Haal ons toch uit die ellende!

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 weeks ago     1173 Views     Leave your thoughts  

Mag ik je Augustijn van Hernighem voorstellen? De man is Ieperling. Een voorname en goed opgeleide burger die zijn bestaan beleeft tussen 1540 en 1617. Van zijn geboortedatum ben ik niet zeker. Het enige wat ik over de man weet is dat hij in 1565 trouwt en dat hij tijdens zijn leven in goed contact staat met de Ieperse notabelen van die tijd. De man ontpopt zich tot een eersteklas kroniekschrijver. Samen met hem beleven we de godsdienstoorlogen die Vlaanderen en de Westhoek tientallen jaren lang op hun kop zetten. De geloofscrisis hebben jullie al kunnen meemaken vanuit Poperinge, Elverdinge, Brugge en Gent. Vreemd genoeg is Ieper daar niet zo sterk aan bod gekomen.

Voldoende reden dus om een expeditie te wagen in de handschriften van mijn hoofdpersonage. Historicus Ferdinand Van de Putte heeft al eerder zijn handschriften getransformeerd tot twee historische boeken met de naam ‘Nederlandsche Historie’ welke de periode tussen 1572 en 1591 met scherpe precisie beschrijven. Knap werk. Spijtig dat Van de Putte een bok vanjewelste schiet door de naam van de schrijver te verkrachten tot ‘van Hermelghem’, waardoor Augustijn de rest van de geschiedenis zal moeten verder zetten met een kwakkelnaam. Ikzelf ga hem voortaan tutoyeren en enigszins familiair aanspreken met zijn prachtige voornaam ‘Augustijn’.

Er is nog een tweede ‘maar’ bij dat werk van Ferdinand Van de Putte. Waar zijn Augustijns handschriften tussen 1562 en 1572 gebleven? Op het internet wordt er algemeen beweerd dat deze manuscripten spijtig genoeg verloren gegaan zijn. In het rijksarchief te Kortrijk kan ik gelukkig de hand leggen op deze schat. Met dank aan het fonds Goethals-Vercruysse. En precies op het moment dat ik me voorneem om zelf de teksten te gaan ontcijferen, blijkt het stadsarchief van Ieper dan toch een uitgetypt exemplaar te herbergen.

Het boekje dateert van 1978 en werd uitgegeven door de ‘Vereniging voor de geschiedenis van het Belgisch protestantisme’. Best aardig dat de katholieke Van de Putte nu concurrentie krijgt van zijn protestantse tegenhangers. Zo hoor ik het ook eens van een ander. Het werkje heet ‘Eerste bouck van de Beschryfvinghe van alle Gheschiedesse 1562-1572’. Ik ben verrukt dat ik de getuigenissen van Augustijn op zijn minst kan aanvangen van bij het begin. Het eigenlijk manuscript draagt een langere titel die ik voor de volledigheid toch nog eens wil meegeven aan mijn lezers.

‘Zeker beschryfvinghe van alle waerachtige zaken geschiedt ende ghebuert binnen der stede van Ypere en lande van Vlaendere, Brabant, Henegauwe, Arthoys, Hollant, Zeelant, Vrieslant ende somma meer andere landen ende conynckrijcken’. Een titel om ‘u’ tegen te zeggen. Gelukkig pakt van Hernighem uit met een goed gevonden subtitel: ‘Den Tydt die Lydt’, zeg maar; ‘De tijd die lijdt’. Wauw, dat is wat anders dan zijn eerste gedrocht. Ik probeer van mijn kant zijn oorspronkelijke oude taal zo goed als mogelijk om te toveren tot een leesbare en actuele Vlaamse tekst.

Om dat te doen ga ik zelf een beetje stout zijn. Ik geef Augustijn van Hernighem enkele flarden van mijn eigen karakter mee. Zijn verwondering, sarcasme en humor zijn eigenlijk die van mezelf. Ik kruip dus in de huid van de vroegere Ieperling. Als ik commentaar te geven heb bij de gebeurtenissen zal dat dus moeten gebeuren uit de mond (de pen) van Augustijn zelf, de enige ik-persoon in de kroniek. Hier en daar probeer ik de schrijver wat aan te vullen met extra informatie. Hopelijk nemen jullie het me niet kwalijk dat ik af en toe wat extra kleur geef met complementaire sfeerbeelden van klimaat, persoons- en stadsbeschrijvingen die op geen enkel moment afbreuk doen aan de historische waarheid van zijn geschriften. Ik hoop dat zijn oude herinneringen na al die honderden jaren weer eens echt tot leven zullen komen. Hier gaan we!-

Begin oktober 1562 krijgt Boeschepe plots te maken met een valse predikant die op het kerkhof een preek afsteekt over een nieuw geloof. Het duurt niet lang voor ik dat nieuws verneem in de Ieperse straten. Het moest er van komen. Wat die Duitse goeroe Luther al veel jaren uitkraamt over het christelijk geloof met zijn uitlaten om het eeuwig leven te verdienen doet ook de ogen openen van de mensen in de Westhoek. Terwijl de mensen met moeite de eindjes aan elkaar kunnen knopen tijdens hun armetierig bestaan blijven de priesters de bevolking bestoken met kerkelijke tienden en laten ze de man in de straat dik betalen voor het celebreren van welk sacrament dan ook.

Enfin ‘zeggen ze toch’. Ikzelf ben een brave christelijke mens en geloof geen snars van al dat nieuw geloof. Er is maar één God waar ik in geloof. Ik ben zo opgevoed. Hoe is het toch mogelijk dat ze zich hier in de Westhoek laten vangen aan Luthers baarlijke nonsens? Hoe kan je nu tornen aan de kerk en het geloof? De boodschap van de protestanten is al enkele tientallen jaren geleden binnen gesijpeld. Maar nu wordt het toch wel menens. Vreemd genoeg in een plaatsje zoals Boeschepe. De naam van die valse predikant daar is Gelein Damman. De dorpspastoor ziet dat natuurlijk niet graag gebeuren en probeert Damman en zijn gezelschap weg te jagen. Iets waar hij niet zal in slagen. Er is op de begraafplaats van Boeschepe bijzonder veel volk bijeengekomen. Nogal wat mannen zijn in het bezit van wapens en samen zorgen ze ervoor dat hun predikant in alle veiligheid de menigte kan toespreken.

Het parket in Ieper wordt op de hoogte gesteld en grijpt kort nadien in. Enfin, ik heb het over de procureur-generaal van het hof te Ieper. Een samenscholing met gewapend volk én dan nog gericht tegen onze moeder de kerk. Dat kan zeker niet door de beugel. Waar komt dat volk toch allemaal vandaan? Er moeten zeker Ieperlingen bij geweest zijn. Op de grote markt wordt een plakkaat opgehangen waarbij het streng verboden wordt om de stad te verlaten om dergelijke sermoenen te gaan bijwonen. Laat staan gewapend dan nog. Wie dat toch doet riskeert dat zijn eigendommen zullen worden aangeslagen en verbeurd zullen worden verklaard. Nog voor eind oktober worden nogal wat inwoners hier opgepakt en in de gevangenis gestopt op verdenking van deelname aan het evenement in Boeschepe.

De 11de november verspreidt het gerucht zich als een lopend vuur. Drie van de deelnemers aan de preek zijn ter dood veroordeeld en zullen onthoofd worden. ‘De hals af geslagen’. En inderdaad. De volgende voormiddag komt de procureur-generaal met twee raadheren tot bij het kasselrijhuis om de drie slachtoffers op te halen. Kesstiaen Schapshooft, Mahieu van Peperstraeten en Pieter Pollet worden naar de grote markt gebracht en verwezen naar het hiernamaals. Die Pollet is trouwens de smid van Reningelst. De ondervraging van de andere betichten was de voorbije week helemaal niet van de poes. Geselingen, de schandpaal. Enkele boosdoeners werden verplicht om met een kaars in de hand vergeving te vragen aan het heilig sacrament en er werden enige oproerstokers verbannen naar de galeien. Overdrijven ze hier niet wat in Ieper?

Tijdens de eerste juni van het jaar 1563, een dinsdag tijdens de Sinksen ‘mesdagen’ breekt er rond 17 uur een grote brand uit in Poperinge. Er gaan wel zevenhonderd huizen in de vlammen op. Veertien dagen eerder kregen we hier het bezoek van de graaf van Egmont. Hij naam deel aan de schieting van de gilde van Sint-Joris. Het was de heer van Houtem die de gaai afschoot en zich tot koning mocht kronen. Op de 17de juli wordt er afgeroepen dat de vreemde munten voortaan veel minder waard zullen zijn en dat is een grote tegenslag voor de spaarcenten van de mensen en voor de handel die er helemaal door ontwricht wordt. We gaan bange tijden tegemoet als je het mij vraagt.

Veel meer heb ik niet te noteren in mijn dagboek. Ook voor 1564 is het nieuws vrij schaars. Buiten de wetenschap dat onze bisschop op de 7de februari terugkeert van het concilie van Trente. Hopelijk heeft de paus het kunnen bijleggen met de heretiekers. Maar het is vooral de winter die al een hele tijd de hoofdrol speelt. Een streng geval gevuld met vorst. Zo een hebben we de voorbije vijftig jaar niet beleefd. De koude begint in de week voor kerstdag en tien dagen later zijn er in heel Ieper geen kelders meer waar niet alles dichtgevroren is. Het ijs is zo dik dat men er zonder problemen met paard en kar kan over rijden. De markt wordt warempel gehouden boven op het ijs, grote vergaderingen van volk, het kan allemaal. Voor de rest zorgt de winter voor heel veel armoede en gegroefde gezichten. Iedereen zit zonder werk. Er is maar één lichtpunt: het koren is gelukkig relatief goedkoop. De vorst zal aanhouden tot aan Vastenavond in het begin van februari.

Op 25 augustus 1564 vliegen Hans Roothaar met twee van zijn kompanen en nog een andere jongeman op de brandstapel. Veel commentaar wordt daarbij niet gegeven. Mijn buren malen er niet om. Het is erger dat er na de zomer sprake is van een prijsstijging van het graan. In het begin van september kost een razier van zowat honderd kilo al veertien pond. De 20ste september verschijnt er een hallengebod dat er geen grote bruiloften meer mogen worden gevierd. Bij een trouwfeest mogen voortaan nog maximaal vierentwintig gasten van elke zijde mee aanschuiven aan tafel. Er staat een boete op van tien stuivers voor elk paar en men verbiedt eveneens om grote vergaderingen van maaltijden of grote banketten en feesten te organiseren. Dat allemaal omwille van de schaarste en de felle prijsverhogingen. De prijs van het graan is ondertussen al opgelopen tot twintig pond.

Het ergste is dat er bijna geen graan is. In de Ieperse parochies moet er lotje getrokken worden wie er aan de beurt is om koren te kopen. De gelukkigen krijgen dan voor drie pond graan. En wee diegenen die zich koren willen aanschaffen als ze daarvoor geen toelating hebben. Er staat hen een fikse boete te wachten. Het is dan ook niet te verwonderen dat er overal steen en been wordt geklaagd en dat de nood erg hoog is. Het ergste is dat er feitelijk wel voldoende graan beschikbaar is, aangevoerd uit het Oostland. Maar dat zit in handen van acht beurzen in evenveel steden. Zo ook die van Rijsel. Daar hebben de inwoners geen tekort aan tarwe en gerst. Ze hebben hun voorraden ruim op tijd aangeschaft via de haven van Antwerpen en ze kunnen daar blijkbaar op dit moment nog altijd vrij vlot aan geraken.

De mensen zijn natuurlijk ferm ontevreden en protesteren tegen deze gang van zaken. De overheid grijpt nu toch in en verplicht de Antwerpenaars hun praktijken binnen de zes weken te laten ophouden. Maar dat verandert weinig aan de dramatische situatie in Ieper. De nood is hoog. De armoede woekert maar verder. Het gevolg van een dramatisch slechte handel, een flauwe nering en de duurte van de voedingsmiddelen. De kerken zitten vol met biddende mensen. ‘God haal ons hier toch uit deze ellende’. Hoeveel keren zal God de vader deze vraag toegestuurd krijgen?

Dit is het beginfragment uit ‘Dagboek van Augustijn (1562-1572) – lees verder hier …..

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>