaards aten tot hun ‘kelder inviel’; dan zaten zij te ‘puffen’ en ‘kregen de snik’ van het overdadig eten. En opdat de kleinsten niet zouden ‘verwaaien’, kregen zij ook wat toebedeeld, maar alles moest ‘gezapig’ gaan, ‘een beetje mê ne keer’, opdat zij zich niet zouden ‘verslokken’. En babbelen was: verboden, want ‘oet ‘t schapki blêt, ‘t verliest z’n bete’ en anderen konden met de ‘beste broksgis’ op de loop gaan.

Het mocht ook niet dat zij ‘een beetje van dit en een beetje van dat” vroegen, want moeder vreesde dat het zou ‘kappelen’ in de maag; maar dan vond vader weer de geruststellende woorden: ‘goed verscheen is goed te gare’ !

Bij feestgetij kwam ‘zóete melk’ en rijstpap op de tafel, en er werd ‘wittebrood’ opgediend en ‘koekestuten’… ‘om brood te sparen’ ! Er was, geluk en vreugde in aller oog en hart ! En na het feestmaal, als het al was ‘uutgefruut’, sprak vader het dankwoord uit:

‘k Bedanke God voor dezen;
‘k Hope dat ‘t morgen nog beter zal wezen;
En oet niet beter wezen en mag,
God verlene me nog zuk nen dag!

Op andere dagen moest hij zich tevreden stellen met bruin ‘boerebrood’ of ‘menagiebrood’, met siroop, vet of smout besmeerd, en slechts ‘s zondags kon hij zich aan bruin ‘korentebrood’ versnaperen.

Thans is op elke tafel wit tarwebrood te vinden, dat ‘s morgens met ‘geleie’ of een ‘schelle zoetekoeke’ wordt gebruikt, en een ‘jatte’ koffie, waarover de ‘kappe’ van de melk wordt gegoten. ‘s Zondags wordt dit dan weer vervangen door ‘kramiek’ of ‘koekebrood’ met veel eiers en ‘rozijnen’ in, en een geurende kop cacao of chocolade.

Bij het middagmaal wordt eerst voor een goed bord soep gezorgd: groenselsoep, ‘pretsoep’, zurkelsoep, tomatensoep, boonsoep of bouillonsoep, Vervolgens komen de aardappelen, waarvoor men de keus heeft tussen verschillende ‘orieën’, flauwe ‘zaaiers’, kleine droge ‘Waalkis’, waterige ‘industrieën’, malse ‘witteblommen’ of vaste smakelijke ‘Krügers’.

Sommige mensen houden niet van ‘erpels’, maar anderen kunnen er ganse stapels, ‘in underne Karel spelen’. Maar ‘fritten’ zijn door iedereen gegeerd! Bij de aardappelen komt het vlees: een ‘uutgepeeld bufstik’, een biefstuk van ‘de kraaie’ of van ‘de filé’ of een stuk van ‘de bolle van de liesche’, ‘rosbief’, ‘zogervlees’, een malse ‘zwijnekortelette’ of een magere ‘rewelle’, en de zaterdag meestal ‘boeli’.

Als ‘groensels’ worden ‘erweten’, ‘workels’ of ‘karoten’ opgediend, ‘sala’, ‘kauwels’, ‘spruutjis’, ‘spenagië’, en dergelijke meer. ‘s Vrijdags wordt het vlees door mosselen vervangen of door vis, vooral kabeljauw, ‘moluwe’ en stokvis.

De zondag is de uitverkoren dag om ‘z’n buuksgi zielemesse te doen’. Wat kan een mens toch, op zo’n lange zondag, beter doen dan eten? En immers, ‘t is beter geëten of ‘t bedde versleten’! Dan wordt er een ‘keuntji gevlaad’ of een ‘kieksgi gebraad’; dan worden ‘de tanden gewet’, en dan is ‘t ‘van lekmijnlippe’!

En dan komen er nog taarten bij te pas, en ‘pateejgis’, en fruit allerhande: bananen, annanas, ‘frezen’, ‘genievers’, ‘paters’, ‘krieken’, ‘pêschen’, appels en peren, ‘okkernoten’, druiven en ‘sienappels’, al naar gelang de jaargetijden. Is het dan wonder dat een mens door al die tafelgeneugten, al is hij ook nog ‘zo mager of een grate’, ‘te lange latsten’,. ‘moortelvet’ of ‘slekkevet’ moet worden?

Bij het avondbrood wordt veelal kaas gebruikt: Hollandse kaas, of smeerkaas, of ‘stinkerskaas’. Ofwel zijn het eieren: geroerde en gekookte, omeletten, paardogen, ‘spek en eiers’ en ‘klakkaards’. Of chacuteriegerechten: hesp, spek, saucissen, leverpaté, ‘hoofvlees’ of’ hoofvlakke’, ‘bloeling’ en ‘smoelki’. En op vrijdag komt er haring: ‘ingeleide’ haring, pekelharing of droge haring (‘met snotogen’!) , of nog verse ‘levaards’, ‘geernaards’, sprot of ‘schardings’.

Met dit alles kan een mens wel leven, maar af en toe wordt, in de loop van de dag, nog wel eens een stukje suikergoed opgepeuzeld: een regel ‘chukla’ die van de ‘tablette’ wordt afgebroken, een caramel in een ‘zijdepapierki’ gewikkeld, een pralien, een ‘beuterspekke’, een ‘geleispekke’ of een ‘zeure spekke’. – De kinderen doen zich aan ‘sneukeldingen’ te goed; zij verlustigen zich aan een ‘lekstok’ of een ‘schete ip een stoksgi’, ‘babbelaars’, ‘mentebollen’, ‘rekkers’, ‘hostiën’ en ‘picknicken’, en tijdens de zomer likken ze aan een ‘ijszaksgi’ of ‘ijskoudji’; de meisjes zabberen aan een ‘calichestok’, of gaan ‘calichezop’ in een flesje ‘klutsen’.

Op elk uur van de dag kan de Roeselarenaar zich thans, bij de ‘fritkraamkis’ op de Statieplaats of op de Markt, een ‘zaksgi fritten’ kopen, doch vroeger kon hij zich, vooral rond het station, harde bruine ‘krakers’, gekookte lever, harde eieren en koeken aanschaffen, die in ‘panders’ op de straat werden verkocht.


Uit ‘Het Roeselaarse volksleven’ van Désiré Denys (1955)

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>