Het derde Vlaanderen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     323 Views     Leave your thoughts  

De schapen zwerven rond in de Vlaamse schorrelanden
Wanneer precies die grote doorbraak er gekomen is, blijft vrij onbekend. In 1009 is er alleen nog maar sprake van de ‘palleos’. Kijk maar naar het verhaal van onze Barcelonees Robert. De introductie van Engelse schapenwol vanaf 1113 zal wel zijn rol hebben gespeeld, maar talloze geschriften uit die tijd geven aan dat die eigenlijk niet beter en niet slechter is dan de gangbare kwaliteiten.

Dat de Vlaamse lakens hun succes te wijten hebben aan de Engelse grondstof, de stelling van Henri Pirenne, is dus een felle overdrijving van zijn kant. De derde mogelijke succesfactor wijst dus in de richting van de verstedelijking in Vlaanderen. De gebruikelijke uitleg is dat de Vlaamse steden er gekomen zijn door het succes van de lakennijverheid. Maar is het niet andersom? Vanaf de 8ste eeuw zwerven de schapen rond in de schorrelanden van het Vlaamse kustgebied.

Hun wol wordt aanvankelijk verwerkt door de kustbewoners, maar de poorters in de ontluikende steden zoals de vici van Gent en Arras, zouden ook brood gezien hebben om de ruwe schaapswol te bewerken. Derville gelooft er niets van. Voor het jaar 900 is weven bij uitstek een huiselijke activiteit waar vooral de vrouwen aan de haard zich mee inlaten en die daar een stuk van hun horigheid mee betalen aan de abt van bijvoorbeeld Sint-Bertinus. Kijk maar naar die verplichting van één laken per jaar.

Hier en daar zal er wel eens geweven worden in de piepjonge steden. Maar veel zal het niet te betekenen hebben. Dat lezen we gewoon aan de namen van de straten die ontspringen aan de centrale burchten.

1175: het proletariaat spoelt aan in de steden
In Sint-Omer zijn het namen die verwijzen naar zwaarden, leder, ijzer, naar oude ambachten. Maar nooit refereren ze naar textiel of wol. Onze schrijver is er vrij zeker van: het ontstaan van de schaarse Vlaamse steden heeft weinig te zien met de opkomst van de textielnijverheid. De verstedelijking zal ongetwijfeld in latere periodes een voordeel blijken voor de lakenindustrie maar de eerste groei van de grote Vlaamse steden heeft absoluut geen uitstaans met de textiel.

In 1175 wordt dat anders. Het proletariaat spoelt aan in de steden. Immigranten, textielarbeiders. Het ‘gemeen’. Op zoek naar werk in de stad. Ik mis aanvankelijk een deel logica in het verhaal van Alain Derville. Maar die volgt. Hij heeft het eerst uitgebreid over de aanleg van nieuwe steegjes en kwartieren waar de wevers en de volders in miserabele omstandigheden hun leven moeten slijten. Maar waar komen ze vandaan? En als het al textielarbeiders zijn, dan moeten ze toch op het platteland aan het werk zijn geweest?

Tegen 1200 hebben de handelaars de zaken overgenomen
Zo gaan we terug naar Arras in datzelfde jaar 1175. Monnik Guiman schrijft het met het nodige geduld in zijn cartularium van Sint-Vaast. Wie zijn er allemaal cijnzen verschuldigd aan zijn abdij? Hij noemt ze allemaal bij naam. 803 mensen uit de stad, 1.297 uit het ‘suburbium’ van de vijf ‘villae’. De bijnamen zijn nog niet zo lang gemeengoed geworden. De mensen worden nu genoemd naar hun activiteit zoals we al eerder aangaven.

De Wever. De Volder. Bijnamen die preciseren wat de mensen doen in het leven. Het valt op dat de bijnamen die verwijzen naar de textielnijverheid minder talrijk zijn in de steden dan op het platteland. De lakennijverheid in de streek van Arras moet dus aanvankelijk een landelijke bedoening zijn geweest. De lakens die Arras exporteert naar Genua zijn dus producten die doorgaans gemaakt worden in zijn buitenomgeving. Net zoals dat het geval zal geweest zijn met de andere lakensteden. Tussen 1130 en 1136 worden er Ieperse lakens verhandeld in het Russische Novogrod. Maar is dat voldoende reden om deze Vlaamse stad op dat moment als bruisend voor te stellen?

Er zit natuurlijk al een systeem in die uitvoer. Of de textielproducten nu van stedelijke of landelijke oorsprong zijn, één ding is zeker: de Vlaamse lakens zijn overal aanwezig in Europa. Er moeten dus slimme handelaars en stoutmoedige zakenmannen zijn die de nijverheid in handen hebben genomen en de afgewerkte eindproducten via hun netwerken zijn gaan slijten. Ze hebben kwaliteitsnormen opgesteld en er vooral voor gezorgd hebben dat het Vlaams textiel voorzien is van certificaten en labels. Het register van de stedelijke taksen van Sint-Omer bevestigt deze hypothese.

De eerste edities van dit register bepalen dat de lakens door eender wie op de markt mogen worden gebracht en ook door eender wie mogen worden aangekocht, van waar ze ook mogen komen. De wevers zijn dus onafhankelijke producenten. Op de het einde van de 12de eeuw is die bepaling niet overgenomen. Op de markt van Sint-Omer is er geen sprake meer van het kopen en verkopen van laken. Er zijn geen onafhankelijke wevers meer. Het zijn nu de handelaars die de controle hebben overgenomen over de branche.

De excellente prijs-kwaliteit van de Vlaamse lakens
Hoe ziet die relatie tussen de ambachtslieden en die handelaars er dan uit? Een aantal geschiedschrijvers beweert dat de handelaars eigenaar worden van de wol en dat blijven tot dat het product afgewerkt is. De wevers werken niet meer en niet minder dan in loondienst en zijn op geen enkel moment eigenaar van hun producten. Voor de 13de eeuw is dit een fabeltje, lezen we. En of dat het geval is voor de 12de eeuw, is helemaal niet geweten.

Rond 1200 gooien de rijke handelaars het op een akkoord met de schepenen van de diverse steden. De stadsbesturen gaan de textielproducten op vraag van de handelaars strikt reglementeren en onderwerpen aan specifieke normen. Daar komen de labels. De eerste specifieke wetgevingen rond het laken dateren uit 1225. Standaardisering en normalisering zijn nu belangrijke codewoorden geworden. Handelsregisters uit Genua tonen aan dat het Vlaamse laken vaak aan bescheiden prijzen wordt verkocht. Het zijn dus niet altijd die luxeproducten zoals Pirenne pocht in zijn boeken. Zijn dogma heeft verdorie de hele geschiedenis van de Vlaamse textielindustrie bevuild.

De Vlaamse lakens hebben in die dagen een excellente prijs-kwaliteit verhouding die het mogelijk maakt om de handicap van de verre afstand en de transportkosten te overbruggen. Eigenlijk kan je dat best vergelijken met de producten die we kopen uit het Verre Oosten. Zouden we die nog langer kopen, moesten die plots duurder worden dan wat we zelf produceren? Het lijdt geen twijfel dat de lakens geproduceerd uit de wol van Vlaamse schapen van degelijke kwaliteit zijn. Het productieproces wordt in de loop van de 13de eeuw gaandeweg gesplitst en opgedeeld in verschillende productiestadia die achtereenvolgend door een reeks gekwalificeerde arbeiders worden doorlopen.

Doodgewoon kapitalisme en een gezonde handelsgeest
Die indeling en de nodige kwaliteitscontrole en de hele organisatie van de productieprocessen zullen allemaal niet zo van een leien dakje lopen voor de bazen. Het komt er dus op aan om die diverse processen niet te ver van elkaar te laten verlopen. Minder logistieke ergernissen en kosten. Meer controle en overzicht. Hier ligt ongetwijfeld de grootste reden van de explosieve groei van de Vlaamse steden.

Als we de geschiedenis van de Vlaamse steden strippen van alle grootspraak, dan herkennen we een Vlaamse textielnijverheid met uitstekende producten die vanaf het jaar 1000 vermarkt worden door entrepreneurs en dank zijn hun goede prijs-kwaliteitverhouding hun weg vinden in de internationale markten. Diezelfde entrepreneurs zullen er voor zorgen dat die steden pas in een later stadium uit hun voegen gaan barsten.

Eigenlijk komt alles neer op doodgewoon kapitalisme en een gezonde handelsgeest. Geld en middelen, voldoende volume en afzet. Met daarbij een grote koppigheid om maten en kwaliteiten onder controle te houden. Die gezonde handelsgeest is trouwens niet alleen een prerogatief van succesvolle zakenlieden. De abdijen van St.-Amand en St.-Bertinus in de Westhoek laten zich tussen 1150 en 1175 al in die zin opmerken en de landbevolking wordt eveneens slimmer met de dag. Een cartularium uit de St.-Georges-abdij van Hesdin getuigt ervan. De lokale monniken verwerven in het begin van de 12de eeuw een stuk grond.

Waar het gelegen is en welke afmetingen de grond heeft, worden niet genoteerd en is blijkbaar niet van belang. De enige relatie die gelegd wordt is die met het beploegen ervan. De grond kan met een halve ploeg per jaar onderhouden worden. De opbrengsten van het land worden jaar na jaar genoteerd. Tussen 1155 en 1164 zien we een bruuske verandering optreden in de cartularia. Het wordt een vaste gewoonte om het aantal werkdagen, die de mannen nodig gehad hebben op het land, te noteren en vaak wordt ook de exacte plek aangegeven waar er gewerkt wordt.

De lengtematen duiken op rond 1150
De lengtematen duiken op. Een roede. Een halve roede. Zelf de maten van de bomen worden opgetekend en berekend. Vlaanderen ondergaat rond 1150 een nooitgeziene trendbreuk. Het land bevindt zich nog altijd in het feodaal tijdperk. Alleen zijn de ridders nu financiers geworden. Op welke manier zijn onze Vlaamse steden eigenlijk gegroeid? Welke ruimtes worden ingenomen door de uitdijende bevolking? Geschiedkundige studies blijven daar over het algemeen vaag over. Overblijfselen van oude vestingen laten af en toe een glimp zien van hoe de steden er in die dagen zijn gaan uitzien. Maar het is vooral giswerk.

De zoektocht naar de terreinen ‘intra muros’, binnen de muren, of de buitenwijken ‘extra muros’ die ooit dichtbevolkt moeten zijn geweest. Hier en daar ontbreken er zelfs stadsmuren of is het een kwestie van veel jaren vooraleer die er komen. In Arras wordt de definitieve stadsgordel gebouwd vanaf 1100, in Sint-Omer vanaf 1200 en in Rijsel vanaf 1300. Net zoals deze van Brugge en Gent. Vroeg of laat zal die omwalling wel zijn afgeraakt, veronderstelt Derville. Of misschien wel nooit. Het antwoord ligt bij de lokale onderzoekers, maar de resultaten van hun studies zijn meestal ontgoochelend en onvolledig.

Op zich is dat erg begrijpelijk. Het moet een wirwar geweest zijn van opeenvolgende uitbreidingen die er om de meest uiteenlopende redenen moeten zijn gekomen. De archieven zijn tragisch genoeg leeg. De enig overgebleven topografische gegevens blijken uiteindelijk wat er neergeschreven staat in de oude handschriften. De handschriften die de kerkelijke organisaties hebben achtergelaten zijn hier een schoolvoorbeeld van. We denken meteen aan de cartularia van de abdij van Sint-Maarten in Ieper. Ze leren ons in welk jaar er wat bestond aan begraafplaatsen, bidhuizen, kapellen, gasthuizen en kerken.

De straatgang van de heiligen
Zo kunnen we op zijn minst een reconstructie uitvoeren van de parochiale geografie. De graven en de ontvangers van de hospitalen en de broederschappen heffen rentes en taksen op de straten en in de parochies. Een topografische reconstructie op basis van die oude heffingen is er hoe dan ook niet gekomen voor de Vlaamse steden. De kaarten van de reeks parochies in Sint-Omer en Arras scoren het best, maar ook hier is de informatie beperkt tot de ruimte ‘intra muros’. Het kan slechter. Op basis van het stadsplan van de stad van Arras uit 1382 kan worden uitgemaakt dat de kleine parochie van de Madeleine moet overeenstemmen met de stadsgordel van de 10de eeuw.

En op basis van die gegevens kan de schrijver vermoeden dat de kleine parochie van Sinte-Aldegonde ooit de binnenkern geweest is voor het jaar 1000. Verdere informatie komt gek genoeg uit de straatgang van de heiligen. De processies uit de kerkelijke geschiedenis die eeuwen zijn uitgegaan als een soort voorbehoedsmiddel tegen ziektes en onheil. In 1636 worden de relieken van de Audomarese heiligen nog altijd meegezeuld rond de stad en volgen ze de weg van de uiterste vestingen.

De ‘grote ommegang’ is een gezegende rondgang die Sint-Omer moet beschermen tegen de pest. In Doornik kan men vaststellen dat de grote processie die gesticht wordt in 1090 effectief ook de ommegang deed rond de contouren van de vestingen van de 11de eeuw. En ook in Sint-Omer is dit duidelijk ook zo in 1100. In de stad Gent is er maar één omwalling gekend. Ze werd gebouwd rond 1100 en is nooit afgewerkt geraakt.

En wat er zich binnen die omheining bevond is onbekend. Van eventuele buitenwijken is niets bekend. De ontwikkeling van Brugge daarentegen is beter gekend. Volgens Galbert van Brugge, de geestelijke die de moord op graaf Karel de Goede heeft beschreven, is er sprake van een kasteel, een ‘castrum’ en een voorstad, ‘suburbium” die ingedeeld is in een ‘vorburg’ in het noordoosten en de ‘oudeburg’ in het zuidoosten.

In 1127 heeft Brugge nog geen stadsversterkingen
De voorstad is niet versterkt wanneer de dramatische gebeurtenissen er in 1127 plaatsvinden. De totale oppervlakte van het ‘castrum’, de binnenstad, beslaat 86 hectare. Behoorlijk omvangrijk dus en erg verwonderlijk dat er zich hier maar 3 parochies bevinden. Het geheel, de ‘infra septa villae’, bevindt zich binnen een houten palissade. Over de eerste stadsmuren van Ieper, heeft Derville zoals hij het zelf aangeeft en zoals gewoonlijk niets te zeggen. Ik zou wel eens de redenen willen weten waarom hij de stad straal negeert terwijl er lokaal een stadsarchief is dat uitpuilt van de informatie ter zake.

De historici van Douai hebben er ook al niet veel soeps van gemaakt. Hun stad is ontstaan in Ostrevant, op de linkeroever van de Scarpe en rond een graanmarkt, en dat eerste centrum zal rond het jaar 1100 wel beschermd zijn door een omheining. De studie over Rijsel begint pas in 1066 wanneer graaf Boudewijn V al zijn bezittingen in Fins schenkt aan de kanunniken van Sint-Pieters. Twee mansa op een rechthoekig terrein van 48 hectare waar de twee parochies van St.-Maurice, geciteerd in 1066, en St.-Sauveur (in 1144) ontstaan. Dit deel van Rijsel bestaat voornamelijk uit vierkante percelen. Weiden dus.

Het hospitaal van St.-Sauveur dat in 1214 gesticht wordt tussen de kerk en de stadspoort met dezelfde naam, heeft aanvankelijk alles van een grote boerderij. Zou dat uitzicht te vergelijken zijn met dat in Gent, Brugge, Douai, Arras en Sint-Omer? De geschiedenis van Arras is veel beter bekend. De abdij wordt door de Noormannen verwoest in 880, 881 en 883. Abt Raoul heeft dus zo zijn redenen om die te gaan versterken. Zijn ‘castrum’ is initieel 5,25 hectare groot en wordt in de 10de eeuw uitgebreid tot 8 hectare.

Het verhaal van Sint-Omer is veel rijker
Het spoor van de twee rechthoekige vestinggordels vormt precies de grenzen van de parochies. De groei van de stad is daarna op een simpele manier gebeurd in zuidoostelijke richting. Rond 1100 valt de stad in zijn definitieve plooi en is de beschermende ring rond de stad voltooid. Hoewel de buitengebieden wel verder blijven uitdijen tot een ruimte van 74 hectare. Het verhaal van Sint-Omer is veel rijker. Zijn geschiedenis is op en top genereus met gebeurtenissen.

We komen op het spoor van vier opeenvolgende stadsgordels. Zelfs de voorsteden zijn bekend. De eerste rechthoekige omwalling is die uit de jaren 880 en omsluit een binnenstadje van een kleine 4 hectare. Rond de jaren 1000 is de binnenstad verdubbeld met onder andere twee marktplaatsen en heeft de omwalling zich aangepast aan de nieuwe situatie. Vier generaties later, rond 1100, is de nieuwe omwalling, de derde al, een feit. De ommegang van de processie verraadt de nieuwe toestand. Het hart van Sint-Omer is een vierkante zone van 35 hectare. Drie grote mooie kruisen geven de buitengrenzen aan.

Het zijn bakens die aangeven dat er binnen de kruisen cijnzen moeten betaald worden aan een aantal seigneurs. Een ‘voetpenninc’ van één denier per voet voorgevel en het ‘hofstedeghelt’ voor de boerderijen. Er zijn ook de ‘merlinsrente’ en de ‘bauwerc’. Vermoedelijk zullen de kruisen rond 1100 vervangen worden door de stadsmuur die nu de nieuwe afbakening zal finaliseren. De laatste omwalling dateert van 1200 en zal enkele jaren later als voorbeeld dienen voor de gordels van Ardres en Guînes. Ze zal het uitzingen tot 1892-1894. Er komt geen vijfde gordel. Niet dat de groei van de bevolking stopt hoor. Maar buiten de definitieve omwalling is het gebied erg moerassig.

De Sint-Kruisen & Michiels van Brugge, Ieper en St.-Omer
De voorsteden en de buitenwijken groeien er organisch verder maar het is hier onmogelijk om op deze ondergrond nog degelijke stadsmuren te bouwen. Die voorsteden moeten er trouwens al erg vroeg geweest zijn. Van de drie buurten rond het moeras, Haut Pont, Fresque Pissonerie en Ysel is er weinig bekend. Wel dat er aan de grens met de goede grond in 1123 als drie middeleeuwse parochies teren. Saint-Martin-au-Laert is de meest bekende parochie.

Hier hebben ooit de sterkhouders van de abdij van Sithiu gewoond in de tijd van de Franken. Net als in Ieper en Brugge is er verder nog sprake van de parochies Sint-Kruis en Sint-Michiel. Kan het zijn dat de voorsteden van Sint-Omer, Ieper en Brugge in dezelfde periode ontstaan zijn? Is die identieke naamgeving toeval of precies een van boven af geregelde zet bij de bouw van de eerste kerkjes ter plaatse?

Alain Derville heeft het nog uitgebreid over de komst van de respectieve stadsbesturen en de opkomst van de verscheidene stadskeuren. Daarna concentreert hij zich op de vraag waarom de Vlaamse steden precies gekomen zijn op de plaats waarop ze gekomen zijn. Ik bedoel; ruimte zat in Vlaanderen en Artesië en toch steken bepaalde terreinen er bovenuit en vormen ze het decor van een stad. De Franse schrijver vindt het erg ontgoochelend dat er zo veel geschiedenis is geschreven over onze steden, dit terwijl de auteurs niet eens wisten waar hun wegen, straten en kanalen naar toe leidden. Of hoe hoog de steden lagen ten opzichte van de zee en het water. Die wetenschap betekent al een wereld van verschil voor bijvoorbeeld Douai, Brugge en Sint-Omer. In het vlakke land van Vlaanderen maken enkele meters het verschil tussen stevige grond en een modderpoel.

De stad als een ajuin
Vooral de watermolens zijn aanvankelijk cruciaal in de kennis van de waterhuishouding in de steden. Voor het verschijnen van de windmolens in 1180 worden de molens in die tijd trouwens allemaal aangedreven door het water.

‘Elke stad is als een ajuin’, lees ik. De ene huid is op de andere gegroeid. Geconcentreerd en geprangd op de versterkingen van die eerste burcht en dan de schil van de stad met zijn eigen juridische betekenis en dan nog eens een extra pel voor de buitenwijken. Als een ajuin, zijn de steden zich gaan inschrijven in de open ruimte. Als we kennis willen opdoen over het ontstaan van onze steden, dan moeten we met veel geduld die ui gaan pellen en zijn opbouw in kaart brengen. Niet op basis van laattijdige archieven.

De achtergelaten sporen waren niet van dien aard dat ze eeuwen lang zouden meegaan. Er is echt niet veel meer terug te vinden. Misschien kunnen we iets stevig opbouwen met de informatie die we vinden over de inwoners zelf. Hoe ze leefden, hoe ze zich verplaatsten of hoe ze handel dreven? Hopelijk ontstaat er met deze onderzoeksmethode een soort ‘andere’ geschiedenis van de Vlaamse steden.

Eerst en vooral moeten we onze steden gaan plaatsen in de correcte politieke context van de tijd. Voor Vlaanderen is dat meer bepaald de stichting van het graafschap door de eerste graven van Vlaanderen. Boudewijn II (879-918) en Arnulf I (918-964). Vanaf die data vertoont de ontwikkeling van de steden een vrij grote synergie. De eerste burchten van 880 tonen aanvankelijk nog grote verschillen. Cirkelvormig in de pagi van Boudewijn II en rechthoekig in de graafschappen waar zijn neef, de abt Raoul de scepter zwaait.

Vlaanderen krijgt zijn typische trekjes vanaf het jaar 1000
Vanaf het jaar 1000 krijgt Vlaanderen typische eigen trekjes. De grafelijke maatschappij is één territorium geworden met zijn eigen instellingen en voor elke stad een schepencollege met bevoegdheden voor de buitenwijken. De meeste historici beschrijven de geschiedenis van de steden afzonderlijk. Derville houdt niet van die paardenbrilmentaliteit. En eigenlijk heeft hij daar een punt. Mijn kritiek op de plaatselijke aanpak van de toponymie is eigenlijk precies dezelfde.

Alle Vlaamse steden hebben deelgenomen aan dezelfde geschiedenis. Ze hebben zich door dezelfde crisissen geworsteld. Zoals die bijvoorbeeld in 1071 en in 1127 om er maar enkele te noemen. Of deze van 1191-1212 waar het grote graafschap Artesië zich afscheurt van Vlaanderen. Tot op dat moment is er geen sprake van Artesische steden geweest. Enkel van steden van het hoge land. Fysiek gezien kan het oorspronkelijke graafschap inderdaad ingedeeld worden in vier Vlaanderens. Het hooggelegen Artesische gebied, de Vlaamse nederlanden, le ‘plat pays’ zoals Brel het later zal uitzingen. Hoog- en laagland worden gescheiden door een heuvelrug en tot slot is er de kustvlakte.

De ondergrond van het relatief hooggelegen plateau bestaat uit een dunne maar zeer vruchtbare sliblaag die er voor zorgt dan Artesië de graanzolder wordt waar Vlaanderen op teert. De graanmarkten worden hier belangrijk. De immense ruimtes in het hart van de Artesische steden liggen ongetwijfeld aan de basis van de groei van hun bevolking. Hier bevinden we ons in het land van de karren. De wegen zijn inderdaad goed. Met ‘goed’ in de betekenis van ‘droog’. De rivieren zijn daarentegen totaal ongeschikt om te bevaren en dienen enkel om de molens aan te drijven.

Het traagstromende water van de Schelde en de Leie
Het vlakke land bezit amper reliëf. Arm, zanderig oftewel is er de klei en de modder. Reizen is er verschrikkelijk en zelfs onmogelijk in het dode seizoen. Maar de rivieren, zeg maar de Schelde en de Leie hebben traagstromend water, rustig en altijd bevaarbaar. En dat blijft zo als de mens er de hand op legt. Gent zie je zo geboren worden aan de rivier en dus helemaal niet aan een weg. Het contrast tussen deze twee Vlaanderens uit zich natuurlijk ook in de landbouw.

Vanaf het jaar 1000 begint de explosieve vooruitgang van de Vlaamse agro-industrie daar op die eindeloze Artesische hoogvlakte. Noordelijk van die weelderige en dynamische ruimte leiden de arme boeren op het vlakke land een hard en vaak achtergesteld leven. Dat immense verschil moet zich ongetwijfeld etaleren in de identiteit van de verschillende steden.

Het derde en het vierde Vlaanderen
Het derde Vlaanderen, het heuvelachtige land van St.-Amand tot aan Sint-Omer, staat in hechte verbinding met de omringende hoog- en laaglanden. Het gebied bezit niet echt een typisch economisch karakter. Hier vinden de valleien hun thuis. Deze van de lage Scarpe van St.-Amand tot aan Douai. De vallei van de Escrebieux en de Bassée. De vallei van de midden-Leie tot in Ariën die daarna verglijdt in de ‘pas de Flandre’, het bassin van de midden-Aa, meer bepaald de moerasgebieden van Sint-Omer.

De steden van dit Vlaanderen leven niet met elkaar, maar met hun Artesische relaties. Als de streek een belang kent, dan is het vooral een militair strategische plek zoals we trouwens zullen zien rond de jaren 900. Het vierde Vlaanderen vinden we in de maritieme vlakte die zich uitstrekt ‘tra Guizzante e Bruggia’ zoals Dante het ooit zegde. Het zal eerder van Damme tot Calais geweest zijn. Haar geschiedenis is vrij goed bekend. Een problematische welstand.

De schorregebieden zijn bevolkt door immense kuddes schapen die er met hun weelderige wolopbrengst voor zorgen dat de stedelijke lakennijverheid tot leven komt. En dan natuurlijk de polders waar het land bewerkt wordt. Nergens anders in Vlaanderen zijn de boeren zo vrij als hier. Alles heeft te maken met het feit dat ze zelf hun land hebben gestolen van de Noordzee en niet van één of andere feodale heer in pacht hebben gekregen. Rond 1100 is het kustleven erg actief maar laat de verstedelijking op zich wachten. Het land blijft erg lang ongerept. Calais wordt in 1165 wel een stad, maar blijft finaal een kind van de maritieme vlakte.

 

Dit is een fragment uit Boek 4 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>