Het eiland Leisele

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       8 months ago     351 Views     Leave your thoughts  

De geschiedenis van Leisele – door Albrecht Cossey – uitgegeven door heembibliotheek ‘Bachten de Kupe’ in 1977

Hoofdstuk 1: ontstaan en beschrijving

De gesteenten die gevormd werden tijdens het primair tijdperk (tussen 500 miljoen en 190 miljoen jaar geleden), zoals zandsteen, en deze uit het secundair tijdperk (tussen 190 miljoen jaar en 70 miljoen jaar geleden); bijvoorbeeld krijt, worden in onze streek slechts op zeer grote diepte aangetroffen en hebben dus zeer weinig bijgedragen tot de vorming van ons landschap. Tijdens het tertiair tijdperk (70 miljoen jaar tot 1 miljoen jaar) en het kwartair tijdperk (tot op heden) hebben zich echter geologische formaties gevormd, die van overwegend belang zijn geweest.

Het laatstgenoemde tijdperk kan men in twee delen splitsen. Het eerste deel van 1 miljoen jaar tot 10.000 jaar voor Christus. Deze periode wordt gekenmerkt door een viertal ijstijden. De grens van de gletsjers kwam toen nog ongeveer tot midden Nederland. Alleen de laatste tussen-ijstijd en ijstijd hebben op ons landschap een zekere invloed uitgeoefend. Tijdens de laatste tussen-ijstijd liep de Noordzee opnieuw onder water en spoelde de landtong weg die Engeland met het vasteland verbond. Aldus ontstond het Nauw van Kales.

De laatste ijstijd (120.000 jaar – 10.000 jaar) heeft in onze streek eveneens zijn sporen nagelaten. Tijdens deze periode werden zand-en leemlagen afgezet die door de noorderwinden vanuit de toen droogliggende Noordzee werden aangevoerd. Na de laatste ijstijd (10.000 jaar voor Christus) heerste er opnieuw een zachter klimaat, en dit tot op heden. Dit had tot gevolg dat het waterpeil van de Noordzee opnieuw begon te stijgen.

Later heeft onze kuststreek nog een drietal aanvallen van de zee moeten doorstaan. De eerste invasie deed zich voor van de 2de eeuw voor tot de 1ste eeuw na Christus. De duinengordel, die toen al was gevormd, werd doorbroken en bijna volledig opgeruimd. Tussen de 1ste en de 4de eeuw trok het water zich opnieuw terug. Het is tijdens deze periode dat men in onze kuststreek de eerste sporen van de mens aantreft.

Tussen de 4de en de 8ste eeuw deed zich de tweede overstroming voor. De nieuw gevormde duinen werden volledig weggeslagen. Er vormden zich kreken van 2 tot 5 km breed die tot 10 à 12 km in het land doordrongen. De Ijzer, die vermoedelijk oorspronkelijk via Lampernisse en Eggewaartskapelle te Koksijde in zee uitmondde, werd hierdoor sterk landinwaarts teruggedrongen en kwam toen ongeveer in zijn huidige bedding te liggen.

Hierop volgde er weer een tijdperk waarin het zeewater zich terugtrok. De kreken werden weer opgevuld door afzetting van zand en klei. Deze periode gaat van de 8ste tot de 11de eeuw. De derde en laatste inval van de zee vond plaats in de eerste helft van de 11de eeuw. Ze veroorzaakte een overstroming van het kustland. Historische bronnen gewagen van geweldige overstromingen in 1014 en in 1042.

Bij laagtij lag het eiland, of schiereiland, genaamd Leisele, op een paar vertakking na over Roesbrugge en Stavele, door zeewater omgeven. In ditzelfde werk lezen we dat de rivier ‘De Saltanava’ ontsprong op de hoogvlakte van Leiseleen vloeide in de richting van Hoogstade en Alveringem.

Deze stelling is zeer goed te verdedigen. Nemen we even de stafkaart van het leger ter hand, van welke de gegevens ontegensprekelijk erg natuurlijk zijn. Als we nu de aangetekende hoogtelijnen bestuderen op en rond Leisele, dan stellen we vast dat het hoogste punt (20 m) gelegen is op de Molenwijk te Leisele, meer bepaald tussen de hofsteden van Roger Priem en Gabriël Vandewalle.

De omliggende landerijen, die ongeveer de Molenwijk uitmaken, vormen een plateau die ongeveer 15 meter boven de zeespiegel is verheven. Ten zuiden van dit plateau vermindert de verhevenheid naar het Ijzerbekken toe, zodat dit zuidelijk deel van Leisele tot de Zuid-Ijzerpolder behoort. Het andere en veruit het grootste deel van ons grondgebied behoort tot de polder Noordwatering. Het water van dit gebied vloeit in noordelijke richting en wordt op de wijk De Bonten Hond opgevangen door de Houtgracht.

Zowat 2000 jaar geleden was onze streek een gebied met veel bossen en moerassen. Toen woonden hier de Menapiërs. Ze leefden van de visvangst en de jacht en beheersten de streek van Duinkerke, het zuiden van Cassel, Sint-Winoxbergen, Hondschote, Veurne, Nieuwpoort en Diksmuide. In de nazomer van het jaar des werelds 4073 (55 voor Christus), trok de Romeinse veldheer Julius Caesar met zijn legers naar het westen van Vlaanderen om de nog twee overblijvende weerspannige volksstammen, de Menapiërs en de Morinen te onderwerpen.

Deze laatsten echter verlieten hun woonsteden met al wat ze bezaten om zich te gaan verschuilen in de bossen en moerassen. Van hieruit overvielen ze herhaaldelijk de Romeinse legers en brachten hen zware verliezen toe. De geschiedschrijvers zijn het niet allen eens omtrent de begrenzing van de gebieden die door de twee volksstammen beheerst werden. In tegenspraak met bovenstaande versie, beweren andere kroniekschrijvers dat onze streek door de Morinen zou bewoond zijn geweest.

Er bestaan verschillende opvattingen over de herkomst van de benaming ‘Leisele’. Als algemene regel mag men aannemn dat de plaatsnamen welke eindigen op ‘sele’, moeten afgeleid worden van het woord ‘sala’ (verblijfplaats). Het eerste deel van de benaming geeft een nadere bepaling van deze plaats. Deze plaatsnamen zijn van oude oorsprong en gaan terug tot rond de jaren 600. Carnoy geeft volgende uitleg: ‘Leisele’ betekent ‘Huis’ (plaats) bij de lindeboom.

Het zou volgens anderen echter gewaagd zijn om te stellen dat alle plaatsnamen, die thans eindigen op ‘sele’ hun oorsprong zouden hebben in het woord ‘sala’. Sommigen beweren dat ‘Leisele’ eertijds geschreven werd als ‘Lincela’ en moet afgeleid worden van het Latijnse woord ‘insula’, wat eiland betekent. Gezien de bodemgesteldheid van Leisele, is deze laatste uitleg wellicht ook een aanneembare verklaring.

Ik spring schrijver Albrecht Cossey bij. Wat hij hier in 1977 schreef is behoorlijk correct. In een van mijn kronieken van de Westhoek heb ik het uitgebreid over het belang van de klank ‘ille’ voor wat betreft de plaatsnamen in zowat heel West-Europa. Over heel dat grondgebied hebben de indo-Europeanen tussen 2000 en 1000 jaar voor Christus hun woonplaatsen aan het water met hun oerklanken van toen uitgesproken als ‘illa’, ‘ulla’…. Die klanken hoor je nog altijd in Lille (Rijsel), Leie (Lys), Brielen, Wieltje, Bellewaerde, Lo (Illo), en letterlijk duizenden andere plaatsnamen. En dus zeker ook uitbundig in ‘Leisille’.  Allemaal waterplaatsen, de enig mogelijk woonplekken voor de mensen van die tijd want er waren geen wegen. Alleen via het water konden ze aan voedsel geraken.

De verwijzing naar die lindeboom is pure fictie. Wat betreft mijn stelling over die ‘Ille’, kreeg ik nogmaals een bevestiging tijdens een voordracht van archeoloog Jan Decorte tijdens ‘Poperinge ondersteboven’ van maart 2017. Rond de Bommelaersbeek werden sporen gevonden van bewoning rond -1200. Als je aandachtig luister naar de naam ‘Bommelare’ (Bom”illa”) hoor je daar perfect de verwijzing naar mijn ‘Illa’. Daar aan het water woonden de eerste Poperingenaars. De huidige plaatsnaam Poperinge is er pas gekomen met de komst van de eerste Franken (zie mijn eerdere uitleg over Pauperinga.)

Bomilla kan ik trouwens perfect op één lijn plaatsen met Kemilla, Poperinge en Kemmel verbonden door het water. 

Wordt vervolgd