Het begijnhof van Diksmuide

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     155 Views     Leave your thoughts  

Als een oase van ingetogen stilte aan en uitkant van een ingesluimerde stad, lag voor de oorlog, te Diksmuide, het begijnhof in de vorm van een driehoek, wiens toppunt, het eeuwenoude kerkje met spitsen gevel en bevallig torentje, naar beide zijkanten uitliep in een rij witgekalkte huisjes uit de zes- en zeventiende eeuwen.

In het midden van deze driehoek, tierde in de zomermaanden een paradijs van bloemen waartussen de purperrode St-Anna-bloem en de bloedrode kankerbloem een schrille, maar toch rustige kleur verspreiden. Niets kwam de vreedzame stilte storen, die slechts verdiept werd door het verlaten geluid van het bronzen klokje, door het slaperig geprevel an begijntjes die luidop hunne Latijnse getijden lazen, door het zoete gezang van kanarievogels in hunne kevie aan de huisgeveltjes en door het huppelend getokkel van spellewerksbouten op het kantkussen, dat bij geen begijntje ontbrak.

Ook niet op de hoge feestdagen werd de ingetogenheid gestoord. Want in die atmosfeer en in dit kader alleen, kon, op de feestdag der H. Begga, vereerd als stichteres en patrones der begijnhoven, de groot-juffrouw met godsdienstige ernst in feestgewaad voor de begijnen verschijnen om in de ‘beste kamer’ van het ‘convent’ het zeventiende eeuwse reglement voor te lezen: ‘Wij, Karle, graef van Bergh, heere van Hohenzollern, graef van Salm en Balmont, heere van Diksmuide …. ‘ Enz.

Met niet minder ingetogenheid herdachten er de opeenvolgende geslachten de feestdag van den H. Thomes van Cantelberg, die gedurende zijn verblijf in Vlaanderen, in de kapel van het begijnhof de H. Mis had opgedragen en er ten eeuwigen aandenken kelk en kazuivel nagelaten.

Slechts een enkele feestdag maakte uitzondering. Op de dagen van de H. Godelieve, de Vlaamse martelares, die volgens begijnenoverlevering, binnen het beluik nog vertoefd had, en er daarom bijzondere verering genoot, geleek de rustige plaats, een rumoerig mierennest. Van in den vroege ochtend, leverde de groote poort, die anders nooit openging, doorgang aan de toestromende bedevaarders, weldra zo talrijk dat het kerkje te klein bleek en de nakomers tot ver over het midden van het grasperk deemoedig geknield de diensten volgden.

‘s Avonds werd de grote poort zorgvuldig voor een jaar gesloten, en ging het rustige begijnenleven zijn gewone gang, onder de hoede van den aloude regel. Deze regel ademde uit elke bepaling rust en goede orde. Eerst en vooral – dat sprak van zelf – mochten er onder geen omstandigheden, mannen, zelfs niet jonge kinderen van het mannelijk geslacht in het begijnhof overnachten. Maar bovendien mocht er op het gras binnen het beluik geen mansgoed te bleken gelegd worden, waarmee afdoende voor de goede orde gezorgd was.

Voor de rust, eiste de regel, dat elke begijn ‘s winters, om 7 uur en ‘s zomers om 8 uur, thuis weze. Wie te laat kwam moest eene boete van vijf centiemen betalen, ten persoonlijke bate van de ‘portiereege’.

Voor de wereldoorlog werd het begijnhof van Diksmuide hoe langer hoe meer bekend, en door de kustbezoekers, ieder jaar, drukker opgezocht. Het werd eigenlijk eerst door kunstminnaars ‘ontdekt’. Schilders, etsers, tekenaars op zoek naar schilderachtige zichten in de sluimerende steden van de Vlaamse kuststreek, waagden het tot aan Diksmuide, en vonden er dit begijnhof dat nog niet door rumoerig toeristengedoe uitgebaat en ontzield werd, zoals de beluiken te Brugge en te Yper.

De eerste van die kunstminnaars, echte ontdekkingsreizigers in het schone Vlaanderen, waren de Engelse grootmeester etser Brangwyn; de Gentenaar Baertsoen; de Brusselaar Gilsoul. Op het einde van de verleden eeuw werden deze verkenners gevolgd door den fijne Franse schilder, Leon Cassel, met een leger kunstenaars onder dewelke Leduc, Julien Celos, Masui-Casstriaue. De laatste jaren voor den oorlog telden de Brugse landschapschilder L. Reckelbus, zijn Kortrijkse collega E. Vierin en tal van anderen onder de drukste bezoekers.

Maar het hartstochtelijkst en het drukst werd het begijnhof bezocht door de stemmige waterverfschilderes mevrouw Gilsoul, geboren Ketty Hoppe. Jaar om jaar, kwam zij te Diksmuide in het begijnhof mijmeren, dromen en schilderen. In de bonte nazomer op het tijdstip dat de stad en de oneindige vlakte van Veurne-Ambacht zich in de wazige herfstlucht open spreidde tot een levende schilderij met toverachtige kleurschakeringen, steeg de bekoorlijkheid van het stille begijnhof tot haar toppunt.

In het slapende beluik groeide de wemeling van de bloemen met het rustige uitzicht van de witgekalkte huisgeveltjes in de herfst tot een indrukwekkende eenheid, die de diepste vezels van het gemoed beroerde. Op die ogenblikken kwam mevrouw Gilsoul in stille uren, telkens weer dit plekje op doek brengen en nu nog toveren haar schilderijen die ingetogenheid van het verdwenen begijnhof treffend voor de ogen van den bewonderaar.

Benevens de schilders en kunstenaars, kwam hoe langer hoe talrijker de massa van de liefhebbers van het schilderachtige. Hoge bezoekers ontbraken niet, en onder hen prins Albrecht met zijne doorluchtige moeder, de gravin van Vlaanderen. Ter gelegenheid van dit bezoek – een hele gebeurtenis in het begijnenleven – herinnerde de groot-juffrouw eraan hoe zijn overoudgrootvader als laatste heer van Diksmuide, de hoge beschermer en de grote weldoener van hare instelling geweest was. Met ontzag horkten de begijntjes naar die woorden van hunne groot-juffrouw, om ‘s anderendaags in den namiddag, onder het drinken van een kopje koffie, elkaar in het stille geluk te wensen met een zoo zichtbare gunst van God, die hen met een groot-juffrouw, die waarlijk op haar plaats was, beschoren had.

Misschien kloegen de vooruitziende hoe moeilijk het zou zijn haar opvolging waardig te verzekeren. En inderdaad, groot-juffrouw Vereecke was een vrouw vol begaafdheid en gezond verstand.

Wie haar bezocht heeft in haar spreekkamer en er tusscn de heerlijk gebeeldhouwde oud meubelen het glinsterend koperwerk en het tere porselein haar gemoedelijk keuvelen aanhoorde, zal wel lang den vreemde indruk ervan bewaard hebben. Haar gesprek, hartelijk tevens en voornaam, liep bij voorkeur over de instelling waar ze zo lange jaren het hoge woord voerde.

Met een zekerheid die van nauwkeurige kennis getuigde, verhaalde ze hoe het begijnhof van Diksmuide reeds in de dertiende eeuw bestond vermits Margriete Godscalc de ziekenzaal van het begijnhof in 1273 met twee gemeten land begiftigde. Met fiere ijver toonde ze dat Paus Nicolaus V in persoon, verscheidene en zeer verdienstelijke aflaten in 1329 aan de kapel verleende, en dat Keizer Karel alle begijntjes zowel de tegenwoordige als de toekomstige, van soldatenhuisvesting en andere oorlogslasten volledig vrijgesteld had, en nog tal van bijzonderheden vol belang en pittigheid. Ze sprak ten andere niet in de lucht; voor de aandachtigen bezoeker haalde ze uit een oude kist de eerbiedwaardige archiefstukken tevoorschijn.

De rampzalige wereldoorlog moest over Diksmuide de scepter van de vernieling zwaaien, om benevens zo talrijke andere schoonheden, ook het oude begijnhof, dat reeds zo veel wee in den loop der tijden gekend had, ten gronde te vernielen. In oktober 1914, in de maand waarin de natuur het begijnhof in feestgewaad tooide, werd het eeuwenoud beluik tot een vormeloze puinhoop platgebrand en stuk geschoten.

De groot-juffrouw Vereecke, die zo lange jaren aan het hoofd van de instelling geprijkt had, zat door ziekte en ouderdom overmand, verlamd in een rijstoel van waaruit ze haar overheidsplichten nog waarnam. Uit de hel van Diksmuide kon ze op het ogenblik van het gevaar niet meer vluchten en degene die de laatste groot-juffrouw van Diksmuide zou wezen, stierf aan zich zelf overgelaten een ijselijke dood in de kelders van de kostschool van de Dames van St-Niklaas.

Gedurende vier lange jaren was het rustige beluik van weleer de schouwplaats van dood en vernieling, en toen de eerste vluchtelingen terug in de stad kwamen, stond er ternauwernood nog een stuk muur recht.

Met nieuwe ijver hebben ze zich te Diksmuide aan het werk gesteld en nu een klein tien jaar na de terugkeer staat het oude begijnhof, in den ouden trant, heropgebouwd. Maar wat weleer het sieraad en de trots van den driehoek als het hoogste symbool prijkte, ontbreekt nog steeds. Ook de begijntjes verlevendigen de stilte niet langer, hun geprevel, het geklos van hun kantkussens en het gezang van de kanarievogels, heel die kleine wereld van voorheen heeft plaats geruimd voor de oudjes die er gehuisvest werden door de zorgen van de Commissie van Openbare Onderstand, van rechtswege eigenares van het begijnhof.

Zal het oude kerkje nog ooit heropgebouwd worden? Wie kan het weten. Wel is er thans geen geld voorhanden. Maar was er in de dagbladpers geen sprake van een ontwerp, waarbij de diepgelovige Franse fusilliers-mariniers uit Bretagne, die in 1914 ontelbare mannen voor Diksmuide verloren, het begijnhofkerkje zouden heropbouwen ter herinnering aan hun gesneuvelde makkers?

En zou het herbouwd kerkje door de Bretoeners aan het Vlaamse Diksmuide geschonken geen blijk van erkentelijkheid vanwege het Vlaamsc volk verdienen? Moge dit ontwerp weldra de verwezenlijking naderen.

E. Hosten en Eg. I. Strubbe

Uit ‘Ons volk ontwaakt’ van 23 september 1928

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>