Herberg ‘Het Wieltje’

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 months ago     210 Views     Leave your thoughts  

In het uitgebreide artikel van Herman Houwen over de ‘geschiedenis van de cafés en de herbergiers te Reningelst’ heeft hij het in het zesde deel (Aan de Schreve – 1886 – nr. l) over ‘Het Wieltje’.

Daarover schrijft hij onder andere het volgende:

Bij de telling van oktober 1779 werd de herberg ‘Het Wieltien’ reeds genoteerd ‘een halfuere van de platse langs de weg Poperinghe-Meessen’. De huidige Ouderdomseweg werd inderdaad vroeger de ‘Meessenstrate’ genoemd.

In 1779 hield François Camerlynck de herberg open en daarna was het de beurt aan Charles Adriaen die ook schoenmaker was.

In het Wieltje werd hij opgevolgd door Henricus Debruyne die met Joanna Theresia Baes trouwde. Hij stierf in 1870. De zoon van Joannes zuster, Barbara Baes; Augustus Vandelanotte nam de zaak dan over.

En Herman Houwen schrijft verder:

‘Het Wieltje’ is in Reningelst verbonden met de naam Vandelanotte. Vele jaren immers leverde die familie er de herbergiers. Nu nog wonen er Agnes en Jeanne ‘van ’t Wieltje’. Op 1 oktober 1909 is zoon Remi Vandelanotte (°17 maart 1882) zijn vader August opgevolgd als herbergier en landgebruiker. Hij was gehuwd met Emma Celine Vandevoorde (°Dranouter 6 oktober 1876). Om een partij kaart te spelen was Emma steeds te vinden, zelfs toen ze hoogbejaard werd. Remi en Emma waren de laatste herbergiers van ‘Het Wieltje’ dat rond 1858 ophield te bestaan. In de volkstaal te Reningelst blijft ‘Het Wieltje’ voortleven. Aan het huis werd heel wat verbouwd.

Van mijn zus kreeg ik een tijdje terug het boek van Julien Van Remoortere ‘In de tijd van de kleine patatten ‘ en daarin staat onder andere het volgende verhaal in opgenomen.

Maurice Vandelanotte – een zoon van Augustus – schrijft: ‘Mijn vader werd geboren in Vlamertinge, in de Westhoek, op 14 september 1848 en gedoopt als August Comelius. Hij was de zoon van Jacobus Ludovicus en Barbara Baes. Zijn vader was diesntknecht en later molenaar. August – Gustje in de wandeling- was het zesde kind. Hij was amper elf maanden oud toen zijn moeder stierf. Het jongentje werd van dan af opgevoed door een tantemoeie in Houpelinnes (Franrkijk).

Over zijn jeugdjaren weten we weinig. Hij kwam af en toe naar Reningelst bij de familie en ontmoette er Octavie Sofia Knudt, geboren op 16 oktober 1855. Ze trouwden op 27 november 1878 in Reningelst. August was dus dertig, Octavie 24. Het jonge paar vestigde zich in de woning ‘Het Wieltje’, zo genoemd omdat er een wieltje in de ‘cave’ of schoorsteen was gemetseld, een huismerk dus. Het lange, platte huis stond rechts aan de Ouderdomstesteenweg in de wijk ‘De Busseboom’ en werd reeds in oude documenten vermeld. De bewoners werden dan ook ‘die van ’t Wieltje’ genoemd. In dit ouderlijk huis kwam de ‘achterwaarster’ – in Poperinge toch een ‘achterwaarege’ – ten huize bij iedere bevalling. Moeder Octavie bracht blinke, gezonde kinderen ter wereld en slechts Marie (geboren 27 december 1887) kreeg het doopsel des noods toegediend door vrouw Marie Ignace.

Het estaminet Het Wieltje dat nog uit de Spaanse tijd dateerde, was open op zondag, op maandagavond en op donderdag, want die dag brachten de omwonende boeren hun botermanden naar de grote, frisse kelder. Op vrijdag werden die manden voor dag en dauw boven gehaald, op de ‘scharrebanc’ gezet, die getrokken werd door een muil en door Gusten naar de Poperingse botermarkt gereden. De boerinnen volgden in zijn spoort en verkochten op e markt hun bekende, uitstekende boter per stolp of per kilo.

De herbergierster van ‘Het Wieltje’ was een van de besten bij het bolspel. Binnen werd aan vloerbollen of platte bollen gedaan, buiten lag een boltra met ronde bollen. En of het er vaak lustig aan toeging!

Het Wieltje werd een ontmoetingsplaats voor de buren. Het wel en wee werd er verteld. Men bewaarde er het bier in tonnen, in de frisse kelder onder de volte en tapte het over in grote kannen. Een ‘pinte’ kostte 10 centiem, de ‘kapper’ 5 centiem, een ‘druppeljenever’ 10 cent, een ‘halveke’ 5 cent.

Moeder Octavie had bovendien ook nog een kruidenierswinkel, waar alles moest afgewogen worden op de oude, koperen schaal.

Het was een leven van werken en zorgen, denk maar eens aan de maaltijden, de was, de naad … plus al de zorgen om de opgroeiende kinderen er bovenop. Zo gauw ze konden, moesten ze een handje toesteken. ‘Kleine handjes kunnen kleine dingen doen’ zei moeder Octavie en ze dacht aan de lampe beige (petroleumlamp), de was, de honderden emmers spoelwater, de zorg voor huis en stal.

Niet alles liep op wieltjes in Het Wieltje. Ziekte en tegenslag volgden elkaar op. Maar moeder had een taaie wil, was zeer godsvruchtig, werkzaam en sjouwde steeds moedig verder.

Vader had heel veel werk. Ze hadden de hele tijd een gemeet hop, een halve gemeet tabak en acht gemeten met haver, aardappelen en tarwe. In de stal stonden vier of vijf koeien, het muildier en twee jaarlingen. Links van he huis bevonden zich de grote poort, de schuur, het kalverkot (met steeds drie of vier kalveren) en het zwinekot met de zeugen. Er was ook nog een keete voor de hommel en erbij het grote hennenkot.

Bovenop dit alles was vader Gusten ook nog hommelfacteur voor een brouwer en daardoor goed bekend in het ronde.

’s Zomers stond hij al om vier uur op om brikken (briketten van klei en poedergruis van steenkool, gebruikt als brandstof) te bakken. De kinderen hielpen hem daarbij, want de brikken moesten gedroogd, gedraaid en gestapeld worden. De brikken werden verkocht aan de hoppeboeren.

Zo zie je hoe vader alles deed voor zijn grote gezin. Zijn handen waren krom gewerkt.

De kinderen gingen te voet naar school, bij meester Cuvelier. Ze droegen een zwarte sergen schort en klompen. Leed en blijdschap werden gedeeld en ze groeiden op tot flinke kerels en mooie meisjes. Ze leefden niet in weelde, maar kenden ook niet de bittere armoe van sommige dorpsgenoten. Ieder leerde een beroep en droeg zijn steentje bij, tot dan in 1914 de oorlog uitbrak.

Het werden harde tijden voor het gezin. Denk maar eens aan het zware leed en de zorg voor de ouders toen zes van hun zonen aan het front hun plicht deden en moesten elven in loopgrachten. Honger, ellende, angst – ze zagen iedere dag de dood om zich heen, ieder uur. Het was een verschrikkelijke rijd. Zij moesten daarin leven met een kloppend hart en een denkend hoofd. Een broer werd krijgsgevangene genomen.

De bewoners van Het Wieltje werden door oorlogsomstandigheden verjaagd uit hun woonst. Na een lange vlucht belandden ze in Ecourt, een Frans dorpje in het departement Eure et Loire. Ze verbleven de hele oorlog lang op een boerderij. Een van hun dochters, Lucy, die als zuster Esqtella leefde in eht Sint Jozefsklooster in Ieper, was met weeskinderen eveneens naar Frankrijk gevlucht en verbleef in Oulins. Later heeft ze haar verhaal neergeschreven over haar vlucht en terugkeer.

Intussen was het geboortedorp oorlogsgebied. Bombardementen, beschieting, granaten zaaiden dood en vernieling. He geliefde Wieltje werd op 7 augustus door een obus getroffen.

Er gebeurde van alles in het dorp. Mensen stierven van angst, verdriet of Spaanse griep en op 7 maart 1915 werd kerkbaljuw René Vandelanotte, beter bekend als Nete Fikke, doodgereden. 1918 en wapenstilstand. Mazrie en Ernest, twee van de kinderen, keren deels te voet, deels per wagen, als voorposten terug naar hun geboortedorp. Ze treffen er Het Wieltje vernield aan, maar ze vinden ook een stuk hout waarop geschreven staat ‘Amedee leeft’. Amedee is een van hun broers.

Ze beginnen aan de opruiming en maken van de puinen iets leefbaars. Nadien keren ook de anderen terug. Er staat hun hard werk te wachten. Alles ontbreekt, er is nog zo weinig te koop en men is nog zonder nieuws van de jongens aan het front.

Zekere dag komt er dan een zoon naar huis en zegt ontroerd: ‘Moeder; ‘k zien were thus’. En door haar tranen heen vraagt ze ‘Wie zijt gij nu?’ want nog half kind van huis weggegaan, staat dar nu voor haar een lange, magere Vandelanotte. Met grote vreugde kust ze de jongen, die na zich gewassen en verzorgd te hebben, mag aanzitten aan de papschotel en het schotelvlees.

Ook de anderen keren terug. En allen herbeginnen ze hun wroetersleven. Daarvoor verdienen ze de eretitel van taaie, moedige herbeginners. Het vaderland bedenkt de strijders met frontstrepen en eremedailles, maar zij kunnen het leed niet vergeten en denken met spijt terug aan de 33 gesneuvelde kameraden van hun dorp. En aan de zeventien gedode medeburgers. Nadien verliezen ze nog meerdere vrienden aan de gevolgen van de oorlogsverschrikkingen. En toch gaat het leven verder en elke Vandelanotte trekt op zijn beurt de wijde wereld in, vindt man of vrouw en sticht een nieuw gezin. Zij zorgen voor een hele rij kinderen. Het ouder geworden echtpaar had 64 kleinkinderen. Het aantal afstammelingen was in 1980 al aangegroeid tot meer dan 360 mensen.

In latere jaren verhuisde vader August naar een boerderij in de Galgestraat. Dat werd een ‘hommelhof’ (hopboerderij) – zo schrijft Van Remoortere: Moeder Octavie stierf op 15 februari 1923, 68 jaar oud en werd begraven in Reningelst. Gusten werd ouder, maar werd door blindheid geslagen en woonde in bij zijn zoon Emiel tot aan zijn dood, op 15 februari 1929. hij werd 81 jaar en rust eveneens in de schaduw van de kerktoren van Reningelst.

Uit ‘Doos Gazette’ van Guido Vandermarliere uit 2008

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>