Het beleg van Kales

De Engelsen staan aan de poorten van Kales. In plaats van te vechten, wordt er net naast de stad een nieuwe stad gebouwd; Villeneuve-la-Hardie. De burgers van Kales worden gedurende elf maanden zonder voedsel gezet. Nadat een Franse interventie op een sisser afloopt moeten zes notabelen blootsvoets en in onderkleren de toorn van de Engelse koning ondergaan.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Dit is het tweede deel van de bewerking van ‘Les Bourgeois de Calais’, een historische roman uit 1890. Het boek, geschreven door de Franse schrijfster Henriette Guizot de Witt, vertelt het verhaal van Calais bij het uitbreken van de honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland. In het eerste deel ‘De Burgers van Kales’ hebben we de hoofdpersonen leren kennen in de aanloop naar de oorlog. Kales, met zijn Vlaamse oorsprong, komt in de herfst van 1346 oog in oog te staan met aartsvijand Engeland.

‘Het beleg van Kales’ beschrijft de diepe ellende van de inwoners tijdens het elf maanden durende beleg. Houd u vast! De Engelsen nemen hun posities in onder de kantelen van Kales. Koning Edward ziet er indrukwekkend uit. Hij roept een wapenheraut bij zich. ‘We zullen worden gesommeerd om ons over te geven’ zegt gouverneur Jean de Vienne. Hij bekijkt Arnold van Audrehen en baron de Bellebrune in het gezicht. Ze knikken bevestigend.

De heraut komt naar de stadsmuren toegestapt en roept luid, ‘In de naam van monseigneur Edward III, koning van Frankrijk en van Engeland, verzoeken we dat messire Jean de Vienne, gouverneur van de stad Kales, zich zou willen overgeven en ons de sleutels van de stad die hij momenteel, ten onrechte in zijn bezit houdt, te overhandigen. Kales is onze stad en zal dat ook blijven. Als de stad zich niet onmiddellijk overgeeft, zullen we het garnizoen en de inwoners met onze zwaarden toetakelen en hen alle kleuren van de regenboog laten zien en als de stad eenmaal in ons bezit is, zullen wij overgaan tot een algemene plundering.’

Jean de Vienne antwoordt: ‘Ik ben Jean de Vienne en ik ben als gouverneur aangesteld door mijn soevereine heer, Philippe VI van Valois, de koning van Frankrijk. Ik zal leven en sterven om mijn enige koning trouw te blijven en ook de nobele mensen die mij omringen, zijn die mening toegedaan.’ Er ontstaat grote commotie bij de burgers van Kales als ze roepen dat ook zij klaar zijn om hun leven te laten voor hun koninkrijk Frankrijk. Ook de vrouwen die vanuit de kerken zijn komen toegelopen op de stadsmuren, mengen zich ermee. Ze zullen zich verzetten en ze willen de eer van hun gesneuvelde vaders en broers verdedigen.

De klokken beginnen te luiden. De vespers zijn vroeger dan verwacht afgelopen. Edward had natuurlijk niet verwacht dat de inname van Kales zonder slag of stoot zou verlopen. Kales is één van de sterkste forten van Frankrijk. Hij observeert de versterkingen van de stad. De stadsmuren zien er oud en verweerd uit. Ze werden oorspronkelijk opgetrokken door keizer Caligula van Rome en daarna aangepast door Karel de Grote, de grote heerser van de Franken.

Boudewijn de 9de, de graaf van Vlaanderen, heeft er ook nog aan laten verbouwen en Philippe Hurepel, de graaf van Boulogne, heeft in de 13de eeuw nog ultieme aanpassingen gedaan aan de eeuwenoude stadsgordel. Het is opmerkelijk dat er geen fort staat opgebouwd ter hoogte van de duinen. Edward beseft dat eb en vloed er voor zorgen dat het terrein naar zee zo goed als ondoordringbaar wordt. Eigenlijk is het meer een moeras dan een strand. De zee is een trouwe bondgenoot van de Kalesanen. De enige manier om hen uit te schakelen en zich meester te maken van de stad, is om een blokkade op te zetten en de inwoners uit te hongeren. De Engelsen hebben tijd en het is diezelfde tijd die de Fransen op de knieën zal krijgen. Honger is veruit het beste wapen.

De burgers van Kales hadden zich verwacht aan een aanval van de Engelsen. Tot hun verbazing schijnt de vijand zich niet om hen te bekommeren. Van op de stadsmuren zien ze dat de Engelse en vooral de Vlaamse krijgslieden hun harnassen hebben afgelegd en zich in het zweet werken om een militair kamp op te richten. Blijkbaar zullen ze zich settelen aan de zuidwestkant van Kales. Op de vlakte tussen de rivieren de Guînes en de Hames, aan de brug van Nieulay. Het beleg zal vermoedelijk heel wat tijd in beslag nemen. De herfst van 1346 vult zich met bouwen en graven.

De Kalesanen bekijken als ratten in hun val hoe de Engelsen de wallen rond het nieuwe kamp uitgegraven tot aan de zee. Edward heeft opdracht gegeven om huizen te bouwen, houten constructies met materiaal van de streek. Wat een ongehoorde durf hebben die Engelsen om vlakbij de gevestigde oude stad van Kales zomaar een nieuw bastion te bouwen. Met de inzet van 30.000 soldaat-bouwvakkers, schiet de nieuwe stad als een paddenstoel uit de grond. De stad wordt door de Kalesanen al snel omschreven als een boosaardige nieuwe stad. ‘Villeneuve-la-Hardie’, een gedurfde volwaardige nieuwe stad die de oude stad van de buitenwereld afsnijdt.

Villeneuve-la-Hardie werkt in als een magneet op de omgeving. Een stad met meer dan 30.000 inwoners heeft zo zijn behoeftes. De inwoners zien de toestroom van hele kuddes runderen, koeien en schapen met lede ogen gebeuren. Er is al maanden geen kilo graan bij hen meer binnengevoerd en daarbuiten is het een gaan en komen van soldaten uit Terwaan. Ja, zelfs uit St.-Omer dient zich volk aan. Neerhofdieren, pluimvee maar ook meubelen en tapijten worden aangevoerd.

Een zwerm Engelse baronnen vestigt zich in de nieuwe huizen of in nieuw gebouwde hotels. Zelfs Filippa, de Engelse koningin, komt er zich met haar hofhouding vestigen. Edward III heeft een verordening laten uitschrijven dat alle graan dat Engeland verlaat, verplicht moet toegeleverd worden aan de nieuwe stad voor Kales. Op enkele maanden tijd, zwelt het aantal soldaten aan tot 100.000 eenheden.

Admiraal Walter de Manny is één van hen. Het is al putje winter als de Henegouwer zich aanbiedt in Villeneuve-la-Hardie. Bij het hotel waar koning Edward verblijft. Hij groet de koning en informeert hen over zijn gedwongen verblijf aan het hof van Philippe de Valois in het Louvre waar hij zeer tegen zijn zin enkele weken werd vastgehouden. Het was in de nasleep van zijn avonturen in Hennebont. Edward bekijkt de dure gouden en met edelstenen bezette ketting die de Manny aan zijn verblijf heeft overgehouden.

Een tegenprestatie van de Franse koning. ‘Stuur die dwaze halsketting terug naar die Fransman’ zegt Edward, ‘U bent altijd al een loyale medewerker geweest en ik zal er zelf wel voor zorgen dat u van mij de mooiste juwelen zal krijgen.’ Het gesprek gaat verder. ‘Weet u wat ik opgevangen heb monseigneur? Jean de Vienne, de gouverneur van Kales, heeft beslist om de ‘onnodige’ monden uit zijn stad te gooien’. ‘Laat de mensen die buiten gezet zijn, maar bij ons komen’, reageert Edward, ‘we zullen ze vasthouden aan de buitenkant van de stadsmuren. Ze kunnen net zo goed buiten de stad verhongeren, zoals ze dat aan de binnenkant ervan kunnen.’

Het ontstellende gerucht blijkt waar. Het schepencollege van de stad heeft aan Jean de Vienne toestemming gegeven om deze onthutsende, bittere, maar noodzakelijke maatregel te treffen. De bevolking van Kales is in shock. Hatelijke emoties regeren de stad. ‘En wie zal nu beslissen wie de oudjes en de zwakken zullen zijn die we ter dood zullen veroordelen?’, vragen Manon en Myrthe aan de oude Eustache. Hun maag krimpt bij de gedachte dat de mensen zich nu al aan het klaar maken zijn om afscheid te nemen van hun geliefden. Eustache heeft zijn antwoord klaar. ‘We kunnen er gewoonweg niet onderuit. Iedereen die niet in staat is om zelf zijn brood te verdienen, om mee te werken aan de bescherming van Kales of op één of andere manier zijn bestaansmiddelen niet kan rechtvaardigen, zal uit de stad verwezen worden.’ ‘Niemand in Kales heeft ooit honger moeten lijden.’ schreeuwt Myrthe. ‘Zijn er dan echt geen andere oplossingen?’

Anne neemt het zoals altijd op voor Eustache. ‘Wees er maar gerust dat hij alleen maar beslissingen neemt die goed zijn voor het algemeen belang van onze stad’. Huishoudster Manon sluit zich aan bij de mening van Myrthe. ‘Neem nu mensen zoals Nicolas Fatel en Rose Duran. En de oude Aventurine? Ze zijn allemaal ziek en zwak. We zullen ze zelf moeten dragen om ze buiten de stad te brengen. Binnen de twee dagen zullen ze alle drie dood zijn als ze overgeleverd worden aan de koude van nacht. Kunnen we dan niet zelf een stuk van ons eigen voedsel geven aan die mensen om hen dit huiveringwekkend lot te besparen’?

‘Luister nu eens goed’, herneemt Jean d’Aire, ‘met de beste wil van de wereld, iedereen zal wel een aantal mensen een tijdje vooruit kunnen helpen, maar ons proviand dat we nu nog hebben, is het enige voedsel wat ons rest. Hoe kunnen we ons trouwens rechthouden in deze moeilijke tijden als we het weinige eten dat we hebben, nog moeten delen met de armen? We moeten er voor zorgen dat de gezonde mensen gezond blijven. Als puntje bij paaltje komt, zullen we moeten vechten tegen die Engelsen. En hoe gaan we dat doen als we zelf niet goed op onze poten staan? Daarom is er die hartverscheurende maatregel noodzakelijk. Of wij en jullie dat nu graag hebben, doet niet ter zake.’ Manon en Myrthe zwijgen. Ze besluiten onder elkaar om toch maar een stuk brood opzij te leggen.

‘De tijd zal komen dat we ééns het laatste brood zullen kunnen gaan kopen’, denkt messire Jean meewarig. ‘Geld in de zakken zal niet meer tellen. Zelf in de weelderigste huizen van de stad zal er geen voedsel meer zijn. Laat ze nu nog maar een stukje brood uitdelen, maar lang zal het niet meer duren!’ De dramatische maatregelen zijn ondertussen al doorgedrongen tot op het Wapenplein voor het stadhuis.

Het gehuil en het gesnik van de mensen is hartverscheurend. In elke straat lopen nu stadssergeanten rond met oude, zwakke en zieke mensen aan hun zijde. Soms dragen ze de mensen zelf. Ze hebben allemaal de fatale stempel van ‘onnodige mond’ gekregen. De gouverneur en de magistraten hebben op een speciaal register de namen geschreven van 1.700 inwoners. Allemaal mensen die moeten verdwijnen uit Kales. Het is al vroeg in de namiddag en er is nog heel wat werk om de 1.700 dezelfde dag nog te verbannen.

Voor de ongelukkigen is het van belang om zo snel mogelijk te vertrekken, want misschien bezitten ze nog de kracht om op zichzelf een naburige stad te bereiken en zo te ontkomen aan de bezetting en de hongerdood. De Kalesanen weigeren te geloven dat koning Edward zo crapuleus en zo haatdragend zal zijn om hen de doorgang naar een mogelijke redding te weigeren. Walter de Manny en de graaf van Southampton bekijken de trieste processie die zich buiten de stadspoorten van de belegerde stad begeeft.

Een bende sukkelaars die hun thuisbastion Kales aan een slakkengangetje verlaat. ‘Daar zijn ze dan’, zegt Walter de Manny. ‘Onze onnodige monden komen naar buiten. Wat een massa volk zeg.’ De man van Southampton gaat verder, ‘ja, onze koning was eerst van plan om ze niet door te laten en ze te laten omkomen door de honger en door de vrieskou, maar hij heeft zich bedacht. De sukkelaars krijgen allemaal twee shilling en vrije doorgang.’ Walter reageert verrast en een stuk opgelucht, ‘ik ben blij dat hij het zo opvat, het verhoogt alleen mijn respect voor mijn majesteit. Ik zal hem dienen zolang het God belieft!’

De sleutel tot Frankrijk ligt in Kales. Gouverneur Jean de Vienne en Philippe van Valois zoeken manieren om, ondanks de hachelijke omstandigheden, toch in contact te blijven met elkaar. Over land is er geen doorkomen aan en ook de grote schepen worden door de Engelsen tegengehouden. Hier en daar kan een verwaaide vissersboot of een sloep door de mazen van het net glippen. Pierre van Petresse biedt zich aan om de rol van verbindingsofficier tussen Kales en de koning op zich te nemen. Na de zeeslag in Sluis en het treffen in Crécy, voelt hij zich al weken omkneld door de vier muren van zijn woning.

Kales voelt aan als een gevangenis en hij verveelt zich dat het geen naam heeft. Anne heeft al lang opgemerkt dat er iets schort met haar verloofde. ‘Ga dan weg’, zegt ze vol begrip. ‘Maar kom terug voor het einde van de maand.’Maar Eustache van Petresse en Jean d’Aire zien dat anders. ‘Onze burgers moeten solidair blijven met mekaar, ze moeten de stad verdedigen en hun lot allemaal samen dragen. En trouwens Pierre, je zou niet eens op tijd terug zijn voor de dag van je huwelijk met Anne. Eén of andere vermetele scheepsman zal de klus wel klaren in jouw plaats.’ En zo is Pierre zeer tegen zijn zin in Kales gebleven. De nieuwe verbindingsman is net terug van zijn eerste clandestiene trip en haast zich nu door de straten van Kales om Jean de Vienne verder nieuws te brengen van de koning. De boodschapper heeft de koning niet gezien.

Welke arme sterveling kan ooit zijn koning persoonlijk in de ogen kijken? Het schepencollege bestudeert de brief die de koning heeft laten afgeven. De Schotse koning en aartsvijand van Edward heeft maandenlang aan het Franse hof verbleven en is pas recent teruggekeerd naar zijn land. Zullen ze samen oproer stichten in Engeland, zodat Edward niet anders zal kunnen dan zijn leger weg te trekken van Kales om de zaken in zijn thuisland op orde te stellen? Eustache schudt het hoofd. ‘De Engelse steden zullen hun plan zelf wel trekken. Edward ziet veel te graag die blauwe lelie van Frankrijk om nu halsoverkop een robbertje te gaan vechten tegen die Schotten in het noorden.’

‘Ik zeg je dat koning Edward niet zal vertrekken van Kales vooraleer hij ons op de knieën zal hebben gekregen.’ Jean d’Aire zit er somber gezind bij. Hij kreeg de opdracht om een inventaris op te maken van de beschikbare levensmiddelen in de magazijnen en in de privé woningen. De toestand van de proviand is uiterst alarmerend en er dringen zich draconische maatregelen op. Anders zou Kales eens vlugger door die knieën kunnen gaan dan verwacht. De burgers van Kales krijgen allemaal het bevel om alle voedingsmiddelen die ze bewaren in hun kelders en hun zolders binnen te brengen in het stadhuis.

De hele bevolking wordt op rantsoen gesteld. Vooral de rijke burgers die meer dan zomaar een appeltje voor de dorst staan hadden, knarsetanden bij de opeising van hun voedsel. De winkels sluiten noodgedwongen hun deuren: de matrozen en de arme en werkloze visverkopers zullen nu mee profiteren van hun kostbaar voedsel. Gramschap, jaloezie, en de typische kleine trekjes van de mensen worden in deze dramatische tijden uitvergroot tot één immense mallemolen van emoties waar niemand nog grip op lijkt te krijgen. Er gaat geen dag voorbij zonder verder ellendig nieuws.

Nu horen ze van de grote veldslag in Schotland die de Engelse soldaten onder het bevel van de koningin geleverd uitgevochten heeft. De Schotse koning, hun enige hoop in bange tijden, zit nu gevangen. ‘Die Engelsen zijn werkelijk echte duivels’, zegt Manon vertwijfeld. Het zijn plezierige tijden voor de Engelsen, maar voor de vrouwen in Kales zijn het verweesde en bittere weken zonder enig perspectief op beterschap.’ En de koning lacht. Daar in zijn hotel te Villeneuve-la-Hardie zit de Engelsman te glunderen. Hij bekijkt nog eens de brief die hij binnen heeft gekregen. De eerste berichten over de overwinning van Neville’s Cross tegen de Schotten werden bevestigd.

Filippa, zijn koningin met pit, schrijft hem dat ze de koning van Schotland in verzekerde hechtenis houdt. Het is messire John Copeland, één van Edwards leenheren, die de vuile Schot op gevaar van eigen leven, gevat heeft en hem heeft overgebracht naar zijn kasteel in Northumberland. John Copeland wil nu van zijn koning weten wat hij moet doen met zijn gevangene. ‘Die Copeland wil ik hier’, denkt Edward. Hij stuurt enkele boodschappers naar Northumberland met het verzoek om de gevangene over te maken aan Filippa.

Mijn vrouw zal wel weten wat ze ermee moet doen. Hij kan de aanwezigheid van een trouwe vazal als Copeland hier in Frankrijk meer dan goed gebruiken. John Copeland staat in een recordtijd bij de koning in Villeneuve-la-Hardie. Zeeziek, dat wel. Edward kan hartelijk lachen om het lijkbleke gezicht van zijn dappere onderdaan. ‘Het is hoogtijd dat die man tot ridder wordt geslagen.’ grinnikt hij. Koningin Filippa komt terug. En met haar ook het plezier en de feesten. Ze komt niet zomaar op bezoek bij haar man en zoon. In haar zog sleept ze een gevolg mee van vrouwen. Moeders, zussen en echtgenotes van een groot aantal baronnen en ridders zodat Villeneuve-la-Hardie in de kortste tijd gaat gelijken aan het hof dat Edward houdt in Windsor of in Westminster.

De dames zijn opgesmukt als kerstbomen in hun beste dagen. De ridders hebben zich onledig gehouden met het stofferen van hun houten woningen die nu propvol gevuld zijn met tapijten en meubelen die ze vervreemd hebben in de steden en in de kastelen van de regio. De festijnen volgen elkaar op. Het gezelschap waant zich in hun Londense kastelen. De gewone soldaten logeren tijdelijk in tenten net buiten de nieuwe stad. Ze ontsteken er grote vuren om zich te verwarmen. Torenhoge vlammen verlichten de vestingen van Kales op een vreemde en spookachtige manier. Het is trouwens bijzonder koud. Het zijn de langste nachten van het jaar. Filippa plant te blijven tot na kerstmis.

Niet alle ridders zijn trouwens aanwezig in het basiskamp. Een aantal onder hen is het moe om met de vingers te draaien en gaat op zoek naar vertier. Hier en daar een oorlogje uitvechten met de lokalen. De verveling slaat toe rond Villeneuve-la-Hardie. Gelukkig is er het werk om hout aan te brengen. De bomen in de regio worden schaarser met de dag en ze moeten steeds verder trekken om hout te vinden. Nu en dan worden ze verrast door bendes landbouwers die ze hardhandig aanpakken en ze dood en verminkt achterlaten in hun vernielde dorpen. De steden in de regio zijn trouwens niet zo gemakkelijk te plunderen als de dorpen. Guines, Ardres en Marck verdedigen zich hardnekkig.

Terwaan houdt ook nog altijd stand, met dank aan de inspanningen van bisschop Raymond Saquet. Maar de bisschopsstad verkeert in groot gevaar. Dat zijn althans de geruchten die hun gang gaan in Kales. Arnold van Audrehen is op bezoek bij zijn gouverneur. ‘Terwaan heeft dringend nood aan een honderdtal lansen. Ik stel voor dat wij die smokkelen daar naar toe.’ ‘Allemaal goed en wel’, zegt Jean de Vienne, ‘zolang je maar op de terugweg zorgt voor levensmiddelen. Alles wat de vijand niet kapotgemaakt of geplunderd heeft in de dorpen, is welkom. We zitten nu al vier maanden vast en buiten wat we sporadisch toegeleverd krijgen over zee is er hier niets.

Onze voorraden zijn onrustwekkend gezakt. Ik pieker hele nachten aan een stuk door hoe we ons hier in hemelsnaam zullen doorheen worstelen.’ Pierre van Petresse is er als de kippen bij om deel te nemen aan de militaire opdracht. ‘Heb ik niet opgevangen dat je binnenkort gaat trouwen?’ vraagt Arnold wat schertsend aan de jongeman. ‘Laat je verloofde je zomaar met mij vertrekken?’ Pierre loopt rood aan. ‘Haar vader en mijn stiefvader schuiven de trouwdatum telkens vooruit tot dat de perfecte tijd om te trouwen zal zijn aangebroken. Hopelijk zal onze koning ons komen bevrijden en zullen we pas dan in het huwelijk treden. En misschien kan ik van de gelegenheid vragen om te vragen of de bisschop ons huwelijk niet persoonlijk wil komen inzegenen!’

Pierre meent het trouwens. Wat een perfect alibi is deze trip naar Terwaan. Eindelijk even verdwijnen uit de benauwdheid van Kales. De trouwdatum wordt alsnog vastgelegd. Pierre van Petresse zal, als hij daartoe de kans krijgt, vragen of de bisschop hem en zijn Anne in de echt wil verbinden. Anne en Myrthe weten niet goed wat te denken over de nieuwe datum en het trouwfeest op zich. Hier in Kales bestaan er niet veel redenen om te feesten.

Maar ze laten Pierre zijn gang gaan. Wat kunnen ze anders? En zo is Pierre voor enkele dagen vertrokken met de expeditie naar Terwaan. In de vroegte van een koude morgen zijn ze langs de achterbuurten van Villeneuve-la-Hardie geglipt. Boven hun wapenuitrusting droegen ze witte hemden zodat de Engelsen hen niet konden opmerken in het besneeuwde landschap. Ze hebben die truuk geleerd van de jagers die op die manier de wilde ganzen in de moerassen rond Kales konden verschalken. Het idee kwam van Pierre zelf.

Eén na één lopen ze op enige afstand van elkaar weg uit Kales. Ze kijken er voorzichtig op toe dat hun wapens niet tegen elkaar klikken. Het zijn alleen de burgers van Kales zelf die de witte mensentrein zien wegglippen voorlangs het Engelse bastion. ‘Le chemin n’était pas bien long jusqu’à Thérouenne’, schrijft de Franse auteur in 1890. Mijn pc geeft aan dat het 50 km is. Een zo goed als rechte weg van Kales tot Terwaan. Door de sneeuw. Messire Arnold zet tempo bij zijn klein detachement. De bisschop is in gevaar. Uiteindelijk beklimmen ze de laatste helling die hen scheidt van Terwaan.

Op de witte vlakte die hen scheidt van hun doel, ontwaren de soldaten een processie die zich traag voortbeweegt. Met priemende ogen zoeken ze details. De soutanes van een flinke groep priesters worden zichtbaar. Ze zijn in het gezelschap van enkele gewapende burgers. En nu zien ze ook de bisschop. ‘Ze verlaten Terwaan’, roepen de soldaten in koor. ‘De poorten van Terwaan staan wagenwijd open’, wijst Arnold naar Pierre.

‘Het is misschien een ideaal moment om een aanval uit te voeren. Maar jij mag je bisschop niet uit het oog verliezen Pierre. Vooraleer we eens aan de boom gaan schudden in de stad, ga jij op zoek onze man. We hebben hem nodig in Kales. Vertel hem dat de ongelukkige en belegerde bevolking zwaar behoefte heeft aan zijn pastorale steun.’ Pierre van Petresse gaat er naar toe en slaagt in zijn opzet. De imposante bisschop begeeft zich vrijwillig naar Arnold die als in een reflex een kruisteken maakt bij het zien van diens episcopaal gewaad. ‘We zijn op weg naar de resten van een door de Engelsen verwoest kasteel waar we zullen onderhandelen met de Engelsen betreffende de overgave van Terwaan’.

‘Wij gaan nu binnen in de stad een raid uitvoeren om zoveel mogelijk inwoners te bevrijden uit de handen van de Engelsen’, bevestigt Arnold aan de geestelijken die de ruïnes van het kasteel hebben bereikt en van hier uit een mooi overzicht hebben over de stad Terwaan. Hun blinkende zwaarden verraden de witte silhouetten op weg naar de stad. De geestelijken zien geharrewar in en rond de toegangspoort.

Arnold en de zijnen glippen binnen maar kunnen onmogelijk vermoeden dat precies op dat moment een grote groep Engelse ruiters zich aanbiedt in de stad. ‘Onze kerken staan in brand’. Bisschop Raymond Saquet wijst naar de lucht boven Terwaan. De poorten van de stad openen zich. Enkele burgers verlaten de stad. Van messire Arnold en zijn team zien ze niets. De vlammen reiken ondertussen tot aan de hemel. ‘Onze kerken, onze kerken’, krijst de kapelaan. Plots horen ze het getrappel van paarden in de sneeuw.

De avond valt en werpt een sinister licht over het brandende Terwaan. Een groep Kalesaanse ruiters, onder leiding van Pierre van Petresse, is kunnen ontkomen uit de bisschopsstad. De Engelsen hadden zo hun besognes met hun plunderingen en hadden niet in de gaten dat de Fransen paarden konden buit maken en zich spoorslags een weg uit de stad konden banen. De Kalesanen zijn somber. Hun dappere kapitein Arnold van Audrehen werd gewond tijdens de militaire actie en werd gegrepen door de Engelsen.

De Fransen hebben nochtans een flink robbertje gevochten. Vooraleer de Engelsen doorhadden dat die van Kales waren binnengedrongen in de stad, waren er al een flink deel gesneuveld. Zo ook hun leider, de graaf van Southampton met wie Pierre het aan de stok kreeg. Die van Southampton moest het onderspit delven en werd gedood onder de slagen van zijn zwaard. Zijn gouden halsketting hangt nu aan de hals van Pierre. ‘Ik heb Anne de halsketting van een Engelse ridder beloofd’, denkt Pierre. ‘Belofte maakt schuld!’ ‘En straks kom ik terug naar Kales met de bisschop. Alleen spijtig dat mijn vriend Arnold er niet meer bij zal zijn.’

Het konvooi moet dringend terug naar Kales. Geen van allen hebben de voorbije dagen al eten gehad. De honger knaagt en wat ze op de plank zullen krijgen na aankomst, zal ook al niet om over naar huis te schrijven zijn. De sfeer is niet bepaald goed te noemen bij de geestelijken en bij de soldaten die nu zij aan zij en begeleid door enkele ruiters terugstappen naar de kust. Door de nevel van de avond zien ze plots een kleine groep Engelsen die een kudde koeien, varkens en schapen voor zich uit leiden. Een geschenk uit de hemel.

‘Ten aanval’, roept Pierre van Petresse. Als briesende leeuwen storten ze zich op de minderheid van Engelsen die snel en snedig worden afgeslacht door de hongerige Kalesanen. De soldaten zijn fier als pauwen met hun buitgemaakte veestapel die ze, als volleerde smokkelaars en zo stil als mogelijk in het duister van de nacht voorbij Villeneuve-la-Hardie kunnen loodsen. Als de dochters van messire Jean D’Aire de volgende morgen wakker worden, vertelt hun vader dat Pierre gezorgd heeft voor flink wat nieuwe proviand en dat hij de bisschop van Terwaan meegebracht heeft om hun huwelijk in te zegenen.

De dag van de bruiloft is aangebroken. Eindelijk. De families van Eustache van Petresse en van Jean d’Aire zijn druk in de weer. Op vraag van de bruid is er een sobere maaltijd voorzien en het zilvergeld dat ze hiermee uitsparen, zal dienen voor een avondmaal voor de armen van de stad van wie het aantal opnieuw onrustbarend aan het toenemen is. ‘Niet de schooiers die van deur naar deur gaan bedelen of zij die staan te wachten aan de kerkuitgangen in de hoop van een aalmoes te krijgen’, zegt Anne met een groot hart, ‘maar gewone mensen die van ‘s morgens tot ‘s avonds moeten werken met hun handen, of de kleine winkeliers die niets meer hebben om te verkopen.’

In de stad gonst het trouwens van de geruchten dat de koning van Frankrijk oproepingsbevelen heeft uitgestuurd naar zijn leenheren en van plan is om binnenkort zijn goede stad Kales te komen bevrijden. Een sprankel hoop in bange dagen. Anne heeft haar hemelsblauwe trouwjurk eigenhandig geborduurd en ziet er perfect stralend uit op haar grote dag. ‘Ooit zullen jullie mijn fortuin erven en zullen jullie de rijkste mensen van de stad zijn’, zegt Eustache aan Pierre. ‘Zorg er voor, zoals ik dat altijd gedaan heb, dat je het nodige doet om de mensen van Kales die in de ellende zitten, vooruit te helpen.’

Een deel van het buitgemaakte runds- en schapenvlees staat geurend klaar voor het feestmaal. Met dank aan de magistraten. De vissers van Abbeville hebben een massa verse vis binnengesmokkeld via de haven van Marant. Die wordt nu, perfect gebakken, rondgedeeld in de straten van de belegerde stad. Net zoals het gebraad dat klaar stond voor het feestmaal. Na de inzegening van het huwelijk in de kerk van Notre-Dame, gaan de genodigden allemaal aan tafel voor een karige maaltijd.

‘Het zal wel de laatste keer geweest zijn dat we vis konden binnensmokkelen in Kales’, verklaart Eustache aan tafel. ‘Onze Engelse vrienden zijn begonnen met de bouw van een fort ter hoogte van de monding van onze haven. Wees er maar zeker van dat ze onze haven nu ook in tijden van vloed zullen afsluiten. En ook rond Villeneuve-la-Hardie bouwen ze al enkele dagen mobiele houten torens. En graven ze onderaardse gangen richting Kales. Het zal moeilijk worden om nog eens uit te breken zoals jullie dat onlangs deden. We zullen nog meer de broeksriemen mogen aanhalen.’

Er valt een ongemakkelijke stilte bij de genodigden. Jacques Wissant verandert doelbewust het gespreksonderwerp. ‘Jullie zijn niet de enigen die hun kinderen uithuwelijken beste Eustache en Jean. Een van die vissers die de lading vis aan wal brachten gisteren, wist me te vertellen dat de Vlamingen hun nieuwe jonge graaf Lodewijk willen laten trouwen met de dochter van de koning van Engeland. De jongen is 16 en protesteert hevig tegen de wil van de Vlamingen. Zijn vader Lodewijk van Nevers heeft het leven gelaten tijdens de strijd van Crécy vorig jaar toen hij samen met onze Pierre en zo veel van onze stad het onderspit moesten delven tegen de Engelse overmacht.

En nu zou hij moeten trouwen met de dochter van de man die zijn vader vermoordde.’ ‘Maar ja’, gaat hij verder ‘de Vlaamse steden houden hun graaf op de meest hoffelijke manier gevangen. Ze verliezen hem geen moment uit het oog. Daar zorgen tientallen wachters en waakzame opzichters wel voor.’ Myrthe richt zich op. ‘Ik zou dan nog liever gevangen zitten tussen vier muren.’ De tafelgenoten kunnen best lachen om de naïeve uitspraak van het meisje. ‘Het is zoals ze rondbazuinen in Gent, Ieper en Brugge’, reageert messire Jean.

‘Moest zijn vader Lodewijk van Nevers zich niet zo vastgeklampt hebben aan de Fransen en zich wat meer loyaal moest getoond hebben met de Raad van Vlaanderen, zou hij nu opnieuw Rijsel, Douai, Orchies en Béthune bij Vlaanderen gevoegd hebben. En zou hij nog in leven zijn!’ De bisschop van Terwaan staat recht; ‘Moeder Maria zal ten gepaste tijde al de slechte Fransen straffen. Zij die vechten en roven en hun eigen land bezoedelen met wraak en haat.’

Anne d’Aire woont nu in het hotel van messire Eustache. Tussen de oude huishoudster Manon en Anne gaat het prima. Manon is het gewoon om de scepter te zwaaien in de keuken en in de huishouding. Maar de nieuwe dame des huizes heeft niet de minste intenties om haar taak over te nemen. En dat vindt Manon best fijn. Ze heeft Pierre, het adoptiekind van Eustache, van kinds af aan opgevoed en ze heeft altijd een grote vrijheid ondervonden in de woning van de Petresses. Anne focust zich op het hier en daar bedelen van brood aan de armen en laat de huishouding over aan de huishoudster.

Op het hoogste niveau is Edward III verre van tevreden. Het beleg blijft maar aanslepen. ‘Koppige mensen’, denkt hij. ‘We gaan de kanonnen eens moeten laten spreken’. Dagen aan een stuk vuren 20 kanonnen nu stenen kogels af in een poging om de wallen te doorbreken. Maar het resultaat is bedroevend.

Naar de buitenwereld toe geeft Kales geen krimp. Maar binnen in de stad is de ellende schrijnend. Ondanks de inspanningen en de liefdadigheid van de rijke burgers en de broeders van de kloosters, blijft de ellende in de belegerde stad zienderogen groeien. Tijdens de winter van 1346-1347 werd er zo goed als niets aangevoerd vanuit het binnenland. De voedselvoorraden in het stadhuis zakken met de dag. De porties die uitgedeeld worden aan het Wapenplein zijn petieterig geworden. De blokkade rond Kales is nu compleet.

Een Engelse vloot van 120 schepen verhindert elke toegang van over zee. Vanuit Marant en Mestriel is er een poging gekomen om de stad te bevrijden, maar de Engelsen hebben hun schepen onderschept en de bevrijding is een flop.

Hoog boven de toren van Guet hebben de Kalesanen gezien hoe de dappere kapiteins van Abbeville in de tang genomen werden door de Engelse vloot. De ijzeren ringen rond de haven van Kales bleven intact en de Engelsen hebben de Franse vloot resoluut verdreven. De enige overgebleven hoop rust nu bij Philippe van Valois. Zal hij Kales met zijn nieuw veldleger komen bevrijden?

Het arme volk van Kales heeft de limieten van het mogelijke bereikt. De mensen vragen zich af of hun koning wel beseft hoe wanhopig ze met zijn allen wel zijn. Sinds het huwelijk van Anne, is er niets meer binnengekomen in de stad. ‘Moest Philippe maar onze gezichten kunnen zien’, mijmert gouverneur Jean de Vienne. Overal waar hij kijkt, ziet hij magere lijven in fladderende en veel te grote kleren. De gouverneur kan zelf amper schrijven, maar de brief die hij door zijn klerk zal laten neerpennen, en die hij zal proberen te verzenden naar de koning, kan hij zo voor de geest halen.

Zo vaak heeft hij die in zijn gedachten geschreven en overgeschreven. Het hele schepencollege staat als een vat van emoties in een kring rond hun gouverneur en luistert verweesd naar wat ze voor een allerlaatste keer zullen toesturen naar koning Philippe van Valois. ‘ Moest u de toestand zien in de welke Kales zich bevindt Sire. Wees er maar van overtuigd dat we u willen dienen en willen eren. We zijn nog allemaal gezond maar dat zal nu niet zo lang niet meer blijven. Er is hier niets meer dan nog niet is opgegeten: de honden, de katten en de koeien.

In heel de stad is er nu geen voedsel meer te vinden. Of moeten we nu mensen beginnen op te peuzelen? Als u ons binnen de kortste tijd niet uit deze netelige positie komt redden, zullen we niet anders kunnen dan zelf uit te breken en het gevecht aan te gaan met de Engelsen.

Een confrontatie op leven en dood. Want majesteit; we zouden veel liever op een eerbare manier sterven op het slagveld dan dat wij onze medemensen zouden moeten opeten….’ De brief werd 14 dagen geleden door twee dappere zeelieden buiten gesmokkeld. Ze kozen het zeegat in de duisternis van de nacht en hoopten met hun onooglijk roeibootje door de Engelse barrière te kunnen geraken. Veertien eindeloze dagen moet dat nu al geleden zijn En sindsdien is de toestand alleen maar slechter en slechter geworden. Nergens in de straten of op de vestingen is er nog een sprietje gras te zien. Hier en daar eten de mensen ratten uit pure noodzaak. Wanhoop regeert over Kales.

De burgers zijn niet meer met mooie woorden te paaien. Het rommelt in de stad, de bewoners roeren zich en worden opstandig. Jean de Vienne en zijn bestuursteam zitten met de handen in het haar. Wat ze in Kales onmogelijk kunnen beseffen, is dat ze, vorige week al, enkele honderden meter verwijderd van de stad een vondst hebben gedaan.

Walter de Manny en de graaf van Derby maakten een wandeling op het strand. Keuvelend over de toestand in Vlaanderen en op zee. Het was een prachtige lentemorgen en de zon kwam al beloftevol haar opwachting maken, daar boven de zeespiegel. Op het strand ontdekken ze een aangespoelde bijl. Roestig en aangetast door het zout van de zee. En met een stuk doorweekt perkament gewikkeld rond de steel. Walter de Manny bekijkt het perkament zorgvuldig en met meer nieuwsgierigheid dan hem lief is. ‘Als ik me niet vergis komt die brief vanuit Kales’. Hij kan met moeite de uitgelopen zinnen ontcijferen. Binnen het uur belandt de ultieme wanhoopskreet van de stad Kales op de tafel van Edward III.

De onverbloemde waarheid ligt nu naakt en zonder franjes bij de vijand. ‘Het moment is bijna aangebroken’, fronst Edward. ‘Als ze alleen maar mensen hebben om nog op te eten, dan hebben we die Kalesanen eindelijk waar we ze willen hebben. We gaan niet veel langer wachten om de vesting aan te vallen en om ons de toegang tot Kales te verschaffen.

‘Maar eerst gaan we nog die verloving regelen van mijn dochter met de graaf van Vlaanderen. De koningin zou best terugkeren uit Engeland en mijn dochter Isabelle met zich meebrengen aar Villeneuve-la-Hardie. De Vlamingen vertellen me dat de graaf heel vervelend begint te doen omdat hij door hen gechaperonneerd wordt en haast als een gevangene wordt behandeld. Het wordt dringend tijd om die zaak af te werken. Hoe vlugger Lodewijk officieel verloofd is met onze oudste dochter Isabelle, hoe liever ik het zal hebben.’

Het contrast tussen Villeneuve-la-Hardie en Kales kan niet groter zijn. ‘Her majesty the queen is coming back to town.’ Er kondigen zich grote festiviteiten aan. De jonge prinses zal zich verloven met de graaf van Vlaanderen. Het zijn prikkelende en boeiende tijden voor al wat Engels is en zich in de houten stad ophoudt. En dat zien ze natuurlijk ook daar op de muren van Kales waar de ellende troef is. Runderen en schapen draaien aan reusachtige spitten. De geuren van vet, vlees en kruiden dringen ongegeneerd doorheen de hongerige neusgaten van de verbijsterde Kalesanen. Kan het eigenlijk nog bitterder worden?

Jean d’Aire kan best raden waarom de Engelsen daar aan de overkant aan het feesten geslagen zijn. De vlaggen van Engeland en Vlaanderen hebben de komst van de graaf van Vlaanderen verraden. Hij weet goed genoeg waarom de jonge Lodewijk naar hier op komst is. ‘Zijn vader had een groot hart voor de Franse monarchie en is gestorven op het slagveld van Crécy omdat hij niet wilde ingaan op de voorstellen van de Engelse koning.

Hoe kan zijn enige zoon in hemelsnaam nu de hand willen van de dochter van de moordenaar van zijn eigen vader?’ De jonge graaf van Vlaanderen is inderdaad op komst naar Kales. Veel bewegingsvrijheid heeft hij nog niet gekregen. De belangrijkste burgers van de Raad van Vlaanderen hebben hem naar Sint-Winoksbergen begeleid, waar het paar zich officieel zal verloven. Edward en Filippa maken hun opwachting. De Vlamingen van hun kant, hebben kosten noch moeite gespaard.

De prinses, blijkbaar een extraverte zotte doos, krijgt de prachtigste handgeknoopte tapijten en kostbare juwelen als verlovingsgeschenk. Het is prachtig om zien. Koning Edward heeft zich wat stilletjes geëxcuseerd om wat er met de vader van de jonge graaf overkomen was daar in Crécy. Hij vertelt dat ook hij triest en in rouw is geweest met het nieuws van zijn dood, maar dat hij tijdens de strijd niet eens wist dat Lodewijk van Nevers tegenover hem stond. De jonge Lodewijk van Male denkt er het zijne van. Maar het is beter om al die Engelse prietpraat en mooie woorden over zich heen te laten gaan.

Hij buigt zich galant neer voor zijn aanstaande vrouw. Tot grote tevredenheid van zijn Vlaamse raadgevers. De volgende morgen staan Lodewijk en Isabelle fit en monter klaar om zich te verloven in de kerk van Sint-Winoksbergen om daarna naar Villeneuve-la-Hardie af te reizen en de aftrap te geven voor de grote festiviteiten. De contracten en de overeenkomsten waar de Vlamingen en de Engelsen samen zo lang aan gewerkt en voorbereid hebben, worden plechtig ondertekend en verzegeld. Jacob van Artevelde zou, moest hij nog leven, een tevreden man geweest zijn.

Deze alliantie op het hoogste niveau, tussen Vlaanderen en Engeland heeft al bij al veel te lang op zich laten wachten. Lodewijk heeft zich met hand en tand verzet tegen het gearrangeerde huwelijk en de alliantie. Eindelijk lijkt hij nu bereid om toe te geven aan de verzuchtingen van de Vlamingen. ‘Me verloven met Isabelle, ja dat kan nog wel’ denkt Lodewijk. ‘Maar ze moeten niet denken dat ik zo maar ga trouwen met de dochter van mijn aartsvijand’. Het is kwestie van tijd te kunnen winnen. Hij ligt nog altijd aan de ketting bij de gouverneurs van de Vlaamse steden.

‘We zouden graag trouwen als de situatie in Kales geregeld is’, suggereert Lodewijk aan zijn toekomstige schoonvader.’ Edward kan niet anders dan het verzoek van de jonge graaf in te willigen. Dat kan geen probleem meer zijn, de sukkels zijn nu al het vel over het been. Hoe dan ook, de blijde terugkomst in Villeneuve-la-Hardie is er eentje in mineur. Lodewijk wil de inname van Kales afwachten en galoppeert vierklauwens terug naar Vlaanderen. De prinses is nu officieel verloofd met de graaf van Vlaanderen.

Maar koningin Filippa heeft zo haar bedenkingen: ‘Hij zal u nooit de dood van zijn vader vergeven. Vergeet niet dat zijn hart klopt voor Frankrijk en dat hij hier geboren en getogen is te midden van al dat blauwe leliebloed.’ Edward kijkt haar indringend aan. Misschien moet hij toch maar eens die alliantie met de Vlaamse steden herbekijken. Het voorgevoel van Filippa was niet verkeerd. De jonge graaf van Vlaanderen is nu al een maand teruggekeerd naar zijn land. De Vlamingen denken dat ze hun slag hebben thuisgehaald en laten de jongeman nu meer met rust. Op een dag roept hij één van zijn schildknapen bij zich. ‘Laat de valkeniers maar komen’, gebiedt hij, ‘we gaan eens naar de waterkant.’

Zijn entourage is blij om eindelijk eens op stap te gaan met hun jonge graaf. Sinds zijn terugkeer uit Sint-Winoksbergen is hij stil en somber. Hij koestert amper interesse voor jachtpartijen of voor muziek waar hij anders zo dol op is. Maar vandaag is hij opgewekt en vrolijk en zelfs ietwat aan de luidruchtige kant. Straks zal hij de reigers verjagen nog voor de valken hun werk kunnen doen. De graaf heeft de gewoonte om zelf de jacht te leiden. Ook vandaag galoppeert hij uitbundig voor de bende valkeniers. De watervogels vliegen verschrikt op. Een grote reiger valt dood neer. Een prachtexemplaar.

De jacht verloopt prima. ‘Waar is de graaf?’, roepen enkele schildknapen, ‘we zijn hem uit ons zicht verloren.’ Lodewijk van Male hijgt van de inspanning. Urenlang heeft zijn vlucht geduurd. Hij heeft zijn paard aangespoord en aangepord om hem binnen de kortste tijd over de grens met Frankrijk te brengen. En nu is hij eindelijk terug in Frankrijk. Hij laat zich in het gras neerploffen. Moe en bezweet na de lange rit. ‘Als mijn volk denkt dat ik ga trouwen met die Engelse trut, dan hebben ze het verkeerd voor.’ Hij staart naar de blauwe hemel. ‘Het wordt tijd dat ik de puntjes op de ‘i’ ga plaatsen in mijn graafschap.’

Een Engelse lakenhandelaar komt het nieuws van de grafelijke vlucht te weten tijdens zijn trip die hem eerst in Vlaanderen brengt en daarna in Villeneuve-la-Hardie. Als de Vlamingen zich aanbieden bij Edward en Filippa zijn die al lang op de hoogte dat hun aanstaande schoonzoon de plaat heeft gepoetst. Die van Vlaanderen weten zich geen houding aan te meten. Ze voelen zich teleurgesteld, kwaad, gegeneerd en zwaar mistevreden dat die gedroomde alliantie tussen Vlaanderen en Engeland is afgesprongen door de kwaadwil van die jonge koppige graaf. Het lijkt er op dat Edward de Vlamingen die mislukking niet te veel wil aanwrijven. De Engelsman heeft zo zijn redenen om de Vlamingen niet te veel te jennen.

De achterban van Philippe van Valois heeft verzamelen geblazen in Amiens. De Vlamingen kunnen zich nu beter concentreren op hun grenzen want de Engelsen zullen nu andere katten te geselen krijgen. De fiere Franse oriflamme is van onder het stof gehaald. Tijdens een eredienst in Parijs, smeken duizenden blootsvoetse Parijzenaars om de bevrijding van Kales. Het zal wel de wind zijn die het bericht van het nieuwe Franse leger en het nieuws van de vlucht van de graaf van Vlaanderen doet binnensijpelen in het gepijnigde Kales. Eindelijk wat hoop. Maar Jean de Vienne die samen met zijn mannen de muren van de stad verdedigt, is sceptisch. Het zal verre van gemakkelijk zijn voor de Fransen om zelfs maar in de buurt van hun stad te komen.

De honger slaat wreed en gevoelloos om zich heen. De mortaliteit van de oude mensen en van de kleine kinderen stijgt zienderogen. Bijna elk gezin krijgt te maken met de dood van geliefden. Vooral bij de mensen die het nog nooit breed hebben gehad, vallen hele bosjes slachtoffers. De kinderen die het gewoon waren om nog om wat melk te komen bedelen bij Anne, blijven weg. ‘Ze zijn allemaal dood’, zegt ze met tranen in de ogen. ‘Waarom moeten we dan nog die uitgemergelde koe laten leven’ voor die vier druppels melk die we nu toch niet meer kunnen wegschenken’, vraagt de oude Manon. ‘We hebben trouwens niks meer om het beest te voederen. Geen stro. Geen gras.

Ze moet geslacht worden en misschien kunnen we hier en daar nog wat vlees uitdelen aan de mensen die sterven van de honger en door de straten moeten dolen op zoek naar één of andere achtergebleven rat en die een stuk uit hun schoenen moeten bijten om toch maar iets binnen te hebben.’ De nood is zo extreem dat dierenhuiden nu het enig overgebleven voedsel geworden zijn voor de hongerende inwoners. De hele stad gaat bij de leerlooiers op zoek naar grote stukken huiden van varkens en koeien om die te laten koken in water om dan achteraf vertwijfeld op zoek te gaan naar achtergebleven resten van vlees.

In elk geval geen eten voor de grijsaards die het zonder tanden moeten stellen en zo een vogel voor de kat zijn. Een rat verkoopt zich voor zijn gewicht in goud. Messire Jean heeft er al verscheidene opgekocht voor tante Agnessa, de vrouw die al die jaren zo goed gezorgd heeft voor de opvoeding van Myrthe en Anne. Hier, in het huis van messire Jean, blijven ze de moed hoog houden. In de woning van Eustache is het precies andersom. Ze zijn er van overtuigd dat de overgave aan de Engelsen alleen een kwestie van tijd is en dat de Franse koning net op tijd zal zijn om zijn trouwe aanhang in Kales te redden van de ondergang. Anne zelf treurt en spendeert hele dagen in de kerk.

Myrthe kan er niet bij dat haar zus zich zo laat gaan: ‘zelfs als onze harten aan het breken zijn, moeten we blijven lachen’, zegt ze verwijtend. ‘Is het daarom dat jij de hele dag zo vrolijk bent’, reageert Anne. Ze is jaloers op de manier waarop haar zus de zorgen van zich wegjaagt. Waarom is zijzelf daartoe niet in staat? Het genadeloze beleg van de Engelsen zorgt er voor dat er voor dat niet het minste nieuws van de buitenwereld nog kan binnendringen in Kales. Het gebrek aan informatie zorgt, zonder dat de Kalesanen het zelf beseffen, voor grote neerslachtigheid. Zij die het gewoon waren om te leven tussen de vissers en de handelaars van de bloeiende haven, horen nu niets meer. ‘We sterven zowel van de verveling als van de honger’, zegt Manon triest.

Waar is de tijd dat alles hier bruiste en leefde?’ ‘Moest de wereld vergaan, we zouden het potverdorie zelfs niet weten in dit verloren gat.’ En toch slaagt een jonge visser uit Abbeville, zich voor dood houdend op een oude schuit, de Engelsen te verschalken en binnen te dringen in het haventje. Hij brengt eindelijk wat nieuws van de buitenwereld. Het eerste nieuws in één maand. Op het Wapenplein wordt hij omzwermd door de burgers. ‘De koning verzamelt zijn leger inderdaad te Amiens. Het zal in elk geval groter en krachtiger zijn dan dat bij de rampzalige veldslag te Crécy.’ De zeeman bekijkt de wanhopige levende skeletten rondom zich. De wanhoop op hun gezichten spreekt boekdelen.

Zomer in Kales. De mensen houden elkaar recht met peptalk. Verzonnen verhalen over de bevrijding die op komst is. Verhalen die ze tegen beter weten in geloven en opschroeven tot waargebeurde gebeurtenissen. Alsof de bevrijding al achter de rug is. Geen graankorrel is er nog te vinden tussen het stof van de zolders. Er wordt jacht gemaakt op de allerlaatste ratten.

Vrijdag 1 augustus 1347. De vrome dames van Kales hebben zich nog maar eens afgezonderd in de kerk waar ze bidden aan de voeten van de heer Jezus die er nog altijd onverstoord hangt aan zijn kruis. Zijn genagelde voeten op gezichtsafstand. Er is niets meer te koken of klaar te maken. De kinderen huilen van de honger. Ook de priesters zijn uitgehongerd en net zo mager als hun diepgelovige schapen. Hier aan de stenen voeten van de Heer, horen ze het gerucht: ‘de koning, de koning, onze majesteit is op komst naar de heuvel van Sangattes’. Myrthe is niet te houden en loopt de kerk buiten.

De straten vullen zich binnen de kortste tijd met druk gesticulerende mensen. Eindelijk de bevrijding. ‘De koning is nu al op Cap Blanc-Nez, nog geen 10 km van hier’. De meisjes snellen naar de versterkingen om er de mannen op de hoogte te brengen van het heuglijke nieuws. Ze willen kijken daar boven op de toren van Guet. ‘Zien ze het grote Franse leger al naderen?’

Messire Pierre van Petresse denkt er het zijne van. Hij laat Anne in de waan dat hij erg sceptisch is in verband met dat goede nieuws dat hier zomaar is komen aanwaaien. ‘De Fransen kunnen alleen maar Kales benaderen vanuit het noorden en dat zullen de Vlamingen niet zo maar laten gebeuren. Waarom zouden ze zich nu ter hoogte van Sangattes en Cap Blanc-Nez, zomaar ten zuiden van Kales bevinden?’ Daar in de verte ziet Pierre enkel de schamele tenten van een Franse wachtpost die Kales en Villeneuve-la-Hardie bespiedt.

Maar verder op de heuvelrug van Sangattes, komt er stilaan meer beweging. De belangrijkste Franse edelen en adviseurs verzamelen zich rond hun koning. Brigadiers geven er de nodige bevelen om het kamp op te trekken. De maarschalken van Beaujeu en van Saint-Venant, vergezeld door hun mannen en enkele boeren, verkennen de heuvels en blokkeren de toegang tot het kamp. Ze wachten op het echte leger dat op komst is. In de verte zien de uitgelaten Kalesanen de flikkering van zwaarden en de lansen in de zon. ‘Is dit de lang verwachte bevrijding?’

Een militie afkomstig van Doornik, 1500 gewone burgers en ambachtslieden, nadert het versterkt kasteeltje, een bouwwerk dat enkele maanden geleden uit hout en steen opgetrokken werd. Het gebouw ligt dicht bij de duinen en dient om de toegang tot de zee in de gaten te houden en te blokkeren. De Engelse boogschutters stellen zich op. Bovenop de kantelen van Kales weerklinken al vreugdekreten. De soldaten van Doornik stappen resoluut toe naar de Engelsen. De Doornikzanen zijn net als de Vlamingen gewend om veldslagen te openen als een hechte en aaneengesloten groep van manschappen. De schouder-aan-schouder-taktiek heeft al vaak vruchten opgeleverd, maar voor geoefende boogschutters zijn ze natuurlijk ideale doelwitten, waar ze naar hartenlust op kunnen schieten en waar het verlies van pijlen minimaal is.

De eerste Engelse pijlen worden gelanceerd op die van Doornik. In Kales zien ze al de eerste soldaten in bosjes neervallen voor de voeten van hun kameraden. Er moet toch wat moed voor nodig zijn om zich daar als pijlenvlees aan te bieden. Achter het voetvolk rukken de Doornikse ruiters nu op tot aan de voet van de uitkijkpost. In Kales, daar op de stadsmuren, lacht niemand meer. Voor hun ogen speelt zich een gevecht af op leven en dood.

Ondanks de pijlenregen zijn er toch mannen doorgedrongen tot aan de torengracht en wordt er nu gehakt en geslagen met pieken, lansen, zwaarden, ja zelfs met schoppen en houwelen die een aantal Doornikse smeden en timmerlieden met zich hebben meegezeuld. Koning Edward had in de verste verte niet kunnen dromen dat zijn kasteel in de duinen ooit in gevaar kon worden gebracht en had er niet de minste versterkingen voorzien. Het hulpgeroep van de Engelsen dringt door tot in Villeneuve-la-Hardie waar ze de aanval met ontzetting gadeslaan. Maar hun geschreeuw wordt met de minuut zwakker.

De Doornikzanen gaan met bruut geweld verder tot ze de poort van het kasteel driest hebben opengebroken. Wie zou die trouwens nog verdedigen? Er is niet één Engelsman die de raid heeft overleefd. De milities van Doornik hangen de vlag van hun stad triomfantelijk aan de toren. Maar erg lang kunnen ze er niet van genieten. Het laag tij zal snel aanbreken en ze krijgen het bevel van de maarschalken om zo snel mogelijk het kanaal, dat het kasteel scheidt van Villeneuve-la-Hardie, over te steken en alles te vernielen wat ze op hun weg vinden.

Onder luidruchtig gejoel van die van Kales, slaan de Doornikzanen alles wat Engels is kort en klein. In de verte, op de kleine weg die komt van Wissant, zien ze het grote leger van de koning van Frankrijk oprukken. Als de grote heren de ravage zien die de Doornikzanen hebben aangericht, zijn ze zowaar jaloers. Al die dode en afgeslachte Engelsen. De eerste slag om de bevrijding van Kales werd gewonnen door burgers. ‘Morgen is het hun beurt’, denken de baronnen.

De twee veldmaarschalken zijn sceptisch in hun advies aan Philippe van Valois. ‘Sire, we zouden u sterk afraden om de brug van Nieulay aan te vallen en ook via de moerassige strook zal je al even moeilijk doorbreken. De graaf van Derby staat er gepositioneerd met zo’n overvloed aan zwaar bewapend voetvolk en goed getrainde boogschutters. En ook via de duinen zal er geen doorkomen aan zijn, want wat verder liggen honderden schepen en boten van koning Edward, en die van Doornik hebben trouwens de houten brug vernield. Eigenlijk zien we geen manieren hoe we op een mogelijk succesvolle manier de strijd te kunnen aangaan met de Engelsen!’

De Franse koning is resoluut. De idiote en naïeve kloot. ‘We zullen onze tegenstrevers uitdagen om het gevecht aan te gaan op open terrein. Edward zal zo’n gevecht niet weigeren. Ik ken hem. Hij, ridder in hart en nieren, zal zich zeker en vast op dat veld van eer willen bewijzen.’ Zowat de hele bevolking bevindt zich bij dageraad bovenaan de versterkingen van Kales. Zullen ze vandaag de lang verwachte bevrijding meemaken? ‘D-Day avant la lettre’, maar die term zal geheel toevallig trouwens in diezelfde streek pas 600 jaar later bekend worden. De Engelsen van 1347 zitten zowat op dezelfde positie van de Duitsers in 1944.

Het is lang wachten. Het lijkt er op dat het Franse kamp nog aan het dommelen is. ‘Zal het dan toch weer niet voor vandaag zijn’, vragen de Kalesanen zich vertwijfeld af. De vrouwen zetten het opnieuw op een huilen. De zon zit al hoog aan de hemel. In de verte zien ze plots ruiters opduiken. Vier Franse baronnen die vergezeld zijn van enkele soldaten. Ze komen uit het Franse kamp van Sangattes. Ze bevinden zich nu op de wegen van Noires-Mottes op de flanken van Cap Blanc-Nez. Van daar gaat het naar de brug van Nieulay waar ze vrije doorgang krijgen van de graaf van Derby. De inwoners van Kales kijken gespannen toe hoe de delegatie nu vlak onder de muren van hun stad voorbij trekt, en Villeneuve-la-Hardie binnenstapt.

De Franse onderhandelaars houden halt bij het hotel van de koning van Engeland. Het is lang wachten daar op de stadswallen van Kales. Ik voel echt medelijden. Konden ze maar door die houten muren heen kijken die daar nu al 11 maand staan opgebouwd? ‘Wat zou monseigneur Eustache de Ribaumont, de leider van de Franse delegatie, nu aan het zeggen zijn aan Edward III? Zijn tong is net zo scherp als zijn zwaard’. ‘Sire’, zegt hij, ‘Sire, we worden naar u toe gestuurd door onze koning. Hij bevindt zich op de berg van Sangattes en wil het gevecht aangaan met uw leger maar ziet niet in hoe hij u kan bereiken.

Onze koning wil zijn goede stad Kales ontzetten uit de wurggreep die u nu al de hele tijd hebt aangehouden. Philippe van Valois vraagt uw advies. Op welke plek kunnen onze legers het best de confrontatie met elkaar aangaan?’ Koning Edward heeft goed geluisterd. Hij bekijkt de Franse onderhandelaars onbewogen toe. ‘Sukkels’, moet hij ongetwijfeld denken. Enkel een monkellachje verraadt nu en dan enige emotie. ‘Heren, als ik het goed begrijp, wil Philippe van Valois, de man die me van mijn rechtmatig erfdeel Frankrijk afhoudt, een nieuwe omgeving om te vechten? Ik heb al heel wat tijd, inspanningen en zilvergeld geïnvesteerd om meester te worden van Kales, en ik kan niet wachten om dat doel te realiseren.

Denk je nu heus dat ik het jullie nu gemakkelijk zal maken om de confrontatie aan te gaan op een open terrein naar jullie smaak en fantasie? Als jullie ons willen bekampen, zal u het zelf moeten bekijken hoe u bij ons kan geraken. Zeg dat maar aan jullie Valois dat hij de wegen moet kiezen die er voorhanden zijn.’ De Franse baronnen weten natuurlijk ook wel dat ze met een dwaze koninklijke opdracht naar Villeneuve-la-Hardie zijn gegaan. Ze hebben eigenlijk geen ander antwoord verwacht en trekken zich zonder veel verder aandringen terug uit het hotel van de Engelse koning.

Philippe van Valois is diep ontgoocheld. ‘Mijn goede stad Kales is nu definitief verloren’, roept hij vertwijfeld uit aan zijn zwijgzame edelen. De burgers op de muren van de stad kijken vol onbegrip naar wat er zich op de heuvels van Sangattes afspeelt. Ze verwachten oprukkende soldaten en schallende trompetten. Maar buiten de komst van de paus die al een tijdje logeerde in St.-Omer, gebeurt er niets. Drie eindeloze dagen gaan voorbij.

De burgers van Kales hebben honger en willen dat laten weten aan hun koning. Drie nachten na elkaar laten ze de trompetten schallen in de verlaten straten van de stad. Hulpkreten in de nacht. Op de wegen tussen Sangattes en Villeneuve-la-Hardie zien de Kalesanen enkel de witte muilezels van twee geestelijken. Een of andere bisschop en een kardinaal, die willen onderhandelen over vrede. Maar wat hebben ze daar nog aan in Kales?

Praten zal de honger niet wegnemen. Alleen de Franse zwaarden kunnen dat. ‘Waar wacht onze koning eigenlijk nog op? Hij heeft toch volk genoeg?’ Hier in de stad zijn de limieten van het haalbare al weken overschreden. Ze weten al lang zelf niet meer waar ze de moed vandaan halen om hun thuis af te houden van de Engelsen. De hoop dat ze eindelijk zouden worden gered, is als sneeuw voor de zon gesmolten. Moeten ze nu stilaan niet beginnen denken aan overgave?

‘Daar zijn ze, daar zijn ze. Ze stappen nu voor de koning’, gillen enkele kinderen. De mannen op de vestingen bekijken wat zich aan de heuvel van Sangatte aan het afspelen is. ‘Zijn dit de laatste voorbereidselen van die ultieme strijd op leven en dood?’ ‘Of niet…?’ Neen, het kan niet waar zijn. ‘Ze trekken zich terug, ze geven zich over’, roepen de wachten met overslaande stem. Het voelt aan alsof de bodem onder hun voeten wegzinkt.

De Franse koning trekt zich met zijn leger terug en levert nu zijn stad, die hem tot op het laatste moment trouw gebleven is, als een hond, over aan de wreedste revanchegevoelens van de vijand. Kales kan nu enkel nog sterven. Het klinkt nu uit alle monden: ‘ze vertrekken, ze laten ons in de steek’. Iedereen is er ziek van. ‘De koning laat ons in de steek. We zijn vervloekt!’ Jean d’Aire is er net als de anderen niet goed van. Ze staan nu helemaal alleen tegenover de Engelsen. De ultieme limieten van het geduld en de moed zijn overschreden.

En dan spreken ze nog niet over hun trouw aan de koning. Hun laatste illusie om geholpen te worden, verdwijnt ginds aan de heuvelkam, samen met de koninklijke banieren en vlaggen die wapperend uit het zicht verdwijnen. Flauw. Er is nu niks meer in de stad. Geen levensmiddelen meer voor de lichamen. Geen hoopvolle perspectieven meer voor de geesten. Gouverneur Jean de Vienne roept zijn schepencollege samen in het stadhuis. ‘Wat willen jullie van me’, vraagt hij aan de meute van burgers, die is komen afgezakt.

De raad is fel gekrompen. Net zoals in zowat alle woningen, heeft ook hier de dood fel toegeslagen. Veel oudere schepenen, wijs door de jaren ervaring en ervaren door het leven, hebben het beleg niet overleefd. Hier en daar worden ze opgevolgd door hun zonen. Waar ze het gewoon waren om uit één mond te spreken, zijn de meningen nu opvallend verdeeld bij de bestuurders van Kales.

‘Er schiet niet veel anders meer over dan ons over te leveren aan de willekeur van de koning van Engeland. Misschien zal hij ons barmhartig en met medelijden behandelen’, antwoordt Jean de Vienne in tranen. Ook hij is nog de schim van de krachtdadige man die hij ooit geweest is. ‘Ik ga mijn best doen, maar houd er rekening mee dat de Engelsen wreedaardig kunnen zijn en dat Edward al lang zit te hunkeren naar deze dag.’

Enkele raadsleden begeven zich samen met Jean de Vienne naar de kantelen van de stad. Eustache van Petresse stapt mee aan de zijde van de gouverneur. Jean d’Aire voelt zich moedeloos om deze onderhandelingen mee te maken, waarvan hij de uitkomst al bij voorbaat weet. Aan de overzijde. In Villeneuve-la-Hardie kunnen de Engelse baronnen natuurlijk wel vermoeden hoe wanhopig de mensen daar in de stad van Kales wel zullen zijn. Hier en daar duikt er zelf een zweem van sympathie en medelijden op met de bevolking die het zwaar te verduren heeft gehad. Walter de Manny is één van hen.

De vertrouweling van de Engelse koning heeft in zijn verleden meermaals het genoegen gehad om zaken te doen met de pittige Kalesanen. Samen met andere edelen, ziet hij de delegatie met Jean de Vienne op zich afkomen. De gouverneur neemt het woord. ‘Mijne heren’ zegt hij met de nodige moeite. Hij kijkt de Engelse ridders recht in de ogen. ‘We moeten er geen tekening rond maken. Onze koning was voor ons de enige redding. We beseffen nu ook wel dat zijn vertrek voor ons het einde van ons verzet betekent. U bent er in geslaagd om ons vele maanden zonder voeding te zetten. Nu zijn we uitgehongerd. U bent geslaagd in uw opzet. Eigenlijk is sterven zowat het enige dat we nu nog kunnen doen.’

‘Of misschien wil uw koning wat mededogen tonen voor ons, arme burgers, en zullen we als vrije mensen naar andere oorden mogen vertrekken? Wil u aan uw koning meedelen dat hij vrijuit kan binnen komen in Kales. De stad, de straten, de toren, de haven, de huizen en hun inboedels. Alles is nu van hem.’ Walter de Manny voelt het medelijden in zich opborrelen. Hij kijkt Jean de Vienne onbewogen aan. ‘Messire Jean, we zijn natuurlijk voor een groot deel op de hoogte van de plannen die onze koning Edward voor u in petto heeft.

U zal ongetwijfeld de stad niet mogen verlaten zoals u vraagt. Ik denk dat u zich best met zijn allen absoluut onderdanig opstelt tegenover wat hij allemaal van u zal eisen. Als hij dat wenst, zal hij u doden en terechtstellen waar en wanneer hij wil. U, Kalesanen, hebben met uw hardnekkigheid, onze koning veel last en ongemakken bezorgd. Een heel deel van zijn mensen hebben hier in Frankrijk, hebben het leven gelaten en heel het avontuur hier heeft al een bom geld gekost. U kan dus niet verwachten dat onze vorst veel medelijden zal tonen.’

Jean de Vienne leunt verder tegen de borstwering. ‘Onze ridders en schildknapen zijn de hele tijd loyaal gebleven ten opzichte van onze koning, zoals u ridders hebt gedaan voor uw koning. We hebben in eer en geweten gedaan wat we dachten van te moeten doen. Maar nu zijn we ten einde raad en durven wij uw koning om zijn medelijden te verzoeken. Wil u onze boodschap van totale onderwerping aan zijn macht overmaken?’ Walter de Manny haast zich naar zijn koning. De heer van Bassett vergezelt hem. Eigenlijk zouden ze nu blij moeten zijn. Hun doel is bereikt. Ze brengen alleen maar goed nieuws naar Edward. Maar het beeld van Jean de Vienne spookt door zijn geest. Een verwoeste verwilderde man met gebroken ogen en vermagerde handen.

De koning wacht vol ongeduld. ‘Wat hebben die van Kales gezegd?’ Walter de Manny en de heer van Bassett lezen het ongeduld in zijn zenuwachtige blikken. Ze krijgen amper de tijd om hem op een fatsoenlijke manier te groeten. Walter vertelt wat er gezegd en gevraagd werd. ‘Medelijden?’ roept Edward verbolgen uit. ‘En wat hebt u daarop geantwoord?’ Walter de Manny loopt wat rood aan. Hij voelt de priemende ogen van de koning op zich gericht. ‘Sire, in de naam van God, ik heb hen verteld dat hun leven en dood van u en van u alleen afhangt.’

Het uitgebreide gevolg van ridders en edelen mompelt instemmend als hun koning bevestigt dat hij Kales zal binnentrekken en er als opperste heer zal beschikken over die Kalesanen die hem het leven zo zuur hebben gemaakt. Het perspectief van een gegarandeerd bloedbad, kondigt zich aan. De heer van Hennuyer, een dappere ridder uit de entourage van de koning, zet een pas voorwaarts. Hij vraagt en krijgt toestemming om te spreken. ‘Sire, als we de burgers van Kales doden, kunnen we aanzienlijke problemen ondervinden in de steden van Aquitanië. Waar gaan we nog burgers vinden die vrijwillig met ons willen meewerken?

Niemand zal nog het risico willen nemen om voor ons te werken als ze in het besef leven dat ze wel eens hetzelfde lot van de mensen van Kales zullen ondergaan?’ Walter de Manny en andere ridders kunnen zich vinden in de opmerking. Edward III neemt opnieuw het woord. ‘Heren, ik wil met mijn mening niet alleen staan tegenover u allen. Messire Walter: ga naar die van Kales en vertel aan die gouverneur dat ik, koning van Frankrijk en Engeland, gratie verleen aan de burgers van de stad. Op één voorwaarde! Ik verwacht de zes belangrijkste personen van Kales hier in Villeneuve-la-Hardie.

‘Op blote voeten en met de strop rond de hals zullen ze me de sleutels van de stad en hun kasteel overhandigen. Met die zes zal ik doen wat ik ook maar wens te doen. De rest interesseert mij hoegenaamd niet meer!’ Wat een onwezenlijk tafereel speelt zich daar af op de kantelen van Kales. Gouverneur Jean de Vienne leunt tegen de stenen wallen. Met rond zich een deel burgers. De meesten zitten als lamzakken op de grond. Ze bezitten de kracht niet meer om overeind te komen. Niemand zegt een woord.

De hoofden tussen de handen. Zoals mensen die ter dood veroordeeld worden. Een aantal onder hen heeft enige sympathie waargenomen uit de lichaamstaal van die messire Walter de Manny. Maar was het niet een ingebeelde gedachte? Eustache van Petresse houdt zijn arm troostend rond de schouder van zijn geadopteerde zoon Pierre, de man die hij het liefste ziet op de hele wereld. Plots duikt Walter de Manny weer op aan de andere kant in Villeneuve-la-Hardie. Hij komt met grote halen op de delegatie van Kales toe gestapt. De Engelsman bekijkt de Fransen. Een aantal onder hen zullen in opdracht van zijn koning gedood worden.

De Manny vertelt Jean de Vienne op gedempte toon wat Edward heeft beslist. ‘Geachte heer’ zegt de gouverneur. ‘Wil u zo goed zijn om even op ons te wachten?. Ik zou de beslissing van uw koning eens willen bespreken met de gemeenschap van Kales’. ‘Dat zal ik zeker doen’, antwoordt Walter de Manny. Hij kijkt het bleke gezicht van de Kalesaan aan met een gevoel dat ergens het midden houdt tussen medelijden en bewondering. ‘Hoe zal die man nu in hemelsnaam te werk gaan om zes mensen te kiezen die nu de boter zullen mogen opeten voor alle anderen? Ik zou niet in zijn plaats willen zijn.’

Messire Jean de Vienne begeeft zich met kleine stapjes naar de marktplaats. Met achter zich de burgers die zwijgend meeheulen. Eustache houdt Pierre nog steviger vast dan daarstraks. Jean d’Aire vergezelt hen van dichtbij. De stadsklerk heeft opdracht gekregen om de grote klok te laten luiden. De menigte haast zich naar het Wapenplein. Het zijn de mannen, vrouwen en kinderen die het beleg overleefd hebben. Hun gouverneur komt aangesjokt. Uit zijn blik leren ze dat hij geen aangenaam nieuws te vertellen heeft. Myrthe en Manon zijn er ook bijgekomen.

En ook Anne, de ondertussen zwangere vrouw van Pierre van Petresse. En dan vertelt de fragiele Jean de Vienne wat de koning besloten heeft. Hij leunt op zijn stok als hij laat weten dat zes onder hen blootsvoets en met een touw rond de hals moeten worden opgeofferd aan Edward III van Engeland. In ruil voor de vrijheid van alle anderen. ‘Wat denken jullie daarvan beste mensen?’ Aan de zee speelt het hoogtij, maar het gehuil van de vrouwen overstijgt het geluid van de aanspoelende golven. De zes zullen moeten worden gekozen onder de welgestelde burgers, maar de armen en de behoeftigen treuren in hun plaats.

Ze hebben hun lot nu zo lang samen gedeeld, het is gewoon niet eerlijk voor die zes sukkelaars. Jean de Vienne kijkt rond zich. ‘Wie voelt zich geroepen?’ Eustache van Petresse maakt zich los van zijn familie en stapt naar hem toe. De hele bevolking weet dat hij de rijkste man van Kales is. En ongetwijfeld ook de meest liefdadige van allemaal. ‘Ik zou het een eer vinden om me als eerste kandidaat op te geven als ik hiermee het leven van onze dappere burgers kan redden.’ Hij is nog niet eens uitgepraat als één van de vrouwen zich aan zijn voeten werpt en de kleren en voeten van Eustache kust. Zeker vijftig andere moeders volgen haar voorbeeld.

Die man redt wel het leven van hun kinderen. De intensiteit van de emoties voelt aan alsof ze het allemaal in één of andere trance aan het beleven zijn. Jean d’Aire maakt zich zachtjes los van Myrthe. ‘Ik zal mijn vriend Eustache vergezellen’, zegt hij eenvoudig en vastberaden. ‘Ik wil mee gaan met mijn vader’, roept Myrthe, maar Pierre van Eustache valt haar in de rede.

‘Ik zou door de grond zinken van schaamte, moest ik, als burger van Kales, me zou moeten laten redden door een vrouw’. Zijn vrouw Anne geeft geen krimp. Hij kijkt haar smekend aan. ‘Ga’, zegt ze. Hij gaat resoluut naast de twee vrijwilligers staan. Messire Jean bekijkt zijn dochters Myrthe en Anne. . De ogen, de manieren van doen, de gelijkenis tussen zijn overleden vrouw en zijn dochter Myrthe is frappant. ‘Ik wil de derde zijn’, bevestigt Pierre van Petresse. ‘En het kind dat ze verwacht?’ vraagt Jean aan zijn schoonzoon. ‘Het zal altijd zijn moeder hebben’, antwoordt Pierre. Jean d’Aire dringt niet verder aan. Jacques van Wissant biedt zich aan.

Een rustige bemiddelde man en vooral graag gezien bij de mensen van Kales. ‘Met mijn ouderdom gaat er toch maar weinig verloren.’ Hij rukt zich uit de armen van zijn familie. Aymar de Ferrant en Gilles de Béthune, twee kinderloze weduwnaars, vervolledigen de delegatie van de dood. Jean de Vienne heeft zelf geen verscheurende keuze moeten maken tussen zijn stadsgenoten. Zes mensen hebben er vrijwillig voor gekozen om te dienen als martelaar voor de rest onder hen. Anne omhelst Pierre. Ze kijken elkaar aan. ‘Ik ga nog met je mee tot aan het kamp van de Engelsen.’ Pierre heeft de moed niet meer om ‘nee, doe dat niet’ te zeggen. Er valt geen tijd meer te verliezen. Op het Wapenplein trekken de zes burgers hun bovenkledij uit.

Jassen en broeken worden netjes gevouwen en haast als relikwieën op de grond gelegd. ‘Jullie zijn martelaren’, roepen de vrouwen. Er wordt gehuild en gejammerd. Daar staan ze nu. Alle zes in hun hemd. Op hun blote voeten. Blootshoofds zoals de koning het heeft geëist. Zes dikke touwen met een strop aan het uiteinde worden rond hun hals gehangen. De dikke bundels sleutels van de stad en van het kasteel worden overhandigd.

De lugubere processie zet zich op gang. Eerst door de stad en dan naar buiten, door de poorten van de stad. Het zijn de gijzelaars die hun geliefden tot kalmte moeten oproepen. We zullen ons aanbieden bij de Engelsman als waardige mensen en niet als jammerende kiekens klaar voor de slacht. Het huilen stopt. De gezichten worden stil en bedrukt. Daar gaan de helden.

Het is gouverneur Jean de Vienne die de zes gijzelaars begeleidt naar Villeneuve-la-Hardie. Hij is gezeten op een klein wit paard, het enige paard in de stad dat niet opgegeten werd. Het oude beest is al zo lang eigendom van de familie en Jean heeft nooit de moed gehad om het te laten slachten. Paard en ruiter zijn er al even slecht aan toe. Maar zonder de hulp van zijn paard, zou de gouverneur zeker zijn bestemming niet kunnen bereiken. Achter de zeven sluiten de poorten van Kales zich opnieuw. Daar staat Walter de Manny te wachten, geflankeerd door enkele van zijn ridders en schildknapen. De mannen deinzen zowaar terug bij het zien van die skelettenprocessie.

‘Messire Walter’, als kapitein en gouverneur van de stad en met de toestemming van zijn inwoners, overhandig ik u deze zes burgers die zich vrijwillig opofferen voor de redding van hun stad. Ik zweer u dat het de notabelste en meest eerbare burgers van Kales zijn. Ze dragen de sleutels van de stad en van het kasteel bij zich. Mag ik u nogmaals smeken dat deze moedige mensen niet ter dood zullen worden gebracht?’ ‘Ik weet niet wat mijn koning van plan is.’ antwoordt een onthutste Walter de Manny. ‘Ik beloof u om alles te doen wat er in mijn macht ligt.’

Jean de Vienne keert alleen terug binnen de stad waar de sfeer apathisch is. De gedachten en de mensen voelen aan als versteend. Versteend en verslagen. Honderd meter verder, in Villeneuve-la-Hardie, is de opwinding groot. ‘De gijzelaars gaan naar de koning’, wordt er door de hele houten stad heen geroepen. Koning Edward III en zijn gemalin Filippa dienen zich aan met hun meest uitgebreide gevolg. Iedereen feliciteert iedereen met de goede afloop van het beleg. Het heeft veel geduld en veel inspanningen gevergd maar Kales is nu Engels grondbezit. ‘Sire, dit zijn de zes gijzelaars zoals u gevraagd heeft.’ Walter de Manny kijkt zijn koning aan.

De koning kijkt de Kalesanen aan. En zwijgt. ‘Zou hij nu nog altijd woedend zijn op die mensen die hem gedurende elf maanden het leven zuur hebben gemaakt en zich tot het uiterste hebben verweerd?’ Walter en veel van zijn collega’s vragen het zich af. Het is koffiedik kijken hoe Edward zal reageren. De zes burgers werpen zich op hun knieën voor de voeten van het koninklijke echtpaar. Eustache neemt het woord. ‘Sire, nobele koning’, zegt hij kordaat. Er is niemand in het vertrek die zijn rustige stem niet kan horen. ‘Hier zijn we Sire. Wij zijn de rijkste burgers van Kales en we behoren tot de oudste families van de stad.

We bieden u de sleutels van de stad en van ons kasteel aan en we leggen ons lot in uw handen zodat de burgers van Kales, die zo hebben afgezien, gered kunnen worden. We hopen met hart en ziel te mogen rekenen op uw mededogen en uw nobelste medelijden.’ Zie ze daar staan in die zaal. Wapenlieden, boogschutters, kruisboogschutters, ridders, schildknapen. Er is er geen enkele die onbewogen blijft bij de woorden van Eustache van Petresse. De compassie en de bewondering voor die zes zielige mannen druipt van de muren. Is het dit allemaal waard geweest? Velen hebben de tranen in de ogen. De krop in de keel. Maar de koning zwijgt. Kan hij eigenlijk nog praten? Hij ziet er woedend uit.

En dan ontploffen Edwards woorden als een ongenadige donderslag door de zaal. ‘Laat ze alle zes onthoofden’, briest hij. Vanuit de koninklijke zaal klinkt vertwijfeling en protest. ‘Wil de majesteit geen vergeving schenken aan die sukkelaars?’ Maar de koning wil van geen lievemoederen weten. ‘Laat ze alle zes onthoofden’, herhaalt hij. De haat van de koning tegenover die van Kales zit wel erg diep. Walter de Manny kent zijn koning al lang. ‘Sire, u staat bij uw volk bekend als een man van eer.

Als u die zes eerbare mannen zo maar zal laten ombrengen zullen veel van uw onderdanen dit misschien niet begrijpen. Als u hen genade schenkt, zal uw volk u nog meer bewonderen voor uw ridderlijkheid. Als de man van eer die ze kennen.’ Koning Edward kijkt zijn vermetele rechterhand geïrriteerd in het gezicht. Hij knarsetandt zo luid dat het te horen valt in de zaal. ‘Messire Walter. Houd op met uw pleidooi en met uw insinuaties. Het zal zijn zoals ik gezegd heb. Die van Kales hebben zoveel van mijn mannen gedood en ik wil dat die zes daarvoor boeten.

Laat de beulen komen.’ Filippa bekijkt haar man wat ongemakkelijk aan en vraagt zich af of dit wel een goede beslissing is. Achteraan het vertrek is er rumoer ontstaan. Daar staan plots twee jonge en toch wel mooie vrouwen. Helemaal in het zwart gekleed en met zwarte sluiers voor de gezichten. De boogschutters maken plaats. De vrouwen komen bij de zes gijzelaars staan. Ze kijken de koningin aan. ‘Dit is mijn man’, zegt Anne smekend. ‘En dat is mijn vader’, roept Myrthe. Ze kijken in de heldere grijze ogen van die vreemde Filippa.

‘Ik ben gekomen in de naam van het kind dat we verwachten.’ Anne leest de emotie in de ogen van de koningin. Ze kijken elkaar smekend en vol begrip aan. Filippa vond die woedeaanval van haar man de koning maar niets. Ze zat er verveeld mee, maar ze was blijven zwijgen. Openlijk haar man in vraag stellen, is iets wat een koningin van haar standing niet doet. Maar voor ze het zelf beseft, zit ze op haar knieën voor Edward. Gebruik makend van de typische vrouwentrucs die mannen zo gemakkelijk kunnen ontwapenen, roept ze, ‘lieve man, lieve koning, sinds ik al bijna één jaar vertrokken ben vanuit mijn thuisland Engeland en ik me hier als een banneling gevoeld heb in Frankrijk, heb ik nooit een klacht over mijn lippen gekregen.

Ik heb u nooit iets geweigerd of gevraagd. Maar nu durf ik, in de naam van de zoon van de heilige Maagd Maria en in de naam van uw liefde voor mij, u één iets te vragen. Schenk deze zes mannen uw vergiffenis.’ Edward zegt niets. Hij bekijkt zijn liefhebbende vrouw die daar aan zijn voeten zit en die hem de voorbije oorlogen en crisissituaties altijd door dik en dun gesteund heeft. ‘Een klassemadame’ denkt hij. Filippa zit daar in tranen. ‘Hoe kan ik u dit in hemelsnaam weigeren’ zucht hij. ‘Het is dik tegen mijn zin, maar kijk. Neem ze die zes. Ze zijn van u. Doe er mee wat u denkt van te moeten doen.’ De koningin weet niet wat ze hoort. Of is het pose? Je weet wel. Ze veert in elk geval in geen tijd op uit haar nederige positie. ‘Monseigneur, dank u wel’, glimlacht ze en nog voor de koning iets kan antwoorden, staat ze al bij de zes verbaasde gijzelaars en de twee vrouwen die er bijstaan als spoken uit de bezette stad.

‘De heer, mijn koning, heeft me deze zes gijzelaars geschonken.’ Filippa kijkt Anne en Myrthe vol begrip aan. ‘Hewel, ik schenk ze op mijn beurt aan jullie beiden.’ En dan zegt ze met samenzweerderige stem. ‘Vlug, ga mee naar mijn verblijf, neem de mannen snel mee, zodat ze onder de ogen van de koning vandaan kunnen.’

De graaf van Derby bekijkt Walter de Manny. ‘Die twee vrouwen zijn precies hun engelbewaarders.’ ‘Ze mogen dan wel uitgehongerd zijn, maar het zijn nog altijd heel knappe engelbewaarders’ repliceert Walter de Manny. ‘In de naam van Onze-Lieve-Vrouw van Henegouwen, ze mogen er best wezen’. Anne en Myrthe volgen de zes mannen naar de vertrekken van de koningin waar ze eten voorgeschoteld krijgen. Hun kleren worden opgehaald zodat ze niet meer de schande hoeven te ondergaan om in hun hemd te moeten paraderen. Ondertussen maken de Kalesanen zich op voor de komst van de Engelsen. Wat moeten ze doen?

Zullen ze goed behandeld worden, zoals beloofd. Sommigen kiezen het zekere voor het onzekere en besluiten om te vertrekken. Liever dat dan met de grove borstel verjaagd te worden. Ook de zes kunnen niet meer terug naar hun thuis. Het risico om nog eens in contact te komen met de koning, is veel te groot. Ze bezitten niets meer. Gelukkig krijgen ze enkele goudstukken van Filippa. Al hun hebben en houden is door de overwinnaars aangeslagen. De huizen van de burgers worden nu Engels eigendom. Eustache en zijn vrienden worden met een speciale escorte buiten Villeneuve-la-Hardie getransporteerd. Ze kunnen nu op weg naar St.-Omer.

De angst om hun leven te verliezen, is verdwenen en ze hebben eindelijk iets tussen de kiezen gekregen. Maar de mannen voelen zich uitgeput en somber. Hun Kales is niet langer van de Fransen. De meisjes voelen de macabere gedachten van hun metgezellen tijdens de lange tocht naar St.-Omer. De weg lijkt kort, maar voor het verzwakte gezelschap is die voetreis van 40 km zowat de langste die ze ooit gedaan hebben.

Bij valavond bereiken ze de stad. De mensen van St.-Omer blijken goed op de hoogte van de tragische gebeurtenissen die de mensen hebben meegemaakt. De ontvangst is warm en de mensen tonen zich oprecht en vol begrip. Als de poorten van St.-Omer zich de volgende morgen openen, wordt de stad overspoeld door weggevluchte Kalesanen. Ongelukkig omdat ze hun woningen en hun stad hebben moeten afgeven. Verjaagd door de Engelsen. Nog dezelfde avond, gisteren, heeft Edward III zijn intrede gedaan in de veroverde stad. Hij en Filippa hebben al geslapen in het kasteel. Zijn mensen zijn op zoek geweest naar meubilair in de rijkste woningen. Het hotel van messire Eustache is verwoest door de Engelse soldaten.

Manon arriveert een weekje later in St.-Omer. Ze had het geluk om onderweg een paard te kunnen lenen. Anders zou ze nooit in St.-Omer geraakt zijn. ‘De woning van Jean d’Aire is in handen gevallen van die Engelse baron, de man die jullie opgehaald heeft.’ weet Manon te vertellen. ‘Walter de Manny is aangesteld als bevelvoerder over de stad. Jean de Vienne en zijn ridders zijn opgepakt en zullen vermoedelijk naar Engeland gestuurd worden. De gewone mensen hebben hun wapens moeten afgeven en hebben voedsel gekregen van de Engelsen.

Blijkbaar zijn er toch nog van die mannen met het hart op de juiste plaats. Maar ze hadden dat beter niet gedaan. Het voedsel zorgde voor desastreuze gevolgen. Zeker 300 mensen zijn gestorven omdat ze het voedsel veel te snel naar binnen geschrokt hebben en daardoor hun gestel, dat geen eten meer gewoon was, totaal vernield hebben’. Manon gaat verder. ‘Overal in de stad wordt nu Engels gesproken. De priester van Saint-Nicolas en twee van de broeders Franciscanen hebben toegezegd om in de stad te blijven en de Engelse nationaliteit aan te nemen.’

‘Genoeg’, roept Pierre haar toe. ‘Zie je niet dat je mijn oom ziek maakt met al dat verwarrende nieuws uit Kales?’ ‘Zouden we niet beter verder reizen naar Amiens’ stelt Jean d’Aire voor. ‘Ik heb daar gronden en huizen en we zouden er met zijn allen een nieuw leven kunnen opbouwen.’ ‘Ik wil niet weg’, zegt Eustache, ‘ik wil de gezichten van de mensen die ik ken, rond me zien. En daarbij, ik heb trouwens niets meer en al zeker geen eigendommen in Amiens.

Wat heb ik daar te zoeken?’ Diezelfde avond vertrekken Jean d’Aire en zijn dochter Myrthe naar Amiens. Op zoek naar een nieuw leven. Anne en Pierre willen voorlopig bij de uitgeputte Eustache blijven. In St.-Omer. Een maand later vallen Myrthe en Anne elkaar dolgelukkig opnieuw in de armen. ‘Waar is Eustache?’ vraagt Myrthe. ‘Mijn oom is teruggekeerd naar zijn grote liefde’, zegt Pierre met een trieste stem. ‘Ik weet niet goed wat ik ervan moet denken. Hij heeft al altijd zijn stad verkozen boven zijn land.

En nu de Engelse koning hem gevraagd had voor advies om de haven opnieuw uit te bouwen, want wat de Vlamingen aan het doen waren met de haven van Kales, was onaanvaardbaar. Eustache kon het niet langer aanzien en wil nog maar eens zijn stad redden. De Engelse koning heeft hem zijn woning terug geschonken en hem een pensioen toegezegd. Hij is terug op de plek waar hij geboren is en waar hij ook zal sterven.’ ‘Met alle respect voor mijn oom’, zegt Pierre, ‘ik zou mijn leven geven voor mijn koning, net zoals Eustache het zijne zou geven voor Kales’. ‘We moeten daar vrede mee nemen.’ Pierre en Anne houden woord. In juni 1351 overlijdt Eustache van Petresse in zijn geliefde Kales. Zijn goederen worden geschonken aan de koning van Engeland omdat zijn erfgenamen trouw willen blijven aan Frankrijk en zo verzaken aan hun rechtmatige erfenis.