Het debacle van Westrozebeke

Filips van Artevelde en zijn Gentenaars plegen een staatsgreep en nemen de macht over Vlaanderen. Dat laten de Fransen niet zomaar gebeuren. Via de Leie bij Komen komen ze plunderend het land binnen. Het komt tot een dramatische veldslag aan de mistige Goudberg van Westrozebeke. De Franse revanche voor de verloren slag van Kortrijk in 1302 is een feit.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

1382 en 1383 zijn geen boerenjaren geweest voor de Westhoek. Dat is wel het minste wat ik kan zeggen. Ik heb intens meegeleefd met het beleg van Ieper tijdens de zomer van 1383 en was erbij toen Filips van Artevelde, de leider van de Vlamingen, de confrontatie aanging met het Franse leger ergens in de mistige en modderige velden van Westrozebeke.

Een rommelmarkt bij mij in de buurt doet me tijdens de zomer van 2015 weer herinneren aan het illustere Westrozebeke. Geheel bij toeval kan ik er de hand leggen op een treffelijk exemplaar van ‘Jaerboek der stad en oude Casselry van Kortryk’, een boek vol kronieken ooit neergeschreven door Jacques Goethals-Vercruysse. Hoewel zijn naam nergens op de omslag vermeld staat. Het werk dateert van 1814 en werd gedrukt door Louis Blanchet, boekdrukker en boekverkoper in de Leiestraat. Van de auteur wordt geen melding gemaakt. Ik moet het stellen met de vermelding dat de gegevens verzameld werden ‘uyt menigvuldige auteurs en handschriften’.

Enkele jaren geleden maakte ik al kennis met zijn 75 handgeschreven boekjes die me de ‘Chronyke van Cortryk 1289-1382’ opleverden. Ik ben toen blijven steken bij de pogingen van de Fransen om de Leie over te geraken ter hoogte van Komen. Een vervolgbezoek aan de Kortrijkse bib stond nog op mijn programma. Met de aankoop van het boek hoeft dit voorlopig niet meer. Ik glunder en giechel als een onvolgroeide puber terwijl ik door het jaarboek blader. De teksten zijn geweldig geschreven en brengen me op geen tijd weer aan de Leie van de winter van 1382.

De naam van Westrozebeke ruist door mijn hoofd. Wat daar gebeurde op 27 november 1382 is zonder meer een hallucinante mijlpaal geweest in de geschiedenis van Vlaanderen. Vreemd genoeg is de veldslag op de Goudberg in mijn kronieken van de Westhoek blijven hangen als een randfenomeen van de revolutie die de Gentenaars op gang brachten tegen de graaf van Vlaanderen. En toch was het gebeuren hier in dit desolaat buitengebied meer dan zomaar ‘collateral damage’.

De tijd lijkt me rijp om de geschriften van Jacques Goethals-Vercruysse dit keer echt eens een keer te gaan gebruiken om Westrozebeke in de kijker te zetten als protagonist, mijn hoofdrolspeler in het drama dat West- en Oost-Vlaanderen daar ergens in de laatste decennia van de 14de eeuw beleven. De keuze van de titel ‘Het debacle van Westrozebeke’ is vlug gemaakt en zegt voldoende. Oorlog zal wel altijd synoniem staan met debacle, maar voor de confrontatie op die heuvel in het hartje van de provincie kan ik me geen betere term inbeelden.

Ik spoel de wijzer van de tijd terug tot begin 1382. Een ‘rewind’ die me verplaatst in de huid van nogal wat mistevreden Vlamingen. De make-over van het Kortrijkse jaarboek zal opnieuw een mengeling worden van mijn eigentijdse taal waarbij ik me altijd opnieuw en met volle teugen laat bekoren door het aantrekkelijk Vlaams van vroeger. Hopelijk zijn jullie het met me eens. Daar gaan we.

1382. Wouter van Eecke is in dat jaar aangesteld als proost van Kortrijk. De Gentenaars beleven de ongemakken van een oorlog die ze zelf ontketend hebben. Het gebrek aan levensmiddelen speelt hen de nodige parten. Op 24 januari kiezen ze Filips van Artevelde als nieuwe leider. De man is de zoon van Jacob, een man die hun stad en zelfs heel Vlaanderen met veel roem heeft bestuurd tussen de jaren 1337 en 1345. De moeder van Filips, Katelijne de Coster, kwam uit een oud adellijk geslacht van Kortrijkse kasteelheren. De nieuwe aanvoerder was eerst getrouwd met de dochter van ridder Daniel van Halewyn. Zijn tweede vrouw blijkt nu Jolente van den Broucke te zijn.

Filips van Artevelde zorgt er voor dat de leiders van Brabant, Henegouwen en Luik in actie schieten en bij de graaf een algemene vergadering afdwingen. Deze conferentie zal doorgaan in Harelbeke. Ook de gedeputeerden van de grote steden van Vlaanderen zullen er aanwezig zijn. Ze willen met zijn allen proberen om tot een vredesakkoord te komen. Een perfecte vrede. Die van Gent sturen er twaalf van hun belangrijkste personen naar toe. Er komt inderdaad een ontwerpakkoord uit de bus: tweehonderd notabelen van de stad Gent zullen in de handen van de graaf worden gegeven. Een soort onderpand voor vrede.

Bij de opgeroepen personen zitten er een paar tussen die betrokken waren bij de vorige oproer en die vrezen dat ze hun borgstelling wel eens met hun leven zullen moeten bekopen. ‘De stad is verraden’ roepen ze in koor. Gisbrecht de Gruutere en Simon Bette stonden aan het hoofd van de Gentse onderhandelaars daar in Harelbeke en dat zullen ze niet zomaar naar hun graf dragen. Tijdens de daaropvolgende volksvergadering wordt het tweetal vermoord door toedoen van Pieter van den Bosche en Filips van Artevelde.

Achteraf loopt iedereen weer in de wapens. Het kasteel van Hansbeke, de thuis van de heer van Halewyn, wordt door de bende van Artevelde overmeesterd en verwoest. De wetenschap dat hij getrouwd is met één van de nichten van Halewyn doet blijkbaar niets ter zake. Het krijgsvolk van de graaf dat in handen is van zowat alle sterkten in de buurt van Gent, gaat onmiddellijk over tot de bezetting van het hele Gentse hinterland. Ze letten er nauwgezet op dat er geen voedsel meer kan worden getransporteerd naar Gent-stad. Acute hongersnood is natuurlijk een gevolg van deze blokkade. De levensomstandigheden tijdens de maanden maart en april 1382 zijn penibel. Af en toe kan een lading levensmiddelen aangevoerd worden uit Luik en Brabant, maar voor een bevolking zoals die van Gent is dat allemaal maar een druppel op een hete plaat.

François Ackerman (hier trouwens omschreven als Francies Akkerman), één van de belangrijkste lokale bevelhebbers, vertrekt naar Brussel om er te praten met de hertogin. Hij brengt er tot in de kleinste details verslag uit over de ellende die de Gentenaars moeten ondergaan. Niet zonder enige moeite kan Margaretha haar man Lodewijk van Male ervan overtuigen om een nieuwe vergadering te beleggen. Die zal doorgaan met Beloken Pasen te Doornik.

De twaalf Gentse afgevaardigden zijn al vroeg tijdens de paasweek in Doornik aanwezig en dat is ook het geval voor Filips van Artevelde. De graaf van zijn kant verwaardigt zich niet om af te komen en laat de Gentenaars het wat uitzweten. Hier zou het werkwoord ‘chambreren’ het best illustreren wat de Kortrijkse kroniekschrijvers bedoelen. Na dagen van wachten besluit de graaf om Arnout de Lalaing, de proost van Harelbeke, en drie van zijn hovelingen vanuit Brugge ernaartoe te sturen.

De boodschap die ze meebrengen is kort en bondig: de Gentenaars moeten zich in alle genade en ongenade overgeven aan de troepen van de graaf. Artevelde druipt af. Hij arriveert mistroostig in Gent en stort zijn stadsgenoten in de grootste wanhoop. Er zit niets anders op dan andere middelen te zoeken om de hongersnood aan te pakken. Op 2 mei vertrekt een leger van 5.000 uitgelezen mannen richting Brugge om de stad en de graaf in de tang te nemen. Het is een gedurfd en vooral onverwacht manoeuvre van een kat in het nauw.

Lodewijk van Male moet zich verwonderd hebben om de brutaliteit van die van Gent die het aandurven om Brugge te omsingelen en zich op te houden dicht in de buurt van de stadsmuren. Beverhoutveld. Daags na de Heilig Bloed processie stuurt hij 30.000 Bruggelingen naar buiten om de Gentenaars een lesje te leren. Blinde overmoed, misprijzen voor de tegenstander en een gebrek aan krijgsdiscipline zorgen er voor dat ze zich laten ringeloren door de Gentenaars en halsoverkop moeten vluchten naar het centrum van Brugge.

De rollen zijn nu omgekeerd. De Gentenaars jagen die van Brugge voor zich uit en storten zich met geweld op de binnenstad. Moord en dood zijn het gevolg. De graaf kan zich overnacht ternauwernood uit de voeten maken. Hij rept zich in slaaptenue tot aan de parochie van Sint-Michiels. Hier treft een verbijsterde en vermoeide Lodewijk een van zijn voornaamste ridders aan. De man heet Robert Marissael en samen vluchten ze te voet de velden in en bereiken ze een of ander dorp waar ze bij een arme man een ongezadeld paard op de kop kunnen tikken.

Met zijn twee op een ongezadeld paard, ik zie het zo voor mijn ogen. Via Roeselare bereiken ze in de vooravond (rond 17 uur) de veiligheid van het kasteel van Rijsel. Nogal wat andere ridders zijn op identieke manier kunnen wegvluchten uit Brugge en bevinden zich nu eveneens in dit Rijsel. Het Vlaamse volk wordt op 21 mei 1382 opgeschrikt door een aardbeving die zich eveneens laat voelen in Frankrijk en in de andere buurlanden. De Gentenaars zijn er op dat moment al deels in geslaagd om de rollen om te draaien.

Artevelde verzekert zich de volgende weken van de macht over de Vlaamse steden. Met uitzondering van Dendermonde en van Oudenaarde. Op alle plaatsen zorgen de Gentse kapiteins voor een vernieuwing van de lokale stadsbesturen. Nieuwe baljuws, schouten, wethouders en publieke ambtenaren moeten er voor zorgen dat de neuzen in Vlaanderen allemaal in dezelfde richting kijken. De nieuwelingen moeten allemaal hun eed van trouw aan de Gentenaars afleggen. Wie verdacht wordt om aanhanger te zijn van de graaf wordt als gijzelaar naar Brugge getransporteerd.

In Kortrijk is het niet anders. Artevelde arriveert er met veel krijgsvolk en hij wordt er ontvangen alsof hij de graaf in persoon is. Filips blijft een kleine week in de stad. Van hieruit stuurt hij op 11 mei een heraut naar Oudenaarde om deze stad op te eisen, maar de bode wordt beschimpt en naar de afzender teruggestuurd. Diederik Damman en Floris van Heule voeren er het bevel in opdracht van de graaf en zijn niet van plan om zich te laten doen door Artevelde. Die laatste zweert op de ondergang van Oudenaarde, in Kortrijk verandert hij van magistraat en van stadsbestuur, laat de nieuwelingen hun eden afleggen waarna hij terugkeert naar zijn thuisstad Gent.

Op 24 mei doet Filips van Artevelde zijn intrede te Ieper. Precies op het moment dat er zich enkele hevige naschokken van de aardbeving laten gevoelen. De aarde trilt weer en er zijn een aantal slimmeriken die de schuld daarvan leggen bij een aantal Ieperse priesters die de beving veroorzaakt zouden hebben wegens hun volgehouden steun aan de graaf. Ze worden opgepakt, schuldig bevonden aan toverij en onthoofd. Leve de obscuriteit van de middeleeuwen.

De Oudenaardse edellieden blijven toegewijd aan hun graaf. Enkele ridders van Kortrijk behoren ook tot dit kamp. Floris van Heule, Diederyk Damman en Jan Baronaige zijn er present en houden de stad bezet en beveiligd. Ze riskeren trouwens nogal wat uitvallen tot aan de poorten van Gent en proberen de toevoer van levensmiddelen naar die stad zoveel mogelijk te beletten. Hun acties zorgen er voor dat Artevelde het onderste uit de kast moet halen om zijn stadsgenoten van voeding te voorzien. Op het einde van de meimaand eist hij van de Kortrijkzanen en van de inwoners van de andere Vlaamse steden om zich gewapend aan te bieden voor een beleg van Oudenaarde. Om zijn militaire actie te financieren komen er nieuwe belastingen die zich laten gelden over heel Vlaanderen.

De aanhangers van de graaf krijgen op hun beurt instructies om zich te verweren en zich te scharen achter de vrome ridder Daniel van Halewyn die de verdediging van Oudenaarde op zich zal nemen. Graaf Lodewijk zorgt voor extra mankracht. Honderdvijftig lansiers, allen kloeke wapenmannen, honderd voetboogschutters en tweehonderd ferme knapen met pieken en schilden. De graaf is verbitterd op die van Kortrijk omdat ze zich zonder enige tegenstand zomaar vervoegd hebben bij het kamp van Artevelde. Hij laat een deel van hun gijzelaars die hij vasthoudt in Bapaume onthoofden.

Op 9 juni neemt het Vlaamse leger zijn posities in tegenover Oudenaarde. Naar verluidt bedraagt de getalsterkte wel 100.000 man. De strijdmacht is voorzien van zwaar oorlogsmateriaal. Zo zie ik bijvoorbeeld een kanon met een lengte van vijftien meter (50 voeten) dat in staat is om zware stenen ballen af te schieten.

Het geluid dat het tuig produceert is indrukwekkend. Hoorbaar tot op een afstand van vijf mijl en een zekere schrijver maakt zelf gewag van tien mijl tijdens de nacht. Het lijkt wel of alle duivels van de hel aan het uitbreken zijn. Terwijl deze troepenmacht zich rond Oudenaarde concentreert, profiteert Artevelde van het luchtledige op andere plekken in Vlaanderen. Een divisie van 1.100 man vereert de buitengebieden en het platteland met tal van bezoeken waarbij de kastelen en de landgoederen van de ridders het zwaar te verduren krijgen.

Plunderen en verdelgen, geven de kronieken aan, in heel het land blijft er geen hofstede of kasteel meer overeind die toebehoort aan een edelman. Verbrand, ten gronde verwoest en als er tot slot niets meer overblijft, trekt de brigade van Artevelde over de Leie te Waasten en gaat het richting Rijsel waar ze verscheidene windmolens met de grond gelijkmaken. De dorpen in het omliggende worden in de as gelegd.

De Rijselnaars proberen de verwoesting van hun buitengebieden te voorkomen en ze brengen een leger van 40.000 man op de been. De Gentenaars zien een confrontatie met dergelijke overmacht niet zitten en slaan op de vlucht. Een aantal onder hen worden gevangen genomen en wat later in de binnenstad van Rijsel onthoofd. De plunderaars richten hun vizier nu op het Doornikse ‘alwaar zij ook alle soort van kwaad bedreven, en, onder andere, ’t vier staken in ’t kasteel en dorp van Helkijn en andere omliggende parochies die alsdan aan de koning van Frankrijk toebehoorden, en keerden dan overladen met overgrote buit weder in hun leger voor Oudenaarde’. Zo proeven jullie meteen ook de taal van de oorspronkelijke geschriften.

Ondertussen zijn de Gentenaars Deinze binnengevallen. Deze stad werd bezet gehouden door de edelen van de graaf die er dus niet in slagen om dit bolwerk in handen te houden. Het resultaat is er naar: al hetgeen er recht staat wordt nog maar een keer in brand gestoken en verwoest. Graag Lodewijk bevindt zich in de Artesische stad Hesdin en heeft het grootste hartzeer over de wandaden van zijn oproerige onderdanen. Hij zal zich vooral machteloos voelen omdat hij niemand nog tot onderdanigheid kan dwingen. Als hij de macht over Vlaanderen terugwil, dan heeft hij absoluut de hulp van de Franse koning nodig. Hij zoekt contact met zijn schoonzoon Filips de Stoute, de man die getrouwd is met zijn dochter Margaretha van Male. Filips is de hertog van Bourgondië en de oom van de jonge 14-jarige koning Karel. Via dit kanaal probeert hij militaire steun los te weken bij het Franse establishment.

Lodewijk heeft succes. Een bijeengeroepen rijksvergadering van de Franse elite, toont zich bezorgd over de toestand in Vlaanderen en besluit om in te grijpen. De nodige bevelen vertrekken nu om een machtig leger te mobiliseren en om asap alle krijgsuitrusting in gereedheid te brengen. Filips van Artevelde is natuurlijk ook niet dom en probeert zijn acties en die van het Vlaamse volk bij de koning van Frankrijk te verantwoorden en te rechtvaardigen. Er vertrekken brieven aan de koning met vragen om zijn hoge bescherming. Maar de boodschappers worden ‘beschimpelijk’ ontvangen en zelfs in hechtenis gesteld want ze hebben zich zonder vrijgeleide op Frans grondgebied gewaagd.

Artevelde is er boos om. Een naïeve, wereldvreemde boosheid, want wat anders kon hij dan wel verwachten? Op 1 juli 1382 stuurt hij brieven naar Kortrijk en naar de andere Vlaamse steden met een expliciete vraag om een verbond te smeden met Engeland. En dat is natuurlijk de aartsvijand van Frankrijk. Twaalf kopstukken van de steden (één iemand van Kortrijk) moeten hun beleg van Oudenaarde staken en na een overleg met Artevelde reizen ze naar koning Edward om met hem te onderhandelen.

Ze keren onverrichter zake terug van over het kanaal. Edward weigert trouwens onder meer om een grote som geld die hij nog van de Vlamingen geleend had in de tijd van vader van Artevelde terug te betalen. Het betrof een lening om het beleg van Doornik en Calais te financieren. Hoe dan ook; de revolterende Vlamingen staan er alleen voor op het moment dat de Fransen zich klaarmaken om hun gebieden in het noorden weer tot de orde te roepen.

De graaf is ondertussen terug in Atrecht. Zijn entourage legt de nodige druk op zijn schouders om wraak te nemen op de tweehonderd notabelen die hij nog als gijzelaars vasthoudt. Onder andere verscheidene mensen uit Kortrijk. Ze zitten allemaal in gevangenissen; ‘zeer nauw te water en te brood met dagelijkse bedreigingen om onthoofd te worden’. Lodewijk beseft natuurlijk wel dat de burgers helemaal niets te maken hebben met wat er aan de gang is. Ter ere van God en van de Heilige Maagd worden ze in vrijheid gesteld. Enfin; ze mogen beschikken als ze zweren van hem trouw te blijven en na de betaling van een behoorlijke som geld. De gijzelaars mogen nu verhuizen naar Rijsel, Douai of andere steden die hem trouw zijn gebleven en moeten daar de herstelling van de rust afwachten.

Er gaat een zomer voorbij zonder nieuws. Pas op het einde van september 1382 laten de Kortrijkse schrijvers opnieuw van zich horen. De Bruggelingen hebben een aantal burgers van Doornik opgepakt en in hechtenis genomen. Die willen zich op hun beurt revancheren en ze nemen nu enkele Kortrijkzanen gevangen. Artevelde moet tussenkomen in de onderlinge geschillen en kan het regelen dat de gevangenen wederzijds in vrijheid kunnen gesteld worden.

Op 16 oktober zijn de gedeputeerden van het Franse hof in Doornik gearriveerd. Ze schrijven brieven naar Gent, Brugge en Ieper en ook naar het Brugse Vrije met een dringende oproep tot vrede en om zich te schikken onder de gehoorzaamheid van hun graaf. Vier dagen later krijgen ze het antwoord van Artevelde op hun bord: de Fransen stellen zich partijdig op tegenover de Vlamingen. Er kan geen sprake van vrede zijn zolang de steden van Oudenaarde en Dendermonde niet in zijn handen worden gesteld.

De Gentse arrogantie druipt er van af. De boodschap wordt overgemaakt aan de Franse koning die zich ondertussen al in Péronne bevindt en die er uiteraard niet om kan lachen. Het enig gevolg ervan is dat er nog een tandje bijgestoken wordt bij de opbouw van de troepenmacht. Op 1 november arriveert de puber-koning in Arras en van daar gaat het naar Lens en Seclin. De Vlamingen voelen de hete adem van het Frans leger al in de lucht hangen.

Filips van Artevelde is op zijn hoede en verlaat zijn standplaats in de regio Brugge. Hij geeft orders aan Pieter van den Bossche om met een divisie zwaar bewapende Vlamingen op te trekken richting Komen waar de overtocht van de Leie beveiligd moet worden. Pieter de Winter krijgt gelijkaardige bevelen om hetzelfde te gaan doen in Waasten. Alle bruggen tussen Meereghem en Kortrijk moet afgebroken worden. De aanwezige schuiten en scheepjes dienen vernietigd te worden. Van den Bossche heeft natuurlijk zijn tijd nodig om ter plekke te geraken in Komen. Lodewijk de Haese, een bastaardzoon van onze graaf, dixit een jonge en stoute ridder die zich wil onderscheiden met enige kloeke daden, attaqueert de streek rond de Leie met een onverhoedse charge.

Samen met honderdtwintig wapenmannen, ridders en schildknapen, voert hij een charge uit op Komen. De burgers die de stad uitvluchten worden achtervolgd. De streek slaat alarm. ‘Men klipte de klokken op alle de dorpen daar omtrent, en de landslieden kwamen van alle zijden gewapend aangelopen, zo dat die ruiters zich niet langer daar dorsten vertrouwen en terugkeerden.’

Het duel speelt zich af ter hoogte van de brug over de Leie in Komen. De Vlamingen zijn in groten getale toegestroomd en houden de doorgang bezet. Een deel van de constructie wordt zelfs afgebroken en deels met mest gecamoufleerd waarop ze zich zelf verdekt opstellen en de komst van de bende van de Haese afwachten. Het wachten duurt niet lang. Ik schakel even over op de rechtstreekse commentaar van de jaarboeken voor me: ‘wanneer de ridders met gevelde lancien op hun aanvielen, zo dat zij de doortocht vrij ziende, op de brugge reden. Het gelukte aan omtrent dertig andere van daar over te geraken, maar de brugge dan brekende, onder de volgende, is er een deel van deze zwaar bewapende ruiters in de riviere gevallen en verdronken.’

Ridder Jan de Jumont verdwijnt ook in de Leie maar hij kan zich uit het water redden waarop hij zwaar toegetakeld wordt aan hoofd en lijf door de ‘schichten’ van de Vlamingen. De breuk van de brug veroorzaakt paniek bij de graafgezinden die nu alles in het werk stellen om te ontkomen aan de wraakzucht van de Komenaars. ‘Ze trachteden alleszins te vluchten ofte over te zwemmen, maar zeer vele, waar onder de kastelein van Willon en de ridders de Bouchars, St. Hilaire en Hendrik van Duffel, en meer als zestig andere verdronken of wierden omhals gebracht, aan de overige ten meerder dele gekwetste, lukte het nog, ter nauwernood te ontkomen.’

Artevelde moet in zijn nopjes zijn met de lokale zege, maar de kronieken blijven er toch bescheiden bij. Ze laten me weten dat hij van Brugge naar Ieper vertrekt in het gezelschap van Pieter van den Bossche. Ze worden er in stijl ontvangen. Filips en Pieter en hun brigades gaan wat later poolshoogte nemen van de toestand in Komen. Ze geven er het bevel om de brug deels los te maken van de oever zodat die in geval van nood onmiddellijk kan verwijderd worden. In afwachting kan de ponton verder gebruikt worden door de landslieden die er met hun goed en met hun beesten nog de oversteek kunnen doen.

De leider blijft vijf dagen in Ieper. Hij zorgt er voor dat de oevers van de Leie voldoende beveiligd en bemand zijn en daarna gaan hij en zijn mannen te paard naar Oudenaarde. Een van zijn mensen draagt zijn wapenschild. Een zwart geval met de afbeelding van drie zilveren hoeden. Ondertussen komen ze langs in Kortrijk waar het gezelschap twee dagen blijft en verder werkt aan de beveiliging van de Leiekanten.

Koning Karel verhuist op 3 november naar Seclin. Connestabel De Clisson en de maarschalken komen er in discussie met zijn adviseurs. Oorlog voeren in dit jaargetijde is best gevaarlijk. Aanhoudende regens en bittere koude zullen zorgen voor gezwollen rivieren. De oevers zullen veranderen in brede en moerassige meersen. ‘Waar begint de Leie eigenlijk zijn loop?’, vraag de connestabel. Dat blijkt in Lysbourg, enkele mijlen verder dan Arien-aan-de-Leie te zijn. Hij stelt voor om Vlaanderen binnen te vallen vanuit de linkerzijde van de rivier. Er zal een soort van afleidingsmanoeuvre nodig zijn om de Vlamingen te verrassen. Maar uiteindelijk wordt er toch beslist om de oversteek te wagen ter hoogte van de Leie in Komen.

De volgende dag verplaatst de koning zich naar de abdij van Marquette. Een leger onder het bevel van de Franse maarschalken rukt op in de richting van Komen en Waasten. 1.700 wapenmannen, 700 voetboogschutters en 4.000 voetgangers die gewapend zijn met schilden, pieken en bogen. Het voetvolk wordt aangevoerd door de ridders Joos Van Halewyn en de heer van Rambures. Eigenlijk zijn het een soort van genietroepen. Ze moeten de wegen herstellen, de hagen, bomen en bossen die de doortocht kunnen belemmeren afkappen en waar dat nodig is moeten grachten en putten opgevuld worden.

Op maandag 17 november arriveert de Franse voorhoede voor Komen. De brug blijkt er effectief afgebroken, een overtocht van de Leie is onmogelijk. Temeer omdat er meer dan 9.000 Vlamingen in slagorde opgesteld staan aan de linkeroever. Pieter van den Bossche bevindt zich op de kop van de losse brug. Met een bijl in de hand, schrijven de kronieken, het lijkt wel een pose. De Clisson stuurt zijn volk een mijl terug achteruit. Zijn mannen moeten op zoek gaan naar alternatieve oversteekmogelijkheden. Maar die zijn er niet te vinden. De Fransen zitten met een probleem en besluiten om ter plaatse te overnachten.

Er vertrekt een boodschapper naar Rijsel met de vraag om enkele schuiten via wagens naar Komen te laten voeren. Met die schuiten zal geprobeerd worden een bruggenhoofd te maken. Ik heb in het verleden de bewuste periode al enkele keren beschreven, maar nooit heb ik die zo uitvoerig gedocumenteerd geweten als hier in het jaarboek van Kortrijk. De schrijver ervan moet in het bezit zijn van interessante Franse bronnen. De extra accenten maken mijn geschiedschrijving in elk geval completer en dat stemt mij tevreden.

De details vliegen me om de oren. De heer van Simpy en enkele andere ridders hebben zich in alle geval voorgenomen om zich met een stoutmoedige actie te laten onderscheiden. Het is dit gezelschap dat naar Komen afzakt, met de gevraagde schuiten bij zich. Voorts hebben ze de nodige touwen, planken en staken geladen. Ze lossen hun materiaal een stuk zuidelijker dan Komen, op een beschutte plaats en buiten het gezicht van de Vlamingen. Aan weerszijden van het water wordt een staak geplant, een touw over het wateroppervlak verbindt beide staken en zorgt er voor dat de schuiten aan de andere zijde kunnen worden getrokken. Ik krijg een lijst van notoire ridders voorgeschoteld. ‘ten getalle van ruim honderdvijftig, meeste alle ridders van hoge edeldom’. Met zijn allen steken ze de Leie over en gaan ze zich verstoppen in een klein bos aan de overkant. In afwachting van de komst van nog meer versterking.

De connestabel wordt op de hoogte gebracht van de oversteek en stuurt zijn neef, een of andere pipo van Rieux, ernaartoe om poolshoogte te nemen van de toestand wat verderop aan de rivier. Die vindt er niets beter ook dan zich bij het gezelschap aan te sluiten. De hoofdmacht vindt het maar een riskante onderneming. Als ze door de Vlamingen betrapt worden, zullen de Franse waaghalzen het met hun leven bekopen. Hij besluit om een afleidingsmanoeuvre uit te voeren en begint met een beschieting van de Vlamingen.

Licht geschut en een massa van ‘schichten en ballen’ vliegen over de Leie. De Vlamingen antwoorden met gelijkaardige beschietingen. Enkele kilometers stroomopwaarts slagen de Fransen er in om een klein legertje aan de overzijde te loodsen. 16 banieren, 30 standaarden, 400 man, de ‘bloem van het ridderschap’, allemaal zonder hun knechten en gemene krijgslieden’. Ze voelen zich voldoende sterk om door de meersen en het slijk naar het noorden te sluipen, richting de Vlamingen in Komen. Het gebeurt allemaal onder leiding van de heer van Simpy.

De Vlaamse mannen krijgen ze na korte tijd in de gaten. Hoe zijn die Fransen godverdomme over de Leie geraakt? Tot aan Kortrijk is er geen enkele brug meer over? Pieter van den Bossche probeert rustig te blijven. Hij verbiedt zijn soldaten om het relatief klein groepje indringers aan te vallen. De drassige Leieboorden zullen hun vooruitgang wel stremmen en onmogelijk maken. Er zal sowieso geen gevaar uitgaan tegen hun eigen groot leger. En dus blijven de Vlamingen stilzwijgend geschaard rond de geaccidenteerde brug in Komen.

Aan de overzijde is de connestabel er niet gerust in. Zijn Franse ridders lopen grote risico’s. Hij heeft ze verboden om de brug te benaderen wat gezien de meerderheid van de vijand neerkomt op een zelfmoordactie. Het enige wat hij kan doen om zijn mannen te beschermen, is de aandacht van de Vlamingen af te leiden en om zelf aan te vallen. Zo komt het dat een menigte van ridders en schildknapen plots met houten ribben en planken naar de brug oprukt in een poging om de oversteek te realiseren. Franse afweerschutters proberen ondertussen met man en macht de Vlaamse afweer te neutraliseren.

Half november zijn de dagen kort. Met het invallen van de duisternis staken de Fransen hun pogingen. ‘Beide partijen moeten nu het aankomen van de dag verbeiden’. De ridders die door de meersen sluipen, moeten de hele lange koude nacht met hun voeten in de modder blijven staan. Zonder eten of drinken, zwaar bewapend. En de hele nacht blijft de regen naar beneden gutsen. Ik klappertand haast bij het omschrijven van de miezerige omstandigheden en de kouderillingen van de sukkelaars.

Kort voor dageraad worden ze dan nog overvallen door de Vlamingen. Ook dat nog. De Fransen hebben zich echter goed geconcentreerd opgesteld en verdedigen zich in gesloten slagorde tegen de aankomende zwaardslagen van de vijand. Ze schreeuwen er op los en dat geeft blijkbaar de indruk aan de Vlamingen dat ze met meer zijn dan gedacht en dat andere hulptroepen ook al de oversteek hebben gemaakt. De manschappen van Artevelde zijn er vrij licht gewapend op af gegaan en leiden hierdoor gevoelige verliezen tegen de zwaarbewapende ridders.

Er gaat veel Vlaams volk verloren. Pieter van den Bossche deelt eveneens in de malaise want hij krijgt een zwaardsteek in de schouder en raakt gewond aan het hoofd. Zijn lijfwacht, dertig kloeke knechten, kunnen hun kopman maar ternauwernood ontzetten en van het strijdtoneel wegdragen. Er zit niet veel anders op dan te vluchten en terug te keren naar hun beginposities aan de brug. Ze worden nu natuurlijk achterna gezeten door een bende gemotiveerde Fransen die bloed ruiken en die onderweg al een aantal woningen in brand steken. Hun kompanen aan de andere kant van de rivier zijn ondertussen volop in actie geschoten en slagen er deze keer wel in om over de gehavende brug te stormen.

Bij het krieken van de morgen van de 18de november staat de hele Franse krijgsmacht op Vlaamse bodem. De Vlamingen deinzen achteruit en proberen dekking te zoeken in het open veld. Er zijn boodschappers vertrokken naar de omliggende dorpen met een vraag om hulp, de paniek moet onbeschrijfelijk zijn. Dat lees ik trouwens in de taal van de Kortrijkse jaarboeken: ‘Men klipte geweldig de klokken op alle dorpen. De vlucht der vrouwlieden en onweerbare mensen met al wat zij konden wegvoeren was schrikkelijk, een groote menigte kwam naar Kortrijk gevlucht.’

Het baat allemaal weinig. De Vlamingen hebben bij het nieuws van de Franse doorbraak in Komen hun verdedigende posities in Waasten, Wervik en Menen achtergelaten en hebben nu natuurlijk vrij spel gegeven aan de Franse indringers. Die vallen nu als briesende leeuwen het Vlaamse land binnen, ‘te lande waart in, alles rovende en brandende waar zij konden aangeraken.’ Menen wordt helemaal geplunderd. Wervik ondergaat hetzelfde lot, ‘dat boven dies nog gans door ’t vier vernield wierd en alle de menschen die zij er nog vonden, vermoord.’

Hier voel je dat oorlog meer is dan enkele lijnen opgeblonken tekst. Het is de pijn, de intense vrees, de panische angst, het verliezen van je geliefden. De letterlijke en figuurlijke agonie van lijf, leden en geest. De hulpeloosheid en de onmacht tegen de brutaliteit van vreemde soldaten die hun wraak uitspuwen en zich zonder medelijden of empathie uitleven in een orgie van geweld en bestialiteiten. Mijn onmacht om de telkens terugkerende tragiek van de oorlog met een fileermes te omschrijven staat in scherp contrast met de dramatische horror die mensen allemaal voor zichzelf moeten ondergaan.

De Vlamingen krijgen hun versterkingen vanuit West-Vlaanderen, maar die helpen allemaal niet. Ze kunnen onmogelijk stand houden tegen de overmacht van de oprukkende Fransen. Een deel slaat op de vlucht naar Ieper en de rest zoekt hulp in Kortrijk. Drieduizend Vlaamse mannen worden ter plaatse afgemaakt en dan reken ik nog niet de slachtoffers mee die sneuvelen tijdens de chaotische vlucht.

Ze zijn trouwens zo bijgelovig geweest om hun standaard te laten dragen door een vrouw van slecht gedrag. Gelukkig kan er nog een beetje humor af. De dame in kwestie heet Marie Jetrud, een naam die nu vermoedelijk Marie-Gertrude zal zijn. Ze had de Vlamingen er vooraf van verzekerd dat, als zij de eerste Fransman tot bloedens toe kon kwetsen, ze dan allemaal de ‘volkomen victorie’ zouden halen. Het draait natuurlijk helemaal anders uit en mijn Marie-Gertrude wordt al van bij het begin van de gevechten gedood.

Vlaanderen is in 1382 nog behoorlijk rijk en heeft die rijkdom vooral te danken aan de weverij van stoffen en laken. De oorlog heeft de handel tot stilstand gebracht en de pakhuizen puilen uit van de voorraden. Een bekoorlijke buit voor de Fransen. Geen enkele stad is naar evenredigheid rijker dan Wervik die trouwens vermaard is omwille van zijn hoge ouderdom. De Fransen sparen er hun wreedheden niet. Vooral de Bretoenen, Normandiërs en de Bourgondiërs laten zich in kwalijke zin opmerken. Maar de Bretoense soldaten zijn de wreedste, staat er neergeschreven.

Ze verkopen hun buit op het ‘Hooghe’ bij Ieper. Kopers uit Doornik, Douai, Rijsel en Atrecht slaan er de slag van hun leven. Dure en exclusieve lakens kunnen ze nu kopen aan de soldaten voor een spotprijs van één gulden per stuk. De Fransen blijven natuurlijk niet hangen aan het Hooghe. ‘Korts daarna is het Frans leger afgedaald naar Ieper, alwaar op lijfstraffe verboden wierd dat men geene andere tale mochte gebruiken als de Franse, altijd iets kwaads vindende in de Vlaamse taal, om dat zij die niet konden spreken, noch verstaan’.

De komst van de Fransen zorgt voor oproer in de stad: ‘de wethouders en andere ambtenaren wilden de stad aan de Fransen overgeven, en Pieter hun gouverneur, die aldaer van Artevelde gesteld was, wilde het beleg afwachten’. De burgers zien een beleg hoegenaamd niet zitten. Er zijn wel Engelse hulptroepen op komst, maar die zullen er nooit in slagen om binnen te geraken en zonder hun hulp zijn ze helemaal niet opgewassen tegen de overmacht die de Fransen etaleren.

De zaken worden op de spits gedreven. De Gentsgezinde gouverneur Pieter en enkele edelen worden geliquideerd en de Ieperlingen nemen het heft weer in eigen handen. Ze sturen twee Predikheren naar de Franse koning met een verzoek om vergiffenis en met de melding dat de stadspoorten wagenwijd openstaan voor de komst van de Fransen. Blijkbaar is de delegatie wat aan de magere kant. De geestelijken keren terug en er wordt een nieuwe afvaardiging gevormd. Twaalf burgers gaan nu onder leiding van de abt van Voormezele richting Franse koning.

‘Hem te voet vallende, gaven zij de sleutels van de stad, met offer van 40.000 guldens te betalen, tot het onderhoud zijnder troepen, de welke gegeven wierden aleer hij in de stad is gekomen, op voorwaarde dat hunne stad niet zoude geschonden worden, noch de burgers geplunderd worden, ’t welk aldus geblooft, aangenomen en volbracht wierd.’

Die van Ieper hebben gezorgd voor het eigen veiligheid, maar hebben zich allerminst bekommerd om de veiligheid van de mensen buiten de stadswallen. Een bende Franse ruiters zaait nu verderf op het platte land en bezondigt zich aan allerhande boosheden. Zo moet Poperinge een bloederige raid ondergaan. De Vlaming en de Vlaamse taal zijn kop van jut als ik het zo lees: ‘ze gebruikten nergens nog genade, noch barmhartigheid ten opzichte dat zij altijd de Vlamingen boven alle andere volkeren hadden gehaat om hun trotsheid en grote vrijheid.’

De vrijwillige overgave van Ieper wordt gevolgd door die van zowat alle steden in het Westland. De inwoners van Cassel, Bergen, Broekburg, Veurne, Duinkerke, Poperinge, Torhout, Roeselare, Belle en Menen nemen de door Artevelde aangestelde bevelhebbers gevangen en leveren die uit aan de Franse koning. Ze maken van de gelegenheid gebruik om hem om genade te verzoeken. De simpele burgers krijgen al bij al een triestig antwoord, de koning gaat akkoord, maar, ‘behalve dat al hun vee en andere goederen moest blijven tot buit van de soldaten, doch dat al hun huizen, hoven en lichamen in ’t minst niet beschadigd zouden worden.’

Zo worden de arme mensen beroofd van hun levensmiddelen. Graaf Lodewijk is er niet over te spreken. De Fransman heeft hem niet eens betrokken bij de onderhandelingen. Zijn gezag bij het Franse hof staat wel op een heel laag pitje. Het lijkt er op dat hij niet eens bekeken wordt als de graaf van Vlaanderen. De uitgeleverde bevelhebbers van de Vlaamse steden worden allemaal onthoofd. De executie vindt plaats op de brug van Ieper, een plek die ik onmogelijk kan lokaliseren.

Koning Karel en zijn hofhouding blijven vier dagen in de stad. De Bruggelingen krijgen de gelegenheid om er op hun beurt vrede te maken met de Fransen en dat wensen ze eigenlijk ook wel te doen. Maar die van Brugge zitten in de tang van de Gentenaars. Artevelde houdt nogal wat van hun medeburgers als onderpand in verzekerde bewaring te Gent en dan zijn er nog 7.000 Brugse mannen gemoeid in het beleg van Oudenaarde. Die zouden ‘zekerlijk ongelukkige dagen gesmaakt hebben.’

Pieter van den Bossche voelt de Brugse twijfels. Hij eist totale trouw en overgave en verzekert hen dat ze samen in staat zijn om de Fransen terug naar de overzijde van de Leie te verdrijven. ‘Hebben we dat dan niet gekund tachtig jaar geleden?’, vraagt hij, en ‘met diergelijke beloften stilde hij een weinig hunne benauwdheid.’

Een gezant van de Engelse koning Richard is ondertussen gearriveerd in Calais om er te praten over een verbond met Artevelde. De gouverneur van Calais raadt Willem van Frenton aan om even te wachten met die gesprekken want blijkbaar staat Filips van Artevelde klaar om zelf in de clinch te gaan met het Franse leger. De confrontatie zal plaats grijpen in Rozebeke, dat is dus nu al geweten. Maar waarom zouden de Engelsen nu op dit moment het risico nemen om zich ermee te bemoeien? De beloofde versterking blijft dus veiligheidshalve gekazerneerd in Calais.

Filips van Artevelde stelt zich aan het hoofd van 9.000 Gentenaars en vertrekt uit zijn thuisstad. Een gelijk aantal volk van het Vrije, de Vier-Ambachten, Geraardsbergen, Aardenburg, Damme, het land van Waas en uit andere gewesten komt zich bij hem aansluiten. Samen met zijn leger bij Oudenaarde beschikt hij nu over een leger van 40.000 vechtbare mannen.

In het zuiden hebben de Fransen Ieper achter zich gelaten. Ze zijn nu op komst om Brugge ‘aan te randen’. Voor beide legers is het moeilijk om zich te verplaatsen want onophoudelijke regenval heeft de wegen zo goed als onbruikbaar gemaakt. De Kortrijkse kroniekschrijvers ventileren plots hun eigen mening. Verrassend toch wel. De lokale pers spuwt zijn gal uit over de Gentse aanvoerder: ‘Artevelde, vergeten hebbende dat hij de Brugse victorie zo inniglijk van God afgesmeekt had, schreef nu de zelve teenemaal toe aan zijn eigen macht, verstand en kloekheid, zich inbeeldende dat hij haast stond meester te worden van geheel Frankrijk.’

Hun kritiek houdt maar niet op: ‘De Fransen hebben altijd benauwd geweest een veldslag te wagen tegen de Engelsen, doch vrezende dat de vijand zonder arbeid Brugge zou hebben ingelopen, langs de poorten welke hij zelfs had geslecht en afgeworpen, komt van Oudenaarde naar Kortrijk en van daar naar Roeselare om zo, zonder vrees het leger der Fransen in ’t gemoed te komen.’

Een mens zou het bijna over het hoofd zien, maar er zit ondertussen nog altijd een pak burgers en soldaten vast binnen de vestingen van Oudenaarde. Het beleg sleept al zes maanden aan en de hele tijd is er geen sprake geweest van enige aanvoer van voedsel. De belegerden krijgen het benauwd, warm en koud, het lijkt er wel op dat ze van de honger zullen omkomen. Wie mijn hoofdstuk over het beleg van Calais heeft gelezen, weet welke taferelen zich daarbij afspelen. De sukkelaars sturen een boodschap naar de hertog van Bourgondië. Terwijl ze sterven van ontbering zullen ze onmogelijk weerstand kunnen bieden aan de Gentenaars en dreigt de stad dan ook in hun handen te vallen. Een precieus detail blijft zich vasthaken in hun overlevering.

Wanneer Artevelde vertrekt naar Kortrijk cirkelen er grote groepen kraaien boven zijn troepen. Ze hebben nog de moed om hem achterna te roepen: ‘gaat, gaat naar de dood, die uw lichaam zullen eten, vliegen boven uwe hoofden’. Enkele adviseurs van Filips van Artevelde ontraden hun leider om de confrontatie aan te gaan met het Franse leger. Eén van hen is de heer van Herzele. De winterse omstandigheden zullen sowieso het Franse leger doen ‘verflauwen’. Hendrik Carpentier, de secretaris van Artevelde heeft een andere mening en hij krijgt het meest gehoor. Het gevecht mag eigenlijk niet uitgesteld worden. De steun van de Bruggelingen en die van het Brugse Vrije hangt aan een zijden draad.

Hoe langer hij wacht, hoe groter de kans wordt dat de Bruggelingen hun stad zullen openzetten voor de Fransen en met hen in verbond zullen treden. Kijk maar naar wat er gebeurd is in het zuiden van de provincie. Er duikt weer zo’n detail op: Herzeele die beseft dat zijn raad niet zal opgevolgd worden, verwondt zich aan de eigen voet en vertrekt met veel gestes naar Gent om er verzorgd te worden. Ondertussen ben ik aanbeland op 5 november 1382. Artevelde vertrekt uit Roeselare om de vijand tegemoet te gaan. Hij vindt een ideale legerplaats in de velden van Westrozebeke dat in die dagen nog zo mooi en puur ‘Roosebeke’ wordt genoemd. Het Vlaamse leger stelt zich zo op dat ze onmogelijk kunnen overvallen worden. De troepen voeren overvloedige voorraden krijgs- en levensmiddelen met zich mee.

Er moeten zich ongetwijfeld bronnen van de Kortrijkse jaarboeken in dat kamp bevinden en die vertellen veel zaken die ontbreken in de gebruikelijke verslaggeving van de slag van Westrozebeke. De accenten en de nuances van geschiedschrijving spelen alweer hun goddelijke rol. De nacht voor de veldslag is er volop plezier bij de mannen. Volop spijs en drank en andere geneugten die de moraal moeten versterken. Tussen de vele roemers wijn door steekt Artevelde zowaar nog een speech af. Ik maak er op mijn beurt een eigentijdse versie van.

‘Niet bang zijn mannen’, orakelt Artevelde, ‘we hebben al die Engelse hulptroepen niet nodig. We zijn sterk genoeg op ons eigen’. ‘Achteraf zouden die dan toch de pluimen op hun hoed willen steken. We kennen die mannen. Wij Vlamingen zullen de adel van Frankrijk en van Vlaanderen zelf wel verpletteren. Jullie moeten de vijand vermorzelen en wie medelijden heeft, zal later zelf de nodige lijfstraffen moeten ondergaan. Ik wil geen krijgsgevangen zien, alleen maar dode Fransen, jullie mogen niemands leven sparen.’

‘Van de Franse koning moeten jullie wel afblijven. Ik heb medelijden met het manneke, hij is niet eens zijn kinderjaren gepasseerd, hij weet niet wat hij doet en wordt geleid en bestuurd door de begeerte van anderen.’ Artevelde is behoorlijk overmoedig. Zou het de drank zijn of is hij nu eenmaal zo? ‘We zullen de Franse koning met alle eer naar Gent brengen waar we hem de Vlaamse taal en onze zeden zullen aanleren’. Hij ratelt maar verder; ‘De rest, mannen, of het nu prinsen of graven zijn, we zullen ons wreken met hun bloed en hen zonder enige vorm van genade doden’. Wie over de Leie gekomen is, zal nooit meer naar zijn thuis in Frankrijk terugkeren.’

In Kortrijk hebben ze het ook in de mot. Grappig. ‘Welke woorden, welke onbedachte verwaandheid, welke onbeschaafde ijver wordt hier ten toon gespreid. En allemaal door het drinken van die wijn!’ Aan de Gulden Berg blijft alles tot middernacht in vermaak en geneugte. Anno 2015 is er sprake van de Goudbergstraat in de buurt van Passendale, niet zo ver westelijk van de ’s Graventafelstraat en de Westrozebekestraat. Aan de ene zijde van de Gulden Berg vieren de Vlamingen feest aan de andere zijde worden de zwaarden gescherpt.

Ik haal er even mijn stafkaarten bij. De Goudberg bevindt zich op een hoogte van vijftig meter boven de zeespiegel. Het Franse leger wacht de slag af in de buurt van de Paddebeek en de Bornstraat die op een hoogte van dertig meter aangegeven staan en in het zuidwesten liggen. Als Artevelde en de mannen zich aan de andere zijde van de heuvel bevinden, dan zal dat vermoedelijk in de buurt van de Brieke, de Katte en de Engelse beek zijn.

De feestvierders zijn amper in slaap gewoeld als er zich vanop de heuvel wapengekletter laat horen. Het lijkt er zelfs op dat er daar al gevochten wordt. De angst slaat hen om het hart. Zijn de Fransen nu op dit nachtelijk moment tot de aanval overgegaan? Enkele stoute wezels wagen zich naar de Gulden Berg en stellen vast dat het een vals alarm is. Filips van Artevelde die door een wakende vrouw werd gewekt, legt zich opnieuw te slapen.

De ochtend van de volgende dag breekt aan. 26 november 1382. In het kamp van Artevelde beginnen de mannen al vroeg hun lichaam te versterken en hun wapenuitrusting aan te trekken. Tijdens het verkleden spreken ze elkaar moed in. Peptalk zoals zo vaak te zien bij voetbalwedstrijden waar de winnaar al ruim vooraf bekend is. Ze vertrouwen er op dat de Vlamingen de slag zullen winnen.

‘Terstond zijn zij alle op de berg gelopen die des nachts hun ongeluk had te kennen gegeven.’ De soldaten stellen zich op de Gulden Berg in gesloten slagorde op. ‘Is dat nu onkunde of verwaandheid?, vragen ze zich in Kortrijk af. Hun versterkte legerplaats is volledig afgedekt en versterkt en die laten ze plots zo maar achter om zich op te stellen ergens in de openheid van het landschap. Het strafste is nog dat ze de karren en wapens in hun kampplaats onbeschut achterlaten.

De Vlaamse strijders luisteren alleen maar naar de ijdele woorden van hun aanvoerders. Ze willen zich vandaag onsterfelijk maken. Artevelde houdt zich bezig met het opstellen van zijn Gents leger, 9000 man die hij het meest betrouwt. Hij beschikt nog over 60 Engelse ‘schichtwerpers’ die hij huurt van de Engelse koning. De parallellen met voetbalhistories komen nog maar eens piepen in mijn gedachten.

De krijgsmannen van Artevelde zullen frontaal in de clinch gaan met de Fransen. In de eerste rangen worden de Bruggelingen en de Vrijlaten opgesteld. Zij zijn gewapend met lederen riemen en ijzeren bollen. Hun handen zijn bedekt met stalen handschoenen. In hun gordel steekt een groot mes. De pieken en de lansen in de lucht hebben de allure van een bos.

Bij de Fransen heerst er allerminst hoogmoed. Graaf Lodewijk heeft de hele nacht de wacht gehouden bij zijn 600 ruiters. Ik krijg het gevoel dat de schrijvers van de Kortrijkse jaarboeken wel erg graafgezind zijn. De lacherige kritiek over de verwaandheid van de Vlamingen zouden we dus toch wel beter met een korreltje zout nemen. De Franse koning laat bij het aanbreken van de dag een misdienst celebreren. Het kan allerminst kwaad om te bidden voor de overwinning en om Gods zegen af te dwingen.

Mattheus van Vienne en Guilielmus van Poitiers zullen het paardenvolk aanvoeren. Wat bezielt de Vlamingen om zo maar hun kampplaats te verlaten? De Franse bevelhebbers zijn er niet rouwig om. Tot gisteren waren ze niet zeker van hun zaak. De strijd is een dubbeltje op zijn kant. Gisteren hebben ze nog 140 dappere soldaten tot ridder geslagen. ‘Om de gemoederen nog kloeker te maken.’

Ze vragen zich af of ze hun koninklijke ‘standaard’ naar boven moeten halen, de auriflamme. Die wordt steevast gebruikt in oorlogen tegen de Moren en de ongelovigen. Maar nooit eerder bij confrontaties tegen christelijke vijanden. In die dagen hebben de Fransen hun eigen paus, die van Avignon, terwijl de Vlamingen hardnekkig vasthouden aan de traditionele paus van Rome. Voldoende alibi dus om de bewuste standaard uit de kast te halen als symbool van een strijd tegen de Vlamingen die ze gerust als valse katholieken mogen bestempelen.

De toon is gezet. Bij het opkomen van de zon verdwijnen de dikke mist en de nevel die het gezicht op de vijand onmogelijk maakten. De Fransen zijn beducht geweest voor de ‘smoor’. In diezelfde mistige omstandigheden hebben ze tachtig jaar geleden in Groeninge slaag gekregen en de schandelijke nederlaag van Kortrijk 1302 ligt nog altijd op hun levers.

De Vlamingen hebben het vooral koud. Ze staan al uren in de winterse ijzigheid. Zijde aan zijde zijn ze maar wat blij om eindelijk de gevechten te kunnen openen. De eerste stenen worden richting vijand gekatapulteerd. Aan Franse kant is het de voorste gevechtsrij van de Franse koning die eerst in actie treedt. Die met de standaard bij zich. Ze worden terstond teruggejaagd door de Vlamingen waarbij enkele van de Franse edelen het leven laten. De Vlamingen raken er nog overmoediger door, ze wanen zich al bij voorbaat de overwinnaar van dit duel en gaan als razenden in de aanval.

Ze stormen af op de beide vleugels van het Frans leger. Vechten kan het moeilijk genoemd worden. Wurmen, stoten en prangen, het ene lichaam tegen het andere. Het bos van worstelende Vlamingen wordt na korte tijd al helemaal in de tang genomen door het gros van het Franse leger. De boogschutters zitten als ratten in de val. In dit kluwen van mensen kunnen ze niet eens hun handen vrijmaken om hun pijlen af te vuren. De ene verhindert de andere om het lichaam te bewegen.

Allemaal zijn ze krampachtig bezig om een plaatsje te zoeken om bij de vijand te geraken. Het Kortrijks verslag spreekt boekdelen: ‘Zij beletten elkander het lichaam te bewegen, en alle die plaatse zochten om op den vijand te lopen, wierden door andere opgehouden en weggestoten, ’t geene een groot geschreeuw en beroerte maakte onder de Vlamingen.’ Maar niet iedereen is zo gehaast om tot bij de Fransen te komen. De koninklijke en christelijke standaard die tegen hen gericht is, maakt grote angst los bij de Vrijlaten. Veel zin om te vechten en om hun leven op het spel te zetten hadden ze al niet. Ze slaan massaal op de vlucht, gevolgd door de Fransen en in groten getale gedood.

De naam Guldenberg heeft in niets weg van zijn heerlijke voorganger Guldensporen. Twintigduizend, ik schrijf het nog even in cijfers, 20.000 Vlamingen blijven dood achter op het slagveld of worden tijdens hun vlucht om het leven gebracht. De confrontatie duurt niet veel langer van een half uur. Veel bloed is er niet gevloeid verneem ik. De Vlamingen hebben het zichzelf aangedaan. Een Heizeldrama avant la lettre. Weer eens die vergelijking met voetbalse omstandigheden.

‘De victorie wierd niet behaald door dapperheid ofte arbeid, maar scheen openlijk van God alzo beschikt te zijn.’ Veel bloed is er niet gevloeid. Het merendeel van de doden is er gekomen door versmachting en verplettering. Alleen wie kon vluchten werd door de Franse vijand gedood. De lijken van Filips van Artevelde, Jacob De Ryk en Jan Herman blijven achter op het slagveld. Net zoals die van enkele leiders van de Gentse witkapbrigades. Hier in Kortrijk zijn ze er niet helemaal zeker van dat het lichaam van Artevelde gevonden is. Er zijn bronnen die beweren dat de leider op ‘een vork van de Fransen zoude gesteld geweest zijn.’

De Gentenaars zijn meteen hun autoriteit over Vlaanderen kwijt. Op 27 november zijn de kansen helemaal gekeerd. De mannen die niet vertrokken zijn van hun beleg daar rond Oudenaarde, keren nu met een ei in hun broek naar Gent terug en laten er in paniek hun gereedschap en hun oorlogsmateriaal achter. Een deel van hen wordt achterna gezeten en gedood. Het ongeluk voor die van Gent is dus niet alleen gekomen: ‘dit was het tweede deel huns ongeluks op eenen en den zelfden dag, wanneer zij de belegering van zes maanden hebben moeten verlaten, om het leven te behouden, en met hun achtergelaten levensmiddelen de hongerigen te spijzen.’

Adviseur Hendrik Carpentier, de man die Artevelde de raad heeft gegeven om in confrontatie te gaan met de Fransen, is kunnen ontkomen en gevlucht naar Gent. Hier bekoopt hij zijn advies met de dood. Hij is tegen de wil ingegaan van de meeste Gentse kapiteins en verantwoordelijk voor dit debacle. In Brugge zijn de meningen en de emoties dubbel. Er is natuurlijk de droefheid om hun verloren volk, maar vergeleken met de Gentenaars zijn de Bruggelingen er goed van af gekomen. De manschappen schikken zich onmiddellijk onder het bevel van graaf Lodewijk. Een zekere Christophorus komt nog de 27ste november aan op de Brugse markt waar hij ostentatief de standaard van Lodewijk van Male neerplant.

De bevolking van Brugge stroomt toe daar op de markt. Overal wordt er ‘Vivat de Vlaamse Leeuw’ gezongen, en dat ondanks de angst en de vrees dat de Fransen de stad zullen plunderen en verwoesten zoals ze dat al eerder gedaan hebben in de andere steden van Vlaanderen. Hier in de stad ligt de buit voor het grijpen. De Gentenaars hebben eerder al een deel gepikt. Veel Bruggelingen hebben uit voorzorg de rest van hun zilverwerk en andere kostbare goederen naar Holland en Zeeland versast. Ze weten hoe zeer de Bretoenen (de ‘Bretagnenaars’) en die van Bourgondië (de ‘Bourgognons’) naar de dag hebben uitgekeken om de stad Brugge te mogen beroven en te verwoesten.

De Brugse bevelhebber Pieter de Winter en zijn biechtvader, broeder Nicolaus Craye, pakken hun biezen en hun goederen bijeen en slaan tijdens de daaropvolgende nacht op de vlucht richting Gent. Ze zijn bevreesd dat de Brugse burgers hen zullen uitleveren aan de Fransen en dat ze het zelfde lot zullen ondergaan als hun collega’s in de Westhoek die hun steun aan de Engelsen bekochten met hun leven en ‘op de brugge van Iper waren onthalst geweest.’

Pieter de Winter zal inderdaad wel gehaat worden in zijn stad, weten de Kortrijkse jaarboekschrijvers te vermelden. Elf jaar geleden was hij al eens uit de stad verbannen geworden na enkele moordpartijen. Twee Brugse Minderbroeders mogen het gaan uitleggen bij graaf Lodewijk en zijn schoonzoon. ‘Genade alstublieft’, vragen ze smekend, ‘genade voor de Brugse gezanten die al op pad zijn om zich over te geven en op zoek zijn naar barmhartigheid’. De hertog van Bourgondië is nog niet van de domste moet ik zeggen. Alles wat hij in Vlaanderen vernietigt, zal in zijn nadeel strekken. Brugge is van hem, dus waarom zou hij deze stad vernietigen? Hij belooft hen gehoor en een redelijk mededogen.

Twaalf Brugse burgers bieden zich vervolgens aan in Kortrijk. Ze werpen zich voor de voeten van de graaf en die van de Franse koning, ‘alwaar zij al wenende klaagden dat zij nooit, ten zij gedwongen, de wapens met Artevelde hadden opgenomen.’ Na veel vijven en zessen en veel obligate showtoestanden krijgen de Bruggelingen hun genade en meteen de rekening gepresenteerd. Brugge zal wel het loon van de Bretoense soldaten betalen. Een factuur van 120.000 gouden penningen.

De ‘Bretagnenaars’ zijn al gevorderd tot in Torhout waar ze het verbod krijgen om Brugge te plunderen. ‘Waarover ze zeer knerzelden van spijt’, wat een schitterend woord dat me doet denken aan tandengeknars, en de rest van hun wraak nu richten op Henegouwen. Samen met hun vrienden van Bourgondië richten ze hun steven weer op het zuiden. De hertog van Blois kan echter op tijd een stokje steken voor deze plundering.

En hoe vergaat het Kortrijk in de nadagen van de slag van Westrozebeke? Graaf Lodewijk buigt zich en deponeert zich op zijn blote knieën voor de koning. Maar zijn bidden en smeken wordt geenszins verhoord. Met die jeugdige Fransman kan hij niet zomaar doen wat hij wil. Die wil nog enkele rekeningen vereffenen. Wie niet gevlucht is naar Gent, wordt nu boudweg vermoord. De stad wordt in brand gestoken en geslecht. De oude haat komt naar boven. De Fransen zijn Kortrijk en Groeninge 1302 helemaal niet vergeten.

Koning Karel weet dat de Kortrijkzanen elk jaar opnieuw in de julimaand festiviteiten organiseren om hun Guldensporenslag te vieren, met ‘veel vrolijkheden waar bij ze schimpten op de Fransen ter nagedachtenis dezer victorie’. Er worden in de stad een aantal brieven gevonden die er op wijzen dat enkele Franse dissidenten zich verenigd hadden met de Kortrijkzanen om oorlog te voeren tegen de Franse lelie. Het maakt de wraak op Kortrijk er alleen maar wreder om.

In Brugge zijn ze maar wat tevreden dat ze vrede en vergiffenis hebben gekregen. Ze beginnen hier in snel tempo aan de heropbouw van hun vernielde stadspoorten en van hun stadsmuren. Allen die zich in het stadsbestuur geëngageerd hebben aan de zijde van Artevelde worden gedood. Pieter van den Bossche, de Gentse kopman, heeft het nieuws van de nederlaag vernomen terwijl hij zich in Brugge bevond. Hij is hier gearriveerd na het oplopen van enkele verwondingen tijdens de gevechten bij de Leie in Komen. Hij laat zich met bed en al terugvoeren naar Gent.

De apathie daar is verschrikkelijk. De Gentenaars leven in een soort van trance, de dood van duizenden van hun stadsgenoten zorgt voor een algemene verdwazing. De poorten van de stad staan wagenwijd open. De Fransen mogen er vrij binnen. Van den Bossche ook. Het kan hen allemaal niet meer schelen. ‘Ze maakten geen toestel van tegenweer, schoon niemand zo zeker van de dood was als zij, indien de Fransen eens in hun stad moesten komen, en de verbaasdheid was gedurende drie dagen zo groot, dat zij niet wisten wat aanvallen, en dat de heer van Herzele in geender manier konde vertroost ofte versterkt worden, want zij telden het verlies hun volks alleen op 9.000 burgers.’

‘En ondertussen de Franse edeldom genade verleend te hebben aan die van Brugge, verwachten de Gentenaars ook om genade te verzoeken.’ Dat is zowat de toestand die Pieter van den Bossche aantreft als hij terugkeert naar zijn thuisstad Gent. Hij kampt met wisselvallige emoties als hij dat hier allemaal bekijkt. De burgers krijgen wel onder hun voeten omdat ze de poorten onbewaakt open hebben gelaten, maar hij toont ook wel oog voor hun verdriet en hun droefheid. Maar de oorlog is verre van gedaan. Artevelde heeft zichzelf en 9.000 van zijn medebewoners de das om gedaan door zijn hovaardigheid en zijn verwaandheid. Moest hij zijn leger gelaten hebben waar het stond, dan zouden de Vlamingen onoverwinnelijk geweest zijn.

Met de maand december in zicht moeten ze hier niet bevreesd zijn dat de Franse koning nu nog zal beginnen met een belegering van Gent. Van den Bossche belooft zijn stadsgenoten om nog voor het uitbreken van de volgende lente huurlingen te zoeken om hen bij te staan. Mannen uit Holland, Zeeland, Brabant en Gelderland. François Ackerman zal Artevelde opvolgen als leider en hoe je het ook draait en keert; hij is voorzichtiger en dapperder. Hij zal de oorlog verderzetten, ‘you ain’t seen nothing yet’, de faam van de Gentenaars zal nooit zo groot worden als onder Ackerman. De peptalk van Pieter van den Bossche raakt de gevoelige snaren. Er zal niemand gestuurd worden naar de Franse koning om hem tot genade te verzoeken. Waarom zouden ze?

Die is ondertussen wel zinnens om hun stad aan te vallen, winter of niet. Niet alle Franse aanvoerders zien de winter zitten, ik denk dat ze hier in Kortrijk wijzen in de richting van de voorhoede. De ‘eerstelingen vrezen de moor te wassen’, lees ik. Na wat opzoekwerk in het etymologiewoordenboek ontdek is dat ‘de moor wassen’ het synoniem is van een ‘tevergeefse’ actie.

De aanvoerders van de eerste Franse troepen schrijven een brief aan die van Gent. Ze krijgen een vrijgeleide om tot bij hem te geraken en om er te onderhandelen over verdragen en over een overgave. Als ze dat wensen uiteraard. Pieter van den Bossche is er geen voorstander van om een delegatie te sturen, maar onder druk van zijn medebewoners laat hij zich toch pramen om enkele burgers er naartoe te sturen. ‘Doch zeer onbemachtigd’, staat er geschreven.

Zo komen ze de krachtlijnen van het geëiste verdrag te weten. Eerst en vooral zullen ze hun trouw aan paus Urbanus moet afzweren en zich schikken onder de autoriteit van Clemens. Hun verbond met Engeland dient afgebroken te worden. Een boete van 300.000 gulden ligt op tafel, de wetten van Artevelde zullen in de prullenbak verdwijnen. De Gentenaars moeten zich zeker verzoenen met hun graaf. Een groot aantal pandsmannen zullen in bewaring moeten worden gegeven om verdere rebellie te voorkomen. Ze hebben te kiezen of te delen: ‘ten zij dat zij al deze stellingen dankelijk zouden aannemen, dat de koning hun met de wapens verder zou pramen en verdrukken.’ ‘Nee’, antwoorden ze in Gent. Ze hopen op de komst van Engelse hulptroepen.

Heel Vlaanderen mag zich dan wel geschikt hebben naar de wensen van de graaf en de koning. Hier zien ze iets dergelijks niet zitten. Bevel van de koning of niet, maar graaf Lodewijk zien ze hier echt niet zitten. Van hem kunnen ze onmogelijk nog hoop of rust verwachten. Met Lodewijk van Male zal het in Gent nooit goed komen. Koning Karel is ondertussen vertrokken naar Doornik. Een deel van de Franse troepen zal in Vlaanderen blijven. Vooraleer hij verder reist naar Parijs, stelt hij Johannes van Gistel aan als opperbevelhebber over Vlaanderen en als gouverneur van Brugge.

Ieper komt onder het bevel van de heer van Simpy. Johannes van Jumont wordt de leider van Kortrijk en Willem van Landeghem zal Oudenaarde managen. Iedere stad en iedere sterkte krijgt vervolgens een of andere edele toegewezen, iemand die zich de voorbije maanden in de strijd heeft laten onderscheiden. Aardenburg krijgt de assistentie van 200 Franse ruiters, ‘zo dat geheel Vlaanderen nu bestuurd werd op de naam van Frankrijk.’ Over Lodewijk van Male wordt er met geen woord gerept.

‘De koning vierde den kerstdag tot Doornik, waar hij met zich had gebracht veel rijke burgers van Kortrijk, van welke hij veel geld vraagde en verkreeg.’ Ik lees geboeid verder. Wat hij vraagt is niet min. ‘Niet alleen de mans, maar de vrouwen en kinderen werden naar Frankrijk geleid om dat de afkoop zo veel dierder zoude hebben geweest: geheel Vlaanderen wierd hem toegeschikt tot roof.’ De jaarboeken verschaffen nog meer wetenswaardigheden. De koning logeert in de abdij van Sint-Maarten, Johannes, de hertog van Berry in het paleis van de bisschop. Filips, de hertog van Bourgondië in ‘Het Gouden Hoofd’, de hertog van Bourbon in ‘De Kroone’ en Clisson, de maarschalk van het paardenvolk in ’t Hoofd van Sint-Jacob’. Voor wie er aan mocht twijfelen; ‘deze dry huizen zijnde ten deezen tijde uitspanningen ofte hosteleryen’.

Er komt een harde repressie op gang tegen de Urbanisten, aanhangers van de Roomse paus. Zonder twijfel in naam van God, Jezus en hun hele sliert van heiligen. Dood en verderf in naam van het geloof, waar heb ik dat nog gehoord? Ook nu beslis ik om de oude teksten hun ding te laten doen. ‘De Fransen vervolgden alom zeer scherpelijk de Urbanisten, de welke onmenselijk wierden behandeld, zowel binnen Doornik als elders, tenzij dat zij met veel geld hun aangedane pijniging en dood afkochten. Men verzekert zelfs dat de koning door deze afkopingen zowel van geestelijke als wereldlijke uit Doornik alleen al heeft medegedragen over de 7.000 goudstukken.’

‘Aldus wierden de goeden door de bozen verdrukt en zelfs tot de boosheid gedwongen en weggevoerd. Men geloofde hun niet ten zij dat zij Clemens voor paus van de H. Kerk verkenden. De gevangenen nochtans uit Vlaanderen, over deze zaak redende met onze graaf Lodewijk, vraagden tijd tot de aanstaande Paastijd, om zich te beraden en daar op te antwoorden, ’t welk hun wierd toegestaan.’

Het jaar 1383 moet ondertussen al zijn aangebroken. François Ackerman en Raso Van de Voorde zijn teruggekeerd van hun bezoek aan Calais. Via Zeeland belanden ze in Gent. Hun terugkeer zal dus via de Noordzee zijn moeten gebeuren. Ackerman wordt direct actief als opperbevelhebber en volgt daarmee pas nu Filips van Artevelde op. Er zijn nogal wat Gentse kopstukken geliquideerd het voorbije jaar. Gevangen en onthoofd. François Ackerman stelt nieuwe mannen aan. Jacob Thierry en Arnoud Janssone worden de nieuwe kapiteins. Een zekere Dickele wordt de nieuwe baljuw van de stad Gent.

Voor zijn vertrek naar Frankrijk brengt de Franse koning nog een bezoek aan Brugge. Graaf Lodewijk van Male vergezelt hem. Op de markt treffen ze de lijken aan van enkele opgehangen Bretoenen. Ze zijn ingegaan tegen de bevel van de koning en hebben zich bezondigd aan plunderingen in de Brugse binnenstad. Er is sprake van een raid in de buitengebieden tussen Brugge en Kortrijk. Het grafelijk kasteel te Male heeft het zwaar verduren te kregen. De beeltenissen en de schilderijen van de graaf worden vernield achtergelaten.

In Kortrijk halen de Fransen een schitterende torenklok van de halletoren. Een 24-urenklok en op dat moment één der bekendste uurwerken van Europa. De opdracht komt blijkbaar van de hertog van Bourgondië zelf. Het ijzeren uurwerk bevat onder andere de beeltenissen van een man en een vrouw die op een mechanische manier de uren aangeven door op de klok te slaan. De Kortrijkzanen noemen hen Manten en Kalle en niemand komt zo prima met elkaar overeen als die stalen Manten en Kalle. De torenklok met de beelden wordt op wagens geladen en verhuist naar Dijon waar die op een toren geplaatst wordt in de nabijheid van het portaal van de plaatselijke Onze-Lieve-Vrouwkerk. Manten en zijn Kalle zouden er nu nog altijd moeten hangen.

De wraak om de Gentse opstand, in de nasleep van Westrozebeke, blijft voor beroering zorgen onder de bevolking. Bartholomeus Coelman, de admiraal van de Gentse vloot wordt aangehouden en binnen Sluis onthoofd. Hij krijgt het gezelschap van verscheidene aanvoerders die hun medewerking hebben verleend aan het beleg van Oudenaarde. De meeste vluchtende soldaten zijn doodgewone arme stakkers en die krijgen de toelating om terug te keren naar hun huizen. ‘Indien zij de stoutmoedigheid hadden van met hunne naburen te willen gaan wonen, de welke op hun verbitterd waren, want geheel Vlaanderen, behalve Gent alleen, alsnu onder gehoorzaamheid gebracht was van Frankrijk en van de graaf.’

Niet te verwonderen dat de oorlog in 1383 niet voorbij is. Wie terugkeert naar zijn woning, riskeert zijn leven. De mannen en hun families gaan op zoek naar schuilplaatsen, landlopers zijn het geworden, woningen hebben ze niet meer. Tot dat de Gentenaars hun stad open zetten voor hen, ‘en vrijgeleide gaven aan alle die zich met hun wilden voegen, uit krachte van welke de stad zo opgepropt wierd van volk, dat zij haast wederom in zo groot getal waren als te voren, want het meeste deel van de inwoonders van hun verwoest Kortrijke en Deinze hebben hunne woonplaatsen met vrouwen en kinders binnen Gent genomen.’

Ik weet meteen waarom dat Gentse leger in 1383 dergelijke allure zal aannemen. Dit is geen stadsopstand maar een burgeroorlog waar het hele Vlaamse land aan meewerkt en die zichzelf gaandeweg verder zal gaan opfokken vanuit het centrum van deze stad. Gewone mensen van het platte land zoeken noodgedwongen hun toevlucht hier. De Bretoenen, de Bourgondiërs en de ‘Waals-Vlamingen’ doorlopen op wrede en verwoede manier de provincie en mishandelen de mensen met een vreselijke tirannie, ‘bezonderlijk het mannevolk die zij alle ombrachten.’

Ik blijf even bij het oude Vlaams die de monsterachtige mishandeling van de Vlamingen op papier probeert te zetten: ‘het vrouwvolk, die zij door hunne vleeselijke lust schenen genade te doen, wierden beestelijk mishandeld.’ De wraak van de Franse soldaten, ik noem ze liever crapuul, heeft alles te maken met de wetenschap dat ze voor hun krijgsprestaties niet vergoed werden door hun legerleiding en dan maar zelf zijn gaan zorgen voor geld in het bakje.

‘Hun razernij nam geen einde met hun vertrek naar Artois, altijd op die klacht steunende dat zij met buit en roof hun loon moesten vinden, tot dat de maarschalk van het Frans peerdevolk hun geblooft heeft een rijke vergelding, zo haast den koning tot Parijs zoude gekomen zijn. Het welk met de aankomst van het Frans hof aldaar zo groot bloed-toneel veroorzaakte als in Vlaanderen, door het straffen van de afvallige belhamels, de welke in het afwezen van de koning de oproer in verscheidene plaatsen hadden ontstoken ofte gevoed.’

In Frankrijk gaat het er dus al even krankzinnig aan toe. ‘Terwijl de edeldom van Frankrijk met alle strengheid en wreedheid het gemeen volk verdrukt en met schattingen hun gierigheid blusten, was men in Vlaanderen een weinig van deze lasten gerust’. In de plaats daarvan leven de mensen nu met de vrees voor de Gentenaars en met de angst dat het nu aan de beurt is aan de Engelsen om het landen binnen te vallen.

Ik krijg nog wat informatie rond de vernietigingen die Kortrijk over zich heen heeft gekregen nadat de Franse koning er vertrokken is. Zowat overal in de stad worden vuurhaarden aangestoken wat uiteraard leidt tot een algemene stadsbrand. Van de kerk van Sint-Maarten blijven alleen enkele zwartgeblakerde muren overeind staan. De overlevering laat uitschijnen dat de Onze-Lieve-Vrouwkerk, de kapel van Sint Joris in de Doornikstraat, een huis in de Kortesteenstraat, het huis ‘De Zoete Vrouwe’ in Buda en nog enkele woningen overeind zijn gebleven tijdens de vuurstorm. Ook het kasteel waar de graaf verbleef tijdens zijn bezoek zal gespaard blijven.

Hier in Kortrijk hebben ze het voor een eerste keer over het beleg van Ieper tijdens de zomer van 1383. De Engelsen zijn enkele weken vooraf weer geland op het vasteland en beginnen op 8 juni hun belegering van de stad Ieper. Om het naderen van de vijand te bemoeilijken en te hinderen, steken de Ieperlingen zelf hun voorsteden in brand. De heren van Izegem, Harelbeke, Rollegem en andere ridders springen er in de bres in hun verweer tegen de Engelsen.

De Gentenaars zijn al onderweg om de Engelsen bij te staan en passeren langs Kortrijk die er dan verwoest, verbrand en onbewoond bij ligt. Enkele resterende mensen zijn naar Gent geëmigreerd nadat ze daar de belofte gekregen hebben dat ze daar hun burgerrechten zouden krijgen. Van versterkingen en van schuilpplaatsen is er dan al lang geen sprake meer, maar toch krijgt ridder Jan van Jumont de opdracht om Kortrijk in verzekerde bewaring te houden en om een aanvang te maken van de heropbouw.

De hertog stuurt een garnizoen van zestig Bretoense ruiters ter versterking van het Franse leger dat Vlaanderen bezet houdt. Ter hoogte van Komen lopen die in een hinderlaag en worden de Bretoenen door zowat 200 Engelse ruiters overvallen en gedood. Ook hun aanvoerder, de heer van Sint-Ange behoort tot de slachtoffers. Graag Lodewijk logeert ondertussen in Rijsel. Hij maakt zich zorgen over de kerk van Menen. Als de Engelsen zich daar gaan verschansen kunnen ze de hele stad beschieten. Het kerkgebouw moet dringend afgebroken worden om dat te voorkomen. Hij stuurt er zijn zoon Jan zonder Land (later bekend als Jan van Drincham) en Jan Vandermeulene met zestig ruiters en evenveel boogschutters naartoe.

De Engelsen snappen de bedoeling en vallen het volk van de graaf aan. De twee Jannen verweren zich hardnekkig maar zijn uiteindelijk geen partij tegen deze overmacht. Ze worden gevangen genomen. De Vlaamse adel geeft zich ook niet zomaar gewonnen en vecht voor wat ze waard is tegen de Engelsen. Het blauwe bloed houdt het kasteel van Poeke, in de buurt van Aalter bezet waar ze die van Gent ononderbroken teisteren met hun uitvallen. Rond Deinze is de situatie net omgekeerd. Daar houden die van Gent de kerk en andere kerken en kastelen versterkt en brengen ze op hun beurt de nodige schade toe aan de edelen.

Dat is in het kort de zomer van 1383 volgens de Kortrijkse overlevering. Pas met het schuiven van de augustusdagen komt er eindelijk een volwassen reactie van de Fransen. Op verzoek van de hertog van Bourgondië, komt er dan toch een Frans leger naar Vlaanderen om Filips’ schoonvader Lodewijk uit zijn lijden te verlossen. De Engelsen en de Gentenaars hebben de voorbije maanden Ieper in de tang gehouden en zijn er tot hun grote frustratie niet binnen geraakt. Als ze op de hoogte gebracht worden van de aankomst van de Franse legermacht in Atrecht, wagen ze nog een laatste algemene aanval.

‘Eenen laatsten en hertnekkigen storm op de stad Iper, en zij worden na een gevecht van ’s morgens tot ’s avonds afgeslagen, waarna zij het beleg afbreken, de Gentenaars onder den weg alle de kooren-molens verbrandende.’ Terwijl het Franse leger alles in het werk stelt om de Engelsen van het vasteland te verdrijven, gaat de Vlaamse burgeroorlog onverdroten verder.

Op 17 september slagen de Gentenaars er, onder leiding van François Ackerman in om dan toch Oudenaarde in te nemen. Hierbij wordt de lokale gouverneur Floris van Heule om het leven gebracht. Het wordt voor mij duidelijk dat de tweestrijd zich nu vooral rond de Leie concentreert. Op 24 september vallen de Gentenaars in een hinderlaag wanneer ze hun strijdmakkers komen bevoorraden in de buurt van Kortrijk, Menen en Wervik. Ik leer daarbij een nieuw werkwoord kennen, foerageren, maar ze vallen met proviand en al ten prooi van een bende edelen. ‘Die van Gent worden ten deele in de Leie versmoord, veele gedood en andere gevangen en naar Kortrijk gebracht, alwaar die onthoofd wierden.’

Dickelant, de kapitein die Petegem in opdracht van de Gentenaars bezet houdt, wordt door diezelfde brigade in de tang genomen, hij en het merendeel van zijn volk worden hierbij gedood en dat is zowat het laatste wapenfeit van het jaar 1383 als ik die van Kortrijk mag geloven. Begin januari is er eindelijk sprake van een voorlopige wapenstilstand tussen Frankrijk en Engeland. Ook die van Gent moeten zich ernaar schikken. Wie is er nu eigenlijk de pineut van deze oorlog geweest? Ik vraag het me af, ik kijk nog even achterom? De vele tienduizenden mannen die hun leven kwijtspeelden aan de Leie en tijdens het debacle van Westrozebeke? Er zal wel geen enkele Vlaming meer over zijn die aan het begin van 1384 zijn wonden niet zal moeten likken.

Vreemd genoeg is het laatste slachtoffer in de rij onze eigen graaf van Vlaanderen, een onmachtige, gebiedsgeile en wereldvreemde vorst die dacht alles te kunnen oplossen met geweld, geweld en nog eens met geweld. De sukkelaar. Meer dan een marionet van de Franse kind-koning is hij nooit geweest. Hij wordt daar op 6 januari 1384 voor bedankt met een mes tussen zijn ribben. ‘Ten zelven dage heeft eenen groten storm-wind alhier veel kwaad veroorzaakt’. De ellende is blijkbaar nog niet voorbij.