Handzame, schitterende edelsteen van mijn jeugd

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     1010 Views     Leave your thoughts  

Handzame is ons vredig, landelijk en agrarisch woondorp in het Krekedal, het hartje van de provincie WestVlaanderen. Deze landelijke gemeenschap van zowat 3000 zielen wordt gerekend tot het Houtland, met Torhout als centrum, en situeert zich toeristisch in het noordoostelijke gebied van de Westhoek. Handzame is slechts een stevige boogscheut verwijderd van het historische slot van de Graven van Vlaanderen te Wijnendale, alsook van de boterstad Diksmuide. Mijn vader, Michel Lowie, heeft de voorbije jaren vele bijdragen over het verleden van Handzame volgeschreven. Van zijn hand verscheen o.m. een “standaardboek” over ons lieflijk dorp, “Handzame, dit was onze gemeente” en zijn boekje, “Een vleugje muziek over Handzame” dat het dorpsleven van 1918 tot 1945 behandelt, is eveneens bijzonder dienstig geweest voor deze artikelen. Handzame, is het dorp waar ik ben opgegroeid, waar nog steeds mijn vader en mijn beste vrienden uit mijn kinder- enjeugdtijd wonen, het dorp waar ik voor eeuwig mijn ziel heb aan verpand. Vanuit een eigen invalshoek wens ik bescheiden te grasduinen in het verleden van mijn jeugdgemeente en wat stof weg te blazen van de lange tijdslijn.

Handzame is reeds eeuwen oud, de vroegste verwijzingen dateren van de volle Middeleeuwen, maar zeker reeds in de vroege Middeleeuwen vestigden zich mensen te Handzame. Het dorp was gelegen aan een brede inham van de Noordzee, aan het uiteinde van een zeearm in het toekomstige Graafschap Vlaanderen. In 1085 vinden we de eerste vermelding als “Han( d)sam” en uit 1115 dateert de benaming “Hanzarn”, ontstaan uit het Germaanse “Handas hamma”, dit betekent een landtong uitspringend in overstromingsgebied, van Hand(o). Vermoedelijk waren het Friese handelaars die hier, op een boven het zeewater uitspringende landtong een nederzetting stichtten, van waaruit ze via het water hun waren verhandelden. Volgens de eminente vorser Claerhout zijn de woorddelen “am” of “ham” van Friese oorsprong, wat de kolonisatie van de Friezen in onze contreien aantoont. Zij konden hun schepen met allerhande vreemde of inheemse waren over onze waterlopen en zee vervoeren.

De naam van ons dorp zou ook verwijzen naar een weide van die vrije handelaars en boeren die in het dorp waren gevestigd. Deze hier gevestigde kooplui kenden een financiële welstand. Deze bracht mede dat de meest rijke onder deze burgers eigendommen en grote landerijen uit hun streek kochten. Dit goed ging van vader op zoon tot dit in kleinere pachthoeven of zelfstandige hoeven werd verbrokkeld. De voornaamste kastelen van het oude Handzame, versterkte omwalde hoeves, zijn eveneens gevolgen van die welstand, het betreft Cronevoorde, Watervliet en (H)amersvelde-hof. Er is ook een legende over de betekenis van Handzame, dit heeft geleid tot het gemeentewapen met een bijzonder vriendelijk karakter, twee handen verenigd in een handdruk. Volgens de overlevering gaat dit terug tot de verzoening, na vele jaren van diepe haat, tussen de twee Heren van Handzame, die van Watervliet en die van Cronevoorde in de tweede helft van de 14e eeuw. In de twaalfde eeuw vinden wij in de gemeente de namen van Gozuinus, Marcelius en Lambertus van Hanzam. Deze Lambertus zou een priester geweest zijn. Simon, Clais, Olivier, Willelmus, Jan en Jacob van Hansame leefden in de l 3e eeuw.

Wie waren de eerste Handzamenaren? Dat is moeilijk te achterhalen. Waren er reeds prehistorische oerstammen op het grondgebied van het huidige Handzame? Ongetwijfeld leefden hier voor 2000 jaar mensen van Indo-Europese, Keltische oorsprong, Morinen of Menapiërs. Zij dreven handel met hun Keltische, Britse broeders over zee en kweekten ganzen in onze moerassen en rookten hammen die beide tot in Rome om hun kwaliteit begeerd waren. Taalgeleerden duiden er op dat binnen de Nederlandse taalgemeenschap die kustKeltische stammen bovenal aan de West-Vlaamse tongvallen specifieke bijzonderheden hebben bezorgd. Het aandeel van het Keltische in onze streken was groter dan in andere Nederlandstalige provincies. De “ij” van IJzer is bijvoorbeeld een Keltisch stamwoord, en betekent … water. Het vroeg-Middeleeuwse Handzame lag niet alleen aan de rand van een kustgebied maar ook deels in een bosstreek. Dichte wouden bedekten in de vroegste geschiedenis onze streken. De vroegere bosrandbewoners van Handzame hebben wellicht door allerlei horden inwijkelingen de wijk genomen, dieper in de alles verbergende wouden waar ze zich veiliger waanden.

Gelegen aan het wassende water waren het vervolgens Indo-Europese, zee-Germaanse stamvolkeren die ca. de derde eeuw onze kustgebieden innamen en de vroeg-Keltische bevolking assimileerden. Deze kustgermanen vaarden over de Noordzee en hebben op de plaats van ons dorp een nederzetting gesticht van waaruit Handzame als dorpsgemeenschap zal ontstaan. De kust-of Noordzeegermanen worden met een moeilijk woord “Ingwaeonen” genoemd. Aan onze Vlaamse kust, en bijgevolg ook in Handzame, heetten die Germanen de Saksen en Friezen. Was Handzame nu Saksisch of Fries? Dat is niet zo duidelijk, de verschillen tussen beide kust-Germaanse volkeren waren trouwens flinterdun. In de eerste helft van de 9e eeuw was er een grote inham van de IJzer met talrijke zeearmen. Hier hadden de Saksen zich aan de zeeëngte en op de kusteilanden gevestigd omdat Brittanië, het “beloofde land” hen lokte. Ondertussen vestigden de Friezen zich op de stroommondingen in de inhammen, zoals in Handzame.

Vervolgens kwamen de Germaanse Saai-Franken, zij worden aanzien als dé voorouders van wat wij nu “de Vlamingen” noemen. Wat West-Vlaanderen betreft moet dit zeker worden gecorrigeerd. Wij dragen al evenzeer de Fries-Saksische stempel en we mogen aannemen dat de Frankische infiltratie in onze WestVlaamse gouw niet zo hoog is geweest als in andere streken gezien de ondoordringbaarheid van onze gebieden. In het Middeleeuwse Handzame werd na de kerstening door Sint-Elooi de parochie Handzame gesticht, er werden dijken opgeworpen. In de zilte weiden werden kudden schapen gefokt en ook graan verbouwd. Gezien de nabijheid van de zee vond men vooral zijn bestaan in de zeevaart en de zeevisserij. Handel met het binnenland was bijna onmogelijk gezien de uitgestrektheid van de nabije wouden.

Welke taal werd in Handzame gesproken? Afgeleid van de naam van de bewoners werd in ons dorp tijdens de vroege Middeleeuwen een “Ingwaeoonse”, Noordzeegermaanse taal gesproken, Fries of Saksisch, wat gerekend wordt tot het Oud-Nederlands. Deze vroeg gesproken taal was bijzonder verwant met de Ingwaeoonse taal van de Engelsen aan de overkant van de Noordzee. Deze Angelsaksen stamden immers ook af van de Friezen, Saksen (en Ingwaeoonse Angelen en Scandinaven). Door de politiek-culturele overmacht van de continentaal-Germaanse Franken in onze Lage Landen bij de zee, groeide in onze West-Vlaamse gewesten tijdens de Middeleeuwen een symbiose tussen het Frankisch, het Fries en het Saksisch: Middelnederlands of Diets genaamd. Nog een voorbeeld om de verbondenheid van de kustbewoners aan alle zijden van de Noordzee te illustreren, is het volgende: Als een West-Vlaamse en een West-Noorse visser elkaar op zee tegen kwamen en plat “dialect” met mekaar spraken, dan verstonden ze elkaar.

Het West-Vlaamse Middelnederlands met talrijke Ingwaeoonse (Fries-Saksische) elementen was zelfs tot in Gent (tot ca. 1600) de volkstaal. Dus, Jacob en Filips van Artevelde spraken West-Vlaams. Door de groeiende invloed van vooral het Antwerpse Brabants (dit is Frankisch) is de taal van de Oost-Vlamingen meer en meer naar dit Brabants opgeschoven. De West-Vlaamse klanken kapselden zich binnen de huidige provincie WestVlaanderen ( met inbegrip van Frans-Vlaanderen over de “schreve”) en deze zijn tot op de dag van vandaag dat typische, eigen, sappig taaltje gebleven, een taal die als geen ander nog zoveel gelijkenissen met het oude Middelnederlands vertoont. Het West-Vlaams wordt doorheen onze taalgeschiedenis beschouwd als het meest conservatieve en meest authentieke “dialect”, wortelend in een ver verleden. Logisch dat er in het 19e eeuwse België West-Vlaamse taalparticularisten als een Guido Gezelle waren …

Ja, ooit lag Handzame aan de zee, de Noordzee of “Mare Germanicum”. Handzame was gedurende de zogenaamde Duinkerke III-A transgressie (11 e eeuw) een zeehaven, waarin bij hoog water middelgrote schepen binnen vaarden. De benaming “Aarsgat” – gat is inkom – herinnert daar vandaag de dag nog aan. De kleine handelsgemeenschap beschikte alzo over een doorvoerhaven, die van groot belang was voor de markt van Torhout, één der sterkste markten van het Graafschap Vlaanderen. Handzame had wel degelijk handelsbelang in de Middeleeuwen. Toen de zee geleidelijk wegtrok, werd in de 12e eeuw de Handzamevaart – of kanaal van Handzame – gegraven, zodat de handelsbetekenis kon worden gehandhaafd.

Nog eeuwen nadat het overstromingswater zich had teruggetrokken, bleef Handzame een niet onbelangrijke zeehaven, van waaruit het Vlaamse laken via de Krekebeek naar de Torhoutse jaarmarkt werd verscheept. De vaart was tot het einde van de 19e eeuw bevaarbaar voor platte schuiten. Elke maandag voer vanuit Handzame een boot, “cogghen”, volgeladen met boerinnen en boterkorven naar de botermarkt van Diksmuide. De Handzamevaart mondt namelijk te Diksmuide in de IJzer. In 1842 werd de vaart nog gebruikt voor het vervoer van handelsgoederen. Het verzandingproces was toen reeds volop bezig. Dat vrachtvervoer met door mensen getrokken schuiten, “boottrekkers van de Handzamevaart”, is tot omstreeks 1895 in voege gebleven.

Van in de Middeleeuwen maakten de kooplieden van de gemeente deel uit van de Hanze en mochten bijgevolg in de wateren van deze vrij handel drijven. Hierdoor werden diverse kooplui rijk en machtig. Zij kochten eigendommen en landerijen die ze van geslacht tot geslacht aan hun erfgenamen nalieten. Merkwaardig is dat Edewalle, nu een gehucht van Handzame, eertijds de heerlijkheid was waarvan Handzame grotendeels afhankelijk was, samen met Kortemark en Zarren. Het gebied van Edewalle reikte volgens oude stafkaarten tot nabij de huidige dorpskom van Handzame. Het was een belangrijke heerlijkheid met 18 achterlenen.

Aan de noordrand van ons dorp lagen de onmetelijke bossen van Wijnendale met de 44m hoge Ruidenberg, het hoogste punt van Handzame, en het historische kasteel van de Graven van Vlaanderen te Wijnendale. Talrijke legenden schragen de geschiedenis van deze omgeving, zoals “de eeuwige jager van Wijnendale” of de roverbende van Jan De Lichte die in de dichte bossen zou hebben gehuisd. Handzame was ook één van de elf dorpen van het “Land van Wijnendaele” dat aan graaf Gwijde van Dampierre toebehoorde en deel uitmaakte van de uitgestrekte landelijkheid van het Brugse Vrije.

Handzame pronkte met één van de mooiste dorpskerken van West-Vlaanderen. In het oudst bekende document over het dorp (1085) is er reeds sprake van een kerk. In de 13e eeuw werd die in gotische stijl herbouwd. De huidige kerk kent als patroonheilige nog steeds Sint-Adrianus. Er bestond een “confrerie” waarvan de oorsprong teruggaat tot 1707. Eertijds was de kerk een bedevaartsoord waar godvruchtige maagden de heilige kwamen vereren om een goede echtgenoot te vinden. In ons dorp stond het kasteel van Cronevoorde, deze burcht doorstond verscheidene belegeringen en behoorde aan het stamhuis van den Berghe. De Amersveldehoeve was vier eeuwen lang de thuishaven van de adellijke familie van den Berghe, die de titel “heren van Watervliet” droeg.

De weledele Jan van den Berghe zag het levenslicht te Handzame ca. 1360 en hij overleed er op 7 oktober 1439 waarna hij voor eeuwig rustte in de dorpskerk van Handzame. De vader van Jan, Joos van den Berghe, behoorde tot een oude adellijke schepenfamilie van het Brugse Vrije en zijn moeder, Germaine van Lichtervelde, stamde af van één van de oudste adellijke families van het Graafschap Vlaanderen. In de jaren 1360- 70 zijn er leden van het geslacht van den Berghe terug te vinden in de magistraatslijsten van het Brugse Vrije. We vertelden dat Handzame in het Brugse Vrije in vroegere eeuwen nog aan zee lag en beschikte over een zeehaven. Van hieruit ontstond een bloeiende doorvoerhandel van het Vlaamse laken naar de belangrijke Torhoutse jaarmarkt. Ook toen de zee wegtrok bleef, door het graven van het Handzamekanaal naar de IJzer (12e eeuw), Handzame zijn maritieme handelsfuncties behouden. Bijgevolg heerste er in Handzame voor kooplui en grondbezitters een behoorlijke welstand. Zo ontstonden er vermogende en invloedrijke families, de familie van den Berghe was er één van en bracht het tot Vlaamse landadel.

De van den Berghe’s verwierven de drie “kastelen” (soms kasteelhoeves) die Handzame in de Middeleeuwen rijk was: het kasteel van Cronevoorde ( eerder een boerderij), de Amersveldehoeve die vier eeuwen lang de thuishaven van de familie was en ten slotte Watervliet (een soort buitenverblijf). Het familiehoofd droeg dan ook de titel: “Heer van Watervliet.” Aan de dorpskerk van Handzame is nog een oude stenen inscriptie te zien die zou moeten herinneren aan het eens machtige geslacht van den Berghe. Ik zeg “zou”, omdat de tekst door de tand des tijds zo goed als volledig is uitgesleten. De heer David Lauwers heeft in 1999 een schitterende licentiaatthesis gemaakt over “De Leden van de Raad van Vlaanderen onder Jan zonder Vrees”. Zijn werkstuk is een welkome bron waaruit heel wat gegevens aangaande de “carrière” van onze “janneman” te putten zijn. We belichten voor zover bekend de levensloop van de wellicht meest notoire inwoner van Handzame: Jan van den Berghe, Heer van Watervliet.

Heer Jan begon zijn loopbaan als schout (cfr. burgemeester) in de heerlijkheid Wijnendale (waartoe Handzame behoorde). Hij werd- in navolging van zijn vader en wellicht grootvader – in 1394 benoemd tot schepen van het Brugse Vrije, het uitgestrekte plattelandsgebied dat naast Brugge, Ieper en Gent één van de Vier Leden van het Graafschap Vlaanderen was. Deze openbare functie zal hij bijna 40 jaar ononderbroken bekleden. Daarnaast rijgt hij de ene opdracht en andere functies aan elkaar. Vanuit het Brugse Vrije krijgt hij diverse missies te vervullen waaronder zijn audiëntie bij de koning te Parijs in 1399 om er op te komen voor de belangen van het Vrije. Eind 14de eeuw was hij ook kastelein (slotvoogd) en baljuw (plaatsvervanger van de graaf en verantwoordelijk voor de rechtspraak) van het hof van Wijnendale. In de jaren 1399 en 1401 was hij zelfs burgemeester van het Brugse Vrije en vanaf augustus 1401 werd hij baljuw van de Vier Ambachten (Hulst en Axel in Zeeuws-Vlaanderen en Assenede en Boekhoute in Oost-Vlaanderen). Vanaf dan zal hij nog slechts bij gelegenheid echt actief zijn als schepen van het Vrije, ook de middeleeuwse mens kon zich tenslotte moeilijk in vieren delen (alhoewel, … ).

Van januari 1405 tot mei 1407 was hij grootbaljuw van Kortrijk en van mei 1407 tot november 1411 grootbaljuw van Veurne. Toch een woordje uitleg bij het ambt van baljuw, in het middeleeuwse Vlaanderen en Holland invloedrijke functie op bestuurlijk en rechterlijk vlak, en blijkbaar op het lijf gegoten van Jan van den Berghe. In Vlaanderen ontstond het ambt van baljuw in de tweede helft van de 12e eeuw, de graaf had nood aan betrouwbare ambtenaren die geheel in zijn dienst stonden. De meeste baljuws behoorden tot de kleine landadel (zoals de van den Berghe’s uit Handzame).

Deze positie waaraan talrijke gunsten en voordelen verbonden waren, bood hun de gelegenheid hun gehavende fortuin wat te herstellen. Zij moesten Vlaming zijn van geboorte, maar mochten niet afkomstig zijn uit de stad of het gebied waar zij hun ambt uitoefenden. Op alle gebieden waren zij de vertegenwoordigers van de graaf ( ook de hertogen van Bourgondië waren graven van Vlaanderen) en de verdedigers van zijn rechten. In de eerste plaats waren zij gerechtelijke en politieambtenaren, belast met de ordehandhaving en de misdaadbestrijding in hun ambtsgebied. Tegen het einde van de 13 e eeuw waren er in het Graafschap Vlaanderen 12 die de titel van grootbaljuw mochten voeren: Brugge, Gent, Ieper, Rijsel, Dowaai, Veurne, Aalst, Oudenaarde, Kortrijk, Kassei, Sint-Winoksbergen en Broekburg.

Als grootbaljuw en schepen was die periode voor Jan een drukke tijd: in 1405 trad hij bemiddelend op in een geschil tussen het Vrije en de stad Brugge en in 1410-1411 had hij een belangrijk aandeel in de bijlegging van een conflict tussen de Bourgondische hertog Jan zonder Vrees en de Brugse ambachten. Dat men juist op hem een beroep deed om dergelijke taken op zich te nemen, is wellicht te verklaren door het feit dat niet enkel de hertog, maar ook de lokale overheid in hem vertrouwen stelde. De beloning liet dan ook niet op zich wachten, reeds in 1407 werd hij gepromoveerd tot raadsheer van de hertog van Bourgondië. Na de problemen met de stad Brugge werd Jan van den Berghe benoemd tot schout van Brugge, een functie welke hij vervulde in de jaren 1411-1412. De schout was net als de baljuw een vertegenwoordiger van de landsheer belast met rechtspraak, van opsporing en procesvoering tot uitvoering van het vonnis. De schepenen en de schout overlegden in de zogenaamde Vierschaar. Van 2 april 1412 tot 16 juni 1413 vervulde Jan de functie van waterbaljuw van Sluis en tussen 1412 en 1414 werd hij tot de hoge functie van raadsheer bij de Raad van Vlaanderen benoemd, min of meer een Vlaams mini “super-parlement”. Jan van den Berghe was gedurende de verdere regeerperiode van hertog/graaf Jan zonder Vrees (tot 1419) Vlaams raadsheer. Hij volgde regelmatig de zittingen en kreeg er ook een jaarlijkse vergoeding voor uitbetaald. Jan, “duivel doet al”, was ook nog commissaris van de wetvernieuwingen te Ieper in 1415, 1423 en 1426.

In zijn thesis schrijft Lic. David Lauwers: “Jan van den Berghe was voorstander van de hertogelijke politiek onder de Vier Leden daar hij tegelijkertijd afgevaardigde van het Brugse Vrije op de Ledenvergaderingen was en fungeerde als raadsheer van de hertog. Als vertegenwoordiger van het centrale gezag was het voor een baljuw moeilijk, maar niet onmogelijk, om tegelijkertijd in dienst te staan van de lokale of gewestelijke overheid. Jan van den Berghe heeft hiervan het bewijs geleverd.” Jan was zeer actief als onderhandelaardiplomaat, zowel in functie van het Vrije als in zijn functie van hertogelijk raadsheer.

In 1411 werd hij als raadsheer opgenomen in de Raad van de graaf van Charolais (Henegouwen) en onderhandelde hij met de Vier Leden over hoofdzakelijk economische aangelegenheden, ook vertegenwoordigde hij in april 1414 het Vrije op een vergadering tussen de Leden en de graaf van Charolais. Begin april 1413 kreeg hij de opdracht om in Biervliet te onderhandelen met de gezanten van de graaf van Henegouwen~ Holland omtrent de zeeroverijen en in juli 1414 werd hij naar Brugge afgevaardigd in verband met zeeroverij gepleegd op Vlamingen in Dieppe. Ook voor de problemen omtrent de munt werd hij ingeschakeld: zo werd hij in september 1417 naar Doornik afgevaardigd om mogelijke oplossingen te vinden voor het slaan van een nieuwe munt. In januari 1417 was hij al aangesteld als één van de commissarissen voor de verlenging van de vrede met Engeland. In april 1418 liet hij zich in met het onderzoek naar de aangerichte schade als gevolg van zeeroverij en dit in het kader van de vrede met Engeland.

Jan vergat bij dit alles ook niet aan de opvoeding, opleiding en toekomstige loopbaan van zijn kinderen te denken. Hij gebruikte zijn bindingen met het huis van Namen om zijn zoon Joos (genaamd naar de vader van Jan) voor de belangwekkende taken voor te bereiden. Johanna van Harcourt, weduwe van graaf Willem II van Namen, zal zich daar hoogstpersoonlijk over ontfermen. De ingewikkelde hofetiquette en de kennis van het Frans waren hierbij onontbeerlijk voor de telg van de Dietstalige familie van den Berghe. Zoon Joos heeft toch niet de schitterende carrière uitgebouwd die vader lief voor ogen had en waarvoor hij voorbestemd leek. In 1448 was Joos wel burgemeester van het Brugse Vrije en schepen vanaf 1449 tot aan zijn dood te Handzame in 1459. Zijn zoon – jawel ook al Joos van den Berghe, heer van Watervliet genaamd – nam in 1490 het burgemeesterschap waar van het Brugse Vrije.

Men kan zich terecht afvragen of Jan van den Berghe nog wat “vrije” tijd overhield. En of hij voor het overige nog actief was, en hoe! Ondanks het feit dat hij geen universitaire opleiding had genoten, slaagde hij er wel in om zich op te werken tot rechtsgeleerde. Jan van den Berghe hechtte veel meer belang aan praktijk en ervaring dan aan het verwerven van theoretische kennis. Hij leefde nog in een tijd waarin technische scholing niet de eerste vereiste was om een hoger ambt waar te nemen. Zijn zoon Joos, met zijn hoofse manieren maar met weinig technische achtergrond, zal het ondervinden dat de tijden veranderd waren en nieuwe vereisten werden gesteld. Reeds in 1405, toen hij nog baljuw van Kortrijk was, begon Jan met het aanleggen van een formulierboek van akten in verband met de uitoefening van het baljuwambt, getiteld “Prothocole in Vlaemsche”. Het werk wijst nog op een gebrek aan technische scholing maar zijn inzichten in de rechtsproblemen werden echter later verruimd door zijn opname als raadsheer bij de Raad van Vlaanderen.

Op het einde van de jaren 1420 – in de herfst van zijn politiek-ambtelijke loopbaan – begon hij met het samenstellen van een werk waarin het kostumiere recht voor de eerste maal in Vlaanderen van een algemeen standpunt uit werd beschouwd. Het werk, dat er kwam op suggestie van de collega hertogelijke raadsheer en ridder Rudolf van Uutkerke en ook aan hem werd opgedragen, droeg de titel “Dat Kaetspel ghemoralizeert” en was klaar in 1431. Ridder Rudolf was een bevorderaar van een rechtvaardige rechtspraak en een groot liefhebber van het kaatsspel. Het werk behandelt geen technische vraagstukken maar geeft een trouwe weerspiegeling van de opvattingen die de toenmalige leidende Vlaamse kringen in het recht wilden zien zegevieren. Met een moraliserende bedoeling en met verhalende exempelen schetst Jan van den Berghe een allegorische uitbeelding aan de hand van het kaatsspel van de in zijn tijd gebruikelijke rechtspleging. Pas op het einde van zijn leven ging Jan van den Berghe er pas toe over om een puur technisch rechtstraktaat te schrijven: “De juridictien van Vlaenderen”. In vraag- en antwoordvorm worden er een aantal regelingen uit het kostumiere Vlaamse procesrecht behandeld en het is met dit werk dat hij een definitieve stek in de rechtsgeschiedenis wist te veroveren..

Het hoeft geen verder betoog dat edelman Jan een ongelooflijke duizendpoot was. Hij lag natuurlijk in de juiste adellijke wieg maar heeft als man van de praktijk en de ervaring al zijn talenten en gaven verzilverd met een schitterende loopbaan op het ambtelijke, politieke en rechterlijke vlak. Een kleine dorpsgemeenschap als Handzame kan trots bogen op deze figuur. Maar wie van de huidige generatie inwoners is zich daarvan bewust?

Ik maak nu een fikse sprong in de tijd. Handzame lag al lang niet meer aan de zee, het werd een doordesemde West-Vlaamse plattelandsgemeente waar men zich bij hard labeur krom werkte, maar waar men zich ook “jeunde”, waar het verenigingsleven bloeide, waar werklust, eerlijkheid, gezelligheid en “leute” hand in hand gingen, waar mijn familie – komende van Staden met voorouderlijke wortels in het Rijselse – zich in de late l8e eeuw vestigde …

Wanneer we het leven van de 19e eeuwse Handzaamse mensen bekijken, zien we dat alles was afgestemd op een gesloten landbouweconomie. Er werd wel handel gedreven met buurgemeenten of steden. De verplaatsingen gebeurden met paard en kar of te voet met de “kortewagen”. Over het volkskarakter van deze Handzamenaren schreef onderwijzer Remi De Puydt: “dapper, eerlijk, oprecht en werkzaam. Ruim honderd jaar geleden was de Handzamenaar over het algemeen eenvoudig, familiaal, hartelijk, gastvrij en sober. Hij was echter ook ruw en onhandig: de armoe baarde afgunst en vechtlust, terwijl de drankzucht nog veel aanhangers had.” De helft van de inwoners kon noch lezen noch schrijven. De mensen waren niet alleen diep gelovig, maar ook bijgelovig, en het één en het ander uit elkaar houden, was niet altijd eenvoudig. Diep ingrijpend in ons volksleven was de hongersnood van 1848. De aardappelziekte had haar intrede gedaan in West-Europa en vernielde bijna volledig de oogst. Een grote ellende ontstond door het tekort aan het voornaamste volksvoedsel. De raap moest de aardappel vervangen. De enige ontspanning vond men vaak in het herbergbezoek.

Voor 1840 verschafte de bewerking van het vlas een bijverdienste aan kleine landbouwers en aan landbouwarbeiders. Tengevolge de crisis in de vlasnijverheid waren velen verplicht uit te wijken: in 1903 emigreerden 37 inwoners van Handzame naar Canada. Anderen trokken als landbouwarbeider naar Frankrijk om er hard te werken, de zgn. “trimards” of “Fransmannen”.

Handzame was een dorp van “kortweunders” (families die bij elkaar wonen en zich gemeenschappelijk van de weinige voorzieningen bedienen, bv. een pomp), van “keuterboeren”, “chicorei-eestwerkers” (in de ast) en “bietenmannen”. De thuiswevers mochten hun getouw vergeten, crisis alom in de textiel. De armtierige werkmanswoningen in plak en vlecht, zonder vloer en met strooien dak, zullen voor de Eerste Wereldoorlog door stenen huizen worden vervangen. Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw waren de wegen in Handzame vuil en slijkerig, soms ware modderpoelen. De vier straten die van de markt uitlopen in de vier windstreken waren toen kronkelende aardewegen en ’s winters kronkelende poelen. Later in de eeuw werden de wegen geplaveid, verbreed en recht getrokken en in 1858 denderde de eerste trein door onze gemeente.

De Handzaamse auteur Paul Vanderschaeghe schetst de overgang van de “oude tijd” naar het hedendaagse als volgt in zijn schriftje over het Krekedal, verschenen in 1983 bij de Vlaamse Toeristenbond: “De wisseling van de seizoenen is niet meer herkenbaar aan het wegtrekken en weerkeren van de seizoenarbeiders met hun blauwe “tweezak”, hun “baluçon” over de schouder, noch aan de al dan niet walmende chicorei-eesten. De straat- en wijkkermissen met hun volksvermaak als mastklimmen, zaklopen, ringsteken, kikkerrijden en ganzerijden zijn voorbij. Gedaan is de tijd van het knikkeren, het zondagse “kalle smijten” naar munten op een kurken stop op een niet geplaveide stoep in het dorp. Voorbij is de tijd van het zomerse buurten vol verhalen, de tijd van de baarsjes bij de vleet, van de “gerrebekkende” kikkers in de drenkplaatsen, van de paling onder de bruggetjes, de tijd van Sint-Maartenstochten, met de uitgeholde bieten met een brandend stompje kaars binnenin, met de typische liederen door kinderen gezongen, de tijd van de sterreman en de paternosters-biddende bedelman, die na zijn dood een steenrijke kerel bleek geweest te zijn.”

Nieuwe tijden, maar Handzame bleef zijn eigen, typische dorpsklimaat verder ontwikkelen …

Deel 2: Handzame, geschiedenis en fictie: een boeiende combinatie

Als ik eens veel goesting en tijd heb, zou ik mij wel eens aan het schrijven van een historische roman willen wagen. Of er iets van in huis komt, zal de toekomst moeten uitwijzen. Het blijft een open vraag.

Mijn verhaallijn zou zich afspelen rond het jaar 1100 tijdens de volle Middeleeuwen, en dit in het Graafschap Vlaanderen én het Engelse Graafschap Kent. Ziehier de historische feiten waarrond ik graag met veel fantasie zou willen spelen:

Basis van het gebeuren is het Middeleeuwse Handzame, toen “Hansam”, gelegen in het land van Wijnendale in het Brugse Vrije, dat verbinding had met de Noordzee en over een zeehaventje beschikte. Er woonden diverse kooplieden in de buurt van deze doorvoerhaven voor de belangrijke markt van Torhout, waar de lakenhandel als motor van de Vlaamse economie floreerde. Van 1071 tot 1093 regeerde Robrecht I van Vlaanderen, beter bekend als Robrecht de Fries, over het Graafschap Vlaanderen. Robrecht de Fries stond bekend om zijn binnenlandse hervormingen die hem in staat stelden met de steun van de Vlaamse steden het grafelijk gezag te verstevigen, ten nadele van de adel en de geestelijkheid. Hij voerde het ambt in van grafelijke kanselier, en bevorderde de ontluikende handel.

Door de begrippen godsvrede en -bestand in acht te doen nemen, bevorderde hij ook de innerlijke vrede in zijn graafschap. Hij zal ook het kasteel van Wijnendale laten optrekken, waar gedurende meer dan 200 jaar de Graven van Vlaanderen hun verblijf zullen optrekken. De Fries wordt opgevolgd door Robrecht II van Jeruzalem die bestuurde tot 1111 en het beleid van zijn vader zal verder zetten. Daarna zal tot 1119 Boudewijn VII met de Bijl, Boudewijn Hapkin, als laatste Graaf uit het Huis Vlaanderen het Graafschap besturen. In het spoor van zijn voorgangers gaf hij de opkomst van de steden en de handel blijk van grote gestrengheid inzake de landsvrede, die hij herhaaldelijk afkondigde. Hij werd in de omgeving van Torhout en Wijnendale gevreesd voor zijn strenge optreden tegen boeven en rebellerende edelen. De steun die hij in ruil van de steden en de eenvoudige mensen genoot, diende hem in zijn strijd tegen de adel. Boudewijns bijnamen, herinneren aan zijn krachtdadig optreden tegen de verstoorders van de landsvrede. Vandaag de dag klinkt “Hapkin” in het Krekedal vooral als de naam van een bijzonder lekker, maar eveneens krachtig bier, conform de Graaf aan wie de naam is ontleed.

We maken een grote sprong en belanden bij Willem de Veroveraar, bastaardzoon van Robert “de Duivel”, hertog van Normandië en de dochter van een Normandische leerlooier. Willem volgt zijn vader op in 1035. Op 14 oktober 1066 overwint Willem bij Hastings de Engelse koning Harold van Essex en verkrijgt daarmee zijn bijnaam “De Veroveraar”. Op 25 december van datzelfde jaar wordt hij in Westminster Abbey tot koning van Engeland gekroond. In het politiek erg verdeelde Engeland van die tijd lukte het hem Engeland geheel te onderwerpen. Het zal het tot dan toe Angelsaksische Engeland een ander gelaat geven. De verfranste Normandiërs – zoals de naam zegt, afstammelingen van Scandinavische Vikingen of Noormannen – zullen als nieuwe machthebbers hun eigenheid aan de Engelse samenleving toevoegen.

Zo zijn in het zog van de Normandiërs benedictijnse abdijen opgericht, in Durham, Norwich, Ely en … Rochester. Gezien goede contacten van de Normandiërs met Vlaamse adellijke families trokken ook heel wat (West-)Vlaamse geestelijken over de Noordzee om in een Engels klooster hun dienstbaarheid aan God te beleven. In de benedictijnse kathedrale priorij van Rochester gaat het verhaal verder.

In de Middeleeuwen, toen men nog met pennen uit vogelveren schreef, was het gebruikelijk dat de schrijvers hun nieuwe pennen uitprobeerden op een bladzijde van een boek waarmee ze zich net bezig hielden. In 1932 werd door een Engelse geleerde in een bibliotheek in Oxford een los stuk perkament ontdekt dat gebruikt was om een boekband te verstevigen en waarop naast een Latijns handschrift ook een versje in het Oudnederlands als zogenaamde “probatio pennae” is vereeuwigd. Deze korte tekst is geschreven door een West-Vlaamse monnik omstreeks 1100 in die abdij van Rochester, in het Graafschap Kent in Engeland, toen hij zijn nieuwe pen in gebruik nam en blijkbaar iets opschreef wat hem net door het hoofd schoot. Om zijn tekstje voor anderstaligen begrijpelijk te maken, schreef hij woord voor woord de Latijnse vertaling erboven. De vermaarde West-Vlaamse tekst luidt:

“hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic ( e )nda thuuu(at) unbida(n) (uu)e nu” of “Alle vogels zijn met hun nesten begonnen behalve ik en jij.

Waar wachten wij nog op?”

De auteur van dit minneversje is onbekend, maar uit de spelling blijkt dat hij uit West-Vlaanderen afkomstig was, omdat hij “problemen” met de klank “h” had (“hic” in plaats van “ic”). Tegenwoordig is dit nog steeds een bijzonder verschijnsel in West-Vlaanderen. De abdij van Rochester als schrijfplaats wordt herkend door het feit dat deze abdij toen intensieve relaties met de West-Vlaamse adel onderhield. Taalgeleerden hebben er recentelijk op gewezen dat het ook wel eens Oud-Engels i.p.v. West-Vlaams kan zijn. Het wordt een discussie over het geslacht van de engelen, want in die tijd was er heus weinig verschil tussen beide “Ingwaeoonse” (Fries)-Saksische talen die aan de Engelse en Vlaamse kusten werden gesproken.

Tot zover de geschiedenis, maar nu de fictie. Mijn West-Vlaamse monnik, hoe kan het anders, komt uit “Hansam”, het zeehavendorpje. Sinds Graaf Robrecht de Fries is er overal vrede in de streek. De monnik, ik noem hem Koenraad, komt uit een adellijke handelsfamilie, gevestigd sinds eeuwen in Hansam. Deze familie heeft rijkdom verzameld door de bloeiende lakenhandel en heeft daarbij stevige contacten ontwikkeld met Engelse adellijke heerschappen. De oude grootvader van Koenraad is een rechtschapen man, hij nam het steeds op voor de “eenvoudige lieden” en de minstbedeelden. Hij is nog steeds trouw aan het heidense, Germaanse (Saksische) voorvaderlijke geloof. Grootvader las steeds “de runen” vooraleer hij belangrijke beslissingen nam. Koenraad heeft een uitstekende verhouding met zijn grootvader. Grootvader nam Koenraad vaak mee naar de rust van de bossen van Wijnendale en de Ruidenberg, naar de luister van de grafelijke burcht en naar het gewemel en gewriemel van de massa op de drukke markt van Torhout. ’s Avonds bij het grote haardvuur hing de knaap aan de lippen van grootvader die steeds het hart en de verbeelding van de jongen wist te veroveren met de vele boeiende verhalen, al of niet zelf beleefd, al of niet echt gebeurd.

Deed het er toe? Grootvader werd in Hansam geëerd als een bijzonder moedige en kundige zwaardvechter, hij die zo vaak de krachtige aanvoerder was indien de dorpsgemeenschap door indringers werd belaagd. Maar grootvader hield niet van oorlog, strijden was voor hem het eigen heem verdedigen en niet zozeer veroveren uit brute machtswellust. Grootvader was niet alleen adel van afkomst maar hij was ook een edel man. Zijn grootste treurnis was dat hij zijn jonge vrouw in het kraambed had verloren. Koenraad’s moeder, Kunegonde, een dochter van een rijke boer uit de weilanden van Hansam, was een trotse, goede vrouw voor wie het een punt van eer was om haar man en haar gezin in alle omstandigheden te dienen. Koenraad’s vader is van een ander gehalte.

Hij heeft een hardvochtig karakter en is alleen maar uit op macht en glorie. Vanuit zijn berekening spot hij met het voorvaderlijk geloof, hij is “christen” en dat komt hem goed uit om overal bij de christelijke machthebbers, zowel wereldlijke als kerkelijke, te kunnen slijmen ten bate van zijn eigen hovaardige sier, pracht, praal en macht. Kunegonde lijdt daaronder maar zwijgt omdat ze denkt dat dit haar taak, rol en lot is. De vader is van het grafelijk slot in Wijnendale niet weg te slaan. Robrecht de Fries heeft hem door en kent zijn verachtelijk en achterbaks gedrag, maar uit respect voor de grootvader tracht hij dit door de vingers te zien.

Als het moet zou de vader naar Parijs trekken om op de knieën te vallen voor de Franse koning. Koenraad is een brave en goede jongen die amper het woord tot zijn vader durft te richten. Hij balanceert in zijn geloofsovertuiging tussen wat grootvader vertelt en de christelijke waarden die hij in zijn opleiding tot adellijke volwassene hoort te genieten. Voor de vader is de doorbrave Koenraad, die niet geschapen is om het zwaard te hanteren, een gemakkelijke prooi om hem als pionnetje in zijn schaakspel van zotte glorie te misbruiken. Koenraad wordt alzo monnik en “moet” de Heer dienen. De jonge volwassene heeft het er moeilijk mee, vooral omdat hij zo verliefd is op Marieke, het eenvoudige meisje, de jongste dochter van een krom gewerkte landarbeider.

Marieke woont met haar familie aan de waterkant. Marieke is dé volmaakte vrouw voor Koenraad: ze is bloedmooi en sensueel, ze is steeds in de weer en weet wat werken is, en vooral, ze lacht zo mooi haar hagelwitte tanden bloot in dat korenblonde gezichtje met die zacht-blauwe kijkers. Op een vroege morgen lag Koenraad te dromen in het hoge gras, hij kon de slaap niet vatten. Wat hij zag, tartte op elke wijze zijn verbeelding. Hij zag Marieke, zich van geen gezelschap bewust, zwemmen in het zeewater dat tegen de Handzaamse oever klotste. Met grote halen zwom ze zich sierlijk een weg doorheen de kracht van de baren.

En toen stapte Marieke voorzichtig uit het water en ze genoot van de vroege zon die haar naakte lichaam deed tintelen. Koenraad zag nu pas echt hoe volmaakt Marieke was. Haar blonde vlechten plakten aan haar lichaam, en het leek zoals bij water dat van ganzenveren afdruipt, dat de volle druppels over haar vrouwelijke vormen stroomden. De volle en stevige borsten van Marieke parelden terwijl de spierkabels van haar onderbuik rilden door de kilte van de morgen. Dit beeld zal voor Koenraad eeuwig in zijn geheugen gebeiteld blijven. Er groeit een prille liefde tussen beiden en Koenraad en Marieke zullen voor het eerst passioneel de liefde bedrijven … Maar Koenraad wordt van zijn geliefde weggerukt en moet van zijn nietsvermoedende vader de Heer dienen …

Zo komt Koenraad in de abdij van Rochester terecht. En daar zal hij op een vroege lentedag als de voorjaarszon door de schaarse spleten in de dikke abdijmuren zijn pij opwarmt, andermaal aan Marieke denken en de bekende gevleugelde woorden opschrijven …

Hoe het verder gaat? Dat weet ik ook nog niet, of beter gezegd, ik wil dit nog wat laten rijpen. Ik wil mij vooraf nog grondiger informeren over de Middeleeuwse maatschappij in de Lage Landen, over het contemplatieve kloosterleven, over het “scriptorium” waarin de monniken ijverig hun pennen hanteerden. Gedachten schieten door het hoofd om ook wel eens een “geromanceerde” kroniek te schrijven over het voorname geslacht Van den Berghe of over de burgemeestersfamilie Degrendele. Maar laten we maar eerst proberen om de lotgevallen van Koenraad en Marieke uit Hansam tot een goed einde te brengen …

Deel 3: Over burgervaders, Vlaamse en andere zieltjes van Handzame

Toen in 1801 Handzame een zelfstandige gemeente werd, in volle Franse bezettingstijd, kreeg de gemeente vanzelfsprekend ook een eigen bestuur. Dit bleef zo in de Nederlandse tijd (1815-1830) en na de Belgische revolutie van 1830 werd Handzame bestuurd door burgemeester Ivo Desimpel. Hij was een liberaal georiënteerde orangist. Het orangisme verzette zich tegen de Belgische revolutie en streefde terug de hereniging met Nederland na, dit vooral vanwege de vooruitstrevende economische politiek van de noordelijke Nederlanden.

Bonfilius Degrendele

Toen “arm Vlaanderen” regeerde, werd Bonfilius Degrendele burgemeester van Handzame. Hij was jarenlang de Handzaamse gemeentesecretaris én zoon van een gewezen Handzaamse burgemeester. Gedurende 30 jaar, van 1848 tot 1878 zal hij met vaste hand onze gemeente leiden. Deze grootgrondbezitter was als liberaal en “vrijmetselaar” niet-ongelovig. In de Kortemarkstraat 9 werd op het einde van de 18e eeuw een statig bouwwerk opgetrokken in de schaduw van de kerktoren van Sint-(H)adrianus, dit betekent ruim 200 jaar geleden. Het grote huis werd eigendom van de voorname burgerfamilie Degrendele. Bonfilius Degrendele, op jonge leeftijd al gemeentesecretaris, zal er geboren en getogen worden. Zijn vader was reeds bij de hereniging van de Nederlanden burgemeester van Handzame geweest en hij zetelde tevens in de provinciale raad van West-Vlaanderen.

Bonfilius,vrijgezel, grootgrondbezitter en aanhanger van het toenmalige liberale ideeëngoed bewoonde ook als burgervader het riante huis. Daar het huis voor de burgemeester toch te groot werd, besliste hij om de oostelijke kant te verkopen aan dokter Paret. Aan het grote raam had burgemeester Degrendele een majestueus uitzicht op zijn gemeente, op kerk en dorpsplein. In dit huis zal mijn familie, iets na 1920, komen wonen. Het is mijn ouderlijke thuis geworden. In de inkom hangt er nog een grote foto van de man en op “zolder” is er niet alleen een gelijkaardige afbeelding maar ook een opvallend en piëteitsvol houten plakkaat met de ernstige woorden: “Hier leefde en stierf Bonfilius Degrendele, Burgemeester van Handzame 1848-1878”. Misschien moeten we de “simpele” naam “de zolder” wel vervangen door de meer stijlvolle benaming “Burgemeester Degrendele zaal”.

Na de herhaalde verbouwingen is het antieke kader van het oorspronkelijke “herenhuis” hoofdzakelijk verdwenen. Tegen de oude voorgevel werd een nieuwere steen geplakt. Achteraan is de oude steen nog goed zichtbaar en ook de schouw met het ijzeren “huismerk” of “sibbeteken” – wij zeiden “den anker” – wijst op de historiciteit van de burgerwoning. Het zou om een “levensboom” gaan. De nu met steenafval toegegooide kruipkelder voorzien van halve bogen die op een vroegere wijnvoorraad wijzen, is spijtig genoeg niet meer te bewonderen. Bovenal staat “de zolder” als symbool van ons huis “met stamboom”. Mijn vader kan je nog op enkele restanten wijzen die de afbakening aantonen van de kamers van het vrouwelijk huispersoneel van burgemeester Degrendele. De onvermijdelijke hamvraag opborrelend uit mijn licht verdorven geest: zou de burgemeester er zelf ook wel eens hebben “geslapen”? Wie weet is het ook écht de “Burgemeester Degrendele ( slaap )zaal” geweest?

Tijdens de “grote oorlog” van ’14-’18 diende de oud-burgemeesterswoning zelfs als Duits casino. Welk”verderf’ is er toen allemaal niet geschied? Toen Handzame zwaar beschoten werd (voor alle duidelijkheid, door de Belgische artillerie!) en de inwoners allemaal ontheemd naar andere oorden moesten uitwijken, heeft ons huis gelukkig niet al te veel averij opgelopen. Van de oude woning waren dus twee huizen gemaakt en niet veel jaren na de eerste wereldbrand zijn mijn grootouders door aankoop – voor … 28.000 Belgische franken – de gelukkige bezitters geworden van de westelijke helft, de “schoonste” kant dicht bij de markt.

Gustaaf Huyghebaert

Gustaaf Huyghebaert is de laatste liberale burgemeester van Handzame geweest (1879-1884). Hij was in zijn ideologie veel fanatieker dan zijn voorganger Degrendele. Zijn maçonnieke denkbeelden maakten hem als radicaal-liberaal een hevig tegenstander van het katholicisme. Ook in het unitaire België zelf regeerde in die periode een radicaal-liberale regering. In Handzame hebben de kloosterzusters het geweten, ze werden verdreven uit hun kloostergebouw. Mijn vader herinnert zich nog ene juffrouw Huyghebaert in Handzame, een rijke nakomelinge van deze voormalige burgemeester die woonde in de Werkenstraat, waar nu de familie Braem woont. In 1884 eindigde zowel in België als in Handzame het liberalisme als politieke macht. Een lang tijdvak van conservatief-katholieke besturen zal volgen. Vergeten we niet dat onze bevolking, zeker in het landelijke West-Vlaanderen en Handzame, overwegend diepgelovig en katholiek was. Slechts door het cijnskiesstelsel, dat de politiek tot een aangelegenheid voor begoeden maakte, kon het liberalisme triomferen. Het was dé ideologie van de burgerij, de politieke filosofie van “laissez faire, laissez passer” en ongebreidelde vrijheid. Dit alles nam een einde en de katholieken namen de macht over, Edmund Costenoble wordt de eerste katholieke burgemeester van Handzame.

Hippoliet Ampe

Over zijn opvolger, Hippoliet Ampe, heb ik vele jaren geleden, toen ik geschiedenis volgde aan de Rijksuniversiteit Gent (1977-1978), een werkstukje gemaakt over deze interessante figuur. Het geeft mij de kans om hier iets dieper op in te gaan.

Carolus Hippolitus Ampe werd geboren te Handzame op 1 februari 1854. Hij was de zoon van de welstellende landbouwer Ludovicus Ampe en Sophia Coleta Dewulf, beide eveneens in Handzame geboren. Zijn moeder zou reeds een jaar later overlijden. De ouderlijke hoeve was “De Posthoorn”, een nog steeds bestaande, prachtige herenhoeve. Een foto anno 1871(!) toont ons de 17-jaar jonge Hippoliet met z’n broer in priesterlijke gewaden, drie opgedirkte zusters en vader Ludovicus in z’n sierlijkste kledij. In 1888 huwde Hippoliet met de “rijke” boerendochter Elisa Sidonia Stephania Duchatelez uit Pervijze. Het huwelijk werd gezegend met vijf kinderen, één zoon en vier dochters. Die zoon zal z’n vader als “Herenboer” opvolgen. Z’n echtgenote overleed reeds op 41-jarige leeftijd in 1906. Hippo liet was niet alleen een “Herenboer” en grootgrondbezitter, hij baatte een chicorei-ast uit en was ook een groothandelaar in meststoffen, zelfs in die mate dat hij daarin over een soort monopolie in de streek beschikte. Hij was dus duidelijk een vermogend man van aanzien in Handzame. Uit familiale poststukken blijkt dat de kinderen in het Frans naar hun vader schreven.

Burgemeester Edmund Costenoble wenste wegens zijn hoge ouderdom zijn mandaat als burgemeester te beëindigen naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen van 1896. Pastoor Clemens Vanderougstraete vreesde dat de toen nog sterke liberale oppositie, met heren als gewezen burgemeester Gustaaf Huyghebaert en Rector Roelens, beide grootgrondbezitters, van de gelegenheid gebruik zouden kunnen maken om het laken opnieuw naar zich toe te trekken. De katholieke partij had in Handzame een nieuwe sterke man nodig aan de top. Min of meer moreel gedwongen stelde de invloedrijke Hippoliet Ampe zich aan de kop van de katholieke lijst. Ook aangemoedigd door de priesters in de zondagse preek stemde de gelovige bevolking met overgrote meerderheid voor Hippoliet.

Hippoliet Ampe, officieel aangesteld als burgemeester door Leopold II, legde op 11 februari 1896 de eed af. Kort daarna werd de nieuwe Burgemeester ingehuldigd door de Handzaamse fanfare St.Cecilia. Het beleid van Hippoliet kon zeker voor die tijd vooruitstrevend worden genoemd. Vooral op het gebied van openbare werken was hij zéér verdienstelijk. Halverwege de 19e eeuw waren er in Handzame nog geen met stenen verharde straten. De verbeteringen volgden elkaar nu op. In 1899 kwam de verbinding van de Kruisstraat met St.Jozef, “de Geite”. In 1902 werd het huidige Handzaamse gemeentehuis gebouwd. Dit werd vooral verkregen door toedoen van minister Schollaert met wie Hippoliet vriendschappelijke banden onderhield. In 1904 kwam de bouw van de rijkswachtkazerne en in 1906 volgde de telefooncentrale.

Nog in datzelfde jaar werd de straat die de Ambachtstraat met de Muishoek verbindt ten dele verlegd en met grint versterkt. Ook een nieuwe weg van de Werkenstraat naar de Muishoek kwam tot stand: de Ommegangstraat. In 1912 werd door toedoen van de burgemeester de “gildezaal” hersteld en vergroot. Alle zandstraten legde hij in gravier, deze toestand bleef zo tot in 1953. Dit letterlijk “baanbrekend” werk beloofde Ampe reeds in de kiespamfletten van die tijd. Zeg dan nog dat geen enkele politicus z’n beloften niet houdt. .. De misnoegde ( en wellicht afgunstige) liberale oppositie liet zich uit: “Pollietje gravier zou gravé’s leggen tot in de rokken van z’n vrouw”.

Ook het verenigingsleven kende tijdens zijn bewind een grote bloei. Er waren de jaarlijkse druk bijgewoonde processies en kermissen met uitvoeringen op de kiosk, dichtbij de herberg “Het Blauwhuis”. Hippoliet was van ambtswege lid van de kerkfabriek en was ere-voorzitter van de succesrijke fanfare Sinte-Cecilia. Hij werd bij leven bekroond met de burgerlijke decoratie van 1 e klas en de herinneringsmedaille. Tijdens zijn bestuursperiode erkende de burgemeester in 1901 de Heerlijkheid van Edewalle als een nieuwe parochie van Handzame. Er bestaat nog een mooie foto uit 1902 waarbij de voltallige gemeenteraad, pastoor Fraeys en onderpastoor De Graeve zich rond de 100-jarige Barbara Proot, weduwe Steeland, verzamelen en dit naar aanleiding van de passende viering.

In 1905 werden in het land grootse vieringen gepland naar aanleiding van 75 jaar België. Op 22 mei werd Hippo liet Ampe door de Minister van Binnenlandse zaken en Openbaar Onderwijs plechtig uitgenodigd voor een feestmaal, aangeboden aan alle burgemeesters op 21 juli in het Paleis van Justitie. Ook in eigen gemeente bleef men niet achter. Handzame telde onder zijn inwoners immers ook ene Karel Tryo, 96 jaar én oud-strijder van 1830. In een verslag van ooggetuigen valt te lezen: “In de kerk, te 8.30: Plechtig Te Deum. De burgelijke overheid, de maatschappijen en gilden kwamen er naartoe in heerlijke stoet en omringde de 96-jarige oudstrijder van 1830, die al die feiten van die dag bijwoonde. Op de markt was er een vaderlands feest door gewezen soldaten en door de kinderen van de knechtenschool. Het feest werd opgeluisterd door de fanfaremaatschappij Sint-Cecilia. Op het Gemeentehuis was er een feestmaal, waarbij burgemeester Ampe, met diep gevoelen sprak over vaderlandsliefde en den ouden Karel Tryo dankte en vereremerkte. De “Jubilé National” van 1905, een gedenkboek aan alle burgemeesters geschonken – dat ik nog in zeer goede staat heb mogen inbladeren – vermeldt onder “Arrondissement de Dixmude”:

“Handzaeme-Le 11 septembre, un concert fut donné sur la Grand’Place illuminée et un feu d’artifice fut tiré. Le 14 septembre un cortège alla prendre à la maison communale un Combattant de 1930, M. Charles Trio, qui habite la commune. Après la cérémonie, les anciens soldats récemment libérés du service, exécutèrent divers mouvements sur la Grand’Place, un groupe de jeunes gens fit ensuite des exercices d’escrime. Cette fête se termina par l’exécution de chants patriotiques. A midi et demi, un Banquet fut servi à la maison communale, auquel assistait l’ancien Combattant de 1830. Le bourgmestre prononça un toast patriotique et M. Charles Trio chanta une romance du temps de la révolution. »

Met alle respect voor de kranige oude heer, maar ik heb zo mijn bedenkingen over die zogenaamde oud”strijders” van 1830 … Bij het uitbreken van de eerste universele oorlog viel op 15 oktober 1914 een voorhoede Duitsers de gemeente binnen. Franse “curassiers” sloegen ze op 18 oktober terug. Daags nadien namen de Duitsers Handzame voorgoed in. Zij waren belust op weerwraak voor de eerste aftocht en ze beweerden (terecht?) dat burgers op hen hadden geschoten. Dronken en woedend werden op 20 oktober 12 willekeurige door Duitse soldaten op de wijk “De Korte Wandeling” aangehouden. Hiervan werden er vier doodgeschoten.

Daarna trok men naar het gemeentehuis. Daar was burgemeester Ampe niet te vinden, ze vonden hem terug in de kelder van z’n hoeve met z’n gezin en een dertigtal omwonende pachters. Hippoliet Ampe maakte zich onmiddellijk kenbaar als burgemeester van de gemeente, hij werd onverrichter zake uit de kelder gehaald en op het eigen erf in bijzonder tragische omstandigheden doodgeschoten De getuigen vluchtten in paniek weg, zijn kinderen zijn slechts 8 dagen later schoorvoetend naar de hoeve teruggekeerd. René Ampe, geen familie van de vermoorde burgemeester, was verplicht om het lijk in een laken te wentelen en om dit stoffelijk overschot met paard en kar naar het kerkhof te voeren en te begraven. Twee dagen later werd in opdracht van de familie het lijk ontgraven, in een houten kist gelegd en kerkelijk begraven. De gedenksteen staat vandaag de dag op het Handzaamse kerkhof nog als stille getuige van deze droevige gebeurtenis.

Over Handzame gedurende die “grote oorlog” heeft mijn vader reeds heel wat gepubliceerd. Maar er zijn nog van die anekdotes uit de begindagen van de Duitse bezetting. Op zoek naar een aantal personen doorzochten de Duitsers ook het Handzaamse klooster. Daarbij werden de eerbiedwaardige zusters grondig afgetast, sommige heren vermomd in kloosterlingengewaden, het was nog al gebeurd … En … wie weet, hebben de dienaressen Gods deze minder devote handelingen met gemengde gevoelens ondergaan. Het is geweten dat de Duitsers kostbare schatten van onze kerk hebben geroofd, alhoewel deze bij het uitbreken van de oorlog zeer goed werden verstopt. Maar op een goede dag dineerde de dorpsherder met de Duitse legeroverste. De wijn vloeide rijkelijk en mijnheer pastoor vond niet beter dan zijn Duitse broeder een geheimpje te vertellen, met het gekende gevolg …

Dr. Adiel Debeuckelaere, de “Ruwaard van Vlaanderen”

Handzame heeft onder zijn inwoners enkele prominente “Vlaamsvoelenden” gekend. De meest bekende die een uitvoerige plaats in de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging inneemt, is Adiel Debeuckelaere, geboren te Handzame op 12 december 1888. De ouders van Adiel hadden het niet zo breed maar zoonlief studeerde zo goed, en naar mijn grootmoeder vertelde, hebben mijn grootouders Eugène Lowie en Louise Desimpel geldelijke middelen voorgeschoten om de studies van Adiel toch maar te kunnen bekostigen. Het heeft deze geen windeieren gelegd. Hij werd doctor in de klassieke filologie en in de rechten. Daarnaast was hij een leidende figuur in de Vlaamse Beweging, wat hem ook in de cenakels van de Belgische politiek bracht. Het is voldoende bekend dat korporaal Adiel Debeuckelaere in de loopgrachten van de IIzer, als intellectueel en ouderdomsdeken van zijn kompanen, de leider of “ruwaard” ( 1916) van de Frontbeweging was. Opgegroeid in de romantische Rodenbachtraditie was Adiel een overtuigde Vlaams-nationalist die weliswaar gematigdheid predikte en een pragmatische politiek wilde voeren.

Adiel tekende verantwoordelijk voor de bekende open brief aan Albert I waarin de erbarmelijke toestanden van de Vlaamse soldaten aan de IJzer worden beschreven, alsook de vernederende positie van de Vlamingen binnen de Belgische staat. In 1918 verzeild hij in Duitse gevangenschap, waarbij hij door zijn geboortegemeente Handzame trekt. De Duitsers wilden hem gebruiken voor hun propaganda, maar hij hield de boot af, ook t.o.v. de activisten, die van de Duitsers de Vlaamse zelfstandigheid wilden verkrijgen. Na de oorlog en terug uit Duitse gevangenschap zal Adiel ook de voorman worden van “Het Vlaamsche Front”, beter bekend als Frontpartij. Het wordt de partijpolitieke vertaling van de Frontbeweging, de eerste parlementaire Vlaams-nationalistische partij. Adiel wordt ook medeoprichter van de Vlaamse Oud-Strijders (V.O.S.)

Van 1919 tot 1921, dag op dag twee jaar, is Adiel volksvertegenwoordiger in de Belgische Kamer. Hij liet zich verkiezen als kopman in het belangrijke arrondissement Antwerpen. Kort voor de verkiezingen van 1921, wanneer hij niet langer parlementair onschendbaar was, wordt hij door de Belgische staat in hechtenis genomen. Het is het begin van het beruchte proces-Debeuckelaere, in feite een proces van de Belgische staat tegen de Vlaamse Frontbeweging en het oprukkende Vlaams-nationalisme. Door tactische hoogstandjes van de betrokkenen ( o.m. door Pronter Hendrik Borginon) waarbij alles werd ontkend, tot het bestaan van de Frontbeweging toe, werd Debeuckelaere in 1922 vrijgesproken. Vanaf dan zakt Adiel naar de “tweede rij” van de Vlaams-nationale politiek.

Toch heeft hij nog enkele keren een politiek mandaat waar genomen: van 1925 tot 1929 provincieraadslid van Oost-Vlaanderen, van 1929 tot 1932 opnieuw volksvertegenwoordiger en in 1939 provinciaal senator voor Oost-Vlaanderen. Ondertussen was hij verantwoordelijke geworden van het financieel beheer in het V.N.V (Vlaamsch Nationaal Verbond). In 1940 zal Adiel tot veler verwondering het enige Vlaams-nationalistische parlementslid zijn dat de Belgische regering zal volgen naar Limoges. Toch spaarde de repressie hem niet, hoewel hij rap van alle blaam werd gezuiverd. Hij werd een leidende figuur in de financiële wereld, wat hem niet verhinderde om zich in de Vlaamse Beweging verder in te zetten, vooral voor de IJzerbedevaarten (als ondervoorzitter van het desbetreffende comité)en voorzitter van het amnestiecomité waarbij hij in 1959 een amnestiebetoging organiseerde. Van verdere partijpolitieke inzet onthield hij zich na de oorlogsjaren. Aanvankelijk zag hij meer heil in Vlaamse infiltratie binnen de C.V.P. Adiel Debeuckelaere overleed te Ninove op 15 februari 1979.

VLAAMS CENTRUM VOOR GENEALOGIE EN HERALDIEK – Handzame – Ignace Lowie in 2005

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>