Herrie met Sluis

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       4 months ago     131 Views     Leave your thoughts  

Onderweg in mijn bezoek aan de geschiedenis kom ik weer in contact met de Ieperse jaarboeken. Ze hebben me al geloodst tot aan het fameuze beleg van Ieper. 1383. De vijfde ‘cronicke’ ligt te wachten op een vervolg. De harde schijf van mijn pc brengt nog een andere schat aan de oppervlakte. Drie boekdelen van de jaarboeken van Brugge, ‘behelsende de gedenckweerdigste geschiedenissen’ die zich in deze stad hebben afgespeeld en die in 1765 voor de tweede keer worden uitgegeven. De histories van de goede steden van Ieper en Brugge komen ongetwijfeld uit de buik van beide steden. Brugge staat in 1384 aan de vooravond van zijn meest bloeiende eeuw. Ieper echter is al een flink eind gevorderd in zijn dramatische neergang. De geschriften ogen erg uiteenlopend. De taal en de stijl vallen niet met elkaar te vergelijken. Ik geef het toe, ik weet aanvankelijk niet goed hoe ik deze teksten op een geschikte manier kan transformeren tot een tekst die voor de geschiedenisliefhebber van vandaag aantrekkelijk en leesbaar kan zijn.

Geschiedenisboeken en kronieken kan je best vergelijken met ondoordringbare tropische regenwouden waar exotische teksten zich als wild verschuilen in de duisternis van de geschiedenis. Ik wil best mezelf eens verrassen met een andere aanpak en besluit om beide jaarboeken met elkaar te laten versmelten. Een literair duel tussen Brugge en Ieper. Waarom zou ik niet, ten persoonlijken titel, de scheidsrechter kunnen worden in de confrontatie van deze bonte cocktail van teksten?

Ik geloof er rotsvast in dat de dualiteit van de kronieken samen met mijn spielerei nieuwe inzichten zullen verschaffen in de gebeurtenissen van de 15de eeuw. En zo pak ik mijn koffers en vertrek ik naar 1384. ‘Doodt van den Graeve’, lees ik. Ik probeer de teksten zo goed en zo kwaad mogelijk in de taal van vandaag op papier te zetten. Maar, vergeef me, soms zijn de oude teksten zo geniaal onverbeterlijk dat ik die met plezier kopieer naar de 21ste eeuw.

Brugge 1384. Dood van de graaf dus. In deze tijd zijn de Ierse kooplieden zich hier komen vestigen. Het land van Boulogne behoort in die dagen tot het territorium van de hertog van Berry terwijl het bovenliggende graafschap van Atrecht leengebied is van graaf Lodewijk. Op 6 januari 1384 heeft Lodewijk een ontmoeting met de hertog en eist hij dat de man van Berry zijn manschap als leenheer tegenover hem zal afleggen.

‘Den Hertog zich te groot kennende, en door gramschap ontstoken zijnde, heeft aen den Graeve aanstondts eenen poignaert in het lijf gestoken.’ Drie dagen later sterft graaf Lodewijk van Male. Het is geschiedschrijver Meyer die dat weet te vertellen. Maar in Brugge hebben ze weet van een ander scenario. Dat van Fabert in de geschiedenis van de Bourgogne. De hertog van Orleans zou de graaf zodanig tussen ‘een bedde en den muer gepraemt hebben, dat hy ten derden dage daer van stierf’. Ik heb enige moeite om me dat laatste scenario voor de geest te halen.

Nog anderen vertellen dat de graaf in St.-Omer ziek is geworden en daar in januari overleed. Hoe dan ook, zijn lichaam wordt met grote pracht en praal begraven in de Sint-Pieterskerk te Rijsel. In tegenwoordigheid van de bisschoppen van Parijs, Doornik, Kamerijk en Atrecht. Hij laat maar één wettig kind na. Ik moet ietwat monkelen met wat er tussen de lijntjes gesuggereerd wordt. Dat kind heet ‘Margariete van Vlaenderen, de huisvrouwe van Philippus van Bourgogne’. Filips is de broer van de bewuste hertog van Berry en hij zal dus wel niet gehaast zijn om de moord op zijn schoonvader te wreken. Hij is er wel als de kippen bij om de fijne erfenis in ontvangst te nemen: de graafschappen van Vlaanderen, Artesië, Bourgondië, Nevers en Rhetel.

In Ieper schrijven ze ook over de moord op hun graaf. Maar enkele dagen voor de aanslag, is er nog sprake van een ander overlijden. De abt van Sint-Bertijns overlijdt op 2 januari 1384. ‘Joannes van St. Berten was geboortig van Ypre, den welken soo vroom van lichaem was, dat hem de voeten niet en konden dragen. Hij en konde nooit rusten of slapen, ten zij zittende in eenen zetel’. Een corpulente man moet het geweest zijn. Met longoedeem, buitengewoon kort van adem en veel te veel vocht in de onderbenen. Maar hij laat wel zijn kronieken met de geschiedenis van zijn abdij tot in 1294 na.

Op hun beurt verhalen de Ieperse jaarboeken over de moord op de graaf. ‘Anno 1384, den 23 januarius is door order van den hertog van Berry omgebracht geweest den graef Loduwijk binnen St. Omaers in het huys daer zij te saemen vergaedert waeren wegen het verschil dat sij ’t saemen hadden, te weten om dat den graef geen manschap doen en wilde aen den hertog over het graefschap van Buenen het welke hij getrouwt hadde met de dochter van den graef van Buenne. Dezen hertog daerom zeer gestoort zijnde, gaef order aen sijn volk dat sij den graef Loduwijk in de kaemer daer zij waeren hem zouden dood droomen tusschen den meur en spondebedde die daer stond zoo dat hij den derden dag daer naer stierf.’ De tijding van de dood van Lodewijk brengt droefheid onder de goede lieden van Ieper. Margariete wordt in Ieper betiteld als ‘Marguerita’.

De Ieperse kronieken hebben het over de blijde intrede van het nieuwe gravenkoppel in Brugge de 26ste april van het jaar 1384 waar de stadsprivileges zoals gebruikelijk worden bevestigd en verlengd. Filips de Stoute wordt door de Ieperse geschiedschrijver de hemel in geprezen. ‘Dezen voornoemden Philip den Stouten was een prince van groote discretie en weerdigheyd en goeden raed, alle zaeken van verre overleggende en voorziende, door welkers wijsheyd en voorzigtigheyd Vrankerijk langen tijd wel en gelukkiglijk regiert is geweest.

Hij heeft den naem van Stouten in den slag van Poitiers bekomen als eenen strijdbaeren held oud zijnde 16 jaeren. Hij was zijnen vaeder Jean koning van Vrankerijk zeer behulpzaem. Hij heeft gewonnen bij zijne huysvrouwe Margerita van Maele 4 soonen te weten Jan van Valois bij genaemt Jan zonder Vreeze etcetera en 4 dogters.’ De gebruikelijke verlenging van de Brugse stadsprivileges komt er wel mits enkele voorwaarden. De stad dient ingedeeld te worden in 6 wijken die elk afzonderlijk door een hoofdman zullen worden bestuurd. Een connestabel. Wie in de toekomst door de schepenen schuldig bevonden wordt aan oproer, zal zijn eigendommen moeten afstaan aan de graaf.

De goederen die via de haven van het Zwin binnen komen, dienen voor de verkoop eerst naar Brugge te worden verscheept. De haven van Damme behoudt zijn uitzonderingen. De lokale kooplieden mogen er wijnen, vis en vlees opslaan. Ik stoot trouwens op een woord dat ik nog niet ken. ‘Penewaerde’ blijkt alles wat men zich voor de waarde van een penning kan verschaffen en ook die ‘Penewaerden’ mogen opgeslagen worden in Damme. Zoals haring in tonnen. Vetwaren zoals boter en ‘roedt’. Er zijn uitzonderingen: zo moeten de oliën, siropen en azijn naar Brugge verhuizen.

Die van Damme, Hoeke en Monnikerede krijgen de toestemming om eveneens droge vis, pek, teer, masten, kromhout en scheepstoebehoren in hun magazijnen op te slaan. En de lokale schippers krijgen het recht om op hun schepen zeevis, koren en zout te verkopen. Vooral Sluis wordt in zijn werking en uitbouw geblokkeerd. Het valt op.

De Sluizenaars mogen geen lakens opslaan, laat staan getouwen of apparatuur om te weven. En ook geen verven om de lakens een ander kleurtje te geven. ‘Die van Sluys vermochten oock niet te hebben een gewichte boven de 60 ponden swaer, nochte oock eenigen wissel te houden, of smittinge van silver te doen. Het was aen een ieder verboden binnen Sluys eenig hout te stapelen, het welcke allegaeder naer Brugghe komen moeste.’ Filips de Stoute stelt de Brugse ambachtslieden nog meer op hun gemak.

Zolang de lokale keuren gerespecteerd worden, mogen er zich geen nieuwe concurrenten komen vestigen binnen de stad. Als maatstaf om te meten moeten de Damse maten gehanteerd worden, ‘en niemand mochte binnen Sluys iet meten, als gezworen meters van Damme, Houcke, ofte Meunickreede.’ Er komt een formeel verbod om de stadspoorten te verstevigen om of andere versterkingen te bouwen. De buitenbevolking van Brugge krijgt ook beperkingen opgelegd en die zijn alweer in het voordeel van de stedelingen. De inwoners van het Brugse Vrije worden in de jaarboeken nog met oorspronkelijke benaming omschreven als ‘Vrylaeten’. Het wordt de Vrijlaten expliciet verboden om zelf een lakenmarkt te organiseren.

De straf bij overtredingen is niet mals: een boete van 50 Parijse ponden en het aanslaan van de koopwaar. De burgemeester van Brugge krijgt de autoriteit om de nodige baljuws en berijders er op uit te sturen om controle uit te oefenen in het Brugse Vrije. De Vrijlaten krijgen de toelating om binnen hun parochies elk hun eigen getouw te bezitten, samen met een ‘Com en een Raeme’, zodat ze de wol van hun eigen schapen kunnen aanwenden om er kleding van te weven. Zolang ze het weefstuk maar niet aan de man proberen te brengen. Het verven van de wol wordt formeel verboden. Alleen de saaien van Gistel vormen hier een uitzondering op en er zijn blijkbaar nog andere gevallen die door de Bruggelingen toegestaan worden.

De vrije scherpe regelgeving heeft blijkbaar één en ander te zien met de voorbije opstand en de controverse tussen die van Brugge en het Brugse Vrije. De Brugse archieven verraden het: ‘ende om alle moetwilligheden en oorzaecken van oproer te voorkomen, was aen iedereen scherpelijk verboden in het toekomen te roepen Brugge, Brugge, ofte Vrye, Vrye; gelijk men voor dezen in eenige oploopen geplogen hadde. Voorders en vermochte niemandt eenige klocken ofte schellen te trecken langs het landt om het volck by een te vergaederen.’

Ik krijg voor het eerst iets te horen over de oorlog tussen Engeland en Frankrijk, waar Vlaanderen natuurlijk betrokken partij is en waar vooral de Gentenaars meezeulen met de Engelsen. Ieper kon het vorig jaar nog aan den lijve ondervinden. De wapenstilstand die afgesproken werd eind 1383, wordt in oktober 1384 verlengd tot aan het begin van mei 1385. De 15de december van 1384 arriveert Filips de Stoute in Ieper. En zijn huisvrouw, de gravin, met hem.

De geestelijke en wereldlijke leiders van de stad beloven in de schepenkamer om hen beide trouw te blijven en om ‘de stad en het gemeente in peys en vrede te behouden’. Het is een hele ceremonie waarbij ook de graaf zijn deel van de beloftes maakt. De volgende dag wordt de wet vernieuwd en mogen de heren Joris, Jacob en Francis van Belle, Jan van Lo, Andries Paelding, Segers de Vroede, Michiel de Bam en Jan van Merkem hun eed van wethouder declameren.

Dit is een fragment uit deel 5 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>