Het Belle Godshuis

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       5 months ago     256 Views     Leave your thoughts  

Het hospitium van Bardonc wordt in de volksmond het ziekenhuis van de Begijnen genoemd. Het hospitaal ligt net buiten de Hangwaertpoort ten noorden van de weg naar Zonnebeke en binnen de grenzen van de parochie van Sint-Jan. Het hospitium wordt gesticht rond 1270 met de apostel Sint-Thomas als patroonheilige. Zoals de naam het verraadt, staan Jan Bardonc en zijn vrouw Folquine vermeld als oprichters. Om de nieuwe organisatie voldoende financiële ruggengraat te geven, koopt Jan Bardonc voor zijn gesticht rechten met een waarde van 45 Vlaamse ponden op gronden in de parochie van Houthem. De verkoper van dienst is ridder Henri van Zandvoorde. Er zijn wat verwikkelingen rond de overleden bastaarddochter Béatrix van Henri. Maielin, de heer van Wartembeke en zijn broer Wautier slaan de rechten aan, maar laatstgenoemde draagt die uiteindelijk in juni 1273 over aan Jan Bardonc. Hoofdleenheer Boudewijn van Komen, gevolgd door Margaretha van Constantinopel en haar zoon Gwijde van Dampierre, bevestigen de deal. Juffrouw Lisemoet Minnemans wordt aangesteld als meesteres van de Begijnen.

Het is nu kwestie van de toelating te verkrijgen om misdiensten te mogen opdragen in het ziekenhuis. Daarvoor moeten ze natuurlijk bij de proost van Sint-Maartens zijn. Er moet een kapelaan en een koster aangesteld worden en om die een fatsoenlijke vergoeding te geven moet er geld in het bakje komen. Het komt tot onderhandelingen tussen de Begijnen en de proosdij. Er moeten heel wat maatregelen genomen worden en de zaken blijven aanslepen. In zover zelfs dat Jan Bardonc en Folquine allebei sterven vooraleer er een akkoord tot stand zal komen.

Jan en Folquine zijn hun hospitium niet vergeten in hun testament. Zijn broer Lambert Bardonc wordt aangeduid aan uitvoerder van het testament. Hij krijgt de opdracht om de stichting van het hospitaal van de Begijnen te finaliseren. Lambert doet wat gevraagd werd. Op 14 juni 1277 krijgt hij de toelating van gravenzoon Gwijde om een stuk grond te verwerven.

In december koopt hij rechten in Boezinge aan Wauter van der Schaghe. Met de opbrengsten van beide transacties kan hij nu voor eeuwig en altijd gezongen missen organiseren voor de ziel van zijn overleden broer. Lambert dringt er bij de proosdij nog eens aan om de regeling van de Begijnen te finaliseren. Eindelijk, op 6 juli 1278, geeft proost Jan van Diksmuide, in naam van heel zijn klooster, de toelating dat er ten eeuwigen dagen missen mogen opgedragen in het hospitium van Bardonc.

Nu gaan we het hebben over het Belle Godshuis. Anno 2014, zal het huis functioneren als museum, maar er zal nog heel veel water door de Ieperlee moeten stromen om het zover te krijgen. In 1820, wanneer Feys en Nelis de Rubrum registers bestuderen, is het nog lang niet het geval. De schrijvers spenderen de nodige aandacht aan het Belle hospitium.

Ze vertellen dat de familieleden van de familie Belle hier hun laatste rustplaats gevonden hebben en dat de gevel met uitzicht op de Rijselstraat in 1616 gerestaureerd werd. Hier prijkt een standbeeld van de heilige Nikolaas, de patroonheilige van het gesticht. Aan zijn voeten knielen Salomon Belle en zijn vrouw Christine de Ghines.

In de 13de eeuw kunnen de schooiers en de arme mensen nog niet rekenen op enige steun van de overheid. Geen ocmw. Geen leefloon. Wie naast werk grijpt, is de pineut. Mogelijk al in 1272 sticht Salomon Belle een hospitaal, het ‘Belle Godshuys’. Hier kunnen mensen terecht die nergens anders een onderkomen vinden als ze ziek worden. Salomon is telg van een vooraanstaand Iepers geslacht. Hij is de zoon van François Belle en Clara van Maldeghem. Die laatste heeft een neef die kanunnik is in Sint-Maartens.

Maar Feys en Nelis botsen op bronnen die zich volledig tegenspreken en die de oprichting van het Godshuis plaatsen in 1276. Na de dood van Salomon. Weduwe Christine de Ghines, de schatrijke dochter van Wautier de Ghines, beslist pas dan om hun woning in de ‘Zuudstraete’ om te bouwen tot een opvangcentrum voor de behoeftige Ieperlingen. Een eresaluut aan haar overleden echtgenoot Salomon. Er worden meer dan voldoende middelen in gestopt. Op 8 augustus krijgt Christine de officiële toestemming van proost Walter.

Er komt een vaste kapelaan die dagelijks op geregelde uren missen zal opdragen in de nieuwe kapel van het hospitium. Op zon- en feestdagen mogen dat gezongen missen zijn. De geestelijke mag de sacramenten toedienen aan de verpleegkundigen en aan de zieken. In het Ieper van die dagen wordt iedereen die gezond is van lijf en leden verplicht om zich één keer per jaar bij hun parochiepriester aan te bieden om te biechten en er achteraf de communie te degusteren.

De nieuwe kapelaan van het huis van Belle moet zweren dat hij die specifieke biechtrechten van Sint-Maartens zal blijven respecteren. De priester krijgt een fatsoenlijk onderkomen en jaarlijks 15 Vlaamse ponden toegestopt. De koster krijgt 60 cent. Er komt een regeling voor de offergelden zoals dat gebruikelijk is in Ieper. Bovenaan het vierkante torentje mag een kleine klok klingelen. De proosdij engageert zich om jaarlijks, op de verjaardag van wijlen Salomon Belle, een mis op te dragen in het hoofdkoor van de kerk van Sint-Maarten.

Ze beloven aan Christine dat ook zij, na haar dood, die eer zal toegewezen krijgen. Christine de Ghines belooft de kerk een jaarlijkse vergoeding van 6 pond. Na haar dood zullen de toekomstige beheerders van het hospitaal ook op haar verjaardag telkens 3 pond betalen aan de geestelijken. Nog voor Pasen van 1277 wordt het Belle Godshuis onder de geestelijke autoriteit van het bisdom van Terwaan geplaatst.

De schepenen van Ieper worden verantwoordelijk voor alle materiële en wereldlijke aspecten van het hospitaal. Ze zullen zorg dragen voor de eigendommen en de bezittingen van het gesticht en er voor zorgen dat er altijd twee beheerders het ziekenhuis zullen uitbaten. Eén van die beheerders moet komen uit de familie van Christine. De andere moet een familielid zijn van Salomon Belle. De overeenkomst verdwijnt in de archieven, voorzien van de zegel van de bisschop van Terwaan.

Het blijft niet altijd koek en ei tussen de proosdij en de stichtster. Onder proost Nikolaas I komt het tot een aanvaring. Christine heeft grondige verbouwingen uitgevoerd in het Belle Godshuis en wil er nu een tweede kapel bouwen. Maar de kanunniken gaan niet akkoord met haar plannen. Christine richt zich nu tot Henri, de bisschop van Terwaan, die de bouw van de nieuwe kapel wel goedkeurt. Zolang hij en zijn opvolgers er maar de autoriteit over kunnen houden.

Dat is helemaal niet naar de zin van de kanunniken. Hier in Ieper kan geen kapel gebouwd worden zonder hun uitdrukkelijke toestemming! In de bisschoppelijke brieven van 27 januari en 17 maart 1282 staat te lezen dat de proosdij exact dezelfde rechten krijgt zoals die in de eerste kapel en dat de aanstelling van een tweede kapelaan op dezelfde leest dient geschoeid te zijn conform de regeling van 1276.

De brand is geblust. Christine de Ghines zal nog leven tot 8 november van het jaar 1291. Ze wordt, net zoals Salomon, begraven in haar eigen Godshuis. Met toestemming van Sint-Maartens. Hun zoon François Belle vervoegt zijn moeder in haar graf op 3 september 1299. Zijn vrouw Claire van Torhout zal volgen op 31 januari 1332. François en Claire zorgen voor een flink nageslacht. Ze krijgen 7 kinderen waaronder de illustere Lambert en Michiel Belle. Die laatste zal trouwens de vader zijn van een toekomstige kanunnik Jacques Belle (+1355).

Het conflict tussen de abdij en de aartsdiaken van Vlaanderen te Terwaan is van een heel ander kaliber. Het is de gewoonte dat de kanunniken van Sint-Maartens een bepaalde vergoeding betalen aan Terwaan voor het gebruik van de 7 parochiale kerken en van hun eigen klooster. Omdat de kerken en het klooster eigenlijk allemaal onder één gezag vallen is het altijd tot een vergoeding voor het geheel gebleven.

Het is in zekere zin een inbreng in de kosten van hun maaltijden. Van de een op de andere dag beslist aartsdiaken, meester Enguerran de Créquy, dat er een vergoeding moet betaald worden voor alle individuele kerken. Acht vergoedingen in de plaats van één enkele. Op 21 april 1273 repliceert de Ieperse abt dat in het kader van de eigendomsrechten van de proosdij en volgens de gewoonterechten, de aartsdiaken zich zal moeten tevreden blijven stellen met één enkele vergoeding.

Korte tijd later, in 1277, staat Jean de Fielfes, de ondertussen nieuw aangestelde aartsdiaken opnieuw met dezelfde eis voor de deur van het klooster. Hij brengt de zaak voor de rechtbank van Terwaan. Het blijft niet bij die ene claim. Er moeten ook boetes betaald worden voor delicten die sommige religieuzen hebben begaan en een hele hoop achterstallen van voorbije rechtzaken zijn daarnaast nog niet betaald zijn door die van Ieper.

Met een akte van 14 februari 1277 worden 3 scheidsrechters aangesteld: Odon de Neffles, kanunnik in Reims, Nicolas Mont, kanunnik en keldermeester van Sint-Maartens en Jacob van Estaples een kanunnik uit Torhout. De borgsom wordt vastgelegd op 500 Parijse ponden. De partijen beloven dat ze de uitspraak van de rechtbank zullen aanvaarden. Die valt enkele weken later en zal bekend gemaakt worden in de Sint-Elooiskerk te Parijs. Proost Walter wordt uitgenodigd om aanwezig te zijn in Parijs om het verdict te horen uitspreken.

Meester-kanunnik Jan van Roosebeke, een collega van Nicolas Mont, zal er eveneens aanwezig zijn. De rechters geven de aartsdiaken over de hele lijn gelijk. De vergoedingen en de boetes moeten allemaal betaald worden door de Ieperse kanunniken. Maar ondanks het engagement om elke mogelijke uitspraak te zullen respecteren, blijven de mannen van Sint-Maartens zich categoriek verzetten tegen de betalingen aan Terwaan. Het conflict blijft aanslepen. In zover zelfs dat proost Walter er persoonlijk het einde ervan niet meer zal van meemaken.

Tien jaar later, proost Willem II is ondertussen de nieuwe abt geworden, komt de kwestie weer aan de oppervlakte. De boetes zijn ondertussen opgelopen tot de astronomische som van 1500 pond. De aartsdiaken gaat nu een stuk verder: abt Willem II heeft zich onterecht en zonder toelating van de aartsdiaken van Terwaan aan het hoofd gesteld van de Sint-Maartensproosdij. Maar de Ieperlingen plooien niet voor de verzuchtingen van de aartsdiaken. Jacques, de bisschop van Terwaan, begint op 31 oktober 1287 aan een nieuwe bemiddelingsronde in een poging om de partijen met elkaar te verzoenen.

Misschien ligt er een oplossing door de eenmalige betalingen te vervangen door een jaarlijks te betalen rente? Uiteindelijk komt er een akkoord uit de bus. De proost en de kanunniken zullen de aartsdiaken eenmalig een som van 600 Doornikse ponden betalen. Om de twee jaar komt daar een rente van 20 Parijse ponden bij. Voor de rest vervallen alle vergoedingen die geëist werden voor toegang tot de 7 Ieperse parochiekerken. Die uitspraak lijkt het geschil effectief te hebben beëindigd. Op 21 juni 1288 overhandigt Sint-Maartens de eerste aanbetaling van 300 Doornikse ponden en 10 Parijse ponden aan Paskier, de kanunnik van Harelbeke die trouwens de broer is van de Ieperse proost. Wanneer het tweede deel betaald wordt, is niet duidelijk.

Dit is een fragment uit ‘De Rubrum Files 1255-1285’ – lees verder hier

Ook te lezen in deel 2 van ‘De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>