Het duivelskasteel van Dikkebus

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     522 Views     Leave your thoughts  

Over tijd, ze deien alle jare een jaargetijde, maar ze deien toen vier zakken, honderd kilo, koren bakken voor de werkmensen. Die mensen hadden de groten dienst gedaan, maar geen koren doen bakken. Nu, ’t was binst den nacht altijd gerucht boven, op de zolder, altijd lijk alles door mekaar smijten. Dat was omdat ze dat koren niet doen bakken hadden. Ze hebben toen dat koren doen bakken, ’t was gedaan. Ze peisden dat het dadde was. Nooit geen verkeer meer op de zolder, nooit geen doden meer weregekeerd toen. Dat was een gewoonte overtijd. Ik heb dat geweten. Als er een grote dood ging, er was een brooddeling gedaan. Was het een hele groten, ’t was een grote brooddeling. Was het maar van ten negen en half, ’t was minder. Was het maar van ten negen, ’t was nog een keer minder. Nu, de boeren deien een brooddelinge en de werkmensen gingen naar ’t gemeentehuis erachter. Die mensen hebben dat niet gedaan. Daardoor hadden ze die dode die werekeerde om ’t ulder te zeggen.

’t Was daar een, om een ander benauwd te maken, je kroop op een boom en je ging entwat zeggen om den anderen benauwd te maken als hij passeerde. Maar ’t zat een geest boven hem in die boom en die geest zei entwadde en den dien die wilde benauwd maken viel naar beneden van de schrik. ’t Was een geest die boven hem zat.

Dat was gas van lichamen die in een put begraven waren. Nu begraven ze de mensen in een kelder. Dat gas gaf een lichtschijn. Ze zeien daartegen doodkeirsen. De rest is fantasie.

Op d’hofstee van Cyriel Barbez gingen er drie koeien dood in één week. Heel ’t hof ging bijkan kapot van allerlei toverie. Ze gingen naar de paters en de paters zeien: “Je meugt niemand meer door de koeistal laten passeren”! om naar ’t hof te gaan moest je eigenlijk door ’t koeistal. Ze hebben toen de koeistal gesloten en de mensen moesten langs den anderen kant naar de voordeur. Toen heeft dat opgehouden.

Moeder heeft dikkens (dikwijls) verteld dat er daar in Dikkebus een vrouwe was die er op uit was om bij de kleine kinders te gaan. De mensen vertrouwen ze niet. Ze ging ook vele naar ’t klooster achter medailles en paternosters. De nonnen wilden ze kwijt geraken en ze legden gewijd onder de zulle (drempel). Dat wijf kon er niet over, ze kon niet binnen en ze krees tranen met tuiten. De nonnen wilden die vrouwe nooit noemen, omdat ze te stijf gekend was op Dikkebus. Ze bracht ziekten en malheurs. Door dat gewijd kon ze daar niet meer in dat klooster. Mijn moeder vertelde dat. Dat was in Dikkebus vóór veertien.

Aan de watertoren hier in Dikkebus, bij d’hofstee waar dat Verschoore vroeger woonde, waren er daar ruïnen, puinen en kelders van ’t duivelskasteel. Er was daar spokerij. ’s Nachts kwamen er daar duivels. De oude mensen vertelden dat. Dat kasteel was verzonken en er waren alleen nog stenen en puinen.

Op een hof, ’t gong niet meer. De beesten kwijnden weg, van beuter karnen was er nooit geen sprake meer en ’t was altijd entwadde. Ze vermoedden een die ’t groot kwaad deed en ze verboden hem nog naar ’t hof te komen. Ze gingen naar Pater Smetje en je zei dat ze goed gedaan hadden. Met de slag, ’t was gedaan. Dat waren er die ommegingen met den duivel en alzo konden ze ’t groot kwaad doen.

Vóór veertiene woonde er over “Den Hert” een oud mens. Ze bleef altijd binnen en zag nooit niemand. Ze woonde in een klein huisje met rondom rond bos. Iedereen was er benauwd van. Ja maar, ik ga ze niet noemen. Als ze entwaar een ongeluk hadden met de beesten die slecht kalfden, ze zeien dat dat van haar was!

Waar dat Mauprez daar woont, ’t was ’s avonds, je ging daar binnen. Je vroeg als de boer thuis was. “Ja’j”, zei de boerinne. “Weet je gij dat je schoonzeune dood is”? vroeg Pollet. Ze verschoten geweldig en zeggen ze tegen mekaar: “Me kunnen wij nu toch niet meer gaan, op zo’n heure van den avond”! Dat was verre over Ieper. Ja, over tijd, dat was al per sieze (koets), peerd en sieze, ’t waren geen auto’s over vijftig jaar. Maar Pollet klapte en klapte altijd om algelijk te gaan. Ze wilden niet gaan. Je mochte slapen in ’t perstal (paardenstal) bij Hector. ’s Anderendaags ’s nuchtens, peerd aan de sieze gespannen om er naar toe te rijden. Als ze ginder komen, de boerinne was aan ’t zingen. Iedereen was aan ’t zingen en aan ’t werken. ’t Kwam toen al uit. Hij had daar geern binnengeslapen, mar je moste slapen bij de zeune in ’t perstal. J’had hem daar misrekend.

Dat was bij boer Lemahieu, nu woont Mauprez daar. Op dien avond, ’t waren twee boeredomestieken en z’hadden gaan kaarten. Nu, bij nachte, ze komen naar huis, were naar ulder hof. Dat was Cyriel Boudry en Cyriel Ligier. “Hoe”? zegt den enen tegen den anderen, “’t is nog alsan lucht ’t onzent, zou er een zwijn jongen”? “Ja, ik weet het niet”, zegt Boudry, hij was daar soorte poester (koewachter). Als ze thuis kwamen, ze zagen geen lucht meer, nauwers (nerges) niet. Nu, ze kropen op de perstalzolder en ze sliepen. Dat waren mannen van de bende die altijd hun luchtje aanstaken tegen dat den anderen ging de deure opendoen. Ze wisten dat hij binnen was. Dat was dat dat hij zo geern had binnengeslapen. Je moest de deur opendoen voor d’ander. Also heeft er daar niet voorgevallen. Dat was bij Lemahieu’s.

’t Was daar een, om een ander benauwd te maken, je kroop op een boom en je ging entwat zeggen om den anderen benauwd te maken als hij passeerde. Maar ’t zat een geest boven hem in die boom en die geest zei entwadde en den dien die wilde benauwd maken viel naar beneden van de schrik. ’t Was een geest die boven hem zat.

Verzamelaar: K. Erard
Notulist: Katrien Van Effelterre

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>