Harelbeke in de middeleeuwen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     894 Views     Leave your thoughts  

Inleiding tot de middeleeuwse geschiedenis van Harelbeke

Het mag eigenlijk wel verwondering wekken dat over de geschiedenis van Harelbeke tijdens de middeleeuwen nog bijna geen studies gemaakt werden. Er zijn toch genoeg archiefbronnen voorhanden. Wat gepubliceerd is, beperkt zich tot de z.g. forestiers en het kapittel. Wel bevindt zich heel wat handschriftelijk werk uit de rode eeuw en het begin van de 1oste eeuw in het kerkarchief; vooral J. Ferrant heeft heel wat aantekeningen nagelaten. Deze studies zijn vooral interessant voor de geschiedenis van het kapittel, want de auteurs waren meestal Harelbeekse pastoors, die het rijke kerkarchief tot hun beschikking hadden ; maar voor de wereldlijke geschiedenis van Harelbeke zijn ze niet zo bruikbaar, aangezien hun auteurs vaak Sanderus, Meyerus, d’Oudegherst en Despars als « bronnen » aangewend hebben.

Dit artikel wil een kort overzicht geven van de geschiedenis van Harelbeke tijdens de middeleeuwen en eveneens de Harelbeekse instellingen uit die periode nader toelichten.

De vroeg-middeleeuwse geschiedenis van Harelbeke werd en wordt soms nog volledig omgeven door legenden. Dit is vooral het geval met de forestiers van Vlaanderen.

Tot het begin van deze eeuw werd door veel historici aangenomen dat Vlaanderen voor Boudewijn I bestuurd werd door lokale Karolingische ambtenaren, de forestiers, waarvan de latere Vlaamse graven de rechtstreekse afstammelingen zouden zijn. Deze forestiers, Liederik van Harelbeke, Ingelram en Audacer, werden gesitueerd in de 9de eeuw en zouden in de kerk van Harelbeke begraven zijn.

Critische historici als de Saint-Léger en Dhondt hebben in de eerste helft van deze eeuw de forestiers en hun genealogische band met de Vlaamse graven definitief naar het rijk der legenden verwezen, hoewel de drie personages – zonder enige onderlinge band – wel degelijk bestaan hebben. Zo was Liederik waarschijnlijk een Karolingische gouwgraaf uit de streek van Sint-Omaars in het begin van de 9de eeuw. Ingelram is de bekendste van de drie, aangezien hij niet alleen zomaar een gouwgraaf in de latere Vlaamse ruimte was, maar ook een gunsteling van Karel de Kale, koning van West-Francia. Van Audacer tenslotte weten we enkel dat hij – waarschijnlijk- de vader was van Boudewijn I.

In de loop van de 11de eeuw moet de genealogische band tussen deze drie personages ontstaan zijn; we treffen hem nl. voor het eerst aan in een genealogie van de Vlaamse graven, die omstreeks het midden van de 11de eeuw waarschijnlijk in de Gentse Sint-Pietersabdij ontstaan is. In deze genealogie wordt graaf Liederik al Harlebeccensis genoemd, en om hetzelfde moment situeren de Annales Formoselenses (ca1087), die eveneens in de Sint-Pietersabdij in Gent ontstaan zijn, de begraafplaats van graaf Liederik in Harelbeke. Deze konnektie met Harelbeke ontstond waarschijnlijk doordat ze een in Harelbeke begraven Liederik gingen identificeren met de vermeende voorvader van de Vlaamse graven.

Begin 12de eeuw blijken Liederik, Ingelram en Audacer niet alleen als voorouders, maar ook als voorgangers van de Vlaamse graven beschouwd te worden, want Lambrecht van Sint-Omaars noemt Liederik van Harelbeke in zijn Liber Ploridus de eerste graaf van het toen sterk beboste Vlaanderen. Hier rijst evenwel een probleem, want toen werd Boudewijn I voor de grondlegger van het graafschap aangezien.

HB1

Dit probleem werd einde 12de eeuw opgelost door Andreas Sylvius, die stelde dat Liederik, Ingelram en Audacer geen graven, maar wel koninklijke forestiers waren, belast met het beheer van de koninklijke wouden. Het verdichtsel krijgt zijn definitieve vorm pas einde 15de eeuw, want dan vindt er een splitsing van Liederik plaats : Liederik van Harelbeke wordt Liederik II en in de 7de eeuw wordt Liederik I de Buc gesitueerd. Om de tijdspanne tussen beide Liederiks te overbruggen, worden nog drie forestiers ten tonele gevoerd : Antonius, Burchard en Estordus. Deze laatste reeks forestiers is samengesteld uit zuiver fictieve figuren, die soms nogal fantastische avonturen beleven.

In deze vorm kreeg de verdichting grote bekendheid. Bepaalde historici, zoals Meyerus (1491-1552), hebben Liederik de Buc en de eerste reeks forestiers, bij gebreke aan ernstige gegevens, steeds als legendarisch verworpen. Maar de tweede reeks forestiers bleef stand houden tot het begin van deze eeuw.

De vroegste gegevens i.v.m. Harelbeke klimmen op tot de 10de eeuw. De Vita Bertulfi (tussen 1073 en 1088) vermeldt Harelbeke als een grafelijke villa onder graaf Arnulf I de Grote (918-965). Deze gaat waarschijnlijk terug op een Karolingisch kroondomein, en de nabijheid van het forestum Methela – naar de term een koninklijk jachtgebied – laat vermoeden dat het misschien een jachtresidentie geweest is. Op het einde van de 9de eeuw heeft Boudewijn II, die gebruik maakte van de verzwakking van het laat-Karolingische rijk, Harelbeke waarschijnlijk samen met het jachtgebied, net als andere staatseigendommen, aangeslagen.

Dezelfde Vita Bertulfi geeft ons ook het verhaal van de verwoesting van het grafelijke domein van Harelbeke door de opstandige Kortrijkzanen na de dood van Eilbodo (ca 992); de Kortrijkse gouw was nl. in de periode van anarchie, na de dood van graaf Arnulf I in 965, door diens neef Boudewijn Baldzo omgevormd tot een bijna autonoom « graafschap». Het gebied ging na de dood van Boudewijn Baldzo over in de handen van Eilbode van Vladslo; toen de jonge graaf Boudewijn IV na die zijn dood het Kortrijkse gebied wilde reïntegreren in het graafschap Vlaanderen, kwamen de Kortrijkzanen in opstand.

Een aanzienlijk deel van het domein van de Vlaamse graven bestond uit cijnsgronden. In Harelbeke treffen we een grafelijke dienst aan, nl. de spijker, die belast was met het innen en bergen van de cijns in natura, vooral graangewassen ; de cijnsgronden, ressorterend onder de spijker van Harelbeke, strekten zich uit over diverse parochies, meestal in de roede van Harelbeke: Zwevegem, Heestert, Moen, Sint-Denijs, Otegem, Aalbeke, Marke, Lendelede, Kuurne, Hulste, Wielsbeke, Ingelmunster, Bavikhove, Oostrozebeke, Deerlijk, Beveren, Harelbeke-buiten en schependom van Harelbeke.

Tot het grafelijke domein van Harelbeke behoorden ook de grafelijke banmolens op het Leie-eiland ; allen die binnen de banmijl, die zich één mijl rond het schependom uitstrekte, woonden, waren verplicht er hun graan te laten malen. De exploitatie van deze molens gebeurde in de late middeleeuwen door verpachting. Bij de molens hoorde ook de Leiesluis, want die verzekerde het nodige verval van het Leiewater, nodig om de molenraderen te laten draaien. Voor elk schip dat door de sluis moest, werd aan de pachter tol betaald.

Een ander deel van het domein ontwikkelde zich tot leengrond. Zo treffen we in Harelbeke dan ook een grafelijk leenhof aan, waarover we het verder nog zullen hebben. Lenen gehouden van dit leenhof strekten zich uit op Bavikhove, Deerlijk, Dottenijs, Egem, Fourmelles (boven Rijsel), Harelbeke-buiten, schependom van Harelbeke, Heestert, Hulste, Kooigem, Kortrijk-buiten, Kuurne, Luingne, Lendelede, Meulebeke, Moeskroen, Moen, Oostrozebeke, Otegem, Rekkem, Sint-Denijs, Tielt-buiten, Waregem, Wielsbeke en Zwevegem.

Onder de grafelijke heerlijkheid Harelbeke verstond men waarschijnlijk naast de leengronden ook de cijnsgronden, d.w.z. dus de gronden van de spijker (zie verder).

De heerlijkheid Harelbeke werd herhaaldelijk in apanage of douarie gegeven. Zo gaf Filips van de Elzas in 1159 Harelbeke aan zijn echtgenote Elisabeth van Vermandois. Bij het begin van zijn regering schonk Boudewijn IX (1194) Harelbeke waarschijnlijk samen met Biervliet in leen aan zijn jongere broer Hendrik, die later ook keizer van Constantinopel werd. Tussen 1207 en 1210 moet zijn broer Filips I, graaf van Namen (+1212), de heerlijkheid verkregen hebben ; na zijn dood ging Harelbeke als douarie naar zijn vrouw Maria van Frankrijk, die de heerlijkheid bij haar tweede huwelijk (1213) waarschijnlijk moest afstaan aan de erfgenamen van haar eerste man, nl. aan Yolande, die gehuwd was met Peter van Courtenay.

Voor de rest van de 1 3de eeuw bleef Harelbeke dan in handen van leden van de familie Courtenay, die ook graven van Namen (tot 1263) en keizers van Konstantinopel – vanaf 1261 titulair – waren. Op 28 januari 1301 staat Katharina van Courtenay de heerlijkheden van Harelbeke en Biervliet af aan Karel van Valois, broer van Filips IV de Schone.

Karel van Valois schenkt in 1313 beide heerlijkheden aan zijn zoon Filips, die in 1328 koning van Frankrijk wordt als Filips VI. Op 29 augustus 1337 restitueert Filips VI, tegen een jaarlijkse rente, Harelbeke en Biervliet aan de graaf van Vlaanderen. In de tweede helft van de 14de eeuw deed Harelbeke opnieuw dienst als douarie, ditmaal voor Margareta van Frankrijk, weduwe van Lodewijk van Nevers en voor Margareta van Male.

Uit de grafelijke heerlijkheid moet op zeker moment de stad Harelbeke ontstaan zijn met een eigen juridisch statuut. Teksten van de 11de eeuw noemen Harelbeke nog locus of villa, maar in de tweede helft van de 14de eeuw vinden we de term oppidum, wat waarschijnlijk al op een stedelijk statuut wijst ; het zijn resp. oorkonden van Diederik en Filips van de Elzas die Harelbeke in1153 en 1177 oppidum, stad, noemen. Waarschijnlijk kreeg Harelbeke dus al in de 12de eeuw stadsrechten.

De oudste juridisch-institutionele teksten die ons voor Harelbeke overgeleverd zijn, dateren uit de tweede helft van de 13de eeuw. Op 29 mei 1264 stemt gravin Margareta er op bede van haar bloedverwant Boudewijn, keizer van Konstantinopel, mee in dat in Harelbeke een zaterdagse markt gehouden wordt.

De oorkonde van Boudewijn II van Courtenay, (titulair) keizer van Constantinopel en heer van Harelbeke, waarbij de stad Harelbeke de toestemming krijgt op zaterdag een markt te houden, dateert van mei 1265 (1264? ; daarnaast verleent Boudewijn II in die oorkonde ook nog een aantal andere vrijheden, o.a. octroyons encore et volons que ly serf, de quelque lieu qu’il soient, qui tenront manoir a Harlebeke, endeans la bourgeoisie, se il y mainent an et jour sans loyal calenge, demourent franc il et leur enffant tant comme il seront manant en la bourgeoisie de Harlebeke.

Harelbeke had een eigen poorterij, duidelijk onderscheiden van die van Kortrijk en de andere steden van de kasselrij. In 1402 vaardigde hertog Jan zonder Vrees trouwens een ordonnantie uit, waarbij verboden werd om het poorterschap van meer dan één stad binnen de kasselrij Kortrijk te bezitten. Harelbeke had naar alle waarschijnlijkheid enkel binnenpoorters.

De wezerij van Harelbeke werd beheerd door twee weesheren, overziers van weesen, aangesteld door baljuw, proost en schepenen. In december 1385 staat Filips de Stoute de stad toe een jaarmarkt van drie dagen te houden, beginnend op 20 september, evenals een wekelijkse markt elke zaterdag.

Het schependom Harelbeke, aan beide zijden van de Leie, was in de middeleeuwen een open stad, d.w.z. zonder omwalling. De stad heeft dan ook herhaalde malen erg te lijden gehad van oorlogsgebeurtenissen, b.v. door de opstand van Gent van 1379 tot 1385. In oktober of november 1381 werden in Harelbeke trouwens onderhandelingen gevoerd tussen de graaf en afgezanten van de stad Gent.

Tijdens een nieuwe Gentse opstand in het midden van de 15de eeuw werd Harelbeke door de Gentenaren verwoest. In 1477 dan wordt Harelbeke door Franse troepen in brand gestoken en geplunderd.

Zoals in andere Vlaamse steden vormde de lakennijverheid of draperie in Harelbeke waarschijnlijk een belangrijke economische bedrijvigheid. In januari 1335 verleende de Franse koning Filips VI van Valois ~ op dat ogenblik nog heer van Harelbeke ~ de stad Harelbeke, op verzoek van de burgers, het recht de draperie te beoefenen.

Verder mochten ze op hun lakens een zegel laten aanbrengen, tegen betaling van een zegelrecht van 4d. per laken, en mochten ze hun lakens te koop aanbieden op markten en jaarmarkten van andere plaatsen. Dit privilegie werd in januari 1386 door Filips de Stoute en zijn vrouw Margareta bekrachtigd, om de stad te helpen zich te herstellen van de schade veroorzaakt door de Gentse opstand.

De wevers van Harelbeke namen, net als die van Tielt, waarschijnlijk geen deel aan de grote uitvoerhandel, maar werkten voor lokale bestellingen; beide kleine centra ondergingen immers de schommelingen niet van de uitvoerhandel en ook hun eigen productie liep niet evenwijdig.

De nabijheid van Kortrijk zorgde ervoor dat er geregeld conflikten waren tussen beide steden i.v.m. de lakennijverheid, zoals blijkt uit twee vonnissen van de Raad van Vlaanderen uit 1467 en 1499.

In Kortrijk werd Engelse wol geweven, maar in Harelbeke meestal Spaanse. In beide processen, die door de stad Harelbeke gewonnen werden, ging het erom dat in Harelbeke met Spaanse wol lakens geweven waren die er net zo uitzagen als de Kortrijkse «Bellaarts», die van Engelse wol waren.

HB2

Een belangrijke rol in het toenmalige Harelbeke werd gespeeld door het Sint-Salvatorskapittel. Dit kapittel werd tussen 1035 en 1042 gesticht door graaf Boudewijn V en gravin Adela in de kerk van Harelbeke, waarvan de oorsprong waarschijnlijk tot de Karolingische tijd opklimt. Het aantal kanunniken bedroeg van bij de stichting waarschijnlijk twaalf; omstreeks het midden van de 13de eeuw kwam er een dertiende prebende bij, bestemd voor de bisschop van Doornik, die zich in Harelbeke door een vicaris liet vervangen. Een proost stond aan het hoofd van het kapittel, en vanaf het begin van de 13de eeuw kwam er daarnaast ook een deken.

Het Harelbeekse kapittel verwierf vlug een belangrijk domein door diverse schenkingen. Zo bezat het o.a. het patronaatsrecht over 11 parochies. Een deel van het domein vormde een eigen heerlijkheid, die enkel gehouden werd van God en de zon, nl. Ten Doorne. Het Vrije van het kapittel, dat om de kerk lag en een enclave vormde binnen het schependom, vormde o.i. waarschijnlijk de kern van voornoemde heerlijkheid; de ligging van het Vrije binnen het schependom zorgde onvermijdelijk voor wrijvingen met de stad.

De neergang van het kapittel begint in de tweede helft van de 15de eeuw; in plaats van schenkingen en stichtingen zien we dan confisquaties, reducties en opheffingen van beneficiën.

Harelbeke beschikte ook over een hospitaal, dat waarschijnlijk gesticht werd in 1341. Uit een tekst uit 1487 kunnen we opmaken dat het om een z.g. passantenhuis gaat, want er wordt vermeld dat de zusters van het hospitaal van Harelbeke aan elke arme pelgrim eten en onderdak verschaffen.

Na dit zeer algemeen overzicht van enkele aspekten van de Harelbeekse geschiedenis in de middeleeuwen, zullen we verder nader ingaan op de juridische organizatie van Harelbeke. We zullen hierbij – bij gebrek aan een studie over de- middeleeuwse situatie – vooral gebruik maken van een werk dat over de 16de eeuw handelt, nl. dat van J. Monballyu over de rechterlijke organisatie van de kasselrij Kortrijk van 1515 tot 1621.

De belangrijkste lokale instantie is natuurlijk de stad Harelbeke. De stadsmagistraat bestond uit de proost en zeven schepenen. Deze stadsschepenen vinden we voor het eerst vermeld in de boven aangehaalde oorkonde van Boudewijn II van Courtenay uit 1265, en ze werden – althans in de late middeleeuwen – benoemd door de baljuw en een aantal vorstelijke commissarissen ; dit gebeurde vanaf 1438 om de twee jaar. De proost, die ook de taak van stadsontvanger waarnam, was voorzitter van het schepenkollege, dat burgerlijke geschillen en strafzaken behandelde in twee afdelingen, nl. de uierschare en de carnere. De vierschare werd gemaand door de schout en in zijn afwezigheid door de baljuw.

De Harelbeekse schepenbank was een rechtbank van gemeenrecht die de hoge, middelbare en lage justitie bezat en dus in eerste aanleg uitspraak deed in alle burgerlijke geschillen en strafzaken die de wet niet uitdrukkelijk voorbehouden had aan andere rechtbanken.

In dit verband doet zich echter een probleem voor. Volgens A.C.F. Koch zou de Harelbeekse vierschaar – net als haar maner de schout – enkel lage rechtsmacht bezeten hebben, en zou dus alleen maar boeten tot een maximum van 3 lb. hebben mogen opleggen. Dit leidt hij af uit een ordonnantie van Filips de Stoute uit 1392 i.v.m. de rechten van de schout, waarin volgende passages voorkomen:

Uit deze tekst kunnen we inderdaad afleiden dat de schepenen van Harelbeke maar tot een bepaald bedrag boeten mochten opleggen. In een 14de-eeuwse keure van Harelbeke, uitgevaardigd door proost, schepenen en gezworenen, is echter voor diverse misdrijven de doodstraf bepaald, wat hoge justitie impliceert; in de 16de eeuw beschikken ze zoals gezegd over lage, middelbare en hoge justitie. Hoe deze passages van 1392 dan wel geïnterpreteerd moeten worden, is mij (nog) niet duidelijk.

De schepenbank van de stad oefende binnen het schependom gemeenrechtelijke bevoegdheid uit, maar aan de bevoegdheid in burgerlijke zaken waren de lenen onttrokken. Daarnaast vorderden de Harelbeekse baljuws op strafrechtelijk gebied ook vaak de bestraffing van misdrijven, die ze vervolgden in de heerlijkheid en in de roede van Harelbeke, voor de stadsschepenen, maar dit was geen eksklusief rechtsgebied voor hen.

Zoals we boven al vermeld hebben, was Harelbeke ook de zetel van een grafelijk leenhof, een instelling die in het graafschap Vlaanderen voorkomt – net als de maner, de baljuw – vanaf de 12de eeuw. De lenen van dit leenhof gehouden vormden de heerlijkheid Harelbeke; het is niet uitgesloten dat de cijnsgronden van de spijker er ook toe behoorden. Een heerlijkheid bestond immers naast foncier en leengrond, meestal ook nog uit cijnsgrond.

Het leenhof van Harelbeke, samengesteld uit de leenmannen, hield zitting onder het kruis op de markt en werd gemaand door de baljuw van Harelbeke. Zoals de vier andere grafelijke leenhoven in de kasselrij Kortrijk had het theoretisch hoge, middelbare en lage jurisdictie, waardoor de leenmannen in eerste aanleg kennis konden nemen van alle burgerlijke geschillen en strafzaken in hun rechtsgebied, dat gevormd werd door van het leenhof gehouden lenen.

In de praktijk was hun bevoegdheid in de 16de eeuw veel beperkter. Op burgerlijk gebied namen ze alleen kennis van vorderingen i.v.m. lenen van hun leenbof gehouden. Normaal hadden ze ook de bevoegdheid om alle delicten gepleegd op de van het leenhof gehouden lenen te bestraffen, maar de baljuw die de bestraffing moest vorderen, gaf er in de 16de eeuw meestal de voorkeur aan deze misdrijven te vervolgen voor de stedelijke schepenbank van Harelbeke. Of dit in de middeleeuwen ook zo was, blijft een open vraag. Verder had het leenhof waarschijnlijk ook de bevoegdheid om maalboeten op te leggen aan hen die binnen de banmijl woonden en hun graan niet in de grafelijke banmolens hadden laten malen.

Naast het leenhof was er ook nog de schepenbank van de heerlijkheid. Die werd gemaand door de arnman en bezat lage kompetentie, d.w.z. dat hij boeten mocht opleggen tot een bedrag van 3 lb., daarboven lag de bevoegdheid van het Ieenhof. Verder oefende hij ook de grondrechtspraak uit op de gronden van de spijker.

De vroegste vermelding van deze schepenen dateert uit de tweede helft van de 13de eeuw. In de 14de-15de eeuw vinden we ze vermeld als scepenen ons gheduchs beeren voorseit in zijn voorseit heersceip van Haerlebeke met datter toebehoort of scepenen myns beeren van Vlaenderen int heerscip van Haerlebeke.

In het begin van de 16de eeuw verdwijnt deze nomenclatuur en werden ze betiteld als schepenen van Harelbeke-buiten, of van de spijker – deze benaming zal van dan af tot het einde van het ancien régime de normale titel worden -, of ook wel als schepenen van de ammanie. Soms werden deze titels gecombineerd ; zo noemen ze zich in 1519 schepenen van de spijker en van de ammanie van Harelbeke, terwijl ze zich in 1524 betitelen als schepenen van de spijker en de heerlijkheid van Harelbeke. Dat het hier telkens om dezelfde schepenbank gaat, blijkt uit het feit dat het telkens de amman is die als maner optreedt.

Uit de titels die deze schepenen gevoerd hebben, blijkt o.a. de boven al veronderstelde band tussen de grafelijke heerlijkheid en de spijker duidelijk. Voor de 16de eeuw is de benaming schepenen van de heerlijkheid de enige titel, maar vanaf 1500 is die van schepenen van de spijker overwegend. Harelbeke-buiten – d.i. is het deel van Harelbeke gelegen buiten het schependom (= Harelbeke-binnen) – is een benaming die voor het eerst voorkomt in het begin van de 16de eeuw in de titel van de schepenen. Over de ammanie zullen we verder handelen. De schepenbank van de heerlijkheid zetelde net als het leenhof onder de cruse op de markt van Harelbeke.

Harelbeke vormde ook het centrum van één van de vijf roeden die samen de kasselrij Kortrijk vormden. De stad, die als hoofdplaats fungeerde, was belast met het bestuur van de roede. De roede van Harelbeke werd beschouwd als de eerste roede van de kasselrij, wat o.a. blijkt uit het feit dat ze steeds als eerste vermeld wordt. De vroegste vermeldingen van de roede van Harelbeke dateren uit de tweede helft van de 11de eeuw.

De roeden fungeerden voor bepaalde administratieve aangelegenheden als schakels tussen bet kasselrijbestuur en de lokale instanties. Zo gebeurde in oorlogstijd de lichting van milities per roede en ook verstrekten de afgevaardigden van de localiteiten advies aan het kasselrijbestuur door bemiddeling van de roedebesturen.

Tot slot moeten we het nu hebben over de Harelbeekse gerechtsofficieren, nl. de arnman, de schout en de baljuw. Hoewel de baljuw het jongste ambt is – de baljuws komen in Vlaanderen voor vanaf de 12de eeuw – en in tegenstelling tot de twee andere niet erfelijk, menen we dat het eenvoudiger is om met de baljuw te beginnen.

De vroegste vermeldingen van de Harelbeekse baljuw treffen we aan in de loop van de 2de helft van de 13de eeuw; tot in de tweede helft van de 14de eeuw oefende de kasselrijbaljuw, d.i. de baljuw van Kortrijk, toezicht uit op die van Harelbeke. Vanaf het midden van de 15de eeuw vinden we in Harelbeke een hoogbaljuw en een onderbaljuw.

De hoogbaljuw van Harelbeke werd benoemd door de vorst en mocht zich laten bijstaan door een stedehouder of luitenant; de onderbaljuw werd benoemd door de vorst of door de rekenkamer van Rijsel in zijn naam. Binnen het schependom van Harelbeke waren in strafzaken hoogbaljuw en onderbaljuw, samen met de schout, de gewone gerechtsofficieren.

Delicten in het schependom konden dus door deze drie vervolgd worden. Als de onderbaljuw een vordering instelde, dan deed hij dat steeds als plaatsvervanger van de hoogbaljuw; de schout daarentegen trad volledig zelfstandig op, wat betekent dat hoogbaljuw en schout binnen het schependom dus een concurrerende bevoegdheid bezaten om delicten op te sporen en te vervolgen.

Beide gerechtsofficieren waren niet verplicht alle misdrijven voor de stedelijke schepenbank te brengen, want voor de meeste gevallen konden ze met de delinquent een cornpositie afsluiten ; de hoogbaljuw kon dit voor misdrijven in het schependom slechts als de schout ermee akkoord ging. Als er geen compositie afgesloten werd, konden hoogbaljuw en schout – hetzij afzonderlijk, hetzij samen – een vordering instellen voor de stedelijke schepenbank ; de schout trad echter op als maner van de vierschaar. Beiden zorgden dan voor de tenuitvoerlegging van het strafvonnis ; ze inden nl. de boeten, waarvan 2/3 naar de baljuw ging en 1/3 naar de schout ; een zelfde verdeling gold ook voor de composities en voor het betalen van de proceskosten in strafzaken.

In de banmijl van Harelbeke mochten hoogbaljuw of onderbaljuw allen die hun graan niet in de grafelijke banmolens van Harelbeke hadden gemalen, vervolgen; als er geen compositie werd afgesloten, vorderde de hoogbaljuw bestraffing met boete voor het leenhof van Harelbeke.

Verder trad de hoogbaljuw ook op in de heerlijkheid Harelbeke. Als gerechtsofficier van het leenhof van Harelbeke had hij gerechtelijke bevoegdheid op het grondgebied van alle lenen die van het leenhof gehouden werden. De hoogbaljuw vorderde de bestraffing van de misdrijven die hij dan vervolgde voor het leenhof of voor de stedelijke schepenbank. Uit de Harelbeekse baljuwrekeningen blijkt dat hij zich ook beschouwde als gerechtsofficier van de roede van Harelbeke, en ook in de parochies van de roede misdrijven opspoorde en vervolgde.

Binnen de roede en de heerlijkheid van Harelbeke lagen veel heerlijkheden met lage, middelbare of hoge justitie, die dus normaal enclaves vormden in het ambtsgebied van de baljuw van Harelbeke, want hij moest de vervolging aan de gerechtsofficieren van die heerlijkheden overlaten; de hoogbaljuw oefende er echter een subsidiaire bevoegdheid uit door bij wijze van preventie kennis te nemen van alle onbestraft gebleven misdrijven.

Binnen de ammanie Harelbeke, d.i. een leen gehouden van het leenhof van Harelbeke, oefende de hoogbaljuw hoge en middelbare justitie uit, en kon hij er boeten eisen van 3 lb. par. waarvan 1/3 toekwam aan de amman. In burgerlijke zaken trad de onderbaljuw op als gerechtsofficier van het leenhof; de hoogbaljuw kon hem hierin vervangen. Het ambtsgebied van deze laatste in burgerlijke zaken kwam overeen met dat van het leenhof.

De tweede gerechtsofficier van Harelbeke was de schout. Zijn bevoegdheid beperkte zich tot het schependom. De vroegste vermeldingen van het schoutsambt van de stad Harelbeke dateren uit de tweede helft van de 14de eeuw. Het gaat hier om een erfelijk ambt, dat op het moment dat we het in de bronnen aantreffen, in handen is van de familie van Halewijn.

De erfelijke schout stelde een plaatsvervanger aan die optrad met de titel van schout en wettelijk maner van de schepenen van de stad Harelbeke ; zo vinden we het althans in teksten op het einde van de 14de en in de 15de eeuw. In de 16de eeuw en later vinden we de benaming «erfelijk schout» niet meer terug, en wordt de schout benoemd door de «burggraaf» van Harelbeke.

Deze burggraaf is hoogstwaarschijnlijk niemand anders dan de erfelijke schout. Het kwam meer voor dat een erfelijke schout zich de titel burggraaf aanmatigde. Deze veronderstelling wordt bevestigd, want bij de eerste vermelding op het einde van de 15de eeuw is de burggravie in handen van dezelfde familie van Halewijn, die we vanaf het einde van de 14de eeuw aantreffen als houders van het erfelijk schoutsambt.

In 1492 vinden we de «heerlijkheid» van de burggravie Harelbeke, bestreccende inde prochien van Haerlebeke, Zweveghem, Heestert, Sinte Denys ende daeromtrent vermeld. Aan het ambt van burggraaf was dus een «heerlijkheid» verbonden. Dezelfde tekst leert ons verder dat voorseide burggravie huer bestrect in twee leenen, nl. de ammanie – waarover we het straks zullen hebben -, gehouden van het leenhof van Harelbeke, en het schoutetendom, gehouden van eenen vassaelheere.

Dit burggraafschap hing enkel af van « God en de zon», d.w.z. het was allodiaal Volgens J. Denys, die het archief van de familie Moerman d’Harlebeke inventariseerde, bestond het foncier uit een partij gronden, het huis van de burggraaf en enkele zwijgende renten. Zoals daarnet vermeld omvatte het burggraafschap ook nog twee lenen, nl. de ammanie, gehouden door de burggraaf van het leenhof van Harelbeke, en het schoutschap van de stad Harelbeke, dat door de burggraaf gehouden werd van de heerlijkheid Nevele-Roncheval.

Op het eerste gezicht staan we hier voor een nogal verwarde toestand: een vrijeigen «heerlijkheid» die twee lenen, gehouden van twee verschillende leenhoven, omvat. Dat ammanie en schoutschap als behorend tot het burggraafschap gezien werden, vloeit waarschijnlijk voort uit het feit dat er een personele unie was: burggraaf, erfelijk schout en erfelijk amman waren op dat moment ambten in handen van één persoon. Het is ook zo dat de titels erfelijk schout en erfelijk amman verdwijnen vanaf de 16de eeuw, en we zien dan dat de burggraaf zowel de schout als de amman benoemt.

In Harelbeke blijkt de titel burggraaf dus niet alleen te slaan op het erfelijk schoutschap, maar ook op het erfelijk ammanschap. Toch is de titel, zoals boven vermeld, waarschijnlijk ontstaan uit bet erfelijk schoutscbap. Zoals we al zeiden zou het foncier van de burggraaf o.a. het burggrafelijk buis omvat hebben. Dit deed ook dienst als gevangenis. Nu vinden we in een denombrement van het schoutetendom uit 1502 het volgende vermeld: Item behoort toe den voorsevden schouteten ende heerlickhede de vangenisse ende de proffyten daer of commende welcke hy onderhouden moet t’ synen coste.

In 1502 werd de gevangenis dus nog beschouwd te behoren tot het leen gehouden van Nevele-Roncheval ; later echter ging men het burggrafelijk huis klaarblijkelijk beschouwen als vrijeigen. O.i. kan dit element erop wijzen, dat het burggraafschap voortkomt uit het schoutetendorn, tenzij in 1502 gevangenis en burggrafelijk huis nog niet hetzelfde zijn.

Er moet ook gewezen worden op het probleem dat de burggraaf het erfachtig schoutschap in leen hield van de heerlijkheid van Nevele-Roncheval. Is dit ambt ooit in handen geweest van de heren van Nevele? Ook is er het probleem van de ouderdom van dit schoutsambt, dat we pas vanaf de tweede helft van de 14de eeuw vermeld vinden, maar daarover zullen we het hebben als we de amman behandelen.

Het erfelijk schoutschap was op het einde van de 14de eeuw in handen van het geslacht van Halewijn, en dit zou zo blijven tot het einde van de 15de eeuw, toen Maria van Berghes, weduwe van Jan van Halewijn, de heerlijkheid van de burggravie verkocht aan Roland Le Fevre. Deze verkocht ze op zijn beurt in 1502 aan Willem Carondelet.

De gerechtelijke bevoegdheid van de schout was zowel in strafzaken als in burgerlijke zaken beperkt tot het schependom van Harelbeke. We hebben al gezien dat hij geen ondergeschikte of plaatsvervanger van de baljuw was, maar dat beiden binnen het schependom een conkurrerende bevoegdheid hadden. De schout trad echter op als maner van de stedelijke vierschaar; de baljuw vervulde die functie slechts als de schout afwezig was.

De schout had recht op 1/3 van alle boeten die door de stedelijke schepenbank opgelegd werden, evenals op 1/3 van de cornposities afgesloten i.v.m. zaken waarvan de kennis toebehoorde aan de stadsschepenen. Hij inde ook 1/3 van de boeten en cornposities voortkomend uit de deurgaende waerbeden en mocht straatschouwingen houden in stad en banmijl – en theoretisch zelfs erbuiten.

Daarnaast betaalde de schout ook de 1/3 van de proceskosten in strafzaken en was hij cipier van de plaatselijke gevangenis; hij inde de hieraan verbonden rechten en zorgde voor het onderhoud van de gevangenis.

De laatste gerechtsofficier van Harelbeke die we nog moeten behandelen, is de amman. Net als het schoutsambt had ook dit ambt een erfelijk karakter. De erfelijke amman stelde ook een plaatsvervanger aan, die optrad als amman en wettelijk maner van de schepenen van de heerlijkheid. Zoals we boven al zeiden, verdwijnt de titel erfelijk arnman in het begin van de 16de eeuw; dan wordt de amman benoemd door de burggraaf.

In oorsprong was het een domaniaal ambt. De amman van Harelbeke verschijnt in het begin van de 12de eeuw als preco in een paar oorkonden; het is waarschijnlijk dat de praepositus laicus, die in 1090 voorkomt in een in Harelbeke uitgevaardigde oorkonde, dezelfde ambtenaar is als de latere amman. De term proost werd soms als een synoniem van meier gebruikt, en hij zou dus een domaniaal ambtenaar geweest zijn die aan het hoofd stond van het grafelijk domein van Harelbeke. De domaniale oorsprong van het ammanschap blijkt trouwens ook uit de band die bestaat tussen amman en spijker.

De zonet vermelde praepositus laicus trad waarschijnlijk behalve als gerechtsofficier ook op als ontvanger van de grafelijke inkomsten binnen zijn fiskaal gebied, nl. de pre[ecrura van Harelbeke ; in de 12de eeuw werden deze fiscale functies echter overgedragen aan een notarius.

Zoals boven vermeld, was de amman de maner van de schepenbank van de grafelijke heerlijkheid, die vanaf de 16de eeuw vooral aangegeven werd als schepenbank van de spijker; deze schepenbank werd soms ook wel de schepenbank van de ammanie genoemd. Hij zorgde ook voor de gedwongen tenuitvoerlegging van de vonnissen van deze schepenen.

De amman mocht straatschouwingen houden op de gronden van de ammanie en van de spijker, en kon als de wegen en waterlopen niet onderhouden waren, een boete van 3 lb. par. vorderen voor de schepenbank van de spijker; hij kon eenzelfde boete vorderen als cijnshouders van spijkergronden hun cijnzen of heerlijke rechten niet betaalden. De amrnan had recht op 1/3 van deze boeten van 3 lb. Uit dit boetebedrag kan men opmaken dat hij lage competentie had.

De amman schijnt ook bepaalde rechten gehad te hebben binnen het schependom : … vermacb oock den voorseyden amman een mede te dragene ende hem te presenteren binnen der voorseyde stede ende schependomme van Harelbeke …. Het dragen van de tekenen van justitie binnen het schependom was hem waarschijnlijk toegestaan, omdat er binnen de stad ook spijkergronden lagen en omdat de schepenen waarvan hij de maner was, zetelden op de markt.

Vreemder wordt het als we een 14de-eeuwse keure van de stad Harelbeke bekijken. Daar is nl. nergens sprake van de schout, maar wel enkele malen van de amman. Boven hebben we erop gewezen, dat de schout pas vanaf de tweede helft van de 14de eeuw vermeld wordt. Mogen we uit het feit dat van de schout geen sprake is in het 14de-eeuwse «politiereglement», besluiten dat het schoutsambt pas later, nl. in de tweede helft van de 14de eeuw ontstaan is, en dat de amman voordien zijn functies vervulde ? Hiertegen pleit echter het erfelijk karakter van het schoutsarnbt, dat een typisch ambt van de oude stijl is, evenals het feit dat de amman enkel lage competentie bezat.

De amman komt in de bronnen al voor vanaf het einde van de 11de eeuw. In 1300 begiftigde de Franse koning Filips IV André van Champagne met het officium maiore de Hallebecca. Vanaf het midden van de 14de eeuw vinden we dan het erfelijk ammanschap in banden van de familie van Halewijn, die het samen met het schoutetendom verloor op het einde van de 15 de eeuw.

Aan dit ambt was een leen verbonden, nl. de ammanie, die gehouden werd van het leenbof van Harelbeke. Dominiale ambtenaren van de oude stijl ontvingen meestal een stuk grond als leen, waarvan de opbrengst a.h.w. het salaris voor hun ambt vormde. Op die manier verkreeg de arnman van Harelbeke waarschijnlijk deze heerlijkheid in leen van de graaf. Het foncier bestond uit 9 bunder grond in Heestert en verder behoorden bij de ammanie diverse rechten en heerlijke renten, o.a. een graanrente genaempt de tbien mudde bestreckende op prochien van Heestert, Moeden, St-Denys, Ooteghem ende Sweveghem.

De houder van dit leen – d.i. dus de erfachtige amman – mocht een amman aanstellen die optrad als maner van de schepenbank van de spijker van Harelbeke. Deze schepenbank was tevens bevoegd voor de ammanie, waar hij de lage justitie uitoefende; de baljuw oefende er de hoge en middelbare justitie uit.

Tot zover dit kort overzicht, bedoeld als inleiding tot de middeleeuwse geschiedenis van Harelbeke. We hebben hierbij vooral de nadruk gelegd op de instellingen, omdat het nodig was die eens duidelijk te omschrijven. We hebben belangrijke bronnen, zoals de stads- en baljuwsrekeningen, niet gebruikt, omdat dit in het bestek van dit korte overzicht niet mogelijk was.

Aanvankelijk was het enkel de bedoeling om aan de hand van al gepubliceerde studies een status quaestionis op te stellen; het gebrek aan studies over het middeleeuwse Harelbeke dwong ons echter tot het raadplegen van een aantal archiefbronnen.

We hopen dat dit artikel zal aanzetten tot verdere studie van de rijke geschiedenis van Harelebeke.

G. Declercq in ‘Leiegouw’ van 1980 waar je een massa aan extra voetnoten kan raadplegen)

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>