Het bewogen leven van Willem van Lo

Willem van Lo, kleinzoon van Robrecht de Fries speelt in 1127 een obscure rol bij de moord op de Vlaamse graaf Karel de Goede. Zijn coup om zelf de nieuwe graaf te worden gaat achteraf volledig de mist in. De illustere Ieperling laat zich daarbij kennen als een niets of niemand ontziende huurlingenleider. Na zijn verbanning uit eigen land emigreert Willem van Lo naar Engeland waar hij het schopt tot de belangrijkste adviseur van koning Stefaan en nummer twee van de natie. Hij laat daarbij een spoor van geweld achter in Engeland en Normandië.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Een van mijn favoriete onderwerpen in de ‘Kronieken van de Westhoek’ is ongetwijfeld de legendarische moord op graaf Karel de Goede. Het illustere jaar 1127. Een van de hoofdrolspelers van die dagen is daarbij de figuur van Willem van Lo. De burggraaf van Ieper. Hoewel hij officieel nooit die functie bekleed heeft als ik er de Ieperse archieven op napluis. Na de aanslag op Karel probeert Willem van Lo zich op te werpen als zijn legitieme opvolger. Zijn poging gaat de mist in wanneer uiteindelijk Dirk van de Elzas het laken naar zich toetrekt en Willem uit het beeld van de Vlaamse geschiedenis verdwijnt. Toch blijft er een waas van geheimzinnigheid rond zijn personage hangen. Wie was die Willem van Lo eigenlijk? De man intrigeert me en ik beslis om eens door te reizen naar het einde van de 11de eeuw. Mijn eigenste poging om Willem’s leven te doorgronden, te woelen en te spitten in zijn ziel.

Er zit heel wat verstopt in de voorgeschiedenis van zijn leven. De politieke gebeurtenissen in het puberende Vlaanderen. Er is in die tijd nog geen sprake van de ééngemaakte Nederlanden. Hoewel ze tussen de jaren 1071 en 1093 feitelijk bestuurd worden door Robrecht I de Fries. Willem’s grootvader. Hij doet dienst als graaf van Artesië, Holland, Vlaanderen en Zeeland en is daarbij dus de absolute ‘numero uno’ van de lage landen bij de Noordzee. Uit zijn huwelijk met Gertrude van Saksen worden vijf kinderen geboren. De oudste is een dochter. Adela wordt geboren in 1064. Een jaar later ziet zoon Robrecht II het levenslicht (1065). Daarna is het de beurt aan Filips van Lo (1067) en Ogiva van Mesen (1068). Gertrudis sluit de rij in het jaar 1080. Na de dood van Robrecht de Fries volgt Robrecht II zijn vader op als graaf van Vlaanderen, Zeeland en Artesië.

Een van mijn belangrijkste bronnen om leven en dood van Willem en zijn vader Filips te doorgronden is de studie die de gedegen historicus Ernest Warlop laat verschijnen in ‘De Leiegouw’ van 1964 en 1965. Hij weet alvast meer te vertellen over Filips van Lo. Die staat omschreven als ‘Philippi fratris Roberti iunioris Flandrie comitis’, de jongere broer van graaf Robrecht II. Troonopvolger Robrecht II krijgt drie zonen. Boudewijn (°1093), Willem (°1094) die overlijdt op zijn vijftiende en tenslotte Filips (°1095) die ook al jong sterft. Filips van Lo wordt de vader van mijn Willem van Lo die geboren wordt in 1090 en dus feitelijk de oudste kleinzoon is van graaf Robrecht de Fries.

In 1093 sterft de Fries. Robrecht II treedt als oudste zoon en gedoodverfde troonopvolger in vaders voetsporen. Filips krijgt een niet onbelangrijke troostprijs: alle rechten van de Sint-Pietersabdij van Lo, op dat moment één van de machtigste kloosters van het graafschap Vlaanderen met ontzettend veel landerijen en bezittingen. Met eigendommen tot in Engeland als ik dat mag geloven. Warlop beweert dat Filips vanaf het jaar 1087 regelmatig te vinden was aan het hof van koning Willem II van Engeland en dat hij mogelijk zijn broer Robrecht zou vergezeld hebben op de kruistochten tussen 1096 en 1100. Zijn jongere zus Ogiva mag bij de verdeling van de macht van wijlen haar vader voortaan de scepter zwaaien over de al even lucratieve abdij van Mesen.

Vader Filips van Lo sterft in 1104 na een val uit een venster. Vier jaar met gevaar voor lijf en leden vechten tegen de Saracenen om dan achteraf zomaar uit een raam te donderen. Oom Robrecht overlijdt na een bestuur van achttien jaar. In 1111. Willem van Lo is dan eenentwintig. Zijn jongere neef Boudewijn (achttien en ook wel Boudewijn met de Bijl of kortweg Hapkin genoemd) wordt de nieuwe graaf. Tot zover is er geen vuiltje aan de lucht. Tot Hapkin al na acht jaar bestuur overlijdt. Een kleine ontstekende wonde na een duel loopt fataal af. Een mogelijk gevolg van vergiftiging. De neef van Willem van Lo sterft in 1119 zonder opvolgers en heeft op dat moment evenmin levende broers. Dus moet er gekeken worden naar de bloedlijn van opa Robrecht de Fries. De keuze valt op de oudste zoon van Adela uit haar huwelijk met Knoet van Denemarken. En dat is Karel de Goede die de voorbije jaren al nauw verbonden was aan het hof van Boudewijn Hapkin. Willem van Lo, op dat moment in de fleur van zijn leven (hij is dan nog geen dertig jaar) valt daarbij uit de boot.

Die opvolging van Hapkin is toch maar een vreemde bedoening. Het zou logisch moeten zijn dat Willem als oudste zoon van Filips aan zet komt. Maar dat gebeurt niet. De titel gaat naar zijn neef Karel van Denemarken. Waarom? Zelfs na de moord op Karel de Goede in 1127 zal Willem nog een tweede keer naast de grafelijke titel grijpen. De rol die hij al dan niet speelt tijdens en na de aanslag op zijn neef kan volgens mij niet zomaar los bekeken worden van zijn eigen ambities. Hoe dan ook; vanaf 1128 neemt het leven van Willem van Lo een volledig nieuwe wending.

Tot zover mijn intro voor wat betreft de voorgeschiedenis van deze bizarre historie. Nu is het mijn beurt. Ik wil er het fijne van weten. Uit een hele reeks bronnen begin ik met de ‘Geschiedenis van Vlaenderen onder zyne Graven’. Een boek uit 1865, geschreven door baron Kervijn de Lettenhove. Daarnaast komt een boek van Robert de Beaucourt de Noortvelde uit 1904. Met als titel ‘William d’Ypres, parfois dénommé Guillaume de Loo’. Met een grote plons spring ik in het leven van mijn hoofdpersonage.

Willem van Lo is dank zij zijn huwelijk verbonden met de hertogen van Bourgondië. Volgens een Vlaamse kroniek die in 1839 verscheen in Gent zou hij zelf het kind zijn van een dame in Lo. Maar dat is larie. Hij is het resultaat van een slippertje tussen zijn vader Filips en een eenvoudige Ieperse wolkaardster en dus een bastaardzoon. Galbert die het boek schreef over de moord op zijn vriend Karel de Goede zal het denigrerend hebben over Willem de bastaard. Ik kan me perfect inbeelden dat de afkomst van zijn moeder zowat het grootste obstakel moet geweest zijn om het tot graaf van Vlaanderen te schoppen. Diezelfde wolkaardster schenkt ook het leven aan een ander kind: Theobald Sorel van Lo. Gezien de verwijzing naar Lo lijkt het er op dat Filips ook hier de vader is van de kleine en zijn Theobald Sorel en Willem van Lo vermoedelijk broers.

Ernest Warlop gaat nog een stuk verder. Hij noemt Galbert de specialist van ‘la petite histoire’. Een vuiltong. Een beetje te vergelijken met een journalist van een of ander roddelblad. Filips van Lo moet effectief een relatie gehad hebben met zijn zogenaamde ‘wolkaardster’. In een document van 1158 staat de naam van Fromold II als zijnde een broer van Willem van Lo. Mevrouw X (die van de wol) moet dus de moeder geweest zijn van Willem, Fromold II en Theobald. Het lijkt logisch dat de vader van Fromold II de Ieperse burggraaf Fromold I moet geweest zijn en dat de moeder van Willem van Lo dus in realiteit gehuwd was met de burggraaf van Ieper.

Ik duik even in mijn eigen kronieken. De abdij van de Nonnenbossen heeft zijn ontstaan te danken aan de clan van de familie Rolleghem. Stamvader Theobald is voor het leven benoemd als baljuw van Ieper maar sterft in 1070 door toedoen van gravin Richilde. Zijn weduwe Ramburga hertrouwt met de Brugse ridder Fulpold de Loppinis en het is die Fulpold die vermeld staat in de stichtingsoorkonde van het klooster van de Nonnenbossen. Ramburga en Fulpold (+1096) hebben vijf zonen: Theobald, Wulfric, Sohier, Fromold I en Adam van Passendale. Ik laat even in het midden wie van beide echtgenoten deze kinderen heeft verwekt.

In 1096 volgt Theobald zijn vader Fulpold op als burggraaf van Ieper. Zijn broer Fromold I zal hem in 1112 opvolgen. Mevrouw X, de mysterieuze moeder van Willem van Lo is dus getrouwd met Fromold I, telg van de Rolleghems. Ramburga is haar schoonmoeder en haar schoonvader Fulpold sticht het klooster van de Nonnenbossen. De Rolleghems houden er een goede relatie op na met Karel de Goede en dat laat zich opmerken in de reeks schenkingen aan de kloosters van Zonnebeke, Voormezele en Ardres, allemaal tentakels van de beduidende macht die de familie van Rolleghem bezit in heel Vlaanderen. Deze goede verstandhouding kan zeker iets te maken hebben met de gissing dat graaf Karel en Fromold een homoseksuele relatie met elkaar onderhouden. Dat beweert in elk geval toch schrijver Edward De Maerschalck. Een driehoeksrelatie tussen mevrouw X, Fromold en Karel de Goede. Geen enkele scenarioschrijver kan het zo gek bedenken.

Willem van Lo moet dus een exponent zijn van de positie die de Rolleghems bezitten in de Westhoek. Goed bevriend met de graaf die kind aan huis is, kleinzoon van Robrecht de Fries, gepokt en gemazeld in de clan van de Rolleghems met alleen maar de blinde vlek dat zijn vader Filips gevogeld heeft met de al dan niet toekomstige vrouw van Fromold I en dat hij dus een buitenechtelijk kind is. Toch wel een imagoprobleem in die tijd van strenge regels dat ‘blauwbloedkinderen’ er pas konden komen uit adellijke vaders en dito moeders. Mevrouw X komt uit een al dan niet hoog burgerlijk milieu en heeft beslist geen adellijke status.

Galbert zal na de moord op Karel van Denemarken maximaal profiteren van dat minpunt om Willem van Lo als een bastaard te profileren. Ernest Warlop twijfelt aan de zogezegde arbeidersstatus van Willems moeder. Een wolkaardster? Hoe valt dit in overeenstemming te brengen met haar waardigheid als echtgenote van de burggraaf? Het lijkt me eerder logisch dat de conceptie van Willem moet gebeurd zijn nog voor haar huwelijk met Fromold I en dat zijn halfbroers er pas achteraf gekomen zijn. Hoewel ik natuurlijk niet kan uitsluiten dat Willem van Lo gewoon een buitenechtelijk kind is.

Willem probeert het probleem van zijn officieuze moeder met de nodige zelfverzekerdheid te negeren en te minimaliseren. ‘Et alors?’ zou Mitterand gezegd hebben. Graaf Karel zorgt er voor dat hij helemaal gelegitimeerd wordt. Van Lo moet zich goed bewust zijn van zijn status als kleinzoon van Robrecht de Fries. Tijdens het bestuur van Karel de Goede, hij moet dan zelf een dertiger zijn, beschikt hij over de nodige adellijke titels en domeinen. Het is wel duidelijk dat hij zich ontpopt heeft tot een man van de wapens, een ridder in de militaire zin van het woord. De schoonheidsfout in zijn afkomst lijkt hem aanvankelijk niet te hinderen in zijn ontwikkeling. Willem’s puberjaren spelen zich af in het zog van zijn oom Robrecht, de graaf van Vlaanderen die ook wel Robrecht van Jeruzalem genoemd wordt. Daar zijn de kruistochten natuurlijk niet vreemd aan. De goede band tussen paus Calixtus II (Guido van Bourgondië) en graaf Robrecht levert voor Willem geen windeieren op.

Nu ja; een goede band is eigenlijk een understatement van mijn kant. Graaf Robrecht is getrouwd met de zus van de paus. Met Clementia een dame van de hoogste adel. Hautain en zelfbewust van haar status. Clementia heeft een boontje voor Willem van Lo en regelt het dat de jonge ridder kan trouwen met haar nicht Stephanie, de gravin van Vienne. Het koppel krijgt de burcht van Sluis als huwelijksgeschenk. Clementia is dus ook de moeder van Hapkin. Na diens voortijdige dood legt ze al haar gewicht in de schaal om de jonge ridder Willem als graaf van Vlaanderen te laten erkennen in het nadeel van Karel de Goede. Haar pogingen mislukken evenwel Achteraf mag weduwe Clementia de pot uitlikken voor haar bemoeienissen en verliest ze een flinke portie van haar weduwentoelage. Pas dan komt ze weer op goede voet te staan met de nieuwe graaf Karel.

Historicus Lettenhove weet heel wat te vertellen over die kwestie. Na de moord op zijn vader Knoet komt zijn moeder in 1086 met de zesjarige Karel naar Vlaanderen terug. De jongen wordt voortaan opgevoed aan het hof van Vlaanderen. Hij vertrekt als twintiger op kruistocht om de Saracenen te bevechten. Bij zijn terugkeer in 1108 wordt hij door zijn oom graaf Robrecht II met eerbewijzen overladen. Hij is dan achtentwintig jaar en zijn invloed groeit met de dag. Ook met de nieuwe graaf Hapkin blijven de relaties perfect. Die regelt het dat de jongeman in het huwelijk kan treden met Margaretha van Clermont. Daarbij komt het koppel in het bezit van het graafschap van Amiens. Enkele maanden voor zijn dood vertrouwt graaf Hapkin al het bestuur over Vlaanderen toe aan zijn achterneef.

Dat betekent helemaal niet dat Karel het vorstelijk gezag zomaar in zijn schoot geworpen krijgt wanneer Hapkin in 1119 overlijdt. Moeder Clementia wil dus inderdaad haar poulain Willem van Lo aan het bestuur. Ze krijgt daarbij de steun van de graven van Henegouwen, Boulogne, Saint-Pol en van Walter van Hesdin. Clementia maakt zich meester van Oudenaarde terwijl Hugo van Saint-Pol West-Vlaanderen gaat bezetten. Tot Karel van Denemarken zijn legermacht op de been krijgt en hij over zijn tegenstanders heen walst.

Willem van Lo kan niet veel anders dan zich te onderwerpen aan Karel. Clementia heeft het onderspit gedolven en verzoekt om vrede. Daarbij moet ze inderdaad een flink stuk van haar weduwengoed inleveren. Zowat één derde van Vlaanderen was haar eigendom. Ik heb het over Diksmuide, Ariën aan de Leie, Sint-Winoksbergen en Saint-Venant die ze nu allemaal op haar buik mag schrijven. Walter van Hesdin wordt van zijn landgoed weggejaagd en Hugo van Saint-Pol verliest zijn kasteel.

Karel van Denemarken is nu in het bezit van de macht. De koning van Frankrijk die aanvankelijk de kant had gekozen van Clementia geeft hem dan toch de nodige autoriteit. De nieuwe graaf regeert met het aureool van een onverschrokken krijgsman. Hij dankt dat aan zijn deelname aan de kruistochten en zijn verovering van bijvoorbeeld een stad als Chartres. Tot Karel van Denemarken zich verpopt tot Karel de Goede. ‘Hij was voortaan bezorgd om de vrede en om de nog ruwe zeden van de Vlamingen te beteugelen en te verzachten.’ Er komt een algemeen wapenverbod en wie geen vertrouwen stelt in de algemene veiligheid zal door zijn eigen wapens gestraft worden. Tijdens de hongersnood van 1126 toont hij zich oprecht bezorgd voor de inwoners en dat pleit in zijn voordeel.

Volgens kroniekschrijver Galbert blijft het verzet tegen de hervormingen van de graaf hoge toppen scheren. ‘Zo zeer de wijze mannen zijn ijver toejuichten, verdroegen de boze mensen die met evenveel ongeduld. Ze zagen dat zijn gerechtigheid het leven beschermde van de mensen die ze haatten en hun strafbare pogingen beteugelden. Ze wilden de oorlog waarbij ze hun wreedheden konden etaleren. Zolang dat niet kon zou het heil van de graaf niet met hun eigen heil overeenstemmen.’

Zoals jullie weten zal Karel de Goede vermoord worden in 1127. Ik keer nog eens terug naar de figuren die achter de bewuste aanslag zitten. Heeft Willem van Lo daar een rol bij gespeeld? Om een antwoord op die vraag te krijgen moet ik inzichten verwerven over de oppositie tegen de graaf. Het zijn vooral mannen van het Saksisch ras lees ik. Mannen die het absoluut niet gewend zijn om gedomineerd te worden door een graaf. Ze verstoten het hatelijk juk die Karel hen oplegt.

De figuren zijn bekend. Erembald, de vader van Lambert Knap en van Bertulf. Karel de Eenvoudige van Veurne die zijn diensten aanbood aan Baudrand de burggraaf van Veurne in diens strijd tegen de Duitsers. En die Baudrand achteraf tijdens een donkere nacht in de Schelde kieperde om dan doodleuk te trouwen met zijn weduwe Dedda die ook in het complot zat. Samen delen ze zijn erfenis en komen ze in het bezit van kasselrij Brugge. Achteraf zal hun zoon Disdir, met zijn bijnaam ‘Hacket’ of snoek in het Saksisch de nieuwe burggraaf worden van Brugge.

‘Bertulf nam van zijn kant een toevlucht tot de simonie om tot de waardigheid van proost van Sint-Donaas verheven te worden. De andere zonen van Erembald hadden uitgebreide landgoederen gekocht.’ Karel de Goede twijfelt aan de legitimiteit van al die aankopen en stelt een onderzoek in om te weten te komen of al die lieden effectief vrije mensen zijn of integendeel lijfeigenen zonder rechten. Bertulf en zijn bloedverwanten zullen alles in het werk stellen om de onderzoeken van de graaf te dwarsbomen.

Terwijl Karel de Goede zich mengt met een oorlog in de Auvergne profiteren de zonen van Erembald ervan om een loyale medewerker van de graaf aan te pakken. Ik heb het over de edelman Tancmaar van Straeten. Zijn landgoed wordt verwoest. Wanneer Karel terugkeert naar Rijsel hoort hij van de grote wanorde die er heerst in zijn land. Tweehonderd boeren die uit het huizen werden verjaagd wachten hem op in Ieper. Ze smeken hem om bescherming. De graaf blijft ter plekke, trommelt zijn baroenen op en roept op om de schuldigen te straffen.

Oude Ieperse kronieken (die van Boeteman) vatten de gebeurtenissen als volgt samen: ‘Anno 1127 arriveerde binnen Ieper Carolus de Goede met al zijn getrouwe raadsheren. En hij heeft alhier het kasteel in de Kortemeers van Bossaert Vanderstraeten tot assen doen verbranden.’ Op 28 februari 1127 keert Karel naar Brugge terug waar hij de volgende dag integraal besteedt om orde op zaken te stellen. Tegen de avond aan arriveren Gwijde van Steenvoorde en andere verraders aan zijn paleis in een poging om hem tot wat meer mildheid te overhalen. Maar terwijl ze van zijn duurste wijn zuipen staan hun plannen van een aanslag al vast.

Tijdens de nacht die volgt hokken ze samen in de woning van Bertulf. Die ‘ze’ zijn Gulrik de broer van Bertulf, neef Burchard, Isaak van Reninge, Willem van Wervik en Ingelram van Esen. Willem van Lo komt niet ter sprake. In mijn eigen kronieken heb ik het al vaak gehad over de moord. In zijn geschiedenis van Vlaanderen vertelt Lettenhove nog een keer het relaas van de aanslag in de Sint-Donaaskerk. Dat de bende eerst nog in het duister zit te wachten in het huis van Walter, de zoon van Lambrecht van Rodenburg waar ze bepalen wie precies de moord zal moeten uitvoeren en hoeveel hem dat zal opleveren. Karel zelf heeft al slechte voorgevoelens sinds zijn passage in Ieper. Die nacht slaapt hij weinig. De volgende morgen, tijdens het zingen van psalmen van David treft het zwaard van Burchard hem pal op zijn voorhoofd en in de arm. De zoon van Lambrecht Knap slaat een tweede keer toe. Na zijn geweldige slag dondert de ongelukkige graaf van Vlaanderen dood voor zijn voeten neer. We beleven de ochtend van 2 maart 1127.

In Brugge wordt er direct alarm geslagen. Een eerste reactie blijft uit. Wat wil je? De helft van Brugge eet uit de handen van Bertulf en heeft schrik van hem. De terreur blijft trouwens niet beperkt tot de moord op Karel. Themard, de kasteelheer van Broekburg wordt eveneens geliquideerd en dan gaat de bende op zoek naar verdere vijanden. Ze laten een bloedig spoor van geweld achter. Ze willen het paleis overrompelen, het landgoed van Tancmaar van Straeten in Varsenare verwoesten. Ze gaan op zoek naar Walter van Loker, een van de belangrijkste adviseurs van de graaf. Maar die is spoorloos. Tot ze hem snappen ergens verscholen in de Sint-Donaaskerk zelf. Ze maken de drossaard af met degensteken en knotsslagen. Het is Bertulf zelf die een einde maakt aan het geweld en de opdracht geeft om het lijk van de graaf in een lijkkleed te wikkelen en hem in een kist voor het hoog koor laat plaatsen.

De shock van de moord zorgt voor dagen van geweld waarbij de bende meer en meer geïsoleerd geraakt en uiteindelijk zowat heel Vlaanderen op zijn dak krijgt. Ik ga het er niet nogmaals over hebben. De houding van de daders wordt door Lettenhove in een scherp daglicht gesteld. Heel erg informatief vooral omdat de figuur van Willem van Lo nu wel plots ter sprake komt. Eerst zijn er natuurlijk de krokodillentranen van proost Bertulf. De vermoorde onschuld zelf. Zijn neef, de zoon van Lambert Knap die Karel de eerste slag verkocht heeft is minder sluw maar zo veel te wreder van aard. Een typische heidense Germaan van het Saksisch ras.

Terwijl Karel daar versteend in zijn lijkkist ligt bezondigen de daders zich nog altijd aan hun oude heidense praktijken die nochtans al door de katholieke kerk streng verboden werden. Ik heb het over de godslastering van de lijken der overledenen, de ‘dadsisas’, een smulfestijn bij de dode zelf. Een praktijk die al tijdens het concilie van Leptines in 743 formeel verboden werd. Hier in de kerk van Sint-Donaas blijven deze mannen van het Saksisch ras zich roekeloos verder inlaten met de ‘dadsisas’. Lettenhove omschrijft het heel kleurrijk: ‘te midden van de nachtelijke duisternis kwamen Burchard en zijn medeplichtigen zich rond de grafstede van graaf Karel neerzetten; plaatsten op zijn zerk een brood en een drinkschaal gevuld met bier die ze elkaar om de beurt aanreikten. Met deze drankoffers geloofden ze zich met de ziel van het slachtoffer te verzoenen en zichzelf te verzekeren van straffeloosheid.’

Terwijl ik even moet denken aan de katholieke rite van ‘neem en eet dit brood en drink de wijn want ze zijn het lichaam van Christus’, en dat die toch wel verdacht lijkt op wat die heren hier aan het uitspoken zijn, beseffen de verraders natuurlijk dat ze steun zullen nodig hebben om hun daden te legitimeren en hun macht over Vlaanderen nu helemaal te installeren. ‘Ze hadden al laten weten aan Willem van Lo dat ze hem het graafschap Vlaanderen in de hand zouden spelen. Boodschapper Godtschalk Tayhals heeft zich al in Brugge aangeboden bij Bertulf en Burchard met de boodschap dat Willem op komst is om hen waar nodig bij te staan. Ik vertel er nog bij dat ook Willem van Wervik in Brugge aanwezig is als koerier Tayhals het bericht komt afgeven.

Of mijn hoofdpersonage vooraf op de hoogte was van de geplande aanslag kan ik niet met zekerheid beweren. Hij is er in elk geval als de kippen bij om zijn slag te slaan en van enige afkeuring van de moord is geen sprake. Hoewel het natuurlijk wel mogelijk kan zijn dat Willem van Lo helemaal niet op de hoogte is dat zijn vrienden de moord eigenhandig hebben uitgevoerd. Iets wat me niet echt realistisch lijkt met de getuigen die er bij waren en met de bloedige nasleep die de bende zomaar in het openbaar heeft uitgevoerd. Historicus Warnkoenig schrijft in zijn geschiedenis van Ieper in 1864 trouwens dat de eerste plannen van de aanslag al beraamd werden op 22 januari 1127 en dat dit gebeurde in de kerk of de abdij van Sint-Maartens in Ieper.

Boeteman geeft in zijn ‘Ieperse Historiën’ meer details over deze samenzwering: ‘Op de 22ste januari waren binnen Ieper in het Sint-Maartens klooster op Sint-Vincentdag vergaderd de voornaamste aandrijvers van de moord op Carolus de Goede, te weten de proost Lambrecht Vanderstraeten met zijn zoon Bossaert, Isaac, hun neef Guido van Steenvoorde, Guillaume Robert, Wintry Werrijn en sommige andere brooddronken gezellen van hun geslacht die onder malkander beraamden om de graaf Carolus naar hun opzet en gelegenheid te vermoorden.’ Dat Karel de Goede zowat één maand later het kasteel in de Kortemeers van Bossaert Vanderstraeten tot assen doet verbranden toont duidelijk aan dat zijn tegenstrevers erg verbonden zijn met Ieper. De fameuze burcht aan de Kortemeers ligt trouwens in de schaduw van het Sint-Maartensklooster.

In de kroniek ‘Flandria Generosa’ over de graven van Vlaanderen staat geschreven dat Willem zich op het tijdstip van de moord en zelfs al een jaar eerder in Engeland bevindt. Hij kan dus hoogstens op de hoogte geweest zijn van het complot. Van zodra hij het nieuws van Karels dood verneemt rept hij zich in elk geval in vliegende vaart naar Vlaanderen. Hij krijgt nu eindelijk toch de kans om graaf van Vlaanderen te worden. ‘Ik zal regeren!’ roept hij uit. Zijn kansen zijn ook reëel. Zelfs de Bruggelingen schijnen hem gunstig gezind. Uiteraard op voorwaarde dat hij de gravenmoordenaars zal straffen. Iets wat niet eens in zijn brein opkomt en later een kapitale fout zal blijken te zijn.

Van straffen is er geen sprake. Integendeel. Het boterbriefje dat Tayhals aflevert in Brugge laat niet veel aan onduidelijkheid over: ‘Mijn meester en uw boezemvriend Willem van Lo groet u en verzekert u van zijn vriendschap. Weet dat hij, zoveel hij maar kan, zich zal haasten om u te helpen en te ondersteunen.’ Wie schrijft dergelijke zaken aan figuren die net de graaf van Vlaanderen hebben opgeruimd? Begin maart is het door de traditionele jaarmarkt heel druk in Ieper. Een bont pluimage van binnen- en buitenlandse kooplieden slijt er zijn waren. Die foor is al aan de gang sinds 22 februari. Het bulkt er van de handelaars uit de omringende landen. Er zitten zelfs commerçanten bij van Lombardije aan wie de graaf nog onlangs een zeldzame zilveren beker voor de prijs van 21 mark heeft aangekocht.

Wanneer het nieuws van de aanslag op Karel in Ieper bekend raakt kiezen veel van de handelaars ervoor om Vlaanderen onmiddellijk te verlaten. Het is hier niet langer veilig. Hun vertrek kan ik eerder omschrijven als een vlucht. Dat holderdebolder terugtrekken heeft ook veel te maken met Willem van Lo. Bertulf heeft hem vanuit Brugge het advies gegeven om van de jaarmarkt te profiteren om zich in zijn thuisplaats alvast te laten uitroepen tot nieuwe graaf van Vlaanderen. De proost heeft zijn achterban, de ‘Kerels’ van Veurne en die van de gilden aan de zeekant opgeroepen om naar Ieper af te zakken om er de claim van Willem van Lo te ondersteunen. Het kan maar zo duidelijk zijn dat de sterke man van Ieper een gooi naar de macht doet. De snelheid van uitvoering en de haast van zijn vriendjes geven zonder meer een zure nasmaak dat de liquidatie en de opvolging zorgvuldig werden gepland in medeweten met de Kerels en die van Willem van Lo.

Ernest Warlop trekt in 1964 dezelfde conclusie als ikzelf: ‘met uitzondering van de streek van Broekburg stond dus heel het kustland onder controle van Willem van Lo, de Erembalden en hun verwanten. Blijkbaar beantwoordde dit alles aan een vooraf uitgestippeld plan. Op 6 maart, de dag waarop de Erembalden Willem van Lo als graaf erkenden, had proost Bertulf aan Robrecht van Crecques die met zijn nicht gehuwd was, opdracht gegeven zijn woning te versterken, in afwachting dat Willem het graafschap definitief in handen zou hebben. Het plan was duidelijk. Zoals zijn grootvader Robrecht de Fries dat ooit gedaan had zou Willem, steunend op de kustkasselrijen Vlaanderen proberen te veroveren.’

Warlop eindigt deze volzin met een veelbetekenende ‘Maar….’. De kat springt inderdaad op de koord. In Brugge komt de reactie eindelijk los. De achterban van Karel de Goede die aanvankelijk als verstijfd reageert op de aanslag komt pas nu echt goed tot het besef wat er allemaal gebeurd is. De meeste edelen van Vlaanderen distantiëren zich van de Erembalden. Dat gebeurt onder druk van de katholieke beau monde. Een moord in de voornaamste kerk van Brugge en dat in het besef dat Karels schoonbroer nota bene bisschop Simon van Noyon is. Die catalogeert wat gebeurd is als zuivere heiligschennis en hij zorgt ervoor dat de banvloek wordt uitgesproken over allen die meegewerkt hebben aan deze verschrikkelijke misdaad.

Gervaas van Praet is de gewezen kamerheer van de graaf. Hij neemt als eerste het initiatief om de confrontatie aan te gaan met de Erembalden. Rond de burcht en de kerk van Brugge leven de Bruggelingen in een vrij open buitengebied, de voorgeborchten. Bertulf heeft de opdracht gegeven om rond die voorgeborchten een omheining te bouwen. Het is aan die verschansingen dat van Praet zich op de avond van 9 maart met een groep gewapende mannen aanbiedt. De inwoners openen de poorten van de Zandberg zodat de samenzweerders zich nog moeten reppen om zich tijdig in veiligheid te brengen achter de gesloten poorten van de Burg.

Op 10 maart begint de belegering. Gervaas van Praet krijgt versterking van Zeger van Gent, Ivan van Aalst, Daniël van Dendermonde en Ghelein van Bouchaute. Een dag later verschijnen ook Dirk van Diksmuide, Richard van Woumen en Walter van Lillers, de gewezen keldermeester van de graaf. Drie dagen later komt er een leger van Gent. De Gentenaars zijn niet echt geïnteresseerd in de afrekening met Burchard maar hebben hun ogen laten vallen op de vermaarde relikwieën die zich in de kerk van Sint-Donaas bevinden. Ze beweren in elk geval van erg bedreven te zijn in de belegeringskunst. Hun boogschutters en werklieden sleuren in elk geval een groot aantal wagens met indrukwekkende stormladders met zich mee.

Proost Bertulf zit met een geweldig ei in zijn gat bij het zien van die massa belegeraars. De ooit zo hautaine man stelt zich nu plots op als bibberende sukkelaar die niet kan spreken van de schrik. Zijn broer, kasteelheer Hacket doet het dan maar in zijn plaats. Bovenaan de muren smeekt hij om begrip. Ze betreuren de dood van de arme graaf en zullen de schuldigen straffen. Wat kunnen zij er aan doen dat hun neven die moord hebben gepleegd? Ze zijn zelfs bereid om die aan het gerecht uit te leveren. Zo kunnen de daders voor eeuwig verbannen worden zodat ze tijd genoeg krijgen om zich met God te verzoenen. En patati en patata. Hun oproep botst op onbegrip bij de belegeraars. Ze moeten niet rekenen op enige verzoening of medelijden.

Tijdens de volgende nacht slagen twee mannen er in om weg te glippen uit de Burg. Bertulf zelf die vlucht naar het landgoed van Burchard in Keiem. De tweede is kasteelheer Hacket in hoogsteigen persoon. De belegering zal nog weken aanslepen. De kerk van Sint-Donaas verandert stilaan in een puinhoop. Een vuile boel. Een schandelijke heiligschennis beweert Lettenhove. De kanunniken staan er bij met betraande ogen. Modderplassen, vuilnis, ovens en keukens te midden van scheldpartijen van oneerlijke vrouwmensen. En dat allemaal terwijl het graf van de overleden graaf nog open staat. Karel is er alleen achtergebleven met zijn moordenaars.

De belegering loopt niet van een leien dakje. Tussen de Gentenaars en de Bruggelingen ontstaan er grote meningsverschillen en het ziet er op een bepaald moment zelfs naar uit dat ze het onderling zullen gaan uitvechten. Door die onenigheid slagen de belegerden in de Burg erin om zich van daar uit de voeten te maken en zich te verschansen in de bovenste gaanderijen van de kerk en de toren. Maar hoe gaat het ondertussen met Willem van Lo? Waar hangt die uit? Schrijver Lettenhove blikt nog even terug op de eerste dag van de belegering. De zelfverklaarde graaf twijfelt en brengt daarmee zijn fortuin in gevaar lees ik enigszins verbaasd.

Terwijl heel Vlaanderen zich wapent onderneemt mijn hoofdpersonage niets. Wat moet hij doen? Als afstammeling van de graven van Vlaanderen zou hij zich moeten wreken op de moordenaars van de graaf. Maar zijn moeder is van Saksische oorsprong, afkomstig van de kanten van de Ijzer, dus zou hij zijn Saksische vrienden ter hulp moeten snellen. In beide gevallen zou hij het verschil kunnen maken om achteraf dan het graafschap Vlaanderen in zijn schoot geworpen te krijgen. Ofwel van Burchard ofwel van Gervaas van Praet. ‘Willem van Lo twijfelde tussen zijn naberouw en zijn gezworen eden en hij vertoonde zich nergens.’ Pas op 16 maart komt hij uit zijn pijp. Hij stuurt Boudewijn van Zomergem naar Brugge om daar doodleuk te gaan beweren dat hij door de koning van Frankrijk verheven werd tot graaf van Vlaanderen. Een goedkope doorzichtige leugen waardoor van Lo meteen al zijn credibiliteit verliest.

Er mengt zich nog een andere partij in de strijd. Petronella van Saksen, een aangetrouwde achternicht en weduwe van Floris de graaf van Holland zakt af naar Brugge. Haar zoon Dirk VI van Holland zou een prima kandidaat zijn om Karel de Goede op te volgen. Ze heeft enkele geschenken bij om de Vlaamse baroenen gunstig te stellen en die verkiezen deze Dirk in elk geval boven de figuur van Willem van Lo. ‘Ze wisten wel dat hij niet vreemd was aan de samenzwering tegen Karel van Denemarken’. Blijkbaar is Willem van Lo niet zomaar van één leugentje dood want hij lanceert al direct een straffere. Hij geeft opdracht aan Ieperling Walter Crawel om in Brugge te gaan vertellen dat hij de financiële en militaire steun heeft gekregen van de koning van Engeland. Driehonderd gewapende mannen en aanzienlijke geldsommen om precies te zijn. ‘Maar men zag in deze bewering slechts een nieuwe leugen en het goud dat hij bezat had hij precies van de verraders gekregen’.

Tussen Frankrijk en Engeland botert het niet. De strijd om de opvolging van Karel de Goede in Vlaanderen woedt ondertussen tot op de hoogste niveaus in beide landen. De koning van Frankrijk heeft zo zijn eigen plannen met zijn leengebieden. Lodewijk neemt het Willem van Lo erg kwalijk dat hij zomaar zichzelf tot graaf heeft uitgeroepen zonder de koninklijke goedkeuring hiervoor af te wachten. Hij heeft niet eens de moeite genomen om het hem te vragen. De Franse koning denkt in eerste instantie aan de Fransman Willem Clito als nieuwe graaf van Vlaanderen. In Engeland zien ze die keuze helemaal niet zitten. ‘King’ Hendrik en zijn neef Willem Clito zijn gezworen vijanden van elkaar. Dat zal wel de grootste reden zijn waarom de Engelse koning de Normandiër wil beletten om de macht te grijpen in Vlaanderen. Ze stammen allebei af van Willem de Veroveraar. Hendrik is zijn zoon en Clito zijn kleinzoon. In 1006 heeft Hendrik Clito’s vader, zijn eigen broer dus, gevangen genomen en het hertogdom Normandië aan de Engelse kroon toegevoegd.

Koning Hendrik I van Engeland ziet veel liever Willem van Lo als opvolger van Karel de Goede. Hij stuurt zijn neef Stefaan (die later zelf koning zal worden) naar Vlaanderen om er de lokale adel onder druk te zetten. Willem van Lo ziet dat graag gebeuren en koppelt zijn wagentje aan de Engelse coalitie waarbij ook de graven van Boulogne en Henegouwen, de hertog van Brabant en de heer van Coucy zich aansluiten. Willem van Lo zal op 24 maart 1127 beweren dat hij de steun heeft van driehonderd mannen, een strijdkracht van Engelse soldaten. Voor wat betreft de financiering van zijn leger liet hij aanvankelijk in het midden of Bertulf hem al dan niet 500 Engelse ponden overhandigd had. Geld dat gestolen werd uit de persoonlijke bezittingen van Karel de Goede. Terwijl Willem van Lo nu een week later doodleuk pretendeert dat dit bedrag geschonken werd door de Engelse koning om hier orde op zaken te komen stellen. De soldaten waarvan sprake blijken achteraf trouwens ook geen Engelsen maar huursoldaten die geronseld werden met het geld van de vermoorde Karel.

Van Praet en zijn manschappen veroveren de Burg op 19 maart. Willem van Lo beseft pas dan dat hij moet oppassen met zijn verschoning voor Bertulf en de zijnen. Dat is sowieso een verloren zaak. Hij moet zich van hen distantiëren. Zo niet dreigen ze hem in hun val mee te sleuren. Van Lo keert zich nu zonder scrupules tegen zijn vroegere vrienden. Isaak van Reninge is op de vlucht geslagen naar Terwaan en houdt zich schuil in het Sint-Jansklooster. Willem laat hem daar oppakken en naar Arques voeren waar hij in aanwezigheid van het volk aan de galg wordt opgehangen. De terechtstelling vindt al plaats op 20 maart. Willem van Lo claimt dat hij als graaf van Vlaanderen de bevoegdheid heeft om recht te spreken over Vlaanderen en voegt met de executie van Isaak van Reninge dan ook de daad bij het woord.

Diezelfde dag krijgen ze in Brugge een brief van de Franse koning Lodewijk VI. Die is verwikkeld in een oorlog met zijn Engelse confrater Hendrik I en bang dat die wel eens zou kunnen profiteren van de verdeeldheid in Vlaanderen om het gebied los te weken van de Franse monarchie. Hij heeft het hier natuurlijk over de driehonderd huursoldaten die zich vermoedelijk in Ieper bevinden. Hulp kan hij zelf voor het moment niet direct bieden, te weinig gewapende lieden ter beschikking beweert hij. Hij laat zich in zijn schrijven laatdunkend uit over de figuur van Willem van Lo. Met zijn duistere afkomst is die niet in een positie om het leiderschap over Vlaanderen te claimen. Lodewijk nodigt zijn leenmannen uit om in gemeenschappelijk overleg een keuze te maken van een vorst die het waard is om het graafschap besturen. Er zal een algemene vergadering doorgaan in Atrecht waarbij hun aanwezigheid erg gewenst wordt.

De 20ste maart is een zondag en na de verovering van de Burg hadden ze de aanval op de kerk van Sint-Donaas even on hold gezet. De brief van de Franse koning zorgt voor nieuwe energie. Van Praet stuwt zijn mannen vooruit om de belegering nog diezelfde dag te hervatten. Er moet trouwens absoluut vermeden worden dat het lijk van Karel de Goede in de handen van de Gentenaars zou vallen. Gelijktijdig met de brief vanuit Frankrijk is er nog meer post die dag. Brieven van Dirk van de Elzas. Als kleinzoon van Robrecht de Fries vindt hij zichzelf de logische opvolger van de vermoorde graaf. Dirk (Diederik) van de Elzas is de zoon van Gertrudis, de jongste dochter van Robrecht de Fries.

Er moet zich ongetwijfeld een dilemma stellen voor de Vlaamse ridders daar in Brugge. De koning van Frankrijk is op komst met zijn leger. Dirk van de Elzas is nog in geen velden te bekennen. Vlaanderen is hoe je het ook draait of keert een Frans leengebied en daarom besluiten ze om in te gaan op het voorstel van Lodewijk VI en afgevaardigden naar Atrecht te sturen. De Bruggelingen staan ook achter die keuze. Vooral omdat de Fransman aangegeven heeft dat de keuze van de nieuwe graaf door het Vlaamse volk zal kunnen gemaakt worden. Een week later gaat er een meeting door op het plein van de Zandberg. Samen met de afgevaardigden van de andere burchten. Keurman Florbert spreekt er een algemene voorkeur uit voor een graaf die de rechten van het volk zal verdedigen en de weg van de gerechtigheid zal volgen.

Drie dagen later, het zal dan al 30 maart 1127 zijn, arriveren de ridders van hun staatsvergadering in Atrecht. Walter van Lillers leest één en ander voor. Onder andere de boodschap dat het leger van de Fransen zich al op Vlaams grondgebied bevindt om de daders van de moord op Karel te straffen. En dat de Franse baroenen hun keuze hebben gemaakt. De nieuwe graaf wordt een jeugdige prins die jarenlang een medewerker is geweest van Hapkin. Willem Clito of van Normandië met zijn bijnaam ‘Langzwaard’. De nieuwe is de zoon van hertog Robrecht van Normandië en de kleinzoon van Mathilde van Vlaanderen, ooit nog koningin van Engeland en zelf de dochter van graaf Boudewijn V. Pikant detail: Clito is de schoonbroer van de Franse koning. In Arras of Atrecht werd ook beslist dat al de eigendommen van de Erembalden zullen worden aangeslagen. Over Willem van Lo wordt er met geen woord gerept. Voor de Ieperling betekent de Franse beslissing in elk geval een lelijke streep door zijn rekening.

‘Ja maar ja’, reageren de Bruggelingen verbolgen op wat Walter van Lillers voorleest. ‘Zo niet hé! De koning had ons beloofd dat de nieuwe graaf zou mogen gekozen worden door het Vlaamse volk en nu blijken de Franse baroenen dat plots anders te zien!’ Het is zoals Lettenhove schrijft: ‘het gevoel van nationaal recht was diep gekwetst bij de burgers.’ Na een week van vergaderen en protest komen de Vlamingen tot de vaststelling dat er niet veel anders op zit dan voorzichtig ‘ja’ te knikken tegen de koning van Frankrijk en tegen Willem van Normandië. De nieuwe graaf en de koning zijn dan al doorgedrongen tot in Deinze. In het gezelschap van een Frans leger. Op 5 april staan ze al in de voorgeborchten van Brugge. Voorafgegaan door de kanunniken van Sint-Donaas en omringd door een koninklijke praalstoet.

Op 6 april leggen Lodewijk en Clito hun eed af op het plein van de Zandberg. Slim zijn ze wel. Ze beloven plechtig dat de Bruggelingen hun privileges en stedelijke rechten voor eeuwig zullen mogen blijven houden. De oude leenmannen van Karel de Goede leggen nu hun handen en hun lot in die van graaf Clito. Ook in Sint-Omer volgt een gelijkaardige eedaflegging. Willem van Lo is niet van de partij. Hij weigert om zijn eed af te leggen. Er vindt een onderhoud plaats tussen koning Lodewijk en Willem van Lo. Die gaat door in het kasteel van Wijnendale waar er vredesvoorwaarden op tafel gelegd worden. Lodewijk haalt alles uit de kast om zijn schoonbroer in het zadel te helpen en de Ieperling ervan te overtuigen aan diens zijde te komen staan. Willem van Lo toont zich tijdens de meeting onverzettelijk en blijft bij zijn aanspraken om zelf graaf te worden. Hij toont alleen maar misprijzen voor zijn rivaal Clito. Zijn voornaamste alibi bestaat er in dat hij de schuldigen van de moord absoluut eigenhandig wil straffen. Een tsjeef kan er nog iets van leren.

De Engelse coalitie wordt actief begin april 1127. De graaf van Henegouwen neemt het voortouw. Boudewijn van Henegouwen, een rechtstreekse afstammeling van Hapkin. De Waal valt Oudenaarde binnen waar hij brand sticht en daarna richt hij heel wat verwoestingen aan in de regio van Aalst. Ninove valt op 17 april. De reactie van Clito zal niet lang uitblijven.

Na zijn ontmoeting in Wijnendale keert de zelfverklaarde graaf Willem van Lo terug naar de Westhoek. Waar hij verder gaat met de afrekening. ‘Zo wilde hij, nadat hij Isaak van Reninge gekastijd had, nu eveneens proost Bertulf straffen. Die had zich eerst in Veurne verborgen en was daarna ontdekt in Waasten waar Willem van Lo hem ging opzoeken. Bertulf stapte voor hem uit. Met gekwetste en bloedende voeten, neergeslagen ogen. Terwijl de man met luide stem gebeden en lofzangen bazelde te midden van de spot en de hoon van het volk. Op de grote markt te Ieper had men een galg opgericht. In de vorm van een kruis. Bertulf werd er opgehangen aan zijn hoofd en handen waarbij hij amper steun vond voor zijn voeten.’

Lettenhove gaat verder met zijn verslag. ‘Volgens de gebruiken die toen werden toegepast bij verraders deponeerde men een uitgehongerde hond naast de terdoodveroordeelde. Die beet hem in zijn vlees. Het volk trakteerde de proost met een hageljacht van stenen. Tot plots een diepe stilte ontstond. Willem van Lo naderde de galg. Hij sprak tot de lijdende Bertulf en vroeg hem wie er nog had deelgenomen aan de lynchpartij op de graaf. De proost beet hem toe dat Willem dat even goed wist als hijzelf. Bij deze woorden deed de zelfverklaarde burggraaf van Ieper, door woede vervoerd het lichaam van de rampzalige proost van Sint-Donaas met ijzeren haken vaneen scheuren. Een wrede pijniging die hem overleverde aan de duisternis van de dood.’

Willem van Lo out zich bij deze scene als een cynische en hoogst ondankbare partner. Zijn kastelen en zijn gezag in Veurne, Sint-Winoksbergen en Cassel heeft hij te danken aan Bertulf. En nu hij de proost niet meer nodig heeft laat hij de man op bloeddorstige wijze executeren. De dood van Bertulf raakt bekend bij zijn vrienden die nog altijd belegerd zitten in de kerk van Sint-Donaas. Terwijl de stormrammen ongenadig beuken op de muren verliezen ze de moed. Ze moeten hier niet meer rekenen op de beloofde steun van de Vlaamse opperhoofden. Het leger van de koning van Frankrijk moeit zich al twee weken met de belegering wanneer de weerstand uiteindelijk breekt en ze zich overgeven.

‘Ze waren nog maar met zijn twintig. Allen bleek en mager. Uitgeput door de vermoeidheid. Op hun loodkleurige gezichten stonden de zegels van het verraad. Hun aanvoerder was Wulfric Knop. Tussen de diepbewogen burgers van Brugge in werden de mannen naar een zo enge gevangenis gebracht waar ze zich niet eens konden neerzetten. Een verstikkende en bedorven hitte kwelde hen in de duisternis van hun cellen en vermeerderde de gruwelijkheid van hun angst en smarten. Deze opsluiting die bijna zo erg was als de feitelijke doodstraf duurde vijftien dagen.’ Ook de andere medeplichtigen krijgen hun straffen. Burkhard wordt geradbraakt in Rijsel. Lambrecht Knap bezwijkt onder de pijnigingen in Brugge. Net zoals Ingelram van Esen en Willem van Wervik. Gewijde van Steenvoorde wordt na een tweegevecht zwaargewond aan de galg opgehangen en ondergaat een identieke exit als proost Bertulf.

De reactie op de aanval van de Engelse coalitie daar in Oudenaarde, Aalst en Ninove blijft niet zonder gevolgen. Een frontale aanval op Willem van Lo staat nu als eerste op het programma. Na de opkuis aan de Burg in Brugge, twee weken na de dood van Bertulf doemt het leger van de Franse koning en Willem Clito nu plots op aan de vestingmuren van Ieper. Er is sprake van 450 soldaten die zich daar op 26 april 1127 manifesteren.

De stad Ieper is op dat moment in de tijd nog niet uitgegroeid tot één aaneengesloten centrum en bestaat uit twee woongemeenschappen. Die van Sint-Pieters met de voorloper van het Zaalhof en de kern rond de Sint-Maartenskerk en de oude in brand gestoken burcht aan de Meers. Pas later zullen die twee door aarden wallen omringde centra via de Zuidstraat met elkaar samensmelten. Volgens Antonius Sanderus heeft de stad een ronde gedaante en is ze versierd met drie torens. Willem van Lo staat nog altijd vrij sterk in zijn schoenen te Sint-Pieters terwijl de rest van de Ieperlingen toch maar hun bedenkingen hebben over de aanpak van hun meester.

Zijn houding tegenover de Erembalden moet veel Vlamingen hebben doen twijfelen aan zijn integriteit. Aanvankelijk genoot hij van hun steun. Want de kerels van de kust zouden grote voordelen kunnen doen indien Willem effectief de nieuwe graaf zou worden. De terechtstelling van proost Bertulf en die van Isaak van Reninge doet de sympathie voor de Ieperling wegsmelten als sneeuw voor de zon. Het scenario dat ik in de geschiedenisboeken lees lijkt me dan ook volstrekt plausibel: ‘Willem van Lo wilde uitrukken aan het hoofd van drie benden gewapende strijders – zijn driehonderd huurlingen – en viel het Franse leger op de hals. Maar de burgers van Sint-Maarten hadden hun poorten al geopend en zo viel Willem van Lo in de handen van koning Lodewijk.’ Nog voor de aankomst van de Fransen hadden de ‘goede’ Ieperlingen een afspraak gemaakt om zich aan de zijde van Clito te scharen. Van Lo probeert eerst nog te vluchten maar wordt gevat. Het verraad van de Ieperlingen kan niet voorkomen dat de stad zwaar toegetakeld wordt.

Voor de volledigheid voeg ik er nog het verslag van Ernest Warlop aan toe: ‘Op 26 april ’s morgens, om negen uur, stonden de troepen van koning en graaf voor Ieper. Willem van Ieper zou het eerste slachtoffer worden. Buiten de wallen wachtte hij de aanval af, aan het hoofd van drie à vierhonderd ridders, een aanzienlijke macht voor die tijd. Drie uur lang werd er in het noorden en het oosten van Ieper hardnekkig gevochten en Willem bood een verbeten weerstand. Maar het onheil was al gebeurd. Enkele ridders en poorters geloofden niet meer in de goede ster van de zoon van Filips van Lo. Hij was geen misdadiger in hun ogen maar hun vertrouwen konden ze hem toch niet schenken.’

‘Ze vreesden dat zijn heerschappij zwaar op hun schouders zou wegen. Zwaarder dan het juk van de koning hun kon opleggen. Ze vergaten de eden van trouw die ze aan Willem gezworen hadden, zonden boden naar de koning en beloofden hem de poorten te zullen openen. Lodewijk VI aanvaardde. Op het middaguur werd boven de Sint-Pieterskerk een vaandel gehesen, het afgesproken sein. Een ruitersschaar van het koninklijk leger reed naar de zuiderpoort van Ieper en vond ze geopend. Moordend, brandend en rovend trokken ze door de stad en vielen de verwoed vechtende Willem van Lo in de rug aan. Zijn troepen sloegen op de vlucht. Willem begreep de toestand, gaf zijn paard de sporen en poogde te ontsnappen.’

‘Daniël, de heer van Dendermonde, zette de achtervolging in, achterhaalde de vluchteling en nam hem gevangen. Ontwapend werd de opstandeling aan Willem Clito overgeleverd. Onder zijn ogen werd Ieper geplunderd en in brand gestoken. Zijn ridders werden weggevoerd, Willem was verslagen. De koning en de graaf voerden hem naar de abdij van Mesen waar er overnacht werd. De volgende dag werd Willem toevertrouwd aan Rogier II de burggraaf van Rijsel die hem en een aantal andere ridders te Rijsel in de boeien sloeg.’

In de ‘Ieperse Historiën’ krijg ik nog een andere variante te lezen: ‘Anno 1128 op de 29ste mei heeft Willem van Normandië de 18de graaf van Vlaanderen met een Frans leger de stad Ieper belegerd dewelke door Willem van Lo met dubbele wallen werd versterkt en bewaard. Doch zo lang de burgers eendrachtig waren, deed de vijand kleine voortgang. Maar er is een twist opgestaan onder de burgers. Terwijl de heer van Lo aan de ene zijde van de stad zich deftig te weer stelde tegen de vijand, werd met verraad de Mesenpoort geopend langs waar de vijand met geweld binnendrong waardoor de stad van Ieper alsdan geworden is een deel van de uiterste ellende.’ Die Mesenpoort waarvan sprake is in feite de Rijselse poort en biedt toegang tot het kwartier van Sint-Pieters.

‘Want de stad veroverd zijnde werd helemaal geplunderd en in brand gestoken van het zuiden tot aan het noorden. De burgers werden gedwongen al hun wapentuig op de markt aan de vijand over te geven. De weerspannigen werden gedood. Tijdens deze plundering hebben de Franse soldaten niets anders gedaan als de jonge dochters schofferen en de getrouwde vrouwen van de gelijke. En als de mannen zich daar tegen stelden, werden ze doodgesmeten. Dat is de reden waarom de Ieperlingen zich samen met die van Brugge en Gent hun krachten bundelden om Diederik graaf van de Elzas te helpen, welke hen trouwens ter hulp kwam.’

De aanhouding van Willem van Lo heeft grote gevolgen voor zijn aanhangers. ‘Na de moord op Karel de Goede hadden verscheidene grafelijke kapelaans, soldeniers, dienaren en lijfeigenen zich bij Willem aangesloten. Omdat hij uit het oude grafelijke huis stamde. Ook lieden van Veurne-Ambacht, vermoedelijk verwanten van de Erembalden, hadden onder zijn banier gestreden. Nu Willem van Lo van het toneel verdwenen was, laaiden de oude familieveten met hernieuwde heftigheid op. Van alle zijden werden zijn partijgangers geterroriseerd. Ze werden gevangen genomen en hun goederen werden verbeurd verklaard. Velen verlieten het geboorteland dat hun te heet onder de voeten werd. Willem Clito legde beslag op de goederen van zijn gevangen genomen tegenstrever. Door de tijdgenoten werd de nederlaag van Willem van Lo en zijn partijgangers beschouwd als een straf van God voor de moord op graaf Karel.’

Bij die andere ridders die opgesloten worden in Rijsel behoort zeker ook Willem’s broer of halfbroer Theobald Sorel. Tijdens de handelsfoor van augustus 1127 loopt het hier in deze stad echter grondig verkeerd voor Clito. Na een conflict met een van zijn lijfeigenen krijgt hij zowat de hele stad over zich heen en ziet hij zich genoodzaakt om ijlings de stad en de streek te verlaten. Willem van Lo wordt op 10 september noodgedwongen overgebracht naar Brugge. Hij wordt er opgesloten in een piepkleine torenkamer en krijgen het streng verbod om zich te laten zien voor de ramen van zijn cel. Theobald Sorel wordt onder de hoede van de Gentse ridder Everard geplaatst.

Een gefrustreerde graaf Clito volgt in het spoor van de gevangene en doet zijn rentree in Brugge. Hij wordt er half september 1127 vergezeld door een schare van Vlaamse ridders die zijn zijde hebben gekozen. Onder hen zien we Tancmaar van Straeten. Er is in die week in elk geval sprake van een grote zuiveringsoperatie. Honderdvijfentwintig Bruggelingen en zevenendertig medeplichtigen van Rodenburg worden opgepakt en in staat van beschuldiging gesteld omwille van hun betrokkenheid in de moord op de graaf.

Hier schiet de nieuwe graaf Willem Clito zichzelf in de voet. Hij negeert de gebruikelijke rechtsgang waarbij de Brugse schepenen zelf het vonnis zullen uitspreken. De belofte dat ze hier in Brugge hun privileges zouden mogen behouden wordt daarmee onmiddellijk verbroken. Op 27 april had hij de Bruggelingen tolvrijheden verleend en daar komt hij nu onder druk van zijn ridders en leenmannen eveneens op terug. ‘Op 17 september werd opnieuw tol geëist van de Brugse poorters, wat niet van aard was om de nog verhitte gemoederen af te koelen.’ De lokale burgerij mort en denkt eraan om Willem van Lo te gaan bevrijden. Het wordt meteen duidelijk waarom hij zich niet mag vertonen aan de ramen van zijn gevangenis. Clito beseft dat hij de kat niet bij de melk mag laten staan en beslist om zijn zwaar bewaakte gevangene terug over te dragen aan de burggraaf van Rijsel. Dat gebeurt op 8 oktober 1127.

Tijdens de februarimaand van 1128 is het hommeles in Sint-Omer. Daar moet de bevolking evenmin weten van de arrogante graaf. Ze geven hier de voorkeur aan Arnold van Denemarken, de neef van graaf Karel. Ze wippen de hen opgedrongen burggraaf van zijn troon en negeren daarmee natuurlijk de orders van de Franse koning. De eigengereidheid en de brutaliteit die Clito tentoonspreidt in Rijsel, Brugge en Sint-Omer zorgt ook voor grote wrevel in Gent. Hij dringt hen net zoals in Sint-Omer een agressieve kasteelheer op. Die zorgt op zijn beurt voor een explosieve cocktail van revolutie. De graaf rept zich begin maart 1128 dan maar zelf naar ginder om het gezag van de burggraaf te herstellen. Daar krijgt hij het verwijt naar het hoofd geslingerd dat hij de Gentenaars afperst en al zijn beloften schendt. Ook hier verwijzen ze naar het breken van zijn eed, het negeren van hun privileges.

Willem Clito moet zich als een furieuze dictator gedragen hebben in Rijsel en Sint-Omer en dat is die van Gent niet ontgaan. Iwein van Aalst sneert er op los: ‘We kennen het geweld en de plunderingen die u in Rijsel bedreven hebt. We weten alles over de onrechtvaardige vervolging die ge toegepast hebt op de inwoners van Sint-Omer. En meent u nu werkelijk om dat ook hier in Gent te doen? Als gij denkt van graaf te zijn over heel Vlaanderen dan dient u ons met rede te behandelen en zeker niet met onrecht en geweld.’ De kwaadheid van de Gentenaars heeft zeker ook te maken met de plannen van Clito om zijn grafelijk hof te verhuizen naar het centraal gelegen Ieper. ‘Trek uw plan daar in Ieper’, dreigen ze hier; ‘we zullen hier in Gent wel iemand roepen die meer recht en verdienste heeft dan gij, trouwloze eedbreker.’

Clito reageert verontwaardigd en degradeert Iwein van Aalst. Meer nog: hij wil gerechtigheid via een duel. Het tweegevecht zal nooit plaatsvinden. De Gentse burgers beslissen om een landvergadering te houden in Ieper waar ze zullen beraadslagen over de toekomst van Vlaanderen. Die meeting staat gepland voor 8 maart 1128. Clito heeft tegen die tijd al zijn wapenmannen klaar om zich meester te maken van de burgers die zich er zullen komen aanbieden. Iwein van Aalst, Daniël van Dendermonde en de andere afgevaardigden van de opstandige gemeenten zijn natuurlijk niet van gisteren en blazen verzamelen in Roeselare. Ze hebben nu voldoende argumenten in handen om zich te ontdoen van hun eed die ze aan dit stuk crapuul hebben afgelegd.

De nijverheid in Vlaanderen bevindt zich nu al een vol jaar in een diepe crisis. De buitenlandse handelaars laten onze regio volledig links liggen. Allemaal de schuld van Cito, beweren de steden. De figuur van Dirk van de Elzas komt duidelijker in zicht. Iwein en Daniël gaan zich scharen achter zijn kandidatuur. Gent opent zijn poorten voor hem. Brugge en de kuststreek gaan op 27 maart 1128 overstag wanneer Dirk van de Elzas ook daar geestdriftig onthaald wordt. Drie dagen later houden de pairs van Vlaanderen een algemene vergadering op het Zandbergplein waarbij Willem van Normandië wandelen gestuurd wordt. Dirk is de nieuwe graaf en krijgt de leenhulde met alle plichtplegingen en beloftes van dien.

Clito vindt er nu niets beter op dan Willem van Lo vrij te laten. Als een hond in een kegelspel om Dirk van de Elzas voor de voeten te lopen. Warlop heeft het ook in de gaten: ‘op diezelfde 27 maart 1128 stond Willem van Lo weer op vrije voeten in Ieper en haastte hij zich nu naar Kortrijk om Clito bij te staan’. Van Lo moet een echte opportunist zijn. Hij beseft dat hij zich niet langer onafhanke lijk kan opstellen in de strijd tussen Clito en Dirk van de Elzas. Enkele van zijn bevriende edellieden geven hem de raad dat hij enkel zijn verloren gebieden kan terugwinnen als hij afstand doet van zijn eigen aanspraken op de grafelijke status en netjes manschap en leenhulde aflegt aan de graaf.

Lang houdt mijn vriend zich niet aan zijn afspraken. Volgens Boudewijn van Avesnes verbreekt Willem van Lo al na korte tijd zijn eed, ronselt hij nieuwe troepen en gaat hij Sint-Omer bezetten. Hij wordt er door Clito verdreven en trekt zich dan maar terug in zijn kasteel te Sluis. Ieper kiest rond half april trouwens ook officieel de zijde van Dirk van de Elzas. Vanuit dit bastion in het noorden van Vlaanderen teisteren de huurlingen van Willem van Lo de provincie met een reeks gewapende uitvallen. Van Lo is natuurlijk een flink stuk van zijn aanhang kwijtgespeeld en moet het stellen met de Saksen die hem zijn blijven steunen. Mannen die berucht zijn om hun wreedheid. Ook Bruggeling Walter Krommelin en Lambrecht van Rodenburg kiezen zijn zijde. Die laatste werd trouwens tijdens een vuurproef vrijgepleit van enige schuld aan de dood van graaf Karel.

Drie honden zijn het. Die vechten om dat been. Clito die steun zoekt bij de Franse koning. Dirk van de Elzas gesteund door de Vlaamse steden. En vrijbuiter Willem van Lo die hoe dan ook nog altijd kijkt van waar de wind komt. De Vlamingen negeren elke druk van Lodewijk om zich te onderwerpen aan de Franse eisen. Het komt tot een open oorlog in Vlaanderen. Clito valt Rijsel aan maar krijgt er lik op stuk van Dirk van de Elzas. Terwijl de Franse steun voor Willem Clito stilaan opdroogt boekt die nochtans zijn laatste zegepralen. Hij verslaat de Bruggelingen bij Wingene en Oostkamp en vanuit zijn kamp in Jabbeke zorgt hij voor schrik en angst tot onder de muren van Brugge.

De kleinzoon van de legendarische Willem de Veroveraar, speelt alles of niets. Plaats van het gebeuren is de heidevlakte van Axpoele bij Ruiselede. 21 juni 1128. Eén van de belangrijkste veldslagen in de oude geschiedenis van Vlaanderen. Clito trekt aan het langste eind. Dirk van de Elzas druipt af naar Brugge. Maar nog altijd wil geen enkele stad zijn poorten openen voor de overwinnaar. De hoogst onpopulaire Clito richt zijn vizier op Aalst. Tijdens een gevecht aan de oever van de Dender komt de onbesuisde Normandiër te midden van een groep vijanden terecht. Burger Nikolaas Borluut priemt hem daarbij onverhoeds een speer in het lijf.

Het zal best een pijnlijk gebeuren zijn. Via de hand tot diep in de elleboog. Het staat ook zo neergeschreven; ‘welhaast verergerde en etterde de wonde en na vijf dagen smartelijk lijden, gedurende dewelke hij een monnikspij aantrok, bezweek hij op 27 juli 1128. Willem van Normandië had nauwelijks de leeftijd van zevenentwintig jaar bereikt toen zulk een wrede dood een einde maakte aan zijn avonturen en ongelukken.’ Dirk van de Elzas heeft het pleit gewonnen. Er volgen nog enkele schermutselingen en een hevig gevecht te Voormezele op 8 augustus 1128. Tot de laatste tegenstanders op hun knieën zitten en de nieuwe graaf bekend is. Tussen het wapengekletter van Axpoele, Aalst en Voormezele door is er trouwens geen spoor meer te bekennen van Willem van Lo.

Nog voor het einde van augustus 1128 verschijnt hij zonder veel gêne of schaamte aan het hof van Dirk van de Elzas. Alsof er niets gebeurd is. Willem heeft wijzigingen aangebracht aan de stadskeur van Sint-Omer en staat dan al weer ‘on speaking terms’ met de nieuwe sterke man. Transacties in Ieper en ter Duinen tonen aan dat hij opnieuw een topfunctie bekleedt. Hij prijkt er telkens als eerste en belangrijkste lekenfiguur. In 1129 verblijft hij zelfs aan het grafelijk hof. En ook in 1130 lijkt er geen vuiltje aan de lucht te zijn. Tot hij in dat jaar plots daalt in de ranking van de macht. Dirk van de Elzas degradeert hem van de eerste van zijn baroenen tot een vijfde plaats.

Dat heeft Willem van Lo volledig aan zichzelf te danken. Ik citeer nog eens historicus Warlop: ‘er was inderdaad een en ander gebeurd in Vlaanderen. Dirk van de Elas had nog veel tegenstanders in Vlaanderen. Maar hij kon vooral niet wennen aan de vele ruwe Vlamingen die het land maar bleven onveilig maken. Vooral Willem van Lo was hem een doorn in het oog. Volgens bepaalde kronieken zelfs een hele balk. Willem had zich meester gemaakt van de burcht van L’Ecluse bij Douai. Van hier uit voerde hij razzia’s uit op het platteland waarbij hij moordde, plunderde en brandde. De anarchie van 1127-1128 scheen wel teruggekeerd. Toen greep graaf Dirk in. L’Ecluse werd met wapengeweld veroverd en Willem verbannen. Hij vluchtte naar het land waar zijn vader en waarschijnlijk ook hijzelf al verbleven hadden. Naar Engeland waarvan hij wist dat hem daar een goed onthaal stond te wachten.’

De vlucht van Willem moet plaatsvinden in 1133. In Vlaanderen stond Willem helemaal alleen na de dood van zijn tante Clementia. De grote gebieden die ze tot dan toe bezeten had in Vlaanderen keren na haar overlijden terug onder controle van Dirk van de Elzas. Willem van Lo mag het nu zeker schudden. Zijn toekomst ligt in Engeland en Normandië. Vlaanderen kan opgelucht ademhalen bij het vertrek van de eeuwige vechtersbaas. Zijn vijanden koelen hun woede op zijn driejarig zoontje die hij noodgedwongen als gijzelaar heeft moeten achterlaten. Volgens de annalen van de Sint-Pietersabdij van Gent zal het kind blind worden gemaakt en sterft het in Maldegem.

Hoe staat dat eigenlijk tussen Engeland en Normandië? Vooraleer verder te flaneren in het leven van Willem van Lo beslis ik om eerst even mijn licht op te steken in de geschiedenis van Normandië. De naam van Normandië is ontleend aan die van de Noormannen. Dat wist ik dus al. Na jaren van Vikingse plunderingen beslist de koning van Frankrijk in het jaar 911 om het noordwestelijk gebied van Frankrijk in leen te geven aan de Noorse sterke man Rollo. Een vriend in plaats van een vijand. Normandië en Vlaanderen worden zo buren van elkaar. Vijf generaties later zijn de Noormannen helemaal versmolten met de lokale bevolking en geven hun nakomelingen het gebied een sterke identiteit met een eigen Normandische taal als exponent.

Rond 1050 komt Willem de Veroveraar aan de macht in Normandië. De hertog is een nazaat van de beruchte Rollo. In 1053 zorgt hij voor een machtig verbond met de Vlamingen en trouwt hij met Mathilde van Vlaanderen. Een omstreden huwelijk want Mathilde is zijn achternicht, dochter van de toenmalige graaf van Vlaanderen Boudewijn V. Zijn bijnaam ‘De Veroveraar’ krijgt hij wanneer hij Engeland binnenvalt, verovert en het uiteindelijk tot koning van Engeland schopt. Daarbij speelt de slag bij Hastings van 14 oktober 1066 een belangrijke rol. Willem de Veroveraar bouwt tientallen kastelen in Engeland, introduceert er het feodaal systeem en krijgt er natuurlijk af te rekenen met de ene opstand na de andere. Na zijn dood in 1087 gaan Normandië en Engeland respectievelijk naar zijn zonen Robert Curthose (de vader van Clito) en Willem II. Die maken er tijdens hun korte leven onderling een zootje van. Ik probeer erg ingewikkelde toestanden tot de kern te herleiden. Hun jongste broer Hendrik I komt vanaf 1106 opnieuw aan het roer in Normandië én in Engeland. Hendrik is dus wel te verstaan ook een zoon van Willem de Veroveraar.

De lezer kan zich best inbeelden welke spanningen er moeten bestaan tussen Willem Clito die zijn erfgoed Normandië door zijn vingers ziet wegglippen in het voordeel van zijn oom Hendrik I. Koning Hendrik I krijgt daarbij nog de steun van zijn neef Stefaan van Blois (de zoon van zijn zus en dus ook een kleinzoon van Willem de Veroveraar). In het jaar 1127 komt het tot een militaire confrontatie tussen de neven Stefaan en Clito. Die open oorlog is er mee de oorzaak van dat een verzwakte Willem van Normandië uiteindelijk geen graaf van Vlaanderen zal worden. Mijn hoofdfiguur Willem van Lo is – net zoals zijn vader Filips dat was tijdens zijn leven – kind aan huis bij het hof van de Engelse koning Hendrik I. Tijdens de strijd om Vlaanderen kreeg hij de steun van Stefaan. Dus kan ik me goed voorstellen dat Willem van Lo nadat hij uit Vlaanderen verjaagd werd asiel gaat zoeken bij het Engelse hof.

Daar wordt hij in stijl ontvangen door zijn vrienden Hendrik en Stefaan. Die kunnen natuurlijk best zo’n weergaloze krijgsman gebruiken. Conflicten genoeg. In 1135 sterft Hendrik I. De inwoners van London kiezen zijn neef Stefaan van Blois als nieuwe koning. Hoewel de dode koning feitelijk een dochter heeft die hem zou moeten opvolgen. Die dochter Mathilde voelt zich in haar gat gebeten dat de conservatieve Londenaars geen vrouw als koningin willen en verzet zich tegen de aanstelling van Stefaan. Ze krijgt daarbij de steun van een heel reeks baroenen die weigeren om de nieuwe koning te erkennen. Ik vertel er nog bij dat de bewuste dochter Mathilde omschreven staat als keizerin Mathilde omdat ze ooit getrouwd was met wijlen de Roomse keizer Hendrik V. Keizerin Mathilde is een kleindochter van de Schotse koning. Het is dus niet moeilijk dat Schotland zich ook al gaat bemoeien met het Engels conflict.

Om het geval hier nog complexer te maken is koning Stefaan getrouwd met ook al een Mathilde die aangetrouwde familie is van keizerin Mathilde. Stefaan van Blois zit zo gewrongen tussen koningin Mathilde en keizerin Mathilde. De nieuwbakken koning probeert zich met alle mogelijke middelen te handhaven in het wespennest van de macht. Hij heeft soldaten nodig. En aanvoerders. De soldeniers komen uit Vlaanderen en Bretagne. Kerels zonder scrupules, gewoon om te leven van het zwaard en de roof. Ze komen tijdelijk over naar Engeland waar ze kunnen dienen als huursoldaten. Maar de oorlog wil maar geen einde nemen en zo worden ze stilaan beroepshuurlingen. Een aanvoerder voor deze benden heeft Stefaan maar voor het grijpen. Dat is natuurlijk Willem van Lo, een eersteklas vechtersbaas die goed genoeg weet hoe hij moet omgaan met huurlingen. Dat heeft hij in Vlaanderen zeker geleerd. Daarmee beschikt de koning over vermoedelijk het eerste huurlingenleger uit de middeleeuwse geschiedenis.

Willem van Lo wordt naar de broeihaard van Normandië gestuurd. Samen met nog een andere bendeleider; Alan van Dinan. Maar Willem wordt beschouwd als zijn superieur. Keizerin Mathilde is hertrouwd met de Franse edelman Godfried Plantagenet (de graaf van Anjou). Die laatste probeert met alle middelen in het bezit te komen van Normandië. Stefaan zal stevig in zijn schoenen moeten staan met een tegenstander van dit kaliber. Zonder een solide achterban zal hij het niet redden.

Er zijn dan ook beslist geen windeieren voorzien voor de edelmannen die aan de zijde blijven staan van koning Stefaan. Ze krijgen allen de toestemming om hun eigen kastelen en burchten te bouwen. Stefaan schenkt in die periode de hele provincie van Kent aan Willem van Lo. Die wordt hier trouwens aangesproken als Willem van Ypres. Willem wordt zo de graaf van Kent. Enfin dat is de mening van de schrijvers. Hij komt zo in het bezit van de rijke inkomsten van die schitterende kroongebieden. Als tegenprestatie wordt er van hem verwacht dat hij de kust tussen Dover en het westen zal verdedigen en daartoe de opbrengsten van zijn land zal aanwenden.

Koning Stefaan zorgt voor veel ellende bij de Engelse bevolking. Van geluk en levenskwaliteit kunnen de inwoners van die tijd alleen maar dromen. De mensen worden door de edelen werkelijk uitgewrongen. Lokale graven en baroenen bouwen allen hun burchten. Dat is ook het geval bij Willem van Lo. In die vestingen en hun vergeetputten worden massaal veel burgers gevangen gehouden, gedumpt en gefolterd. Van Lo behoort tot de wreedste figuren van de bende. Ik moet daarbij even denken aan de dood van proost Bertulf enkele jaren geleden. De manier waarop de man aan zijn einde geraakte was huiveringwekkend. In zijn boek ‘William de Ypres at Rye’ gaat schrijver E.R. Beeching dieper in op gelijkaardige folterpraktijken hier in het oude Engeland.

‘De sukkelaars werden aan hun voeten opgehangen. Boven een vuur. Anderen werden opgeknoopt aan hun hoofden of vuisten waarop ze brandwonden opliepen door in brand gestoken takkenbussen onder hun voetzolen. Sommigen kregen een touw rond hun hals die elke dag een beetje strakker werd aangespannen. De pijn was niet te harden wanneer de strengen in de huid drongen. Of ze werden geperst in veel te smalle pijlenkisten die dan nog eerst een bedje kregen van scherpe stenen. Waarop de deksels werden dichtgetimmerd en de lichamen nog eens extra getorst werden. Sommige gevangenen werden in kerkers gegooid samen met adders, hagedissen, grote padden en slangen. Het kasteel van ‘Ypres’ werd door de inwoners van Rye omschreven als ‘Little Ease’.’ Ik zou dat laatste kunnen vertalen in ‘Weinig gemak’. Het leidt in elk geval geen twijfel dat dergelijke praktijken schering en inslag waren in deze vesting van mijn Willem van Lo.

De kerkautoriteiten proberen er de onmenselijke praktijken af te stoppen, iets waar ze amper in slagen. Willem van Lo blijkt toch wel een hardleerse barbaar te zijn. Hij laat zijn eigen kasteel opbouwen in het jaar 1138. Erg imposant is het gebouw niet. De oude toren aan de zuidwestelijke hoek van de burcht is maar van fractie van het gebouw dat er anno 2017 nog te zien is.

In 1137 laat de hertog van Gloucester, de broer van keizerin Mathilde weten dat ze in het verzet komen tegen de onterechte bezetting van Normandië. Stefaan en Willem van Lo zeilen ernaartoe in het gezelschap van een bende huurlingen. Ze willen de hertog een lesje leren, hem oppakken en Mathilde tot de orde brengen. Ze gaan Godfried Plantagenet belegeren in zijn eigen vesting te Anjou. Koning Stefaan en Willem van Lo zijn twee handen op één buik en dat is niet echt naar de zin van de leider van de Normandische troepen die aan hun zijde meestrijden. Ik heb het over Reinoud van Saint-Valéry. Willem en Reinoud willen voor elkaar niet in waardigheid onderdoen. De discussie tussen beide aanvoerders ontaardt uiteindelijk in een zwaardgevecht tussen beide legers.

Stefaan ziet het allemaal natuurlijk niet graag gebeuren dat zijn eigen leger onderling slaags geraakt en keert noodgedwongen terug naar Engeland. In de meimaand van 1138 valt Willem van Lo nog een keer binnen in Normandië. Maar hij stuit er op een keiharde tegenstand. Hij laat dan maar zijn frustratie gelden op de plattelandsbewoners en de lokale boeren. Normandië wordt met het vuur en het zwaard onder handen genomen. Mijn genadeloze hoofdfiguur komt nog een keer lelijk uit de hoek met ongehoord crapuleuze acties. De Normandische landlieden mogen al bij al blij zijn als ze hun vege lijf kunnen redden.

In juli van 1138 krijgt Willem versterking van 200 ridders van Radulf van Péronne. Maar veel kan hij er niet mee aanvangen. Godfried Plantagenet ontwijkt elke rechtstreekse confrontatie tegen een Engels leger van ondertussen al 1.000 ridders. Willem van Lo wordt er moedeloos van en ziet zich uiteindelijk verplicht om af te druipen. In de terugweg koelen zijn troepen hun woede op de stad Caen die ze zo goed als helemaal verwoesten. Buiten een paar kleinere gevechten hebben ze hier niet de minste successen kunnen boeken en mag van Lo zijn machtige expeditie als mislukt beschouwen.

David, de koning van Schotland stuurt op zijn beurt een leger naar Yorkshire om zijn nicht Mathilde te ondersteunen. De Engelse baroenen ergeren zich dood aan de wrede en barbaarse daden van de Schotten. De aanwezigheid van die vreemdelingen zorgt ervoor dat de adel en de ridders zich nu plots wel aangesproken voelen om hun land te verdedigen. Tijdens de veldslag van 22 augustus 1138 hakken ze de vijand in de pan. Keizerin Mathilde zal niet lang wachten met een tegenreactie. De impact van Willem van Lo op het bestuur van de koning laat zich begin 1139 duidelijk opmerken in een oorkonde waarbij Stefaan het grondbezit van de tempeliers in Engeland bevestigt. Bij dit belangrijk document staat ook de naam van Willem vermeld.

Keizerin Mathilde laat zich zoals verwacht al in datzelfde 1139 gelden op Engels grondgebied. In plaats van belegerd te worden in Frankrijk zal zij nu eens de touwtjes in handen nemen. Op 22 september arriveert haar bescheiden armada in Old Winchelsea en Rye. Ze krijgt de hulp van haar broer Robert de hertog en honderdveertig van zijn ridders. Die slagen er in om de burcht van Arundel in te nemen. Voortaan kan Mathilde haar verzet van op Engelse bodem verderzetten.

Ook in Vlaanderen is het niet allemaal koek en ei. Boudewijn IV, graaf van Henegouwen neemt de wapens op in de hoop van Dirk van de Elzas van zijn Vlaamse troon te stoten. Voor Willem van Lo is dat een interessante opportuniteit. De Vlaamse graaf en koning Stefaan zijn aartsvijanden van elkaar. Misschien komt er nu een einde aan zijn ballingschap en komt er voor hem dan toch nog een kans om het tot graaf van Vlaanderen te schoppen. Hij neemt afscheid van koning Stefaan en zeilt met zijn huurlingenleger naar Vlaanderen om er op het gepaste moment op de voorgrond te treden. De Engelse koning ziet het graag gebeuren en treedt in coalitie met de graven van Saint-Pol en van Henegouwen. Dat gebeurt vermoedelijk wel op het aansturen van Willem van Lo. Dirk van de Elzas verdedigt zich echter met succes tegen de Walen. ‘Het zal weer niet voor vandaag zijn’, zal Willem van Lo wel denken, weer een illusie minder. Hij vaart onverrichter zake naar Engeland terug.

Hij moet daarbij trouwens de nodige spoed aan de dag leggen. Mathilde heeft van zijn afwezigheid geprofiteerd om te ontschepen in Bristol en er de burcht van Lincoln te veroveren. Ze pookt en stookt er bij de hoogwaardigheidsbekleders en baroenen die zich daardoor ook al beginnen te roeren. Hier en daar breken er opstanden uit. Willem van Lo krijgt de opdracht van Stefaan om de oproerlingen onder controle te krijgen. Als dat niet lukt met onderhandelingen dan moet hij maar geweld gebruiken. Hier en daar boekt hij wel een succesje. Maar net zo vaak krijgt hij harde noten te kraken.

Op kerstdag van 1140 beginnen Stefaan en Willem aan het beleg van de burcht van Lincoln die in handen gevallen is van de vijand. Ze worden er plotsklaps verrast door een leger van Mathildes broer Robert. De drie legerafdelingen van beide kanten staan nu plots tegenover elkaar voor een beslissende confrontatie. De vijand beschikt over een geweldige overmacht van voetvolk, meestal Keltische boogschutters van Zuid-Wales aangevoerd door de broers Mariadoth en Kaladrius. De divisies van de koning worden geleid door Willem van Lo en Alain van Dinan. Hun manschappen bestaan vooral uit Vlamingen en Bretoenen. Ze lopen zich te pletter op de boogschutters en zien zich verplicht om te wijken. Willem van Lo ziet weinig andere mogelijkheden en blaast de aftocht. Het leger van de koning wordt zo uiteengeslagen. Stefaan wordt gevangen genomen op 2 februari 1141. Hij verhuist naar de burcht van Robert van Gloucester in Bristol.

Willem is er niet in geslaagd om zijn werkgever te vrijwaren en durft het achteraf niet aan om Mathilde aan te vallen uit vrees voor het leven van koning Stefaan. Hij draagt noodgedwongen zijn bezittingen en gronden in Kent over aan de vijand. Ook de ridders en edellieden en Stefaans echtgenote Mathilde geven zich over. Korte tijd later ziet keizerin Mathilde zich gekroond tot legitieme koningin van Engeland. Dat gebeurt op 8 april. Stefaan van Blois is koning af. Zijn echtgenote Mathilde spoedt zich in het gezelschap van Willem van Lo richting Kent. Van hieruit blijven ze oppositie voeren tegen het bewind van de nieuwe ‘domina’.

Willem van Lo bevindt zich ongetwijfeld in een delicate positie. In Kent maken ze zich klaar voor een eventuele inval van zijn troepen die zich in Canterbury bevinden, een gebied dat nog onder controle staat van Willem. De Vlaming moet toch wel beschikken over de nodige vossenstreken. Hij speelt handig in op de problemen die de koningin al van bij haar aantreden veroorzaakt bij haar onderdanen. Mathildeke blijkt een echte heks te zijn met een grillig en giftig karakter. Een bijzonder antipathiek en driftig vrouwmens van het slechtste soort. Ze vindt er niets beter op dan de inwoners van Londen onbeschoft en zonder manieren te behandelen en die keer op keer te beledigen. Zo herroept ze alle voordelen die de stedelingen hadden binnengehaald dankzij koning Stefaan.

Ze komt ook zwaar in botsing met de bisschop van Winchester. De clerus en de poorters van Londen kunnen haar bloed wel drinken. Ze vinden het trouwens niet kunnen dat de vorstin hun vorige koning Stefaan niet wil vrijlaten ondanks de smeekbede van zijn vrouw. Die fameuze bisschop roept de hulp in van mijn Willem en van de Engelse baroenen. Een geflatteerde Willem van Lo deint natuurlijk gewillig mee op de golven van hun woede. Hij slaagt erin om de Londenaars op te hitsen om te revolteren tegen Mathilde. Die kan weinig anders dan er de plaat te poetsen richting Oxford. En ook ginds is het allesbehalve veilig voor haar.

De nieuwbakken koningin verschanst zich dan maar in het kasteel van Winchester. Korte tijd later zit ze in de tang van het huurlingenleger van onze Ieperling. We beleven de periode rond half september 1141. Naast die manschappen heeft de toegewijde echtgenote van Stefaan ook gezorgd voor een sterk bataljon soldaten. Dergelijk beleg van een burcht komt er vrijwel altijd op neer om de belegerden lange tijd in te sluiten en ze zonder voedsel en drank te krijgen. Er komt daarbij niet altijd geweld aan te pas. Honger en ontbering zijn de sterkste wapens. Hier in Winchester is dat ook het geval. Het beleg duurt maar liefst twee maanden. Mathilde weet dat ze de hongerdood zal sterven als ze hier niet weg raakt.

Zij en haar broer Robert proberen dan maar te ontsnappen via een geheime poort, een ondergrondse poterne. Ze worden daarbij betrapt. De hertog van Gloucester probeert nu met zijn mannen de vlucht van zijn zus af te schermen en slaagt daar ook in. Hijzelf wordt gevangen genomen en aan zijn enkels geketend opgesloten in een kerker van zijn eigen burcht te Gloucester. Willem van Lo krijgt de uitdrukkelijke opdracht om goed zorg voor hem te dragen en hem zo voorzichtig mogelijk te behandelen.

Mathilde sukkelt verder tot in het stadje Devizes, een kilometer of zestig verwijderd van Winchester. Ze wordt daarbij achterna gezet door de partizanen van Stefaan die haar nu ginds in de tang nemen en daarbij alle vluchtwegen hermetisch dicht houden. En toch raakt ze er weer weg. Op een bizarre manier moet ik wel toegeven. Met een lijkkleed rond haar lichaam en verstopt in een stevig met touwen omsnoerde doodskist wordt ze zogezegd begraven om daarna naar Gloucester gedragen te worden. Ze arriveert er uiteindelijk meer dood dan levend, bijna uitgehongerd en stijf van de schrik. Na intense onderhandelingen tussen beide Mathildes zullen Stefaan en Robert op het einde van 1141 omgeruild worden. Op 25 december 1141 wordt Stefaan opnieuw tot koning van Engeland gekroond.

Het geweld in Engeland en Normandië zal nog jaren aanslepen en escaleren. Plunderingen, rooftochten, geweld waar ik me niet verder op focus. Ik probeer me verder te concentreren op mijn hoofdpersonage Willem van Lo. Tot aan 1145 blijft hij een grote rol opeisen in de militaire gebeurtenissen aan de overkant van de Noordzee. Mathilde zorgt ondertussen voor een hardnekkige tegenstand en wordt pas na vijf jaar uit Engeland verjaagd. Willem staat nu op het toppunt van zijn macht. Hij heeft veel van zijn ambities waargemaakt. Zijn verworven eigendommen in Kent maken ruimschoots het verlies van zijn bezittingen in Vlaanderen goed. ‘Willelmus’ en Pharamus, een neef van de koningin, zijn de voornaamste vertrouwelingen van de koning. De verguisde Vlaming heeft het geschopt tot tweede sterkste man van het rijk.

Met zijn gezondheid begint het echter te slabakken. Hij wordt stilaan blind en de jaren beginnen te wegen. Hij is ondertussen al zesenvijftig en voelt van zichzelf dat het beste er van af is. Zijn toenemende gezichtsproblemen zorgen ervoor dat hij niet langer de vooraanstaande rol waar hij zo hard heeft voor gezwoegd kan waarmaken. Hij blijft echter als een belangrijke adviseur aan het hof verschijnen. De kroniekschrijvers van die tijd hebben er een vette kluif aan. De Story van toen bazuint het uit dat Willem getroffen is door de genade van God en dat hij daardoor tot rust en inkeer is gekomen. In de twaalfde eeuw denkt het betere volk nog altijd dat er zoiets bestaat als het eeuwig leven en een persoonlijke zielzaligheid tot het einde van alle dagen. Op voorwaarde dat er zoiets bestaat als het transfereren van rijkdom en eigendommen richting katholieke kerk. De lobbyisten van het christelijk geloof laten er geen twijfel rond bestaan. En ook voor Willem van Lo lijkt het duidelijk dat hij iets zal moeten doen om zijn kerfstok van alle zonden te zuiveren.

Hij opent de deuren van zijn schatkamers voor de kerkelijke instellingen. Het zal allerminst kwaad kunnen. In Engeland sticht hij de abdij van Boxley. Een bouwwerk op een volledig ommuurd terrein van vijftien hectaren. Willem moet beseffen dat hij zwaar zal moeten investeren om zijn zielzaligheid te verdienen en neemt zijn rol als vriend van de kerk meteen bijzonder ernstig. Hij laat zelf monniken overkomen uit Bourgondië. Ze moeten het bewind voeren over zijn abdij. Nogal wat vreemde handelaars en pelgrims gaan in op zijn uitnodiging en gaan leven onder het dak van de abdij van Boxley. Het klooster is naar verluidt volgestouwd met kostbare tapijten, dure schilderijen en exclusief houtsnijwerk.

In 1147 gaan Willem en Stefaan op tournee. In het gezelschap van het huurlingenleger van de Vlaming. Ze vinden het nodig om een reeks van inspectiebezoeken af te leggen bij de reeks kastelen en burchten die tussen 1136 en 1138 door de baroenen gebouwd werden. Een tegenprestatie voor hun loyauteit ten opzichte van de koning. Van die trouw is er op veel plekken niet veel meer te merken. Veel ridders stellen zich nu veel onafhankelijker op. Velen van hen zijn niet zomaar van plan om hun eed van manschap en trouw aan Stefaan te hernieuwen. Wie dat weigert wordt brutaal uit zijn kasteel verdreven door Willems huurlingen. Zo wordt onder andere het kasteel van Pevensey belegerd. De campagne duurt tot diep in het jaar 1148. In datzelfde jaar laat Willem in Canterbury een oorkonde schrijven. Het betreft een grote gift voor de kerk van God. Bestemd voor de abdij van Lo.

Historicus Ernest Warlop heeft het in 1963 allemaal voor me uitgespit. Van Lo moet nog altijd in het bezit zijn van goederen en eigendommen in Vlaanderen. Vanuit zijn thuisbasis in Engeland schenkt hij in elk geval grondcijnzen, markt- en tolrechten en de voornaamste rechterlijke inkomsten aan de Sint-Pietersabdij van Lo. Bij deze transactie getuigen zijn voornaamste vertrouwelingen die Willem gevolgd zijn in zijn verbanning van 1133. Best interessant om hun namen hier te zien verschijnen. Zijn (half)broer Fromold van Ieper, Willem en Adam van Staden, Eustaas van Ieper en Erkenbald Pastet.

In 1148 en 1149 heeft Willem van Lo ook de hand in schenkingen aan de abdijen van Clairmarais en Sint-Winoksbergen. Die instelling verwerft daarbij gronden in Oostduinkerke. De Sint-Bertinusabdij van Sint-Omer valt ook in de prijzen. Tussen 1151 en 1153 schenkt de Vlaming hen de eigendomsrechten van de Kentse kerken van Chilham en Throwley. Rond die periode wordt de oude abdij door een zware brand verwoest en doet abt Leonius een beroep op Willem van Lo om zijn abdij te laten heropbouwen. Een oude kroniekschrijver omschrijft zijn tussenkomst als volgt: ‘De hulp van de bastaard was groter dan die welke ooit werd verleend door koning Hyram van Tyrus aan Salomon bij de bouw van diens tempel. Willem zorgde voor goud en zilver, bouwmaterialen en lood voor de daken.’

In januari 1153 worden de ambities van keizerin Mathilde weer op scherp gezet. Haar persoonlijke rol mag dan wel uitgespeeld zijn. Die van de Plantagenets helemaal niet. Haar zoon Hendrik Plantagenet valt tijdens die eerste maand van 1153 Engeland onverhoeds binnen en slaagt er in om tijdens enkele militaire confrontaties koning Stefaan uit het zadel te lichten. Die ziet zich gedwongen om Hendrik als zijn toekomstige troonopvolger te aanvaarden. Waarop Plantagenet zich vergenoegt om voorlopig terug te keren naar Franse bodem.

Tijdens de oktobermaand van 1154 reist koning Stefaan naar Dover om er een gesprek te voeren met de graaf van Vlaanderen. Dirk van de Elzas. Ik vraag me af of ze nu al in elkaars ogen zullen kunnen kijken. Politieke zoektochten op zoek naar macht en coalities transformeren de diepste vijandschappen in de ha(r)telijkste vriendschapsbanden. Dirk heeft trouwens ook niks te verliezen bij het gesprek. Ook mijn vriend Willem van Lo neemt deel aan de onderhandelingen. De debatten lopen af op een sisser wanneer de Engelse koning ziek wordt en op 25 oktober overlijdt. Hij heeft er een tumultueuze en labiele regeerperiode van negentien jaar opzitten. Aartsbisschop Theobald van Canterbury en een reeks Engelse baroenen nodigen Hendrik Plantagenet uit om de Engelse troon te bestijgen. Conform de afspraken die vorig jaar werden gemaakt. Dat gebeurt op 19 december 1154 in de kathedraal van Westminster. Hendrik van Plantagenet zal voortaan door het leven gaan als ‘king Henry II’

De rol van Willem van Lo zal vermoedelijk ook uitgespeeld zijn. Enfin, dat vermoed ik toch. De afrekening laat inderdaad niet lang op zich wachten. De provincie van Kent wordt opnieuw kroongebied. Willem mag opkrassen. Alle versterkingen die ooit door zijn huurlingen werden gebouwd worden nu met de grond gelijk gemaakt. Het is gedaan met alle denkbeeldige en valse graven die hier in Engeland de scepter gezwaaid hebben. Het rijk van de bastaard en zijn Vlaamse hulptroepen is ten einde. Van Lo die ondertussen helemaal blind is geworden moet het land daadwerkelijk verlaten. Hij krijgt zijn inkomsten uit Kent nog uitbetaald tot in 1157 en dan is zijn Engels avontuur afgelopen.

Zijn loopbaan hier heeft twintig jaar geduurd. Dankzij zijn triomfen als legeraanvoerder heeft hij in Engeland de absolute top bereikt. Ernest Warlop stelt zich de vraag of Willem ooit populair geweest is op het eiland. De chroniqueurs hebben het over de Vlaamse wolven van William d’Ypres. Een allesbehalve flatterende bijnaam. Wees er maar zeker van dat de Engelsen herademd moeten hebben toen Willem van Lo en zijn gespuis er aan de deur werden gezet.

Na al die tijd komt Willem terug in Vlaanderen. Hij gaat wonen in zijn thuisbasis te Lo. Niemand lijkt nog geïnteresseerd in de oude blinde man. De gemoederen zijn duidelijk afgekoeld. Ook Dirk van de Elzas laat hem met rust. Hij beschouwt hem als een figuur uit het verleden. Een soort levende legende die figuurlijk al lang overleden is. Een ‘Vir Nobilis’, een nobele edelman, een ‘olim bellicosus’. In zijn kasteel te Lo leidt hij voortaan een rustig leven. Af en toe laat hij zich nog opmerken met giften aan kerkelijke instellingen en aan de armen. Zo krijgt de abdij van Sint-Winoksbergen landerijen in Veurne-Ambacht. Er hangt een opbrengst van 10 mark per jaar aan vast. Het is zeker niet de enige gift aan de instelling van Bergues. Zo is er sprake van financiële steun voor het uitvoeren van metselwerk, het herstellen van de loden daken en het plaatsen van een houten omheining rond het kerkhof en de boomgaard.

Het is vooral de abdij van Lo die profiteert van Willem’s terugkeer. Een zilveren schrijn, vier reliekhouders, een aantal relikwieën, gewijd ‘stuff’ van alle soort en slag. Geld, gronden. De Duinenabdij in Koksijde krijgt een akker langs de Ijzer. De abdij van Broekburg deelt ook in de prijzen. Wanneer zijn nicht Leliosa, de dochter van Theobald van Ariën (vermoedelijk is dat zijn broer Theobald Sorel) in het huwelijk treedt met Eggelin van Veurne krijgt ze van Willem een stuk grond in Lampernisse. Bij het overlijden van deze Theobald Sorel in 1162 verzoeken Leliosa en haar dochter Petronella aan Willem van Lo om de eigendomsrechten op deze grond te willen transfereren naar de abdij van Broekburg.

De laatste levensjaren van Willem van Lo zijn ondertussen aangebroken. Er ontstaan nog hevige discussies rond zijn toekomstige nalatenschap. Normaal gezien zal zijn oudste zoon Filips de voornaamste gronden en gebieden erven. En daar is de koning van Frankrijk het al mee eens. Tot Filips nog voor zijn vader overlijdt en Willem nog maar eens moet beroep doen op koning Lodewijk VII met het verzoek of zijn jongste zoon Robrecht nu erfgenaam zou kunnen worden in de plaats van de overleden Filips. Daar is trouwens haast bij want blijkbaar azen Dirk van de Elzas en zijn zoon Filips om Robrecht te beroven van zijn erfenis. Iets waar ze niet in zullen slagen want later zal blijken dat de Franse koning effectief zijn goedkeuring gegeven heeft aan het verzoek van de ondertussen overleden Willem van Lo. Op de keper beschouwd zal de Franse beslissing sterk beïnvloed geweest zijn door de wetenschap dat Robrecht van Lo een rechtstreekse afstammeling is van de illustere graaf van Vlaanderen Robrecht de Fries.

Willem van Lo, dixit van Ieper sterft een vredige dood. Wanneer hij precies uit het leven wegglijdt haalt de geschiedenisboeken niet. Vermoedelijk in het najaar van 1162 of in het begin van 1163. Ernest Warlop zoekt het nog even uit en hij beweert dat zijn exacte sterfdatum feitelijk 24 januari 1164 moet geweest zijn. Sommige kroniekschrijvers vertellen dat zijn dood plaatsvindt in zijn kasteel, anderen hebben het over de abdij van Lo. De man wordt begraven in de abdij. Zijn zoon Robrecht erft in elk geval zijn vaders vechtlust niet. Hij zal zich in de tweede helft van de 12de eeuw laten opmerken door een reeks giften aan geestelijke instellingen en door zijn mildheid tegenover de kerk. Ik ga er niet dieper op in.

In maart 1770 worden de restanten van Willem van Lo eerder bij toeval ontdekt bij een herstelling van de vloer in de kerk van Lo. Naast het altaar van Sint-Pieters. Zijn vondst zorgt voor consternatie en uiterste verwondering. Zijn knoken bevinden zich in een loden schrijn voorzien van de tekst ‘Ossa Gulielmi de Loo’. Het lijkt er wel op dat hij zelfs na zijn dood het geweld blijft aantrekken. Op 17 april 1915 wordt de eeuwige rust van Willem van Lo nog maar een keer geschonden. Een teken uit de hemel? Ja, en dan nog letterlijk op te vatten. Een obus treft er het hoogkoor van de kerk. Onder de trappen van het altaar komt het loden schrijn van Gulielmi de Loo nog maar eens te voorschijn. Na de oorlog wordt het in een nis geplaatst in de zuidmuur bij de communiebank. Dikke twintig jaar later beslissen de lokale autoriteiten de loden kist te openen en zijn beenderen aan een onderzoek te onderwerpen. Dat gebeurt op 31 januari van 1936. Achteraf wordt het schrijn dichtgelast. Het lijkt er wel op dat Willem’s ziel nu definitief opgesloten en verzegeld wordt in de eindeloze ruimte van de tijd.

Uit de studie van zijn beendergestel blijkt dat hij een erg grote man moet geweest zijn. Rond 1,72 meter. Voor die tijd inderdaad een forse gestalte en flink boven het gemiddelde. Hij zal tijdens zijn leven wel indruk gemaakt hebben. Een fysiek sterke en gespierde man, gehard door een intensieve ridderopleiding, zelfbewust, autoritair, dapper, een man zonder scrupules of angst. Iemand die zich baas maakte over zijn bende gemene Vlaamse wolven. Het lijkt er wel op dat hijzelf de sterkste wolf van de droedel is geweest. Wat moet het vreselijk geweest zijn voor Willem om blind te worden. Dat hij van kindsbeen af moest opboksen tegen zijn onwettige afkomst blijkt uiteindelijk zijn grootste hinderpaal geweest te zijn. Zijn hele leven moest hij die verdomde status van bastaard overcompenseren met een overdreven zelfverzekerdheid die dicht aanleunde bij arrogantie en militaire stoerdoenerij. De laatste jaren slaat de wijzer helemaal over in de ander richting en is de man tot inkeer genomen. Zijn bewogen leven is op de keper beschouwd finaal op niets uitgedraaid.