Herinneringen aan de Colliebeek

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     422 Views     Leave your thoughts  

Hoe ziet het landschap rond Ieper eruit rond het jaar 1000? De streek bevindt zich op een zandlemen bodem. Het zeewater van het noordelijk gelegen overstromingsgebied stroomt via de Ijzer en enkele beken (de huidige Poperingevaart, de grote Kemmelbeek, de Steenbeek) en de Iepere het Ieperse hinterland binnen. Tussen de vierde en de achtste eeuw hebben vloedgolven grote delen van de Westhoek blank gezet (de Duinkerke II transgressie) wat ongetwijfeld hun invloed gehad heeft op de regio van Ieper en de bevaarbaarheid van de Iepere. En ook in het begin van de 11e eeuw zal de teruggetrokken Noordzee opnieuw, maar dan in mindere mate, het Ijzerbekken binnendringen.

De Iepere wordt gevoed door de Colliebeek die vanuit de richting van Zillebeke (Saelebeke) het oostelijk deel van de Ieperse nederzetting bereikt om er ter hoogte van het Zaalhof (het Saelhof) in de Iepere te vloeien. Later zal het water van de Colliebeek aangewend worden om de stadsgrachten van water te voorzien. In het noorden van de nederzetting stroomt de Bellewaerdebeek in de Iepere.

De heel regio rond Ieper is bezaaid met bossen. Noordoostelijk vinden we rond het jaar 1000 een reusachtig bos met een omvang van wel 2000 hectaren. Het Vrijbusch (het Houthulstbos) behelst de huidige gemeenten Staden, Poelkapelle, Langemark, Merkem en Houthulst. Het Vrijbusch vormt een gigantisch jachtgebied voor de eigenaars, zijnde de graaf van Vlaanderen en de Noord-Franse benedicterabdij van Corbie.

In het noorden en het noordwesten bevindt er zich een tweede boscomplex met een dichte begroeiing tussen Poperinge en Proven. Tussen de nederzettingen Poperinge en Ieper is het bos minder aanééngesloten en geregeld onderbroken door onbeboste vlaktes. Het noordwestelijke bosgebied zal tijdens de komende eeuwen (van de 11e tot de 13e eeuw) in toenemende mate gekoloniseerd en ontgonnen worden.

Een derde bosrijke gordel omringt de Ieperse nederzetting. In het oosten strekken de bossen zich uit van Passendale over Zonnebeke, Zandvoorde, Wijtschate tot in Voormezeele. Hier is er geen sprake van één groot bos, maar van een reeks verschillende bossen afgewisseld met talrijke heidegronden (wastinae). Later zullen die verschillende bossen door ongeoorloofde ontginningen verder evolueren tot vrij arme heidegronden.

De namen van vele Westhoek leefgemeenschappen verwijzen naar de tijd van de Indo-Europeanen die 4000 jaar geleden zowat in het zelfde pre-Europese taalgebied dompelden. In dat taalgebied werd het heilige water omschreven als “el-apa”. Veel van onze dorpen, afstammend van “el-apa” verraden hun ontstaan tussen 2000 en 1000 voor het begin van onze jaartelling. Zie trouwens een afzonderlijk hoofstuk hieromtrent op www.westhoek.net.

Toch zijn er pas vanaf het jaar 1000 er in de onmiddellijke omgeving van Ieper fysieke sporen van enige bewoning terug te vinden. Dit is veel eerder het geval voor Kortrijk (Coretoriaco) en Wervik (Werawiaco) die dank zij hun ligging aan de Leie belangrijke vestigingsplaatsen betekenen voor de Romeinen. Er bestaat een verbindingsweg tussen Kortrijk en Cassel (Castello Menapiorum). Die oude Romeinse heirbaan loopt via Wervik langs de zuidelijke kant van de Ieperse nederzetting tot in Abele en Poperinge (Pupurningahem), waar de weg zich splitst met enerzijds de richting naar Cassel en anderzijds richting kust via Elverdinge (Alifrithingas) en Klerken (Clariaco).

In de nabije Ieperse omgeving bevinden zich de nederzettingen (landbouwexploitaties) van Vlamertinge, Elverdinge en Boezinge die naast de verbinding over het water tijdens de Romeinse bezetting eveneens verbonden werden door een heirweg. Veel generaties later zullen de locaties Flambertenges (1066), Eluer(zenge)s (1066) en Bosinga (1119) voor het eerst schriftelijk worden genoemd.

Noordelijk van deze oude landbouwnederzettingen bevindt zich een erg bosrijk gebied dat als een soort schild de al even oude bevolkingsgordel aan het water van de Ijzer afschermt. Die bossen tussen de Ijzer en Elverdinge zullen pas ontgonnen worden tussen de 11de en de 13de eeuw. Die bosontginning zal leiden tot de stichting van het centraal gelegen Wastina (Woesten) door de graaf van Vlaanderen, Diederik van den Elzas. Dat gebeurt in het jaar 1161.

Het duurt natuurlijk duizenden jaren vooraleer veel van die Ijzernederzettingen met hun eigenste naam worden vastgelegd. Reninge (in 877: Reninga), Oostvleteren en Beveren in 806 (Fletrinio), Krombeke in 875 (Crumbeke). Ook de patroonheiligen van die nederzettingen verwijzen naar een hoge ouderdom: St. Rectrudis (Reninge), St.Amatus (Oostvleteren), St. Blasius (Krombeke), St. Audomarus (Beveren) en St.-Maarten in Westvleteren en Haringe. Het zijn allen namen van predikers die tijdens de 7de eeuw de heidense landbebouwers langs de Ijzer poogden te overtuigen van het christelijk geloof.

Ten oosten van Boezinge bevinden zich Zuidschote, Noordschote en Pilkem. Noordelijk van Ieper liggen de woonkernen van Langemark, Merkem en Poelkapelle. Pilkem is vermoedelijk even oud als Elverdinge en Vlamertinge vermits de naam Pilkem al evenzeer rechtstreeks verwijst naar de Indo-Europese “el-apa”oernaam voor “water”.

De namen van Langemark en Merkem blijken afgeleid van een bijrivier van de Ijzer, de “Markis”. De beek op vandaag wordt door de lokale bevolking nog steeds het “Martje” genoemd. In 869 is er sprake van Marcheim (Merkem) en Langemark wordt in 1109 eenvoudig “Marc” genoemd. (In 1066 is dit nog “apud villam Marcam”). Net zoals het geval bij de plaatsnaam van Poperinge (Pupurningahem) is de Frankische invalshoek niet zo ver te zoeken.

Poelkapelle is ongetwijfeld veel later onstaan dan Langemark. In 1096 wordt de locatie voor de eerste keer genoemd als “Capelle ter poele”. Het element “capelle” wijst op een ontstaan in de 11de eeuw. Poelkapelle zal trouwens tot in de 19de eeuw een afhankelijke kapel blijven van buurgemeente Langemark.

Zuidschote en Noordschote bevatten het achtervoegsel “-schoot”. Het achtervoegsel is van het Germaanse “skauta” wat staat voor “een beboste hoek hoger land dat uitspringt in een moerassig terrein”. Beide leefgemeenschappen liggen inderdaad op een zandrug omgeven door de Grote Kemmelbeek, de Iepere en in het noorden de Ijzer. De kapel in Zuidschote is afhankelijk van die van Boezinge, althans zo staat het in het jaar 1119 geschreven als “altare de Boesingha cum appendicia capella que Sudcotes vocatur …”. Ten oosten van Langemark bevindt zich de nederzetting van Passendale. In 844 wordt Passendale voor het eerst geattesteerd als Pascandala. Dat de naam “pasik” (kind) in Passendale terug te vinden is, lijkt erg twijfelachtig. Het achtervoegsel “ala” laat echter opnieuw een oeroude plaats aan het water vermoeden.

Ten oosten van Ieper, verscholen in talrijke bossen, bevinden zich de landbouwnederzettingen Zonnebeke, Zillebeke en Hollebeke, Geluveld. Alle zijn ze hydroniemen (waternamen) rechtstreeks afkomstig van het “ale-apa” water dat in heel Europa aanwezig was tussen 2000 en 1000 voor Christus. Duizenden jaren na datum worden hun plaatsnamen op papier teruggevonden: Hollebeke in 1185 (Holebeca), Zonnebeke in 1072 (Sinnebacche), Zillebeke in 1102 (Selebecha) en Geluveld in 1109 (Geluelt). Tussen Hollebeke en Geluveld ligt Zandvoorde dat in 1102 geattesteerd wordt als Sandafurda, wat staat voor een doorwaadbare plaats in een waterloop.

En dan komen we aan bij de zuidkant van Ieper. Hier bevinden zich Dikkebus en Voormezele. Dikkebus (1089: Thicasbusca) verwijst rechtstreeks naar zijn ligging midden in een dicht bos. Voormezele wordt in 1069 genoemd als Formesela. De ontstaansnaam van Formesela lijkt te duiden op een ontstaan tijdens de Karolingische tijd (tussen het jaar 700 en 900). Maar opnieuw verwijst de “ela” naar een plaats aan het water die al 2000 jaar vroeger werd bewoond dan de Karolingische tijd.

De patroonheiligen Sinte-Katharina van Zillebeke en Sinte-Margaretha van Geluveld wijzen op de opstart van de kerkgeschiedenis in deze nederzettingen in diezelfde Karolingische periode.

Op basis van de namen van de patroonheiligen kan wel enige aanduiding gegeven worden i.v.m. het ontstaan van de diverse kerkparochies in de gordel rond Ieper. Sint-Maarten is erg populair bij de Frankische adel (vanaf het jaar 400) wat er op wijst dat de parochies van Ieper, Beselare en Moorslede wel eens rond die periodes worden gesticht.

Sinte-Pieter, iets later bekend geworden dan Sint-Maarten, wordt al snel de grote tegenhanger van die Sint-Maarten. Sinte-Pieter vinden we bij ons terug in Elverdinge en Ieper. Maar er bestaan een reeks van heiligen zoals Sint-Michiel te Boezinge, Sint-Jan de Doper te Dikkebus, Sint-Paulus in Langemark, Sint-Barabas in Noordschote en Onze-Lieve-Vrouw in Hollebeke, Voormezele, Zonnebeke en Brielen. Ze verwijzen allemaal naar de periode rond het begin van onze nieuwe tijdsrekening (de geboorte van Christus).

In Passendale vinden we Sint-Audomarus (de eerste bisschop van Terwaan tussen 639 en 667) terug die de Westhoek kerstende in de 7de eeuw wat dus eigenlijk laat vermoeden dat de heidense landbouwnederzetting Passendale rond 650 omgevormd wordt tot een parochie gestoeld op de christelijke leer.

Reninge en Woesten vereren Sint-Rectrudis die sterft in 688 als eerste abdis van het klooster van Marchiennes die vermoedelijk een bidplaats bezit in Reninge. Dat kan uitgemaakt worden uit een twist tussen de abdij van Marchiennes en de abdij van Voormezele (patroon van de kerk van Reninge vanaf 1103) rond één derde van de tienden (belastingen) van Reninge. De bidplaats van Reninge vindt in elk geval zijn ontstaan rond het jaar 700 of eventueel zelfs eerder.

Dat is niet het geval voor Woesten dat veel later gebouwd wordt en dat zich pas in de 12de eeuw losmaakt van haar moederparochie Reninge, daar evenwel wel de naam van de patroonheilige meenemend.

In Vlamertinge en Reningelst wordt de patroonheilige Sint-Vedastus vereerd. In Wijtschate en Wulvergem is dit Sint-Medardus. Sint-Vedastus (of Sint-Vaast) die als bisschop van Atrecht (Arras) sterft in 540 heeft – via de Sint-Vaastabdij – tijdens zijn leven werk gemaakt van de kerstening van onze streek. Het is trouwens niet onmogelijk dat er een link bestaan heeft tussen de Sint-Vaastabdij te Arras en de parochies van Vlamertinge en Reningelst. Ook Sint-Medardus leeft en predikt als bisschop van Noyon in diezelfde 6de eeuw en laat zijn sporen na in Wijtschate en Wulvergem.

Op basis van de namen van de patroonheiligen kan toch wel gesteld worden dat de parochievorming het oudst is in Ieper en in zijn westelijk en noordelijk gelegen gebieden. In het oosten is de kolonisatie pas later tot stand gekomen.

De kerkbelastingen (tienden) die geheven worden in de parochies van het Ieperse bestaan allen uit 3 delen. Deze driedelige indeling steunt op de “lex hispana” die gebruikelijk is in Spanje en Frankrijk. Een deel van de tienden is bestemd voor het onderhoud van de kerk, een tweede deel is voor de armen en behoeftigen en het derde deel is voor de parochiepriester zelf.

In Italie ontstaat er – onder druk van de Paus – een vierdelige indeling van de tienden waarbij de belastingen moeten verdeeld worden onder de kerk, armen, priester en de bisschop. Deze vierdelige indeling zal later ingevoerd worden in Europa, zo onder meer in Duitsland. Alle parochies die echter op dit moment al het driedelige systeem hanteerden blijven op hun bestaande indeling behouden.

Daaruit valt inderdaad te bewijzen dat de meeste parochies in het Ieperse al voor het jaar 850 gesticht worden. De Ieperse parochies slagen er zelf in de later gestichte parochies te laten fungeren onder het oude driedelige tiendenstelsel.

De ontstane parochies worden “kerspel” genoemd. Het kerspel maakt als territorium van een parochie of kerkelijke gemeente al sinds de 11e eeuw deel uit van de kerkelijke organisatie van een bisdom. Het kerspel is het domein van de parochiepriester die moet instaan voor de zielezorg van zijn parochianen en ook voor het verrichten van religieuze handelingen.

Rond 1100 is het zo dat de meeste bronnen de verschillende parochiekerken aanwijzen als centrale bidplaats in de individuele kerspelen. In het Ieperse, net zoals in een groot gedeelte van Vlaanderen is er parochiaal niveau ondertussen al een scheiding gekomen tussen het “altare” (de rechten van de pastoor zijnde 1/3 van de tienden + de offerandegelden) en het “bodium” dat de andere twee derden voor de armen en voor de kerk bevat. In praktijk is het zo dat grote Benedicterabdijen en bisschoppen de hand blijven houden op zowel altare als bodium.

Maar ook de grote feodale heren gaan zich bemoeien met het bodium en zo geraken veel tienden “gefeodaliseerd”. Dit is zo onder andere in Zuidschote, Vlamertinge, Langemark en Boezinge, maar vermoedelijk ook in andere parochies. In de praktijk komt het er op neer dat de leenheer ook de tienden van zijn territorium opeist.

Die situatie wordt midden van de 11de eeuw aangeklaagd in het kader van de Gregoriaanse hervorming en zo komen de zeggenschap en het beheer van de 13 Ieperse parochies tussen 1069 en 1120 opnieuw in handen van religieuze instellingen, zijnde de diverse kapittels.

Dit geldt voor Ieper, Boezinge (St. Maartens Ieper), Zillebeke, Dikkebus, Voormezele, Elverdinge, Langemark, Zandvoorde (O.L.V. Voormezele), Vlamertinge (St. Pieters Rijsel), Passendale (St. Maartens Doornik), Zonnebeke, Beselare (O.L.V. Zonnebeke) en Wijtschate (St.Donaas Brugge).

Het is duidelijk dat op basis van de pre-Germaanse plaatsnamen en op basis van de kerstening en het ontstaan van de kerspelen, de bevolkingsgordel in het Ieperse misschien wel tot de oudste bewoningsgordels van Vlaanderen behoort.

Voor wat betreft Ieper zelf is er heel wat geschreven en zijn er al diverse hypothesen geformuleerd. Maar het bronnenmateriaal dat ons over de ontstaansgeschiedenis van Ieper inlicht is uiterst beperkt. De enige echte bewijskracht is de alomtegenwoordigheid van de indo-Europeaanse naam “el-apa” in en rond de stad (Brielen, Ilpere, Saelebeke, Saelhof, Illke, Bellewaerde, ..) die het onstaan van de eerste bewoning in Ieper schatten tussen 2000 en 1000 voor Christus. De beschikbare sagen bevestigen deze stelling met verhalen die tot 4000 jaar oud zijn.

Het is natuurlijk interessant om de geschiedenis en het ontstaan van de stad Ieper te bekijken vanuit het onstaansgeschiedening van de parochies en de eerdere kerstening van de leefgemeenschap. Vooraleer Ieper de allures van een stad zal krijgen is het toch al een vrij aanzienlijk domein. Ten oosten van de stad ligt het “Hofland” of “Hoveland” dat zich uitstrekt tussen de wegen die naar noordelijk gelegen Torhout en het zuidelijk gelegen Mesen leiden. Het Hofland strekt zich uit tot aan de Iepere rivier waardoor het hele oostelijke gebied van het huidige stadscentrum er eveneens toe behoort. Een “heerlijke reserve” wordt het gebied genoemd.

Ten westen van de Iepere ligt de “Upstal” of “Obstal”, de gemeenzame gronden van het domein Ieper. Het alomtegenwoordige ale-apa duidt dat Obstal duizenden jaren geleden al verwees naar het water van de I(l)pere. (vergelijk trouwens eens de termen Upstal met die van Stalhille).

Het centraal gedeelte van het domein Ieper, het uitbatingscentrum ligt aan de Iepere zelf. Vermoedelijk wordt in de 11de eeuw (om militaire redenen?) de rivier de Iepere oostelijk uitgegraven, waardoor de “Scipleet” of simpelweg de “Leet” het toenmalige Ieper omvormt tot een eiland tussen de Leet en de Iepere.

In de tweede helft van de 11de eeuw is de graaf van Vlaanderen de belangrijkste eigenaar van de gronden in “Obstal”. De auteur Koch oppert dat de graven van Vlaanderen het domein op zijn geheel verwerven in de periode 879-918. De meeste schrijvers vermoeden dat de Ieperse woongemeenschap (de Ieperse “villa”) teruggaat tot in de Karolingische tijd, de 8e eeuw. Dat vermoeden wordt onder andere bewezen door het feit dat op het Hofland een “voedermondrente” geheven wordt. Die rente was indertijd geheven om de kosten te dragen voor het uitsturen van zendboden.

De regio van Ieper is waarschijnlijk een “caput fisci”, een uitgebreid koninklijk domein bestaande uit een centrale “villa” met daarnaast kleinere afhankelijke “villae”. Ieper verschijnt voor de eerste keer in de geschreven bronnen van 1066 (.. In territorio Iprensi, in villa Kembles, V mansos terrae; apud villam Marcam, V mansos et tres partes bunarii ….). Er is dan inderdaad sprake van het “territorium Iprensi”, een bestuurlijke indeling met Ieper als centrum.

Dit territorium heeft zich vermoedelijk rond het jaar 1000 losgemaakt van de “pagus Audomarensis” die onder beheer staat vanuit de abdij van (Sithiu) St. Omer (net zoals toen het geval is met Poperinge). De verwijzing naar “territorium Iprensi” laat de aanwezigheid van een grafelijk ambtenaar en een burggraaf vermoeden, wat ook in latere bronnen inderdaad het geval zal zijn.

Die burggraaf of “castellanus” genaamd staat aan het hoofd van de omschrijving of kasselrij, alhoewel hij aanvankelijk in de eerste plaats een domaniaal ambtenaar is. Een dergelijk “territorium” veronderstelt dat er naast een ambtenaar eveneens een administratief centrum bestaat met een grafelijke burcht als middelpunt. De geschiedschrijvers nemen aan dat deze grafelijke burcht (castellum) zich tussen de beide armen van de Iepere bevindt, geflankeerd door de Sint-Maartenskerk. Vermoedelijk is dit op de plaats waar zich op vandaag de Korte- en Langemeersstraat bevinden, op een boogscheut van de huidige St. Maartenskathedraal.

Op het zuidelijk gelegen terrein van dit administratief centrum, (rond de Sint-Pieterskerk) heeft zich een handels- en nijverheidscentrum ontwikkeld. Die “portus” is eigenlijk ontstaan buiten de primitieve omwalling van het administratief centrum. Het Sint-Pieterskwartier en het St. Maartenskwartier zijn van elkaar gescheiden door een “fossatus”, vermoedelijk een omwalling met gracht, afkomstig van het water van de Zillebeekse Colliebeek.

De vraagt blijft echter of de Ieperse geschiedschrijvers het ontstaan van het Sint-Pieterskwartier wel in de juiste tijd plaatsen. De ligging van het Sint-Maartenskwartier aan de Iepere is op zich erg duidelijk gezien de Iepere tot aan deze plaats bevaarbaar was. Stroomopwaarts loopt de Iepere verder tot Kemmel, waar de Kemmelbeek zijn oorsprong vindt.

Er is de merkwaardige naamsovereenkomst tussen het in het Sint-Pieterskwartier gelegen “Saelhof” en de naam van de locatie nauwelijks enkele kilometer verder in het hinterland, de locatie Saelebeke (nu Zillebeke). Als je de locatie van Saelebeke beter bestudeert, dan is deze plaats de laatste etappe van de toen bestaande omvangrijke waterloop (die later zal evolueren naar de Colliebeek) die de Leie met Ieper verbindt.

Dat tussen de 2000 en 1000 jaar voor het ontstaan van onze tijdsrekeningen onze voorouders in die regio’s “water”namen hebben gegeven aan Hollebeke, Hilleveld, Voormezele, Bellewaerde, Ilke lijkt er op te wijzen dat het niet enkel de Kemmelbeek was die Ieper met belangrijke hoeveelheden water bevoorraadde, maar dat er ook een belangrijke waterloop vanuit zuidoostelijke richting tot in Ieper kwam. Ook de naam van de buurgemeente van Zillebeke; Zandvoorde, lijkt er op te wijzen dat er in die periode een overvloed was aan rivieren tussen de Leie en de zee. Pas in een veel later stadium (1295) zal Zillebeke vijver gegraven worden die de belangrijkste waterbron zal vormen voor de Zillebekebeek en het zuiden van Ieper.

Vanuit deze optiek lijkt het duidelijk dat de regio van Saelebeke en het Saelhof rond het jaar 1000 voor Christus aan één en dezelfde zelfde rivier lagen. Als er sprake is van het onstaan van een handelsnederzetting denken de Ieperse geschiedschrijvers (op basis van effectieve bewijzen hieromtrent) dat die nederzetting er kwam rond 1000 na Christus. De vraag rijst echter of er in die beginperiode geen 2 cruciale aanlegplaatsen bevonden die aan de basis liggen van de stad Ieper.

Aan het noorden de haven van “Brielle”, waar de Iepere de stad bereikte en in het zuiden de nederzetting van het Saelhof, waar het water uit de Leie de stad bevloeide. Het lijkt een logische gevolgtrekking van het afzonderlijk ontstaan van het St.-Maartenskwartier met zijn castellum (de 3 toren kasteel) en het Sint-Pieterskwartier rond het haventje en de aanlegsteigers van het Saelhof.

De bouw en de naamgeving van de kerken St.Maarten en St.Pieter en de bouw van het “castellum” ter hoogte van de Korte en Lange Meersch dienen in die context dan ook gezien te worden als een soort logisch vervolg van het feit dat in beide locaties er sprake is van woongemeenschappen die de plaats al duizenden jaren bewonen en op zoek gaan naar meer veiligheid.

Dat de kronieken van Ieper het vrij uitgebreid hebben over de periode tussen -2000 en het jaar 0 kan in die optiek bekeken worden dat er effectief sprake was van belangrijke menselijke woongemeenschappen lang voordat het schrift zich ontwikkelen kon en geschreven bronnen dit zouden kunnen optekenen. In elk geval komen er volgens de neergeschreven bronnen pas in 1101 twee Ieperse kerken, Sint-Pieter en Sint-Maarten voor.

Welke van de twee is de oudste? Op het eerste zicht is dit St.Maartens. We hebben al aangegeven dat er zich in de streek rond Ieper verscheidene nederzettingen en parochies bevinden die dateren tot aan de Karolingische tijd (tussen 700 en 900). Dat is vermoedelijk ook zo voor Sint-Pieter en Sint-Maarten. Ook die parochies werken met een driedelige tiendenindeling.

Als Ieper inderdaad een “villa” van belangrijke omvang was, dan hoort daar in elk geval een kerk bij. Bij het begin van de 11de eeuw bezit de graaf van Vlaanderen 2/3den van de tienden, zijnde het “bodium”. Maar wie krijgt het andere derde, het “altare”?

Ene professor Dhondt publiceert in 1948 een niet onbelangrijk artikel. Hierin beweert hij dat de graven van Vlaanderen, Boudewijn 5 (1035-1067) en Robrecht I de Fries (1067-1093) doorheen Vlaanderen een gordel van steden stichten om te vermijden dat de bevolkingsconcentraties van de kuststreek en het Scheldebekken uit elkaar zouden groeien. Deze nieuwe of heropgerichte steden zijn; Torhout, Ieper, Mesen, Rijsel, Aire en Cassel en worden door de graaf begiftigd met een grafelijk “castellum” en een eigen jaarmarkt.

De Rijselstraat heet in 1102 “de Zuudstrate”. De Zuudstrate verbindt de markt met de Sint-Pieterskerk en loopt verder naar Mesen en Rijsel. De Zuudstrate loopt evenwijdig met de nog bevaarbare Iepere en langs de rivier die Zillebeke met het Zaalhof verbindt. Langs de Zuudstrate, van de markt via het Zaalhof en verder door richting Zillebeke wonen kooplui die aan de achter(voor?)kant van hun woonhuizen een lange aanlegkade bezitten. Langs de hele Zuudstrate ontstaan er in die tijd een wirwar van straatjes en steegjes, wat zich tot op vandaag nog steeds weerspiegelt in het patroon van de St.Pieterswijk.

De Zuudstrate is ongetwijfeld het economisch zwaartepunt van de stad en dat leidt ertoe dat op die plaats de Sint-Pieterskerk wordt gebouwd als tweede parochiale kerk van de stad. Het allereerste dokument dat ons iets leert over de parochiale situatie in Ieper is een dokument van 31 oktober 1089, waarin de markgraaf van Vlaanderen, Robrecht de 2de onder andere een aantal goederen in het kapittel Sint-Donaas te brugge bevestigt. Bij die goederen bevindt zich ook het “bodium de Hipris”, met name die twee derden van de tienden in de parochie Ieper, waarschijnlijk was dit “bodium” voormalig grafelijk bezit.

Het derde deel, het altare, is op het moment van de schenking geen grafelijk bezit meer, want dan zou hij de hele “ecclesia” aan Sint-Donaas geschonken hebben.

Van het parochiaal eigendom van Voormezele gaf hij trouwens aan Sint-Donaas het “bodium” omdat een plaatselijke heer eerder het “altare” had verworven in het jaar 1069. Maar wat gebeurt er dan wel met het Ieperse “altare”? Een eerste tekst die hierover spreekt is een brief van Lambertus, bisschop van Atrecht (1093-1115) aan een zeker Boudewijn, “clericus Iprensis”. De tekst is eigenlijk een bevel aan die Boudewijn (net terug van een bezoek aan de paus) om samen met zijn confraters naar Atrecht te komen. Het betreft een twist die ze hebben met Jan, de bisschop van Terwaan betreffende het “altare” van Ieper.

Op 11 januari 1101 maant Lambertus Boudewijn en zijn collega’s aan op een canonieke regeling van het dispuut. Een Ieperse religieuze gemeenschap is blijkbaar het bezit is gekomen van het “altare”en dat bezit wordt betwist door Jan van Waasten, bisschop van Terwaan. Het dispuut zal door de paus, voorgezeten door een rechtscollege, door de plaatselijke bisschop worden beslecht.

De rechtszitting verloopt allesbehalve rimpelloos. Scheidsrechters proberen tot een voor beide partijen aanvaardbaar compromis te komen, maar de Ieperse geestelijken weigeren dit halstarrig. Jan van Waasten beweert dat hij het “altare” heeft gekregen, maar het blijkt dat zijn voorganger bisschop Gerardus van Terwaan rond 1096 de Ieperse kerk geschonken heeft aan de Ieperse “clerici”. Gerardus zal in 1099 door Paus Urbanus II afgezet worden uit zijn ambt van bisschop, maar dat maakt de schenking natuurlijk niet ongedaan voor Jan van Waasten.

Maar de schenking was oorspronkelijk niet bekrachtigd en uiteindelijk zal de Paus de schenking van Gerardus als ongeldig verklaren en wint de bisschop van Terwaan deze rechtzaak. Vanaf 1 oktober 1102 is er niet langer sprake van de Ieperse clerici en is het nu de bisschop van Terwaan die het Ieperse “altare” beheert. Dat document van 1102 is het eerste van het kloosterarchief van Sint-Maarten van Ieper en geeft de oprichting weer van dit regulier kapittel. De oorkonde gaat uit van bisschop Jan. In het document is er sprake van dat de Ieperse geestelijken, met toestemming van de paus, worden verdreven.

Bisschop Jan neemt Sint-Maarten over maar dit is niet naar de wens van de Ieperse bevolking. Na veel smeekbeden laten bisschop Jan zich verleiden om de situatie op te heffen en vraagt hij aan de burgers wie ze aan het hoofd willen van de Ieperse kerk. De Ieperlingen schuiven éénstemmig iemand uit het bisschoppelijk gevolg, een zeker Gerardus naar voor. Met tegenzin geeft bisschop Jan uiteindelijk de kerk door aan Gerardus die vanaf dit moment Sint-Maarten samen met Sint-Pieter (dat dus blijkbaar afhankelijk is van Sint-Maarten) de overige “appendiciae” moet bedienen. Gerardus krijgt de opdracht om een nieuwe kerkgemeenschap te vormen die de regel van Sint-Augustinus moet volgen en hij krijgt ook regels hoe de volgende proosten zullen moeten verkozen worden.

De misbruiken die zich op alle niveau’s van de kerk van het bisdom van Terwaan voordoen vanaf de 9e eeuw zijn talrijk. Ketterij, simonie (woekeren met kerkelijke ambten) zijn legio. Vanaf 1073 wil de paus paal en perk stellen aan die misbruiken en geeft hij Jan van Waasten, bisschop van Terwaan de opdracht om grondige hervormingen door te voeren. Jan van Waasten is een heel dynamische en krachtdadige figuur die samen met Lambertus, de abt van Sint-Bertijns (1095-1125), de nodige hervormingen zal doorvoeren. Hij laat zich omringen door een groep van geestelijken die eveneens gewonnen zijn voor hervormingen.

Heel wat kapittels worden hervormd of geregulariseerd. Dat gebeurt achtereenvolgens met de kapittels van Eversam (1099), Sint-Pieters Lo (1100), Onze-Lieve-Vrouw Voormezele (1100), Ieper (1102), Sint-Vulmarus Boulogne (1108) en Onze-Lieve-Vrouw Boulogne (1113). De Benedicterabdijen proberen te hervormen volgens de regel van Cluny. Er ontstaan zelfs een aantal nieuwe kloosters die de hervormingsbeweging willen helpen uitdragen, zo onder andere de Praemonstratenzerabdij van Sint-Niklaas te Veurne (1120) en de abdij Ter Duinen (1107) die in 1138 zal overgaan tot de orde van Citeaux.

De Bisschop van Terwaan doet er alles aan om de invloed van de leken in de kapittels, parochies en kloosters terug te schroeven en hierbij krijgt hij de stilzwijgende steun van verscheidene graven van Vlaanderen. Uiteindelijk zullen de belangrijkste religieuze instellingen van het bisdom Terwaan gezuiverd worden. Van hieruit zal de beweging verder uitdeinen over de basis.

Eén van de belangrijkste gevolgen van de hervormingen is het feit dat Ieper , met zijn administratief centrum, zijn (op het uiteinde van een kunstmatig eiland gebouwde) grafelijke burcht en zijn castrale kerk, hoofd wordt van een kasselrij. De Kasselrij van Ieper is ontstaan!

Er bestaat een legende van Sint-Maarten die zich in Ieper afspeelt en waarin de problematiek van de oudste kerk en het ontstaan van het Sint-Maartenskapittel wordt behandeld. De legende wordt opgesteld (100 jaar na datum) rond 1200. Het verhaal gaat als volgt: 2 Schotse of Ierse studenten in Parijs, op weg naar huis in hartje winter, vragen onderdak bij de geestelijken van de Sint-Maartenskerk te Ieper. Bij hen heeft zich ondertussen nog een welgestelde heer gevoegd. Er wordt hen onderdak geweigerd maar volgens de legende krijgen ze wat later bijstand van Sint-Maarten zelf die hen wil herbergen.

Als ze ’s morgens ontwaken zijn hun gastheer en zijn huis verdwenen maar bevinden ze zich onder een stralende hemel omringd prachtige bloemen en aantrekkelijke groenten. Hun rijke metgezel besluit die locatie te kopen, richt er een kerk op en leeft er godsvruchtig samen met de studenten. Hun vraag om enkele relikwieën te mogen krijgen uit de Sint-Maartenskerk zelf wordt hen opnieuw geweigerd, maar het is Sint-Maarten zelf die hen uiteindelijk de relikwieën bezorgt. Hierop krijgen de wereldlijke kanunikken spijt van hun daden en sluiten ze zich aan bij de nieuwe instelling. De oude Sint-Maartenskerk wordt bovendien door brand vernield en op dezelfde plaats wordt een nieuwe kerk gebouwd ter ere van Sint-Pieter.

Tot zover de legende zelf. Maar waar er rook is, is er vuur. Volgens de legende bestaat er dus aanvankelijk een zelfstandig kapittel rond de huidige Sint-Pieterskerk. Buiten de stad, in de meers (onderweg naar het noordelijke gelegen drassige gebied van Brielen), wordt een nieuwe kerk ter ere van Sint-Maarten gebouwd.

De legende zoekt de wieg van de stad wel degelijk rond de huidige Sint-Pieterskerk in de onmiddellijke omgeving van de Zuudstrate, met zijn bloeiend en aan het water gelegen handelscentrum van het Zaelhof. Er is trouwens nog een ander element dat de Sint-Pieterskerk naar voren schuift ten opzichte van de originele Sint-Maartenskerk. Tussen 1014 en 1042 vindt namelijk de Duinkerke Transgressie III plaats. Het is een periode waarin de teruggetrokken zee opnieuw grote delen van de Westhoek inpalmt. Het gebeurt niet standvastig, maar bij springtij veroorzaakt de hoge waterstand een beduidend hogere waterstand van de Iepere.

Het is ook al een terugkerend fenomeen geweest in het verleden. Zo is bijvoorbeeld Brielen ontstaan aan de noordkant van de stad. Brielen, het pre-Germaanse Il-epa later door de Kelten omgevormd tot Brogillo. De uitdijende rivier zorgt geregeld voor wateroverlast tot in het hart van de huidige stad. Doet bijvoorbeeld het toponiem “meers” niet denken aan een waterrijke weidegrond?

Die hoge waterstand heeft wel degelijk zijn invloed op de stadsontwikkeling. Alle oude kerken liggen in die tijd ten oosten van de Iepere. Pas in 1220 zal er sprake zijn van een kerk ten westen van de rivier. De Sint-Niklaaskerk is pas de 6de kerk van de stad.

Het regulier kapittel van Sint-Maarten wordt dus volgens de regels van St. Augustinus door bisschop Jan van Terwaan opgericht. Het officiële kapittel komt dus in 1102 in de plaats van het bestaande “officieuze” kapittel dat zich rond de eerste Sint-Maartenskerk werd gesticht door Robrecht de Fries in het jaar 1073. Aan het hoofd van het nieuwe kapittel stelt Jan van Terwaan voormalig kanunnik van Sint-Aubert te Kamerijk (Cambrai), een zekere Gerardus aan. En dit tot grote vreugde van de Ieperse gemeenschap. Gerardus wordt verantwoordelijk voor de leden van de nieuwe gemeenschap.

Door de oprichtingsoorkonde van 1102 krijgt het regulier kapittel van Sint-Maarten het parochiaal gezag over de Sint-Maartens en Sint-Pieterskerk en de overige “appendiciae”. Alle latere parochiekerken van Ieper die hier van zullen loskomen ressorteren hieronder. Buiten Ieper bezit het kapittel het personaatsrecht (het recht om de priester te benoemen) in Reningelst, Boezinge, Zuidschote, Teteghem, en alle parochies van de hele streek. Het machtige kapittel heeft recht op een deel van de tienden van de parochies van Langemark, Zuidschote, Watten, Belle, Meteren, Calonne, Boezinge en Reningelst.

De proosdij van Sint-Maarten behoort tot de belangrijkste kerkelijke instellingen van Vlaanderen. De proost zelf bezit een eigen heerlijkheid binnen het Ieperse schependom. Hij behoort tot de belangrijkste personen in het Ieperse en op kerkelijk gebied zelfs tot de belangrijkste van het hele bisdom.

Ieper zal tot in 1561 behoren tot het bisdom van Terwaan, maar het ligt wel op de noordelijke rand van het bisdom. Veel informatie over het bisdom van Terwaan is er niet te vinden door de latere teloorgang van de bisschopsstad die nooit in staat is geweest om uit te groeien tot een belangrijke stad.

Tot rond het jaar 1200 is de invloed van de graaf van Vlaanderen op de bisschop van Terwaan vrij groot. Later zal de Franse koning meer invloed krijgen op de bisschop en zal hij trouwens de bisschopszetel in handen krijgen. De bisschop van Terwaan heeft “wijdingsmacht” in zijn hele bisdom. Dit impliceert concreet dat om een altaar, kerk of kerkhof op te richten er hiervoor toelating moet zijn van de proost van Sint-Maartens en moet de bisschop daarna bereid gevonden worden om die te wijden. Ook heeft de bisschop het alleenrecht om de priesters te wijden.
De herderlijke macht van de bisschop is in Ieper op parochiaal gebied sterk uitgehold vooral door pauselijke privileges aan de proosdij van Sint-Maartens. De bisschop van Terwaan moet aan de proost de voorrang verlenen in het oprichten van bidplaatsen en het aanstellen van de parochiepriesters. De verhouding tussen bisdom en proosdij is vaak heel gespannen. In de vele conflicten is er dan ook nog eveneens de aanwezigheid van de Ieperse magistraat die onder druk staat van de Pausen.

In 1139 vinden we de Sint-Jacobskerk als derde parochiale kerk in de bronnen vermeld. Deze Sint-Jacobskerk is parochiekerk geworden tussen 1123 en 1139. In een bulle van 23 november 1123 bevestigde Callixtus II (1119-1124) de Sint-Maartensproosdij in haar goederen en rechten en was er nog steeds sprake van Sint-Maarten en Sint-Pieter als enige 2 parochiekerken. Op 23 maart 1139 schenkt Innocentius II een gelijkaardige bulle waarbij Sint-Jacobs als derde parochiekerk voorkomt (..omnes Iparochias Yprenses, altaria, beati Martini et sancti Petri et sancti Jacobi..).
Vermoedelijk was de Sint-Jacobskerk één van de “appendiciae capellae” waarvan sprake in de oorkonde van bisschop Jan van Waasten in 1102. Deze kerk lag op dezelfde plaats waar ze op vandaag gebouwd staat en had rond zich een aangelegd kerkhof.

In 1195 schenkt Boudewijn IX een weide nabij de “capella beate Marie virginis in Brolio” aan de proosdij van Sint-Maarten. Hij doet dit op verzoek van Ghelinus, zijn deurwaarder, die deze weide van hem in leen houdt. De opbrengsten van de weide moeten dienen om in het onderhoud te voorzien van een kapelaan, die in de kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen missen celebreert. In een oorkonde van 1196 verheft Heliseus, de proost van Sint-Maartens, de kapel van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen tot officiële parochiekerk. Hij doet dit op verzoek van Ghelinus, de schepenen en andere belangrijke personen van de stad.

Heliseus verwijst eveneens naar de grafelijke oorkonde zodat we te weten komen dat de weide verkocht wordt voor de prijs van ongeveer 100 schellingen en dat de graaf naast de weide en de kerk ook het kerkhof en de woning van de pastoor heeft vrijgemaakt.

In het “optimum privilegium” van 1200 somt de paus bij de bezittingen van de proosdij de Sint-Maartens, de Sint-Pieters, de Sint-Jacobs en de Sint-Janskerk op. De Onze-Lieve-Vrouwkerk wordt hier echter niet vermeld. De Sint-Jacobskerk die in 1196 nog géén parochiekerk was echt wel. Waarom vinden we de Brielkerk hier niet terug?

Vermoedelijk wordt het gebruik van de bidplaats als parochiekerk uitgesteld omdat de inkomsten te gering zijn. De proost vraagt waarschijnlijk grotere inkomsten dan de genoemde 100 schellingen, want die zijn natuurlijk enkel bedoeld om de kapelaan te onderhouden en niet als dotatie voor de nieuwe parochiekerk.

Voldoende inkomsten komen er pas in 1200. In dat jaar geeft Sibilla, dame van Lillers, Vladslo en Saint-Venant ( de enige dochter van Pieter van den Elzas, broer van graaf van Vlaanderen Filip van den Elzas en dus de nicht van graaf Boudewijn IX) toestemming voor de schenking van een deel van de tienden van Watou. Die tienden zijn in leen gehouden door Willem van Vlamertinge. Vlamertinge is op dit ogenblik een “comitatus” van de heer van Harnes, wat betekent dat Harnes over de volledige grafelijke rechten beschikt van Vlamertinge.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>